Een buitengewoon vorst.
Reading edition
Den 9en September 1689 hield Czaar Peter zijn intocht binnen Moskou. Hij monsterde 18000 Strelitzen en geleidde onder de toejuichingen van het volk zijne moeder en zijne gemalin naar het Kremlin. Jaren van eindeloozen strijd en binnenlandsche twisten waren voorbijgegaan, maar van bovengenoemden datum af was Peter de alleenheerscher der Russen en brak voor Rusland een nieuw tijdperk van ontwikkeling aan.

Czaar Peter was, hoe jong ook, begaafd met groote geestkracht en onvermoeide werkzaamheid. In zijne jeugd had hij ver van het Russische hof, op het schoone landgoed Preobraschenskoi gewoond. Hij was buitengewoon leerzaam van aard. Hij wilde niet alleen alles leeren, alles weten, maar ook alles kunnen. Zijn leermeester Lefort werd later zijn gunsteling en onafscheidelijke metgezel. Hij onderwees Peter in de Nederlandsche taal en in de Duitsche krijgskunst, maar op zijne karaktervorming had hij een ongunstigen invloed. Peter was een echt zoon van het Russische volk, ruw en wreed van aard. De Russen verkeerden toen nog in een staat van barbaarschheid, zooals wij ons dien bijna niet kunnen voorstellen. Zij waren verregaand ruw en wreed, gaven zich veelvuldig aan dronkenschap over, waren zoo goed als onbekend met kunsten en wetenschappen en zeer achterlijk in handenarbeid en industrie. Wel had Peter’s vader, Czaar Alexeï, bekwame handwerkslieden uit andere landen, ook uit Nederland, tot zich geroepen, om zijn volk tot voorbeeld te strekken, maar de gevolgen daarvan waren nog niet schitterend geweest.
Lefort had den blik van den jongen Czarenzoon verruimd, door hem veel te vertellen van het leven der beschaafde natiën, hunne burgerlijke en huiselijke instellingen, hunne wijze van oorlogvoeren, hun handel, hun scheepvaart en hunne bekwaamheid in handenarbeid.
En dat alles maakte op Peter een diepen indruk en riep de begeerte in hem wakker om die vreemde volken na te volgen. Hij vormde uit zijne speelmakkers de poteschnie, een compagnie van 50 kleine soldaten, die door Lefort op Duitsche wijze in den wapenhandel geoefend werden. Peter zelf marcheerde als trommelslager aan de spits. Weldra verzochten de bojarenzonen uit eigen beweging, om in de compagnie te worden ingelijfd, wat hun werd toegestaan, maar zij moesten het zich getroosten naast valkenjongens en stalknechts te marcheeren, want Peter maakte geen verschil tusschen edelen en gewone burgers. Allen, die goed hun plicht deden, waren hem welkom. Zij werden op Duitsche wijze gekleed en geoefend,—en weldra werd de poteschnie zoo groot, dat zij in twee compagniën moest worden verdeeld, en later zelfs tot twee regimenten aangroeide.
Dat soldaatje-spelen had voor Peter groote gevolgen, want zijne poteschnie werd later de steun van zijn troon.
Door een luitenant uit Straatsburg, Timmerman genaamd, werd hij onderwezen in de artillerie, de vestingbouwkunst en de wiskunde.
Toen hij nu als Czaar den troon beklom, was het zijn eerste werk, het leger te hervormen. Lefort en generaal Gordon waren daarbij zijne voornaamste helpers. Het aantal der poteschnie werd zeer uitgebreid, de knapste Strelitzen werden in hunne gelederen opgenomen en vele buitenlanders tot officieren benoemd. Lefort werd luitenant-generaal.
Meer en meer begon Peter den wensch te koesteren, dat Rusland ook een zeemogendheid zou worden. Bij het bezoeken van een magazijn vond hij toevallig een boot, die geheel van het gewone Russische model afweek. Op zijn vraag, wat dat voor een boot was, gaf men hem ten antwoord, dat zij van Hollandsch maaksel was en bijzonder goed tegen den wind kon opzeilen. Zij was gebouwd door een zekeren Brandt, Hollander van afkomst, maar nog in Rusland woonachtig. Op Peter’s bevel werd de boot door den ouden Brandt weer in orde gebracht.
