← Table of contents
Gouden Daden

Drie schoone daden.

Reading edition

Mathieu Martinel was een Fransch officier, die in de eerste helft der vorige eeuw leefde. Van hem zijn in de geschiedenis der menschheid drie schoone daden opgeteekend, wel waardig aan de vergetelheid te worden ontrukt.

Als adjudant van het eerste regiment kurassiers lag hij te Straatsburg, toen het geroep van brand! brand! hem naar buiten deed snellen. Dadelijk begaf hij zich naar het tooneel van den ramp. Een dikke rookkolom wees hem de plaats des onheils. De barakken stonden in brand.

Van alle kanten snelde men toe om naar den brand te kijken, en onder de toeschouwers bevonden zich vele soldaten, doordat de barakken dicht bij de kazerne gelegen waren.

De vlammen grepen snel om zich heen, en van de omstanders maakte zich een groote schrik meester toen hun het gerucht bereikte, dat in de gebouwen buskruit werd bewaard en er ook een duizend patronen lagen opgestapeld. Elk oogenblik kon het vuur daarmede in aanraking komen, waardoor de gebouwen ongetwijfeld in de lucht zouden vliegen. Men ontvluchtte dus zoo snel mogelijk deze gevaarlijke plaats en bracht zich in veiligheid.

Onder de vluchtenden bevond zich echter niet Mathieu Martinel. Zoodra hij zag, welk gevaar er dreigde, snelde hij naar het brandende gebouw, en riep hij een paar soldaten toe hem te vergezellen. Hij wierp de deur open en snelde de trap op, om zich naar het vertrek te begeven, waar het kruit en de patronen lagen.

Een verstikkende rook echter belette hem den toegang! ’t Was hem schier onmogelijk adem te halen. Zijn twee volgers deinsden vol schrik terug en snelden heen. Maar Mathieu gaf zijn poging nog niet op. Hij klom de trap op, door rook en vlammen heen. De hitte was verschrikkelijk. Hij begreep, dat zijn pogen vergeefsch zou zijn, en dat hij in den rook zou stikken of in de vlammen omkomen.

Reeds wilde hij terugkeeren, toen hij zich plotseling herinnerde, dat in het vertrek naast dat, waarin het kruit en de patronen lagen, zich negen zieken bevonden, die niet in staat waren, de noodlottige plaats te ontvluchten.

Neen, nu weifelde de dappere officier geen seconde langer. Rook, vlammen en hitte ten spijt zette hij zijn gevaarvollen tocht voort. Die ongelukkigen mocht hij niet aan hun vreeselijk lot overlaten, en zoo mogelijk moest hij hen redden van een verschrikkelijken dood. Hij snelde voort, zijn oogen gesloten, den mond stijf dicht om den verstikkenden dood niet in te ademen. Zijne haren verzengden, zijne kleeren schroeiden, de vlammen lekten zijne handen, maar hij liet zich niet weerhouden.

Zoo bereikte hij de patronen, die in papier verpakt waren. Hij zag tot zijn schrik, dat die papieren reeds brandden. IJlings rukte hij ze los en wierp ze op eenigen afstand. Toen opende hij het raam, en riep, de brandweermannen toe, hunne stralen op deze plaats te richten.

“Hier! Hier! Water!” klonk zijn kreet.

En men begreep hem. Stroomen van water werden naar binnen geworpen, en in korten tijd waren èn buskruit èn patronen zóó nat, dat van een ontploffing geen sprake meer kon zijn. De zieken, voor enkele seconden nog zoo nabij aan hun dood, waren gered. Zij werden met spoed in veiligheid gebracht.

Dit was niet de eerste heldendaad, die door den braven officier werd verricht. Korten tijd te voren bevond hij zich aan den oever van de snelstroomende rivier de Ill, toen een van zijn soldaten het ongeluk had, in de rivier te vallen. De stroom maakte zich van den ongelukkige meester en sleepte hem met woeste vaart mede in de richting van een watermolen, die door den snellen stroom in beweging werd gebracht. Men hoorde het kletteren van het water, dat van het sneldraaiende rad in den stroom terug viel. Was de ongelukkige eenmaal tot daar afgedreven, dan was hij bijna zeker verloren.

Dit begreep ook Mathieu Martinel, die dadelijk het groote gevaar inzag, waarin de drenkeling verkeerde. Onmiddellijk besloot hij zijn leven in de waagschaal te stellen, om dat van zijn evenmensch te redden.

Tijd om zich te ontkleeden had hij niet. Zonder een oogenblik te weifelen wierp hij zich in den stroom, en zwom tot zoo dicht mogelijk bij den molendam. Daar omklemde hij, met één arm een paal en wachtte, tot de drenkeling hem bereikt had. Met de andere hand greep hij hem krachtig vast om hem in zijn vaart te stuiten, maar dit gelukte hem niet. De stroom was te sterk en trok hem onweerstaanbaar voort naar het gevaarlijke rad, dat door het water snel werd rondgedraaid.

Mathieu Martinel was er de man niet naar, een eenmaal gesteld doel op te geven. Hij liet den paal los, en dook met den drenkeling diep onder water. Stevig hield hij den man omklemd.

De stroom sleepte beiden voort, onder het molenrad door, dat hen niet bereiken kon. Nauwelijks deze gevaarlijke plaats voorbij, sloeg Mathieu de armen uit, den drenkeling met de tanden vasthoudende, en bereikte den oever. Tot zijn groote vreugde bemerkte hij, dat het leven van den soldaat nog niet geweken was. Door den moed en de vastberadenheid van Mathieu was hij gered.