Door dit geval was de aandacht van den jongen Czaar op de scheepsbouwkunst gevestigd en legde hij zich daarop met ijver toe. Tegen hoog loon liet hij uit Holland bekwame scheepstimmerlieden komen; nieuwe werven werden aangelegd, en Peter zelf werkte om het hardst met de Hollanders mede. Hij liet zich door hen ’t liefst “Piet de timmerman” noemen, sprak steeds Hollandsch met hen en overlaadde hen met gunstbewijzen.
Het scheppen van eene groote zeemacht was thans het ideaal, dat hem voor den geest zweefde. Op een reisje naar Archangel zag hij voor het eerst de groote zeeschepen der vreemde natiën, voornamelijk van de Hollanders, en die groote vaartuigen vervulden hem met bewondering. Naar alles, wat hij zag, deed hij onderzoek, alles wilde hij er van weten, en zelfs speelde hij voor matroos en scheepsjongen, en klom op bevel van den kapitein in den mast, om daar de gevaarlijkste bezigheden te verrichten.
Meer en meer werd het hem echter duidelijk, hoe verregaand achterlijk het Russische volk was, bij andere natiën vergeleken. Hij nam dan ook het vaste besluit, Rusland op de hoogte der Europeesche beschaving te brengen. Om daartoe te geraken, wilde hij eerst met eigen oogen gaan zien, hoe het in vreemde landen gesteld was, en daarvoor eene reis ondernemen naar Duitschland, Nederland, Frankrijk en Engeland.
Zijne onderdanen waren echter lang niet gesticht over al de nieuwigheden, die hun vorst invoerde, en zij haatten de vreemdelingen, die door hem in het land geroepen waren en met weldaden werden overladen. Met leede oogen zagen zij het aan, hoe die vreemde mannen tot de hoogste waardigheden klommen. In hun oog waren die vreemdelingen immers verre hunne minderen? Waren zij, de Russen, dan niet, volgens de leeringen hunner priesters, het uitverkoren volk Gods en moesten zij nu die indringers boven zich gesteld zien? Dat was niet om te dulden, en een geest van ontevredenheid en verzet maakte zich van hen meester. Vooral de Strelitzen, die tot dusver de meening hadden gekoesterd, dat de heerschappij van den Czaar alleen afhankelijk was van hun trouw, waren ontevreden over de oprichting der poteschnie. Door deze nieuwe regimenten was de Czaar van hen geheel onafhankelijk geworden.
Ook de edelen waren ontevreden. Zij toch waren het voornamelijk, die de kosten moesten dragen voor het bouwen van de nieuwe oorlogsvloot, en dat beviel hun in het geheel niet. ’t Werd nog erger, toen de Czaar hun meêdeelde, dat het zijn voornemen was, eene reis naar het buitenland te doen, en dat hunne zonen hem op dien tocht moesten volgen, om met de Europeesche beschaving kennis te maken. Zij moesten daar den scheepsbouw leeren, en de zeden dier volken, hunne wetten en instellingen bestudeeren.
Eindelijk besloten eenige ontevredenen, den Czaar te vermoorden. Zij kenden zijne gewoonte, om als er brand in Moskou ontstond, dadelijk naar de plaats des onheils te snellen, en zelf bij het blusschingswerk de behulpzame hand te bieden. Zij spraken daarom af, in den nacht van den 2en Februari 1907 twee huizen in brand te steken, en van de verwarring gebruik te maken, om den Czaar te dooden.
Om de laatste afspraken te maken, kwamen zij op den bepaalden dag bij den staatsraad Sokownin ter maaltijd bijeen, waar zij den nacht zouden afwachten. Volgens Russische gewoonte lieten zij de flesch weinig met rust.
Zoo werd het acht uur. Maar toen werd het twee der samenzweerders te benauwd. Een hevige angst overviel hen, en hun geweten klaagde hen luide aan. In het geheim deelden zij elkander mede, wat hun bezwaarde, en zij besloten zich, onder een of ander voorwendsel, te verwijderen en den Czaar te waarschuwen. Zij stelden daarom voor het drinken te staken en naar huis te gaan. Tegen middernacht zouden zij dan allen terugkomen en den beraamden aanslag uitvoeren. De anderen hadden geen lust om te vertrekken, maar zij gaven hun verlof heen te gaan, mits zij de stellige belofte aflegden, op den vastgestelden tijd terug te komen.
IJlings begaven zich de twee officieren naar den Czaar, die zich in een vroolijk gezelschap van dames en officieren bevond ten huize van Lefort, waar hij den avondmaaltijd zou gebruiken.
Hij had eerst in het geheel geen lust, de beide officieren te ontvangen, die hem om een geheim onderhoud lieten verzoeken. Maar op hun aanhouden gaf hij toe. Zoo vernam hij tot in bijzonderheden, wat er gebeuren zou. Hij liet de beide officieren gevangen houden, en gaf den hoofdman zijner garde, Lapuchin, schriftelijk bevel, om in alle stilte tegen elf uur het huis van den staatsraad Sokownin met zijne soldaten te omsingelen, precies op klokslag het gebouw te bezetten en allen gevangen te nemen, die daar aanwezig zouden zijn.
De Czaar begaf zich onder de gasten, zonder iets te zeggen van hetgeen er gaande was. Hij had zich voorgenomen, bij de gevangenneming aanwezig te zijn, maar hij vergiste zich in het uur. In plaats van om elf, ging hij om tien uur per rijtuig naar het huis van den staatsraad en trad binnen. Het verwonderde hem niet weinig, daar nog geen enkelen soldaat aan te treffen, en hij was zeer verbolgen op den hoofdman, die zijne bevelen, naar hij meende, zoo slecht nakwam.
Wie beschrijft de verwondering der samenzweerders, toen de Czaar daar plotseling in hun gezelschap verscheen. Verschrikt en ontsteld stonden zij op en brachten hem eerbiedig hun groet.
“Goeden avond, heeren,” riep de Czaar hun toe. “Gaat zitten. Ik kwam hier toevallig langs, en daar ik nog licht binnen zag, dacht ik, dat hier wellicht gasten zouden zijn. Daarom besloot ik, ook even een bezoek te brengen.”
Deze woorden stelden de samenzweerders gerust, en zij dronken op de gezondheid van den Czaar.
Eindelijk begaf zich een der officieren naar den staatsraad, en fluisterde hem in het oor:
“Het is tijd!”
Maar de staatsraad antwoordde: “Nog niet.”
Hij had zacht gesproken, maar niet zoo zacht, of de Czaar, die op zijne hoede was, had hem verstaan. Hij sprong eensklaps op, gaf met zijne vuist een geweldigen slag op de tafel, en bulderde hun toe:
“Is het nog geen tijd voor u, dan is het tijd voor mij! Op, bindt elkander de handen!”
De Czaar zag er bij die woorden zoo vreeselijk uit, dat den samenzweerders alle moed ontzonk. Niemand durfde zich zelfs maar bewegen.
“Bindt elkander!” bulderde de Czaar hun nogmaals toe.
En de verbijsterde mannen gehoorzaamden.
Op hetzelfde oogenblik trad de hoofdman met zijne soldaten binnen. Buiten sloeg de klok elf uur.
De Czaar ontving hem met een vuistslag in het gelaat, nog steeds in de meening, dat de hoofdman zijn bevel niet stipt had uitgevoerd, maar toen de verschrikte man het schriftelijk bevel aan den Czaar toonde, had deze dadelijk berouw van zijne daad. Peter kuste hem op het voorhoofd en verklaarde, dat hij een wakker officier was, die zijn plicht gedaan had. Toen beval hij hem, de samenzweerders gevangen te nemen en naar de gevangenis te voeren. Zij werden wreed gestraft en eindelijk onthoofd.
Vier dagen later ondernam hij zijne buitenlandsche reis. Het hoofd van het gezantschap was Lefort, want de Czaar wilde niet als vorst, maar als bijzonder persoon ontvangen worden. Zijne bedoeling was verschillende vorsten te bezoeken, maar bovenal een schat van kennis op te doen, om dien later ten bate van zijn volk te kunnen gebruiken.
Lefort heette dus het hoofd van het gezantschap, en de Czaar behoorde tot zijn gevolg. Hij noemde zich Peter Michaëlow, opperkommandeur. ’t Was een groot gezelschap, dat zich in den vreemde begaf, bestaande uit niet minder dan 270 personen, waaronder niet alleen vele jongelieden uit de aanzienlijkste geslachten, maar ook officieren, ambtenaars, soldaten en bedienden,—ja zelfs potsenmakers en dwergen.
Het voornaamste doel van de reis was, een bezoek te brengen aan Nederland, en wel in het bijzonder aan Zaandam, dat in dien tijd om zijn scheepsbouw tot ver in het buitenland beroemd was.
In den vroegen morgen van den 18en Augustus 1697 voer een schip van eenigszins vreemden vorm de Zaan op, waar het al spoedig de aandacht trok van een eenvoudigen smid, Gerrit Kist geheeten, die bezig was met poeren. Kist was vroeger in Rusland geweest, waar hij als smid in dienst van den Czaar had gewerkt.
’t Was dan ook niet alleen de vreemde vorm van het vaartuig, die zijne aandacht trok, maar ook de mannen, die er zich op bevonden, wekten zijne belangstelling. Hij herkende dadelijk de Russische uniformen, wat hem op de gedachte bracht, dat ongetwijfeld het Russische gezantschap in aantocht was. Hij wist, dat dit komen zou, maar dat de Czaar zelf zich als een gewoon hoveling daarbij aangesloten had, was hem onbekend.
Wie beschrijft dus zijne verbazing, toen hij zich door een der opvarenden hoorde toeroepen:
“Smid!—Smid!—Kom bij ons!”
En zijne verbazing nam nog toe, toen hij in den man, die hem riep, den Czaar herkende. Dadelijk roeide hij naar het vaartuig en klom aan boord. De Czaar trad op hem toe, en zei:
“Smid, ik ben Pieter Michaëlow en kom hier, om het scheepstimmeren te leeren. Ik zal bij u mijn intrek nemen.”
Kist verkeerde in de grootste verwarring. Hij wist niet, wat hij zeggen moest, en stamelde zoo iets van niet ruim genoeg behuisd te zijn voor een Czaar....
Maar de Czaar stampvoette van boosheid, en zei nadrukkelijk:
“Hier is geen Czaar, hier is alleen Pieter Michaëlow, die het scheepstimmeren komt leeren. Ik bèn geen Czaar, en wil niet zoo genoemd worden. En uw huis is groot genoeg. Met eene kleine kamer ben ik tevreden.”
Kist miste den moed, om den Czaar langer te wederstreven. Hij keerde naar den wal terug, en spoedde zich naar zijne nederige woning, om het groote nieuws aan zijne vrouw mede te deelen. Zijn huis bestond uit slechts twee kamertjes, waarvan het achterste bewoond werd door een weduwe, Mary Freeriks geheeten. Deze liet zich voor eene goede som overhalen, op staanden voet met pak en zak naar een andere woning te verhuizen.
Intusschen was het vreemde vaartuig den Dam genaderd, waar al verscheidene menschen stonden te kijken naar het vreemde vaartuig en de sierlijk gekleede bemanning. De Czaar, in een eenvoudig rood wambuis gekleed, zooals de Hollandsche werklieden toen gewoon waren te dragen, sprong met een touw in de hand aan wal, en legde het vaartuig vast. Dat er zooveel menschen stonden, beviel hem in het geheel niet. Hij keek erg boos, en werkte geducht met zijne ellebogen, als ze hem in den weg stonden.
Het deftige gezantschap begaf zich aan wal en baande zich met moeite een weg door de omstanders, die gedurig talrijker werden.
De Czaar was woedend op de nieuwsgierige Zaankanters, en stapte, door de andere heeren gevolgd, eene herberg binnen. Daar wachtte hij de komst van Kist af, die hem naar zijne woning zou brengen. Maar het publiek verdrong zich voor de ramen van “De drie Zwanen”, zoo heette de herberg, en keek nieuwsgierig naar binnen.
Eindelijk trad een der heeren naar buiten, en riep het volk toe:
“Waarom zoo nieuwsgierig, mannen? Wij zijn gewone handwerkslieden, en komen hier, om het scheepstimmeren te leeren. Gaat naar huis, er is hier niets bijzonders voor u te zien.”
Maar het volk geloofde hem niet, en lachte hem uit.
Sommigen van hen traden de gelagkamer binnen en eischten bier, doch inderdaad was het hun slechts te doen, om de vreemde menschen te zien.
De Czaar was hevig verbolgen, en liet zich door den kastelein een vrije kamer geven. Daar kwam Kist hem eindelijk afhalen, om hem naar zijn huis te geleiden. De Czaar beval zijne volgelingen, hier of daar een onderkomen te zoeken, en verliet met Kist de herberg, om zich naar het eenvoudige huisje op het Krimp te begeven.
Den volgenden dag begaf de Czaar zich naar den scheepsbouwmeester Lijnst Teeuwisz Rogge, aan den Hoogendijk, en werd door dezen als gewoon werkman op de scheepswerf aangenomen. En hij ging dadelijk aan den arbeid. Lustig en zonder een woord te spreken, hanteerde hij hamer en beitel. Ook de heeren van zijn gevolg moesten een baas zoeken en een handwerk leeren.
Om twaalf uur verliet Czaar Peter, evenals de andere werklieden, die naar huis gingen om te schaften, de werf. Maar zelf gunde hij zich daartoe den tijd niet; hij begaf zich op weg om de vrouwen te bezoeken van de handwerkslieden, die in Rusland werkzaam waren. Hij bracht haar hunne groeten over en deelde haar alles omtrent hen mede, wat zij graag weten wilden.
Niemand van die eenvoudige vrouwtjes vermoedde, dat deze vriendelijke boodschapper de Czaar zelf was. Bij een van haar gebruikte hij het middagmaal.
Menigeen in Zaandam vermoedde wel zijn hoogen staat, en als hij zich op straat begaf, werd hij wel met de meeste belangstelling aangestaard, maar niemand kon toch met zekerheid zeggen, dat hij de Czaar was. Onophoudelijk was hij in de weer, om zijn kennis uit te breiden en alles, wat hem belangwekkend toescheen, te bekijken en te bestudeeren. Zoo bezocht hij verschillende scheepstimmerwerven, olie-, houtzaag- en papiermolens, lijnbanen, ankersmederijen, zeilmakerijen, ijzer- en kompaswinkels. Overal gaf hij blijken van eene zeldzame weetgierigheid, en was hij onuitputtelijk in het doen van vragen, veel meer, dan men kon beantwoorden. Bijzonder werd zijne aandacht getrokken door het doen stilstaan der molens door middel van den vang. In een papiermolen vroeg hij, waarom men den vang, als de molen stilstond, weer een weinig oplichtte. In den molen “de Kok”, waar men bezig was met het scheppen van papier, nam hij den schepper over en schepte zulk een volmaakt blad papier, dat niemand het hem had kunnen verbeteren. Zelf was hij er zoo verheugd over, dat hij den knecht een rijksdaalder gaf, eene groote fooi voor den Czaar, want hij was zuinig van aard.
Intusschen werd het vermoeden met den dag stelliger, dat Pieter Timmerman, zooals hij genoemd werd, niemand anders was dan de Czaar, en zelfs van de omliggende dorpen kwam men naar Zaandam, om hem te zien. Dat was hem in het geheel niet naar den zin, want hij wilde ’t liefst onopgemerkt blijven en voor een gewonen timmermansknecht doorgaan.
Op een middag had hij pruimen gekocht. Hij had ze in zijn hoed laten doen, en liep er op straat van te eten. Al spoedig had hij een drom van Zaansche jongens om hem heen, die hem om een pruim vroegen. Sommigen kregen er een, maar anderen gooide hij met de pitten. ’t Werd al spoedig een standje. De jongens gooiden hem met de pitten terug, de Czaar werd boos, grooteren bemoeiden zich met de ruzie, en eindelijk zag hij zich genoodzaakt, zich in eene herberg aan den oploop te onttrekken. Een en ander had tengevolge, dat de omroeper op last van de burgemeesteren bij bekkenslag aan de Zaandammers bekend maakte, dat het verboden was “sommige voorname personen, die vreemdelingen zijn en onbekend willen blijven, te gooien met steenen en vuiligheid, op de hoogste boeten en straffen, daartoe staande.”
Nu begreep iedereen, dat de geruchten waarheid bevatten en dat de vreemdeling niemand anders was dan de Czaar. De toevloed van nieuwsgierigen werd zoo groot, dat de toegangen tot het Krimp, waar de Czaar woonde door wachten moesten worden afgezet. Hij begreep zelf ook wel, dat hij zijn waren staat nu niet langer verborgen kon houden.
De voornaamste ingezetenen van Zaandam, o.a. de heeren Calff en Bloem, maakten kennis met hem, en al spoedig schonk hij hun zijn geheele vertrouwen.
Met Bloem maakte hij eens in een boeier een zeiltochtje op de Zaan. De vele molens, die hij zag, wekten terstond zijne aandacht. Hij bracht een bezoek aan een stijfselmakerij en een pelmolen, en toen hij zag, dat men aan den Kalverdijk bezig was een molen te bouwen, kwam de begeerte bij hem op, daar een kijkje te nemen. Men voer er heen, en de Czaar stapte aan wal. Dadelijk nam hij eenig gereedschap ter hand en—werkte ijverig mede. Deze molen, een pelmolen, werd door den eigenaar ter herinnering aan deze gebeurtenis, “de Czaar van Moscoviën” genoemd,—en thans nog is hij aanwezig, maar hij heet nu “de Grootvorst”.
Dat zeiltochtje was den Czaar zoo goed bevallen, dat hij dadelijk ook een jacht kocht met al zijn toebehooren. Hij maakte er zelf een nieuwen boegspriet aan, en deed er verscheidene tochtjes mede.
De schepen, die op de werven aan de Binnenzaan gebouwd werden, moesten door middel van den overtoom over den Dam worden gesleept, omdat de sluizen in den Dam veel te smal waren, om zeeschepen door te laten. Dat overbrengen van een schip was altoos een belangwekkend schouwspel, dat vele nieuwsgierigen lokte. Ook tijdens het verblijf van den Czaar zou een schip overgehaald worden, en men had hem uitgenoodigd, daarvan getuige te zijn. Er kwam echter bij deze gelegenheid zooveel volk op de been, dat de Czaar niet te bewegen was, zijn huisje te verlaten. De duizenden, die toegestroomd waren om den Czaar te zien, moesten ongetroost naar huis gaan.
Reeds den volgenden morgen bracht de Czaar zijn plan ten uitvoer. Hij kon in Zaandam niet rustig en ongestoord zijn gang gaan, zooals hij zich dat had voorgesteld. Daarom vertrok hij naar Amsterdam, waar het stadsbestuur hem toestond op de Admiraliteitswerf te arbeiden. Maar nog menigmaal bezocht hij Zaandam, welke plaats hem bijzonder lief was.
Hij bleef in ons land tot den 18 Januari 1698 en vertrok toen naar Engeland. Reeds in Mei d. a. v. kwam hij hier terug om afscheid van zijne vrienden te nemen, en toen vertrok hij naar Rusland. Daar legde hij door zijne uitgebreide kennis den grondslag voor de latere macht van het Russische rijk. Hij was de leermeester van zijn volk en trachtte met alle kracht, waarover hij beschikken kon, zijne onderdanen de zegeningen te brengen van de beschaving, die hij op zijne reis bij andere volken had leeren kennen. Wel stuitte hij op veel tegenwerking en onwil, want zijn volk begreep hem niet, maar hij rustte niet en gaf den moed nooit verloren. Zijn land breidde hij uit tot aan de Oostzee, hij stichtte een oorlogsvloot, verbeterde de rechtspraak, bevorderde het onderwijs, vernietigde de macht van den adel, en beloonde den adel van den arbeid. Eindelijk begon hij aan den bouw van eene nieuwe stad, van St. Petersburg, welke stad, aan zee gelegen, voorbestemd was om de hoofdstad van zijn rijk te worden.
Met groote vreugde begroette hij het eerste koopvaardijschip, dat deze nieuwe plaats aandeed. Hij zelf voer het schip tegemoet, en bood zich aan als loods. Gaarne werd van zijne diensten gebruik gemaakt, maar groot was de verbazing der schepelingen, toen zij ’s avonds bij den Czaar op een feest genoodigd, bemerkten, dat de Czaar zelf de loods geweest was.
Waarlijk, van deze krachtige figuur is met recht getuigd:
“Niets was den grooten man te klein.”