Vele jaren later verrichtte hij zijn derde heldenstuk. ’t Was in den nacht van den 14en Juni 1837 te Parijs. Bij gelegenheid van het huwelijk van den Hertog van Orleans was er eene schitterende illuminatie ontstoken, en op het Champ de Mars hadden duizenden bij duizenden een prachtig vuurwerk bijgewoond.

Toen het afgeloopen was, ontstond er een hevig gedrang bij den ingang van eene passage, die naar het Militaire College leidde. De stroom van menschen was zoo ontzaglijk groot, dat er eene opstopping ontstond, die de verschrikkelijkste gevolgen had. Eene vrouw kreeg het in de opgepropte menigte, waarin bijna geen voortgang was, zoo benauwd, dat zij door eene flauwte overvallen werd en bewusteloos nederviel. Anderen struikelden over haar lichaam, en vielen ook. De menschen in de onmiddellijke nabijheid begrepen dadelijk het gevaar, waarin dezen verkeerden, en wilden hun door terugdringen de gelegenheid geven om op te staan en zich te redden. Maar de achtersten wisten niet, wat er vóór hen gebeurde, en drongen voorwaarts. Er ontstond nu eene groote verwarring. Velen struikelden over hen, die reeds gevallen waren, en van opstaan was in die ophooping geen sprake meer. Een angstig geschrei steeg uit de menigte op. Men drong terug, men schreeuwde,—maar de stroom van menschen wist van geen stilstaan,—zoodat met elke seconde de ramp grooter werd. Men trapte op degenen, die reeds gevallen waren. Het angstgeschrei werd ontzettend,—maar de menschen, die volgden, hoorden het niet. In levendige gesprekken over het vuurwerk, dat men gezien had, drong men langzaam maar zeker voorwaarts...

Op dit oogenblik kwam Mathieu Martinel op de rampzalige plaats aan, en oogenblikkelijk begreep hij, dat hier krachtig moest worden gehandeld, wilde het ongeluk niet nog veel erger worden. En dat het reeds zeer erg was, zag hij met een enkelen oogopslag.

Hij snelde een poort door, waardoor hij den menschenstroom van een anderen kant bereikte, en trachtte door schreeuwen de menschen tot teruggaan te bewegen. Hij riep hun toe, dat er een ongeluk gebeurde, dat er menschen gevallen waren, die door de voeten der anderen vertreden werden,—maar zijn roepen mocht niet baten. Wel drongen de voorsten terug, maar verder naar achteren hoorde men hem niet. Steeds drong men voorwaarts!

Toen ijlde hij weg naar de kazerne, om hulp te halen. Hij gunde zich echter den tijd niet, om zijne mannen te verzamelen, maar snelde opnieuw, door slechts enkelen gevolgd, naar de plaats van den ramp. De meesten van hen echter, het gevaar ziende waarin zij zich begeven zouden, keerden terug. Alleen Private Speulée volgde hem, en zij spanden samen hunne uiterste krachten in, om den doorgang vrij te maken.

’t Was een vreeselijk schouwspel, dat zich aan hunne oogen vertoonde. De grond lag bezaaid met dooden,—en met levenden, die door anderen vertreden werden en de ijselijkste jammerkreten slaakten. Mathieu richtte een bewusteloozen man op, daarna een jongen, eene vrouw en een klein meisje. Hij droeg ze snel naar eene plaats, waar zij in de frissche lucht herstellen konden. En telkens keerde hij naar de rampplaats terug, om anderen te redden. Elk oogenblik verkeerde hij in gevaar, om in ’t gedrang omvergeworpen en doodgetrapt te worden,—maar hij ging onbevreesd met het reddingswerk voort. Niet minder dan negen personen wist hij te midden van ’t gedrang op te richten en naar eene veilige plaats te brengen. En nog, altoos drong men van achteren op...

Speulée stond hem moedig ter zijde en redde een man en een kind. Langzamerhand kwam er meer hulp opdagen. Officieren schoten toe, om hunne makkers bij te staan. Een van hen zette een jongen op zijn rug, nam een meisje in zijne armen, en wist beiden buiten het gedrang te brengen, waarvoor hij niet minder dan een half uur noodig had. Hij werd zoo moê en benauwd, dat hij zich bijna niet langer staande kon houden.

Eindelijk daagde er hulp. Eenige kurassiers te paard kwamen van het Champ de Mars en reden bedaard, stap voor stap, in de menigte. Overal waar zij kwamen, stak men hun kinderen toe, hun smeekende, die bij zich op het paard te nemen, wat zij deden. Zij drongen met groot geduld en de uiterste voorzichtigheid steeds verder in de menigte door, eerst in rijen van één, toen twee aan twee, vervolgens bij drieën, en vormden zoo een wig, die scheiding maakte tusschen de menigte en den nauwen doorgang. Zoo ontstond er eenige kalmte en kwamen de menschen tot bezinning. De stroom werd nu in verschillende richtingen geleid, waardoor verdere ongelukken voorkomen werden. De slachtoffers werden opgenomen en naar de kazerne gebracht, waar men al het mogelijke deed, om de levensgeesten weder op te wekken en de wonden te reinigen en verbinden. Daarna werden zij, voor wie dit noodig was, naar de hospitalen vervoerd, terwijl anderen naar hunne woning werden gebracht.

Martinel, die ook hier weer zijn grooten moed en wijs beleid had getoond, ontving een jaar later den eereprijs, die voor het verrichten van daden van moed en menschlievendheid was uitgeloofd.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings