← Table of contents
Gouden Daden

Een groot zeeheld.

Reading edition

In de nederige woning van een eenvoudigen bierdrager, binnen de wallen van Vlissingen, werd den 24en Maart 1607 een jongetje geboren, dat eenmaal de roem van zijn vaderland zou worden en wiens naam over de geheele wereld met eere zou worden genoemd. Zijn vader heette Adriaan Michielszoon en zijne moeder Alida Jans. Het pasgeboren kind werd naar zijn grootvader genoemd en kreeg den naam Michiel Adriaanszoon. Daar zijne moeder ook den bijnaam de Ruyter droeg, ging hij ook op het kind over, zoodat deze in de geschiedenis bekend geworden is onder den naam Michiel Adriaanszoon de Ruyter. Hij was het vierde kind, waarmede zijne ouders gezegend werden, en nog zeven zouden er volgen. ’t Is dus te begrijpen, dat de kleine Michiel het bij zijne ouders niet te breed had, want het gezin moest bestaan van het schrale weekloontje, dat zijn vader als bierdrager verdiende.

Michiel de Ruyter.
Michiel de Ruyter.

In het kleine huisje was voor zooveel kinderen bijna geen plaats, zoodat het geen wonder is, dat onze Michiel, toen hij wat ouder werd, meestal op straat te vinden was. Hij kwam alleen thuis om te eten en te slapen. Hij was een levendige jongen en stond bekend als een echte deugniet. In de school, waar Michiel lezen, schrijven en rekenen moest leeren, hadden de onderwijzers niet weinig last van den ondeugd. Als hij niet vocht met de jongens, die naast hem op de bank zaten, trok hij den schoolmakker, die vóór hem zat, aan de haren, of kletterde zijne lei aan scherven op den grond, of maakte hij zijn leerboek stuk. Nooit zat hij stil en meestal deed hij kattekwaad. Er ging dan haast ook geen dag voorbij, dat hij niet de noodige slagen met de plak kreeg of na moest blijven. Maar ’t een hielp al even weinig, als ’t ander. Hij was in één woord de plaag van zijn onderwijzers.

Onder de jongens echter was hij een geliefde makker. Geen wonder! Hij was een groot liefhebber van vechtpartijen, en als er wat aan de hand was, steeds haantje de voorste. Hadden de jongens van de eene straat twist met die van de andere, Michiel was een van de aanvoerders en behaalde bijna zonder uitzondering de overwinning. Hij was dapper van aard, ja, zijn moed grensde zelfs aan vermetelheid.

Toen eens de kerktoren hersteld werd, klom Michiel ongevraagd, ongeweigerd naar boven, steeds hooger. tot hij eindelijk den grooten bol boven de spits bereikte. Ha, daar had hij een prachtig gezicht op de zee, en vroolijk wuifde hij met zijn muts. Hij merkte niet op, dat de ambachtslieden de ladders wegnamen, waarlangs hij omhoog geklommen was, en naar huis gingen. Maar hij miste ze wèl, toen hij genoeg van het prachtige uitzicht genoten had en naar beneden wilde gaan. Nu was goede raad duur. Menige jongen van zijn leeftijd zou in deze omstandigheden in de grootste verlegenheid hebben verkeerd, ja, misschien wel schreiend om hulp hebben geroepen.

Michiel echter niet. De jonge waaghals toonde, dat hij geen hulp noodig had om naar beneden te komen. Hij wist namelijk met zijne hielen zoo behendig een lei van het dak stuk te slaan, dat hij daardoor vastigheid onder de voeten bekwam, en ’t gelukte hem verder, door zich met de grootste tegenwoordigheid van geest aan stellages en andere voorwerpen vast te houden, beneden te komen, zender eenig letsel te hebben geleden.

Op school maakte hij het eindelijk zoo bont, dat hij voor goed weggestuurd werd. Dat werd hem door zijne ouders geenszins in dank afgenomen, en daar zijn vader niet gedoogde, dat hij den geheelen dag als een nietsdoener langs de straten zou slenteren, deed hij hem op de lijnbaan van de gebroeders Lampsens, waar hij voor één stuiver daags in de baan moest loopen of het wiel draaien.

Dat was Michiel in het geheel niet naar den zin. De levendige woelwater voelde er zich diep ongelukkig, en wenschte niets liever dan zeeman te worden. Dat scheen hem een heerlijk leven toe, altoos op de onstuimige baren, nu hier-, dan daarheen in de wereld, altijd wat nieuws, telkens wat anders. Als Michiel daar goed over dacht, vergat hij het wiel te draaien, zoodat de werklieden niet met hun arbeid voort konden gaan. En zag hij de kans schoon, dan liep hij stil de lijnbaan uit, om zich bij zijne makkers te voegen en onder een woest spelletje te vergeten, dat thuis weer een geduchte straf op hem wachtte.

’t Duurde dan ook niet lang, of Michiel werd ook van de lijnbaan weggejaagd. Zijne ouders besloten toen hem zijn zin te geven en hem naar zee te zenden. Hij vond het heerlijk, en hunkerde naar het oogenblik, dat hij het scheepsdek zou betreden.

Hij was elf jaar oud, toen hij als bootsmansjongen zijne eerste zeereis maakte. Aan boord was nog een jongen van zijn leeftijd, een negertje, dat in Vlissingen gedoopt was en bij die gelegenheid den naam Jan Kompanie ontvangen had. Van ’t oogenblik af, dat Michiel zijne voeten op ’t dek zette, had er een algeheele ommekeer bij hem plaats. De ondeugende Vlissinger Michiel, die de schrik was geweest van zijne buren en onderwijzers, werd een ijverig en gehoorzaam matroosje, zooals men geen beteren kon wenschen. Iets meer is met zekerheid uit dezen leeftijd van Michiel de Ruyter niet bekend.

Hoewel wij hem later, in 1622, in dienst van Prins Maurits aantreffen als busschieter, waaruit blijkt dat de vijftienjarige Michiel reeds de diensten van een volwassen man moest verrichten,—bleef toch zijn hart hem naar de zee trekken. Nog in hetzelfde jaar keerde hij naar het scheepsdek terug als hoog-bootsmansmaat, en maakte vervolgens als zoodanig verscheidene tochten. In dien tijd was het zeemansleven vol gevaren, ook al diende men ter koopvaardij. Immers, in 1622 eindigde het twaalfjarig bestand, en werd de roemrijke oorlog tegen de Spanjaarden hervat. De kaperschepen, die het op de rijke koopvaardijvloot voorzien hadden, maakten de zee onveilig. De Duinkerker kapers hadden zich zelfs een beruchten naam verworven. Geen wonder dus, dat de koopvaardijschepen op tegenweer bedacht waren en zich van kanonnen en andere wapenen voorzagen, om in staat te zijn zich zoo noodig te verdedigen. Toen eens het schip, waarop Michiel voer, door een kaper werd aangegrepen, werd hij met een piek aan het hoofd gekwetst. Dit schijnt wel de eenige keer geweest te zijn, dat hij in zijn gevaarvolle loopbaan gekwetst werd, hoewel honderden kogels hem gedurende zijn leven om de ooren gevlogen moeten zijn, tot eindelijk het doodelijke schot hem uit het land der levenden wegrukte.

Michiel heeft ook met gevangenschap en ontbering te kampen gehad. Eenmaal werd het schip, waarop hij voer, door de kapers buit gemaakt, en de bemanning gevankelijk naar Spanje gevoerd. Maar Michiel wist met nog twee andere matrozen aan zijne bewakers te ontsnappen, en trok toen met hen bedelende het land door, vervolgde zijn tocht dwars door Frankrijk, en keerde eindelijk in het vaderland terug.

Dit avontuur had hem echter in ’t geheel geen schrik voor het zeeleven ingeboezemd. Integendeel, hij nam weer dienst op een van de schepen der heeren Lampsens, en maakte als matroos verscheidene reizen. Hij legde zich met ijver toe op het beoefenen van de stuurmanskunst, benevens op het bepalen van lengte en breedte, en alles, wat een bekwaam zeeman behoort te weten.

In 1631, dus op vierentwintigjarigen leeftijd, trad hij in het huwelijk met Maria Velters, van Grijpskerke, die hem nog geen jaar later echter door den dood weder ontviel.

In 1633 werd hij tot stuurman bevorderd, en maakte hij, onder anderen op de Groene Leeuw, tochten naar Groenland, Mauritius en het oostelijk deel van het land van Magellaan. Meermalen verkeerde zijn schip in groote gevaren tusschen de reusachtige ijsbergen, die het dreigden te verpletteren, maar—steeds keerde hij behouden in het vaderland weer.

In 1636 hertrouwde Michiel. Zijne tweede vrouw heette Cornelia Engels, en was geboortig van Vlissingen. Met deze vrouw is hij tien jaar gehuwd geweest, toen ook zij door den dood werd opgeëischt.

Een jaar later, dus in 1637, werd hij door eenige kooplieden, die twee kaperschepen hadden uitgerust, tot kapitein op een daarvan benoemd. Maar al spoedig kregen de matrozen van die beide schepen twist over de verdeeling van den buit, en sloeg het volk van Michiel aan het muiten. Hij besloot dus zoo spoedig mogelijk naar het vaderland terug te keeren. Dicht bij de kust kwamen dertien Duinkerker kapers opzetten, die recht op hem aanhielden. Hij wist echter van de duisternis gebruik te maken om hun te ontkomen.

Hij keerde toen tot de koopvaardijvaart terug, en werd schipper, (tegenwoordig zouden wij zeggen kapitein) op een vaartuig van de heeren Lampsens, dat Vlissingen heette.

Hij maakte verscheidene reizen naar Brazilië, en had het meermalen met de kapers te kwaad. Hij schijnt echter niet bijster veel vrees voor die beruchte lieden te hebben gehad, want toen hij eens op de huisreis een kaper ontdekte, die een buitgemaakt schip medevoerde, ging Michiel er recht op af en eischte de overgave van het veroverde schip, wat de kaper hem dadelijk afstond. Dat hij een bekwaam zeeman geworden was, toonde hij door de vele verbeteringen, die hij in de toen bestaande zeekaarten aanbracht. Hij mocht dan geen geleerde zijn, een practisch man was hij zeker.

Dat zijne bekwaamheden niet onopgemerkt gebleven waren, bleek duidelijk in 1640, toen Portugal zich van Spanje afscheidde en zich onafhankelijk verklaarde. De Nederlanders, die nog steeds in den oorlog met de Spanjaarden gewikkeld waren, besloten dadelijk Portugal hulp te verleenen, en zonden eene vloot daarheen, bestaande uit 15 schepen en vijf fregatten, onder bevel van den admiraal A. Gijsels. Zijn vice-admiraal was J. P. Tolck. Tot Schout-bij-nacht werd, op voorstel van de Zeeuwsche vlootvoogden, Michiel Adriaanszoon de Ruyter benoemd, terwijl hem tevens het kapiteinschap op het schip de Haze werd opgedragen. Zoo klom dus Michiel, de eenvoudige Vlissinger jongen, door eigen verdienste van trap tot trap hooger op de maatschappelijke ladder, en was hij tot een man opgegroeid, die de oogen der hooge regeering op zich gevestigd wist. Maar zelf bleef hij de eenvoudige Michiel, nederig, bescheiden, vroom en dapper.

In zijn brief aan de Admiraliteit van Zeeland schreef hij: “Ick sal mij als een heerlyck (eerlijk) capiteyn in mijn harte gedraghen, in de hoope, dat God het werck, waer wij om sijn gesonden, sal segenen tot heere (eere) van ons lieve Vaderlandt.”

Machgyel Adriaense de Ruyter.

In een treffen, dat met den vijand plaats had, gedroegen zich vele kapiteins van de Hollandsche vloot op lafhartige wijze, maar Michiel de Ruyter kwam eervol uit den strijd te voorschijn. Zijn onverschrokkenheid en beleid hadden de algemeene opmerkzaamheid getrokken.

Den 21 December keerde de oorlogsvloot in het vaderland terug. Hare diensten waren niet meer noodig, dan alleen om koopvaardijschepen te geleiden door de onveilige wateren, waar de kapers op hen loerden.

Michiel kwam dus weer in dienst van de heeren Lampsens, en voer gedurende de jaren 1643–1651 als kapitein ter koopvaardij. Door menig stout stukje deed hij van zich spreken. Zoo bevond hij zich eens in de Caraïben, en vernam daar, dat een der eilanden, St. Martin, door de Spanjaarden verlaten was. Dadelijk begaf hij er zich heen, en nam het eiland in naam van de Staten der Vereenigde Nederlanden in beslag. Wel beweerden de Franschen, dat ook zij recht op dit eiland hadden, maar ’t gevolg was toch, dat de Nederlanders daar vasten voet kregen en hielden.

Op een anderen tocht naar de West-Indiën kreeg hij een groot Spaansch schip in ’t gezicht, dat hij liever niet wilde ontmoeten. Maar de Spanjaard, ziende dat de Hollandsche koopvaarder hem ontwijken wilde, en meenende dat dit uit vrees geschiedde, hield op hem aan en liet zijn geschut donderen. Dadelijk draaide de Ruyter bij en gaf den Spanjaard de volle laag. Ai! Dat had deze niet verwacht! Maar de Hollander was veel kleiner en bovendien veel lichter bewapend. Opnieuw liet hij dus de kanonnen bulderen, waarop de dappere Michiel het antwoord niet schuldig bleef. De Hollandsche matrozen zonden den Spanjaard zooveel kogels in den romp, dat het schip weldra begon te zinken. De ongelukkige bemanning zag den dood in de golven tegemoet. Nu toonde de Ruyter echter zijne grootheid van ziel. De ongelukkigen, die met den dood worstelden in de golven, waren thans zijne vijanden niet meer, maar menschen, die in nood verkeerden. Dadelijk liet hij de booten uitzetten, en smaakte de voldoening, dat de kapitein en een groot deel der bemanning behouden bij hem aan boord werden gebracht.

Toen de Ruyter den kapitein vroeg, of ook hij zoo zou gehandeld hebben, als de Hollanders de overwonnenen waren geweest, gaf deze trotsch ten antwoord:

“Ik zou u en uw volk hebben laten verdrinken.”

Dit antwoord verbitterde de Ruyter, en hij gaf last, alle gevangenen over boord te werpen. Hij zou dien Spanjaard wel een toontje lager leeren zingen.

De matrozen schoten toe en grepen de gevangenen aan, om hen volgens de gewoonte dier tijden de voeten te spoelen, dit is, over boord te werpen. Maar nu had er bij den trotschen Spanjaard een algeheele omkeering plaats. Hij wierp zich voor Michiel neder en smeekte hem om lijfsbehoud.

Dat was ’t alleen, wat de ronde Zeeuw had bedoeld, en hij schonk allen het leven.

Op een anderen tocht, ditmaal naar Salee, bemerkte hij, dat vijf Algerijnsche zeeroovers het op hem voorzien hadden. Daaronder bevonden zich zelfs de admiraal en de vice-admiraal der Algerijnen. ’t Zag er niet mooi uit voor Michiel, één tegen vijf, en hij begreep, dat hij veel kans had zijn schip te verliezen en zelf als slaaf naar de binnenlanden te worden gevoeld. Hij trachtte dus de vijanden te verrassen. Eerst hield hij zich, of hij hen wilde ontwijken, maar hij liet zijn schip terdege in staat van tegenweer brengen, en maakte ’s avonds van de duisternis gebruik, om hen ongemerkt te naderen. Onverwachts gaf hij het schip van den admiraal de volle laag. De Algerijn deinsde van schrik terug en raakte in een ander vaartuig verward. De beide schepen namen schielijk de vlucht.

Intusschen had de Ruyter zich naar het schip van den Vice-admiraal gekeerd, en gaf hem de andere laag. Ook dit vaartuig zocht zijn heil in de vlucht, zoodat de Ruyter nu nog slechts twee vijanden tegenover zich zag. Zonder een oogenblik te aarzelen, zette Michiel koers tusschen de beide Algerijnen door en bereikte ongedeerd de kust van Salee, waar hij door de Mooren, die dit gevecht van één Hollander tegen vijf Algerijnsche zeeroovers met bewondering hadden aangezien, met groot gejuich ontvangen werd. Zij bewezen den dapperen kapitein de grootste onderscheiding en lieten hem zelfs in triomf te paard de stad doorrijden, terwijl de opperhoofden der roofschepen, onder ’t geschimp van het grauw, te voet moesten volgen.

Weer een anderen keer raakte hij met eenige andere schepen onder de Duinkerker kapers verzeild. Zijn schip was geheel weerloos, en voerde weinig of geen geschut.

’t Was avond. Alleen list kon hem redden. De koopvaarders doofden de lichten en zochten in de duisternis te ontsnappen, maar de Ruyter liet integendeel verscheidene lichten bijzetten en dreef langzaam met weinig zeilen voort. Die groote kalmte en de vele lichten brachten de Duinkerkers in den waan, dat zij met een oorlogsschip te doen hadden, en zij bleven daarom op een eerbiedigen afstand. De list slaagde volkomen. Hij zeilde ongedeerd tusschen de kapers door, die het niet waagden hem aan te vallen, en kwam weldra in behouden haven.

Dit was niet de eenige maal, dat hij door list aan de handen zijner belagers ontsnapte. Eens kwam hij met een lading boter uit Zeeland, koers houdende naar Vlissingen, toen hij weer zoo’n Duinkerker op zich zag afkomen. Dadelijk gaf hij last, eenige tonnen boter op het dek te smeren. De Duinkerker kwam snel nader, draaide bij en wierp de enterhaken uit, om zich aan het Hollandsche schip vast te klampen. Dadelijk sprongen de vijanden op Michiel’s vaartuig over, maar o wee, zij hadden niet op de gladheid van het dek gerekend, en maakten de zotste sprongen of gleden uit en vielen voor de voeten der Hollandsche matrozen, die hen alles behalve vriendelijk ontvingen. Zij werden met haastigen spoed naar het kaperschip teruggejaagd, en kozen hun heil in de vlucht.

Op een andere reis van Salee komende, werd hij vervolgd door een Franschen kaper, die hem zoo in het nauw bracht, dat de Ruyter zich genoodzaakt zag, bij te draaien. Hij begaf zich op het vijandelijke vaartuig, waar hij voor den gezagvoerder werd gebracht, en eischte, dat deze hem ongehinderd zijne reis zou laten vervolgen. Met welk recht wilde deze hem van zijn schip berooven? Holland was immers niet met Frankrijk in oorlog?

De Franschman kon voor zijne handelwijze geen goede gronden aanvoeren, maar was toch niet bereid, de Ruyter te laten vertrekken. Hij liet zich wijn brengen, en bood ook zijn onvrijwilligen gast een glas aan. Maar Michiel sprak fier:

“Ben ik vrij, geef mij wijn,—maar ben ik een gevangen man, zoo geef mij water.” En hij weigerde den wijn te drinken. Dit vrijmoedige antwoord behaagde den kapitein zoo zeer, dat hij zijn glas ophief, en zeide:

“Met dezen dronk wensch ik u goede reis!”

En ongehinderd liet hij den kranigen Hollander vertrekken.

Diezelfde vrijmoedigheid en kloekheid toonde de Ruyter later te Salee. Het opperhoofd aldaar kwam bij hem aan boord, en vroeg naar den prijs van een stuk laken, dat de Ruyter hem te koop aanbood. Maar het opperhoofd vond den prijs te hoog, en wilde afdingen.

“Neen,” zei de Ruyter, “tegen dien prijs mag ik het u niet afstaan. Wel wil ik, indien het u behaagt, het u ten geschenke aanbieden.”

Hier begreep het opperhoofd niets van.

“Wat!” riep hij uit. “Tegen een minderen prijs moogt gij het niet afstaan, en gij wilt het mij ten geschenke geven? Dat is vrij raadselachtig.”

“Allerminst,” was de Ruyter’s antwoord. “Ik mag mijne goederen niet onder den prijs verkoopen, maar desnoods mag ik ze wel ten geschenke geven.”

Het opperhoofd werd boos en eischte, dat het laken hem tegen den geboden prijs zou worden afgestaan. En toen de Ruyter onbevreesd bleef weigeren, dreigde hij, dat hij èn schip èn lading zou nemen, daar de Ruyter zich geheel in zijne macht bevond.

“Dat kunt ge doen,” zei de Ruyter fier, “maar dan zullen alle kooplieden weten, dat in Salee geen schip veilig is!”

In de grootste verbolgenheid verliet het opperhoofd met zijn gevolg het Hollandsche vaartuig, de Ruyter in volslagen onzekerheid achterlatende van wat hem te wachten stond.

Een paar uur later keerde de Moor aan boord terug. “Welnu,” vroeg hij, “wilt gij mij het laken tegen den geboden prijs afstaan?”

De Ruyter volhardde bij zijne weigering.

Toen wendde het opperhoofd zich tot zijn gevolg, en riep uit:

“Ziet eens, hoe kloek en trouw die Christen voor zijne meesters is. Zijt gij dat allen ook voor mij?”

Door dit voorval, gevoegd bij de Ruyter’s heldhaftig gedrag tegen de vijf zeeroovers, kwam hij in Salee zoodanig in aanzien, dat de Mooren bijna met geen andere schippers zaken wilden doen, dan met hem. Zijn handel met die roofzuchtige lieden was buitengewoon voordeelig, en alles ging zoo vlug van de hand, dat hij wel twee reizen kon doen tegen anderen één.

Toen zijn schip eens op de kusten van Salee verging en de goederen aan land spoelden, gaf het anders zoo diefachtige volk hem alles trouw en eerlijk terug, en verschaften zij hem bovendien een wrak, dat hij liet opbouwen en waarmede hij zijne meesters zooveel voordeel aanbracht, dat zij het verloren schip niet behoefden te betreuren. Hij waagde zich meermalen diep in de binnenlanden om handel te drijven, en had daardoor gelegenheid, vele Christenslaven los te koopen, waarvoor hij zelfs diep in eigen beurs moest tasten.

Dikwijls was hij door dreigende gevaren omringd, en moest hij de hevigste stormen trotseeren. Van zes schepen, vergingen er eenmaal vijf; alleen dat van de Ruyter keerde in het vaderland terug. Later gebeurde dat met zeventien en nog eens met acht en twintig schepen. Telkens was het alleen het schip van de Ruyter, dat behouden bleef. De andere vergingen.

Den 25en September 1650 trof hem het ongeluk, dat ook zijne tweede vrouw stierf. Hij besloot toen het zeeleven vaarwel te zeggen en zijne verdere levensdagen aan land door te brengen. Hij had genoeg verdiend, om dat onbezorgd te kunnen doen. En dat besluit werd nog vaster, toen hij in 1652 voor de derde maal in den echt trad. Deze vrouw heette Anna van Gelder, en was de weduwe van den schipper Jan Pauluszoon, die mede in dienst van de heeren Lampsens gevaren had en op reis gestorven was. Daar zij vreesde, dat ook de Ruyter eenmaal een dergelijk lot zou treffen, sterkte zij hem in zijn voornemen, om aan land te blijven. Hij nam dus afscheid van zijne reeders en werd een eenvoudig rentenier. Weinig kon hij toen vermoeden, dat hij weldra tot de zee terugkeeren, daar opklimmen tot de hoogste voor hem te bereiken waardigheid, en eenmaal de roem van de geheele wereld worden zou.

In 1652 raakten wij in oorlog met Engeland. Onze beroemde zeeheld Maarten Harpertszoon Tromp voer met zijn vloot op de hoogte van Dover en ontmoette daar een vijftiental Engelsche bodems onder bevel van Robert Blake. De Engelschen noemden zich in die dagen de heerschers der zee en eischten, dat schepen van andere naties hun de noodige eer bewezen door het strijken van de vlag en het lossen van kanonschoten. Juist maakte Tromp zich gereed om de Engelsche vloot op die wijze te begroeten, toen Blake hem tweemaal een kogel over zijn schip zond, en daarna een derden door zijn want, waardoor een van de matrozen een arm verloor.

Tromp, de held van Duins, was er de man niet naar, om zich deze handelwijze te laten welgevallen. Hoewel de beide rijken niet in oorlog waren, al was de houding tusschen hen dan ook zeer gespannen, gaf hij last de kanonnen te lossen. Een hevig gevecht was er het gevolg van; niet minder dan vier uur werd er verwoed gestreden. Toen zag Tromp zich gedwongen naar het vaderland te wijken.

Eene oorlogsverklaring was thans niet meer noodig, en de Staten namen het Tromp hoogst kwalijk, dat hij het schot van Blake met kanongebulder beantwoord had, in plaats van de vlag te strijken. Men ontnam hem het opperbevel over de vloot en benoemde Witte Corneliszoon de With tot admiraal. Maar nu had men behoefte aan een bekwaam man, wien men het opperbevel over een deel van de vloot kon toevertrouwen. De Staten van Zeeland besloten, die hooge betrekking op te dragen aan Vlissinger Michiel, thans koopvaardij-kapitein in ruste. Het kostte veel moeite om hem over te halen, die waardigheid te aanvaarden. Toen men echter een beroep deed op zijne vaderlandsliefde, toen men hem er op wees, dat het vaderland in nood verkeerde en hem niet missen kon,—toen stapte hij over alle bezwaren heen, en koos, thans als vice-kommandeur, wederom zee.

Zijn schip heette Neptunus, voerde 28 stukken en was met 134 koppen bemand. In Augustus 1652 stak hij in zee, om eenige koopvaarders, die van Texel moesten komen, veilig door het Kanaal te brengen. ’t Was eene groote teleurstelling voor de Ruyter, dat zijne vloot zoo zwak was in vergelijking met die van den vijand. Ook liet de tucht veel te wenschen over. Zoo gebeurde het, dat een paar branders eigendunkelijk wegzeilden,—en later, in de hevige zeegevechten, die er gevoerd werden, zelfs kapiteins de vloot verlieten, om zich hier of daar in veiligheid te brengen. De Ruyter zond al spoedig bericht aan de Staten van Zeeland, dat de hem toevertrouwde vloot te zwak was om zich met succes te kunnen wagen tegen den vijand, wiens schepen niet alleen meer in getal, maar ook veel grooter van stuk waren. Bovendien waren zij veel sterker bemand en gewapend.

Bij Plymouth had de eerste ontmoeting tusschen de Ruyter en de Engelschen plaats. De Ruyter had zijne vloot in drie smaldeelen gescheiden, en de koopvaarders onder deze smaldeelen verdeeld. De vijandelijke vloot stond onder bevel van Ascue. ’s Middags om 4 uur begon de strijd. De Ruyter gaf al dadelijk blijken van grooten moed. Met zijn smaldeel sloeg hij zich tot tweemaal toe door den vijand heen, en gedurende eenigen tijd lag zijn schip tusschen die van den admiraal en den vice-admiraal in. Hij werd geducht bestookt, maar wist van geen wijken. En zijn voorbeeld werkte begeesterend op zijn ondergeschikten, die zich kloekmoedig van hun plicht kweten. Een Friesch kapitein, Douwe Aukes genaamd, geraakte zoo diep met zijn schip onder de vijanden verzeild, dat alle hoop verloren scheen. Reeds eischten zijne matrozen, dat hij zich overgeven zou, toen Douwe Aukes een lont greep en deze in het kruit dreigde te werpen, indien zij den strijd opgaven. Dit bewijs van moed en doodsverachting gaf nieuwe geestkracht aan de matrozen, die zich nu zoo dapper weerden, dat zij twee Engelsche schepen in den grond boorden en een derde op de vlucht joegen.

’s Avonds om 8 uur weken de Engelschen naar het Noorden. Michiel de Ruyter had zijne eerste overwinning behaald. Ascue verloor in dezen slag niet minder dan 1300 man en drie zijner beste schepen, terwijl de Ruyter geen enkel schip en maar 50 dooden en 40 gekwetsten te betreuren had. Bovendien kon hij thans ongehinderd de koopvaardijvloot door het Kanaal geleiden, en wisten de Engelschen, dat zij in Michiel de Ruyter een tegenstander hadden gevonden, die niet licht te achten was.

Korten tijd daarna kreeg de Ruyter bevel, de koopvaarders, die met hun rijkbeladen schepen uit Indië terugkeerden en een rijken buit voor den vijand beloofden, veilig in de Hollandsche havens te brengen. Dat was geen gemakkelijke taak, want Blake was met eene vloot van 72 zeilen in zee, terwijl de vloot van de Ruyter veel kleiner was en aan alles gebrek had. Hij gaf daarvan schriftelijk kennis aan de Zeeuwsche Staten, berichtende, dat mondkost en krijgsvoorraad zoo goed als verbruikt waren.

Toen hij een 25-tal Engelsche oorlogsschepen ontdekte, waagde hij het toch, daarop jacht te maken. Maar in den avond werd zijne vloot door storm verstrooid, waarvan verscheidene kapiteins gebruik maakten, om op eigen gezag naar het vaderland terug te keeren. Bovendien bleek het de Ruyter, dat vele schepen onder bevel stonden van onbedreven bevelhebbers en bemand waren met onkundige matrozen.

Hij besloot daarom zich te vereenigen met de vloot, die onder bevel stond van admiraal Witte Cornelisz. de With, den opvolger van Tromp. Deze beschikte nu over 45 oorlogsschepen, maar 10 daarvan en 5 branders, behoorende tot de vloot van de Ruyter, moesten naar het vaderland teruggezonden worden, omdat zij niet meer zeewaardig waren. Daartoe behoorde ook de Neptunus, zoodat de Ruyter op de Louize overging.

Den achtsten October vielen de Engelschen op ons aan, ’s middags om 3 uur. De With en de Ruyter streden met leeuwenmoed, maar—verscheidene Hollandsche kapiteins sloegen in het heetst van het gevecht op de vlucht en brachten daardoor groote verwarring teweeg, zoodat zelfs Hollanders op Hollanders schoten. De Ruyter kreeg vele dooden en gekwetsten, en zijn groot- en marszeil werden aan flarden geschoten. Toch wist hij van geen wijken en hield hij den strijd moedig vol, tot de avond rust bracht. Maar des morgens ontbrandde de strijd opnieuw, doch ook nu verlieten eenige schepen het tooneel van den slag, waardoor de overmacht van de Engelschen zoo groot werd, dat de onzen tot wijken werden gedwongen. Den 10en October kwam de vloot de Maas binnen.

De With was over den afloop van dit zeegevecht bitter ontstemd, en de Ruyter was zoo diep verontwaardigd over den onwil, de lafhartigheid en de onbedrevenheid van vele kapiteins, dat hij besloot, zijn ambt neer te leggen en zijn verder leven in zijn huisgezin door te brengen. De Staten verzochten hem evenwel zoo dringend in het belang van het vaderland aan te blijven, dat hij ten tweeden male op zijn besluit terug kwam en nogmaals zee koos.

Opnieuw werd het opperbevel opgedragen aan Maarten Harpertszoon Tromp, den bij het scheepsvolk zoozeer geliefden zeeheld, dien zij met den naam van Bestevaar vereerden. De Ruyter bevoer Het Lam, dat 34 stukken voerde. De vloot telde 100 schepen, meestal echter van kleinen omvang, zwak van bemanning en slecht bewapend. Zij was bestemd, om een 400 koopvaarders veilig door het Kanaal te brengen.

De vloot zeilde uit, maar hevige wind- en regenvlagen deden Tromp besluiten, de koopvaarders naar het vaderland terug te zenden. Bij Dover kwam het tot een gevecht, waarin de Hollanders met zooveel geestdrift streden, dat de vijanden een goed heenkomen moesten zoeken. Blake had zijn voorsteven verloren en werd zelf gekwetst. Op schitterende wijze was de smaad uitgewischt, die door lafheid en onwil in den vorigen strijd onze vlag was aangedaan.

Onze koopvaardijvloot kon thans ongehinderd uitzeilen, want de zee was vrij. De zoogenaamde heerschers der zee hadden zich in hunne havens in veiligheid gebracht.

In het begin van 1653, den 28 Februari, 1 en 2 Maart, had een zeeslag plaats, die zijne weergade in de geschiedenis nog niet kende. De Ruyter had den last ontvangen een vloot koopvaarders, die zich bij St. Martin verzameld hadden, af te halen en naar het vaderland te geleiden. Hij wilde dus de Engelsche oorlogsschepen onder Blake, Deane en Monk ontzeilen, maar zoowel door storm als door het langzaam vorderen van de koopvaardijschepen was hem dat onmogelijk. Het gelukte hem echter wel, zich met Tromp te vereenigen.

Bij Portland kregen zij den vijand in zicht, en ’s morgens om tien uur begon het gevecht, dat onder den naam van den driedaagschen zeeslag bekend zou worden. Terwijl Tromp in een strijd gewikkeld was met den Engelschen admiraal, viel de Ruyter een groot schip aan, the Prosperity genaamd, dat 44 stukken en 170 man voerde. Hardnekkig werd van beide kanten gestreden, en de Ruyter leed zware verliezen. Onbevreesd gebood hij echter het schip te enteren en den strijd op den vijandelijken bodem over te brengen. Als katten klommen de Hollanders tegen het schip op, maar zij werden zoo warm ontvangen, dat zij terugdeinsden. Toen riep de Ruyter de zijnen toe:

“Mannen, dat gaat niet aan! Eens daarin, altijd daarin!” Zijne woorden verleenden zijne matrozen zooveel moed, dat het hun inderdaad gelukte, het schip te veroveren. Eenigen tijd later bevond hij zich tusschen niet minder dan 20 vijanden, en was hij den ondergang nabij. Met behulp van den dapperen Jan Evertsen sloeg hij er zich doorheen, en wist hij het gevaar te ontkomen.

De strijd duurde voort tot den avond, maar werd den volgenden dag hervat. Tromp en de Ruyter streden in elkanders nabijheid, en ’s middags raakte de laatste in zoo’n benarden toestand, dat hij ook nu weer verloren scheen. Hij raakte in zulk een drom van vijanden en werd zoo vinnig beschoten, dat hij het schip niet meer besturen kon, en dit als een vat op de baren dobberde. De admiraal gaf kapitein Duins last, het op sleeptouw te nemen.

’t Was een schrikkelijke strijd. De kanonnen bulderden zonder tusschenpoozen, zoodat de schepen in een wolk van smook gehuld waren. ’t Geschrei der gewonden was hartverscheurend.

Toen de avond kwam, wist nog geen der beide vloten van wijken. De strijd zou dus den derden dag worden voortgezet. Maar de krijgsvoorraad van de Hollanders was grootendeels verbruikt, bijna uitgeput.

Toch werd ’s morgens de strijd hervat. Hoewel de onzen nog slechts dertig schepen overhadden, gaf Tromp toch bevel tot den aanval. De Ruyter vocht weer met heldenmoed, hoewel zijn schip niet bestuurd kon worden en door een ander op sleeptouw genomen werd. Zijn moed en geestkracht bleven onverzettelijk, zelfs toen zijn schip geen zeil of mast meer had en er bijna niets meer aan heel was. Het getal gekwetsten aan boord was gestegen tot 42.

’t Was een geluk voor de onzen, dat de vloten al strijdende afdreven naar de Duinkerksche banken, waar de grootere Engelsche schepen dreigden te stranden. Deze maakten daarom een einde aan den verschrikkelijken strijd en deinsden af.

Tromp gaf bevel naar het vaderland terug te keeren, waar de vloot in een ontredderden staat aankwam. Het doel was bereikt: de Engelschen waren er niet in geslaagd, onze rijke koopvaardijvloot te bemachtigen.

Tromp, de Ruyter en vele andere bevelhebbers ontvingen den dank van de Algemeene Staten voor hun heldhaftigheid en wijs beleid. Tromp en de Ruyter werden zelfs met een gouden keten, versierd met een eerepenning, vereerd.

Omstreeks Mei 1653 koos de vloot weder zee, en raakte in Juni slaags met den vijand, die over 16000 koppen en 3800 kanonnen beschikte. De Hollandsche vloot was veel minder sterk, maar waagde toch den strijd. Tegen den avond hadden wij wel eenig voordeel behaald, maar dat ging verloren door de verwarring, die op onze vloot heerschte. Alweer hadden wij gebrek aan buskruit, en vooral de With en de Ruyter hadden nog maar een geringen voorraad.

’s Morgens greep Tromp het vice-admiraalsschip aan, maar daar hij zich door een paar lafhartige kapiteins verlaten zag, moest hij afdeinzen en kwam tusschen 13 vijandelijke bodems in het gedrang. Zijn schip werd doornageld en zou den vijand in handen gevallen zijn, indien Tromp niet eenige vaatjes buskruit had doen ontploffen, dat hen op de vlucht dreef. De With en de Ruyter kwamen hem te hulp en redden hem verder uit het gevaar.

De vloot keerde naar huis terug, en nu drong Tromp er met klem op aan, dat zij de noodige versterking zou ondergaan. Hij verklaarde, dat bij de Engelsche vloot zeker 50 schepen waren, die het Hollandsche admiraalsschip in grootte overtroffen. Beslist gaf hij te kennen, dat hij niet weder in zee wilde steken, als de vloot niet voldoende kruit en lood aan boord had.

Ook de Ruyter verklaarde, dat hij niet in zee ging, als de vloot niet zeer versterkt en goed bewapend werd.

De Staten traden thans krachtig op. De lafhartige kapiteins werden gestraft, aanzienlijke belooningen werden beloofd voor het verrichten van grootsche wapenfeiten, en de vloot werd met vele schepen versterkt. Men begreep, dat de eer van het vaderland op het spel stond. Van alle kanten stroomden de vrijwilligers toe, om dienst te nemen. Zwaardere kanonnen werden op de schepen gebracht, kruit en kogels in groote hoeveelheden ingeladen.

Tromp was nog wel niet tevreden over het gehalte der macht, waarover hij het bevel kreeg, maar hij meende toch den vijand nu onder de oogen te kunnen zien. Den 8en Augustus kreeg hij de Engelschen in ’t gezicht, en tegen den middag begon, niet ver van Katwijk, de strijd. De Ruyter en Evertsen werden hevig aangevallen, maar leden geen gevoelige verliezen. Alleen hadden hun zeilen en masten het kwaad te verantwoorden. De avond bracht rust, en den volgenden dag was de zee te onstuimig om den strijd te kunnen hervatten. Den 10en Augustus echter raakten de vloten wederom slaags, ter hoogte van Ter Heide. De Hollanders leden hier het grootste verlies, dat voor hen denkbaar was. De dappere held, Maarten Harpertsz. Tromp, de lieveling der matrozen, hun Bestevaar, zooals zij hem noemden, stierf den heldendood. De Ruyter toonde zich overal in het heetst van ’t gevecht, met het gevolg, dat hij van zijn volk eindelijk nog maar de helft had overgehouden en zijn schip zoowel fokkemast als grooten steng verloor. Alleen de bezaansmast was staande gebleven. ’t Was daardoor, en ook doordat zijn krijgsvoorraad verschoten was, dat hij zich aan den strijd onttrekken moest. Hij keerde naar de Maas terug, om zich daar zoo goed mogelijk te herstellen.

Ook de With moest wijken. Niet minder dan 24 kapiteins hadden hem schandelijk in den steek gelaten.

De Staten benoemden Jacob, Graaf van Wassenaar, Heer van Obdam tot admiraal van de vloot, terwijl de Ruyter tot de waardigheid van vice-admiraal werd verheven. Hij verzocht echter van de aanneming verschoond te blijven, maar eindelijk bezweek hij voor het aanhouden van den Raadpensionaris Jan de Witt, en werd het ambt door hem aanvaard.

Kort daarop volgde de vrede met Engeland.

Gedurende de jaren 1654–1656 deed de Ruyter meermalen tochten naar de noordkust van Afrika, om de Algerijnsche zeeroovers te tuchtigen, die met de grootste brutaliteit onze rijke koopvaardijschepen kaapten, zich de goederen toeëigenden en de bemanning als slaven verkochten. Duizenden van deze ongelukkigen ondergingen in de binnenlanden een jammerlijk lot.

’t Gelukte de Ruyter op zijne veelvuldige tochten, de zeerooverij aanmerkelijk te beteugelen en vele slaven te bevrijden.

Ook in het Noorden behaalde de Ruyter grooten roem. Zweden en Denemarken voerden een langen en bloedigen oorlog. De Hollanders besloten Denemarken hulp te verleenen, en zonden eene vloot onder bevel van Wassenaar van Obdam naar de Oostzee. Later werd eene nieuwe vloot ter versterking daarheen gezonden onder bevel van de Ruyter. Hij landde in November 1659 op Funen, maar werd daar door de Zweden met kanongebulder ontvangen. Vele Hollanders sneuvelden, en er ontstond onder hen zelfs een oogenblik van wankelmoedigheid. Maar de Ruyter riep hun toe:

“Valt aan, mannen, valt aan, of gij zult allen te zamen worden vermoord!”

De dappere Ritmeester Buat sprong met het rapier in de vuist vooruit, en riep:

“Mannen, dat gaat u voor, volgt mij na!”

Toen vielen de onzen kloekmoedig op de Zweden aan en behaalden eene schitterende overwinning, welke tengevolge had, dat Nyborg op de vijanden werd vermeesterd.

De koning van Denemarken, die zijn redding geheel aan den moed der Hollanders te danken had, verhief de Ruyter met al zijne nakomelingen in den adelstand en schonk hem een gouden keten van groote waarde. Bovendien verleende hij hem een lijfwedde van twee duizend gulden ’s jaars.

Er brak nu een kort tijdperk van rust voor hem aan. Acht maanden mocht hij in den schoot van zijn gezin doorbrengen. Hij woonde toen in Amsterdam en had acht kinderen. Zijn zoon Adriaan was zeeman, evenals zijn vader. Een andere zoon, Engel genaamd, koos eveneens die loopbaan, en zou weldra zijn eersten tocht op het zilte nat ondernemen. Adriaan stierf jong als luitenant ter zee. Van zijne dochters huwde Cornelia met den kapitein der zeesoldaten Johan de Witte, Alida huwde met een schepen van Vlissingen, later met den Predikant Potts aldaar, en Margaretha trad in het huwelijk met Somer, Predikant te Amsterdam.

In den zomer van 1661 kreeg de Ruyter bevel opnieuw zee te kiezen, om de Algerijnsche zeeschuimers te tuchtigen, die weer brutaler dan ooit onze koopvaarders roofden en de bemanning als slaven verkochten. Ook Fransche en Spaansche zeeroovers maakten het onzen koopvaarders in die dagen zeer lastig. Welke groote afmetingen die rooverijen hadden aangenomen, kan blijken uit het feit, dat de Algerijnen niet minder dan dertig groote roofschepen in zee hadden.

De Ruyter bleef in de Middellandsche zee tot in het begin van 1663, en maakte het den zeeschuimers geducht lastig. Toen kreeg hij bevel naar het vaderland terug te keeren. Cornelis Tromp zou zijne taak van hem overnemen, maar na het vertrek van den gevreesden de Ruyter traden de roovers met vernieuwde brutaliteit op. De dappere Tromp had te weinig schepen, om hun voldoende ontzag in te boezemen.

Opnieuw werd de Ruyter uitgezonden, om de roovers te kastijden. Zijn zoon Engel maakte dezen tocht, die zijn eerste was, met hem mede. De Ruyter werd door een hevige ziekte overvallen en men had geen hoop, dat hij daarvan herstellen zou. Zijn leven bleef echter behouden. Het mocht hem evenwel niet gelukken, de zeeroovers tot onderwerping te brengen. Het uitbreken van een nieuwen oorlog met Engeland riep hem naar elders.

De Engelschen, die naijverig waren op den bloei der Nederlanden en op onzen handel, hadden reeds langen tijd blijken gegeven van hunne vijandelijke bedoelingen. Zij hadden, zonder dat er eene oorlogsverklaring aan was voorafgegaan, Hollandsche koopvaarders bemachtigd, en maakten zich in 1664 zelfs meester van onze bezittingen in Afrika en Amerika.

De Ruyter kreeg toen den geheimen last, die bezittingen te heroveren, welk bevel hij ten uitvoer bracht. ’t Was op zijn tocht naar Afrika, dat de Vice-admiraal Michiel de Ruyter Jan Kompanie weder ontmoette, het vroegere negerjongetje, dat op hetzelfde schip was, waarop hij zijne eerste reis maakte. Toen Jan Kompanie vernam, dat Michiel, zijn vroeger speelkameraadje, de admiraal was, die over de machtige vloot bevel voerde, liet hij zich bij hem aan boord brengen, waar een hartelijk wederzien volgde. Jan had het ook ver in de wereld gebracht, want hij was zelfs onderkoning over eenige negers geworden. Hij kende toen nog, na een tijdsverloop van meer dan veertig jaren, al de namen der bruggen, straten en kaden van Vlissingen, wel een bewijs, dat hij een goed geheugen bezat.

Na eene afwezigheid van vijftien maanden keerde de Ruyter in het vaderland terug, waar hij met groote blijdschap ontvangen werd, omdat men gevreesd had, dat hij op zijn terugtocht den Engelschen in handen zou vallen. Hier had men zich intusschen met kracht tot den oorlog uitgerust. Een aanzienlijke vloot lag gereed, om op het eerste bevel zee te kiezen. Dat bevel zou niet lang op zich laten wachten.

De Engelsche vloot was uitgevaren en maakte over de honderd onzer koopvaarders buit. Toen koos ook onze vloot het ruime sop. Zij telde 105 oorlogsschepen, 7 jachten, 11 branders en 12 galjoten, te zamen voerende 4900 vuurmonden en 22000 koppen. De vijand had 110 schepen in zee, en stond onder bevel van den Hertog van York, die zich aan boord bevond van de Royal Charles.

Wassenaar van Obdam voerde onze vloot aan. Reeds bij het eerste treffen, dat ter hoogte van Lowesthoff plaats had, leden wij een gevoeligen slag, doordat het schip van onzen admiraal in de lucht vloog. Het lijk van Obdam werd nooit teruggevonden, en met hem vond de geheele bemanning, bestaande uit 500 koppen, den dood. Ook de dappere Kortenaar sneuvelde. Deerlijk gehavend keerde onze vloot in het vaderland terug, terwijl bij de Engelsche uitbundige vreugde heerschte over de behaalde overwinning. Wij hadden vele schepen verloren, terwijl verscheidene kapiteins op lafhartige wijze de vlucht hadden genomen.

In weinige weken was de vloot hersteld en in staat weder uit te loopen. Voorloopig werd Cornelis Tromp tot opperbevelhebber benoemd, want de Ruyter was op dat tijdstip nog niet uit het Verre Westen teruggekeerd. Maar nauwelijks had hij hier voet aan wal gezet, of hij werd door de Staten benoemd tot Luitenant-Admiraal van de vloot, de hoogste waardigheid, die voor hem te bereiken was. Cornelis Tromp was daar zoo verontwaardigd over, dat hij zijn ontslag uit ’s lands dienst verzocht. Hij wilde niet onder de Ruyter dienen. De houding van den dapperen Evertsen, eertijds de meerdere van de Ruyter, was geheel anders. Deze verklaarde rondborstig, dat aan de Ruyter, om zijne hooge verdiensten, het opperbevel toekwam. Tromp kreeg zijn gevraagd ontslag niet, maar ontving van de Staten eene scherpe terechtwijzing, waarop hij besloot, zich den nieuwen stand van zaken te laten welgevallen.

In een geweldigen zeeslag, die den 12 Juni 1666 begon en eerst den 14 Juni werd beslist, bevocht de Ruyter eene schitterende overwinning op de vijanden. Hij bevoer het Admiraalsschip De Zeven Provinciën. Voor den aanvang van den strijd, toen de Engelschen in ’t gezicht kwamen, liet hij op de geheele vloot het gebed doen. Daarna begon het bloedige gevecht, dat in de geschiedenis bekend staat als de Vierdaagsche Zeeslag, en waarin de Ruyter zich met roem en eer overdekte. Toen eindelijk de vijanden hun heil zochten in de vlucht, nadat de Vice-admiraal Ascue zelfs gedwongen was geworden zich over te geven,—vielen onze kapiteins elkander weenend van blijdschap in de armen. De Ruyter, nederig en bescheiden als altijd, ontblootte zich het hoofd, hief den blik hemelwaarts, en dankte God voor de overwinning. Zwaar gehavend, maar met 3000 gevangenen en zes veroverde schepen, keerde de vloot in het vaderland terug.

In een volgend treffen waren wij niet zoo gelukkig. ’t Had plaats bij Duinkerken. De dappere, nobele Cornelis Evertsen werd daar doodelijk getroffen, en de Ruyter zag zich gedwongen, te wijken. Zijn terugtocht was echter zoo beleidvol, dat de Engelschen niet het minste voordeel met hunne overwinning behaalden en onze vloot behouden in onze haven binnen kon vallen. Hij schreef den slechten afloop van dezen strijd voor een groot deel toe aan Cornelis Tromp, die zich van de vloot had afgescheiden en haar daardoor te zeer verzwakt had. Tromp verdedigde zich met de bewering, dat hij zich onbewust in de hitte van den strijd te ver van de vloot had verwijderd, en dat in geen geval de zucht om de Ruyter te benadeelen, de drijfveer van deze daad was geweest. Het treurige gevolg was echter, dat Cornelis Tromp van zijn ambt werd ontzet, en dat er tusschen hem en de Ruyter eene verwijdering ontstond, die gedurende vele jaren zou blijven bestaan.

De Engelschen begaven zich noordwaarts en staken ruim 100 van onze koopvaardijschepen, die in het Vlie lagen, in brand. Bovendien verwoestten zij een gedeelte van het weerlooze eiland Terschelling,—voorwaar geen groot heldenstuk. ’t Was een lage en schandelijke daad van de anders zoo moedige Engelschen, en zij zou hun eerlang berouwen.

Den 17en Juni 1667 stak de Ruyter met eene machtige vloot in zee, niet om een weerloos Engelsch eilandje af te loopen, maar om weldra de ankers te laten vallen voor den mond van de Theems, en den leeuw in zijn eigen hol te gaan bestoken. Den 20en Juni zeilde het eerste smaldeel onder den Vice-admiraal van Gent de Medway op, en veroverde kapitein van Brakel het fort Sheerness, dat ons den toegang wilde beletten. Tevens vermeesterde hij het schip de Unity, en maakte daardoor den weg naar Londen voor onze schepen vrij. Onze vloot lichtte de ankers, en voer de rivier op. Het vroegere admiraalsschip Royal Charles werd veroverd en verscheidene andere schepen werden in brand gestoken. Een geweldige schrik maakte zich van de Engelschen meester. Londen sidderde. “De Hollanders komen!” klonk het alom. Men pakte het kostbaarste bijeen en vluchtte de stad uit. Iedereen verwachtte, dat Londen geplunderd en verwoest zou worden, dat moord en doodslag het Engelsche volk in rouw zou dompelen.

Dat geschiedde echter niet. Wel bleef onze vloot nog een paar maanden in dien omtrek kruisen, maar Londen werd niet aangetast. Deze beroemde tocht naar Chattam, zooals hij gewoonlijk wordt genoemd, verhaastte niet weinig het sluiten van den vrede, die in Juli 1667 tot stand kwam. De Royal Charles was als zegeteeken naar het vaderland medegevoerd.

In 1672 raakte ons land opnieuw in oorlog, thans met Frankrijk, Engeland, Munster en Keulen. ’t Was het rampjaar onzer geschiedenis. De Franschen drongen tot diep in ons land door, terwijl de noordelijke provinciën ernstig door de Munsterschen en Keulenaars werden bedreigd. ’t Land was reddeloos, de regeering radeloos, het volk redeloos. Willem III werd onder den drang van het volk tot stadhouder benoemd, en de gebroeders de Witt werden op schandelijke wijze door het grauw vermoord.

’t Gemeenebest scheen verloren. Alleen ter zee bleek Neerlands meerderheid tegenover de vijanden.

Den 7en Juni leverde de Ruyter een slag tegen de vereenigde Engelsche en Fransche vloten, die onder bevel stonden van den Hertog van York en d’Estrées, bij Solebay. Dadelijk bij het begin van het gevecht wees de Ruyter zijn stuurman Zeger het schip van York aan, met de woorden:

“Stuurman Zeger, dàt is onze man!”

Waarop de stuurman antwoordde:

“Mijnheer, dat zal u gebeuren.”

Onmiddellijk daarop voer de Zeven Provinciën tot op een pistoolschot afstands van the Royal Prince, en gaf het de volle laag. Een hevig gevecht ontstond, dat omstreeks twee uren aanhield. De Hertog van York zag eindelijk zijn schip zoo zwaar geteisterd, dat hij het noodig vond op een ander vaartuig over te stappen.

’t Werd een verwoede zeeslag, die strand en zee deed daveren van ’t kanongebulder, zooals een dichter ’t uitdrukte.

De Ruyter verklaarde zelf, “dat hij veel zeeslagen had bijgewoond, maar nooit in scherper en langduriger gevecht was geweest.” Wie in dezen slag overwinnaar bleef, is niet te zeggen, maar zeker is het, dat de Engelschen en Franschen geen voordeel behaalden en niet minder dan 2500 gesneuvelden en gekwetsten telden. Een Engelschman, die op het schip van de Ruyter den slag had bijgewoond, getuigde van hem: “Is dat een Admiraal! Dat is een Admiraal, een stuurman, een matroos en een soldaat! Ja, die man, die held is dat alles te gelijk!”

’t Was bekend, dat Michiel de Ruyter een groot vriend was van de gebroeders de Witt. Hij liet dan ook niet na zijn afkeurend oordeel over den moord op deze beide mannen uit te spreken, wat hem door velen hoogst kwalijk genomen werd. Zijn vrienden waarschuwden hem zelfs voor zijne groote vrijmoedigheid in dat opzicht, en gaven hem den raad, zijne gedachten niet zoo luid uit te spreken. Zijn antwoord daarop klonk fier:

“Wanneer ’t hier in het vaderland zoo gelegen is, dat men de waarheid niet mag spreken, zoo is ’t er ellendig gesteld. Nochtans zal ik die spreken, zoo lang als mijne oogen openstaan.” Gedurende hunne gevangenschap was hij zelfs hun voorspraak geweest.

Toen dan ook de de Witten waren vermoord en ’t grauw tot daden van geweld was overgeslagen, verzamelde zich ook voor het huis van de Ruyter een troep volks, dat luide de beschuldiging uitte, dat de Ruyter ’s lands vloot aan de vijanden verraden en verkocht had. Men hoorde met groot lawaai schreeuwen, dat men het huis wilde plunderen. Mevrouw de Ruyter ontbood dadelijk Wessel Smit, een kapitein van een vendel burgers, bij zich, en deze riep van zijn stoep af het volk toe:

“Wat wilt gij? Wat is er te doen?”

’t Antwoord was niet bemoedigend.

“Jij dikke schelm, kom van de stoep, men zal je op zijn Jan de Witts behandelen,” klonk het hem toe.

De dappere Smit daalde dadelijk van de stoep af, en zei: “Heb ik ’t verdiend, zoo kunt ge mij zoo behandelen.”

Men deed hem echter niets, en hij spoedde zich naar het huis van de Ruyter, waar diens vrouw in grooten angst verkeerde. Dadelijk begaf hij zich naar zijn vaandrig Nicolaas Duizendt, om met hem te overleggen, wat er gedaan moest worden. Een trommelslager, om het vendel bijeen te roepen, hadden zij niet bij de hand; daarom zond hij zijne dienstboden uit, om de schutters op te roepen.

’t Grauw begon intusschen al sterker op te dringen, en er was nog maar eene kleinigheid noodig, om hen tot plundering te doen overgaan.

De heer Smit bleef het volk toespreken, maar men antwoordde hem, dat de admiraal de vloot aan de Franschen had verkocht, en dat hij voor iederen matroos een dukaton had ontvangen. Ook beweerden sommigen, dat zij de Ruyter aan handen en voeten gebonden in den Haag gevankelijk hadden zien binnenbrengen.

Toen riep Mevrouw de Ruyter het volk toe:

“Hoe is dat mogelijk? Ik heb op dezen dag een brief van mijn man ontvangen, die gisteren pas geschreven is.”

Smit vroeg dien brief te zien. Hij wilde hem als een middel gebruiken, om het opgeruide grauw aan de praat te houden, wat hem ook gelukte.

“Wie kent het schrift van den Admiraal?” vroeg hij.

“Ik! Ik!” riepen sommigen.

“Komt dan hier, en leest zelf!” zei de heer Smit.

Dat geschiedde, maar onderwijl naderden de schutters, die de straten afzetten en het grauw geboden, uiteen te gaan. Toevallig naderde in de gracht ook een vaartuigje gewapend met 6 kanonnen, en de kapitein daarvan verklaarde zich op het verzoek van Smit dadelijk bereid, den Admiraal een dienst te doen.

Het volk vond het toen raadzaam, de voorgenomen plundering op te geven en een veiliger plaats op te zoeken. Zoo bleef de Ruyter voor een grooten ramp bewaard.

Eenigen tijd later dreigde de Ruyter een nieuw gevaar, en ditmaal gold het zijn eigen persoon. Op een morgen thuis zijnde, drong iemand zijne woning binnen, roepende:

“Waar is Michiel de Ruyter? Ik wil Michiel de Ruyter spreken.”

De Admiraal kwam uit eene opkamer te voorschijn, om te zien, wat er aan de hand was.

De indringer liep op hem toe met een ontbloot mes in de hand en zou de Ruyter zeker doorstoken hebben, indien niet een dienaar, die toevallig kwam toeloopen, den moordenaar een kleine ladder over hoofd en armen geworpen had, waardoor hij mis stak. De schurk ontkwam en werd later tevergeefs gezocht.

De Prins van Oranje wenschte Cornelis Tromp tot vice-admiraal bij de vloot te benoemen, maar begreep zeer goed, dat eerst een verzoening tot stand moest komen tusschen Tromp en de Ruyter. Tromp was daar aanvankelijk niet toe te bewegen, doch eindelijk bezweek hij voor den aandrang van den Stadhouder, en zoo mocht het Prins Willem III gelukken, de beide groote mannen tot elkander te brengen.

Tromp gaf al dadelijk het bewijs, dat de verzoening van zijn kant welgemeend was, door met zijn schip, toen hij zich bij de vloot voegde, achter het Admiraalsschip om te varen, het met eereschoten te begroeten en zich dadelijk bij de Ruyter aan boord te begeven, om hem zijne opwachting te maken. Daar werd hij met alle vriendschap ontvangen. De Ruyter richtte zelfs ter eere van Tromp een feestmaaltijd aan, een beleefdheid, die enkele dagen later door Tromp op dezelfde wijze werd beantwoord. Nog zat men aan tafel, toen de tijding werd gebracht, dat de vijand in aantocht was. Zoo ver men zien kon, was de zee met hunne kielen bedekt.

Het gevecht nam een aanvang en het gelukte den vijand niet, ondanks zijne overmacht, eenig voordeel te behalen. De Hollanders weerden zich dapper. “Overwinnen of sterven!” was de leuze. Tromp streed met heldenmoed. Hij was van de vloot afgedwaald, en lag tusschen eenige zware Britsche en Fransche schepen ingeklemd. De overmacht was te groot, en het hopelooze van den strijd inziende, verloren zijne mannen den moed. Tromp deed, wat hij kon, om hen te bemoedigen, maar ’t mocht hem niet baten. Reeds waande hij zich verloren, toen hij in de verte de Ruyter met zijne schepen zag naderen. Deze had Tromp gemist, en was dadelijk besloten, hem te hulp te snellen.

“Mannen,” riep Tromp de zijnen toe, “daar is Bestevaar! Die komt ons helpen! Ik zal hem ook niet verlaten, zoolang ik adem kan scheppen!”

Zoo werd Tromp door de Ruyter gered, en werd hunne verzoening door deze schoone daad bezegeld.

Onze groote Admiraal behaalde ook in dezen slag weer de schoonste lauweren. Zelfs de Fransche vlootvoogd d’Estrées schreef over hem:

“De Ruyter is een groot meester in de kunst van den oorlog ter zee: hij heeft mij in dezen slag schoone lessen gegeven. Gaarne zou ik mijn leven laten voor den roem, dien hij daarbij heeft verworven.”

Den 15en Juni volgde een nieuwe zeeslag, waarin de Ruyter een schitterende overwinning behaalde, en den 21en Augustus wist hij bij Kijkduin de vijanden tot een slag te dwingen, die buitengewoon bloedig was, maar waarbij de vijanden gedwongen werden, van onze kusten af te houden. De landing, die zij op het gebied der Vereenigde Nederlanden hadden beoogd, was er voor goed onmogelijk door gemaakt.

Bovendien had de uitslag van dezen geweldigen strijd ten gevolge, dat Engeland vrede met ons sloot, zoodat wij ter zee alleen de Fransche vloot nog tegenover ons hadden.

“Ons volk had gesidderd gedurende dezen slag. Terwijl het kanongebulder den kalmen oceaan beroerde, was aan het strand alles bekommering en gebed,” zegt een geschiedschrijver. “Van daar sloegen duizenden, vol angstige spanning, den loop des gevechts gade. Langs de geheele kust riep het klokkengelui de gemeenten naar de kerken. Ook te Amsterdam waren, zoolang de slag duurde, de kerken gevuld, en uit ieders mond, uit ieders hart rees een gebed op tot den Hemel, om uitredding uit den grooten nood.” En van de Ruyter zegt dezelfde:

“Men verhief (in het vaderland) vooral de Ruyter. Elk gewaagde van de groote diensten, door hem aan den Staat bewezen. Zijn naam, te voren genoeg vermaard, steeg nu nog hooger in top der doorluchtigheid, en de galm zijner glorie klonk door alle gewesten.” Maar de Ruyter zelf gaf, nederig en bescheiden als hij was gedurende gansch zijn leven, alleen Gode de eer. Hij smaakte de voldoening, dat zijn zoon Engel, die in verscheidene gevechten den grootsten moed en veel beleid had getoond, tot Schout bij nacht werd benoemd.

Ook Munster en Keulen hadden intusschen vrede met ons gesloten, zoodat wij nu alleen nog met Frankrijk in oorlog waren. Bovendien hadden wij bondgenooten gevonden, ook in Spanje.

Het grootste gevaar, dank zij den moed en de bekwaamheid van de Ruyter, die eene landing van de vijanden op onze kusten onmogelijk had gemaakt, en mede aan het beleid van Willem III, was dus voorbij.

Zoo komen wij aan den laatsten tocht van onzen grooten Admiraal. Hem werd opgedragen zich naar de Middellandsche Zee te begeven, om aldaar de Fransche vloot aan te tasten. Voor dezen tocht waren echter naar de meening van de Ruyter veel te weinig schepen uitgerust, en hij gaf daarover tegen een der leden van de Admiraliteit zijn ongenoegen te kennen. Deze had de onbeschaamdheid den grooten held toe te voegen:

“Ik denk niet, Mijnheer, dat gij op uwe oude dagen bevreesd begint te worden en den moed laat vallen?”

Waarop de Ruyter waardig antwoordde:

“Neen, ik begin den moed niet te laten vallen. Ik heb mijn leven veil voor den Staat, maar ik ben verwonderd, en ’t is mij leed, dat de Heeren de vlag van den Staat zoo veil hebben en wagen.”

Men verzocht hem dringend, ondanks zijne bezwaren, in zee te gaan. Waarop hij zei:

“De Heeren hebben mij niet te verzoeken, maar te gebieden, en al werd mij bevolen ’s lands vlag op een enkel schip te voeren, ik zou daarmeê in zee gaan, en waar de Staten hunne vlag betrouwen, zal ik mijn leven wagen.”

De held verliet het vaderland in de vaste overtuiging, dat hij niet levend zou wederkeeren. Tot een vriend zei hij bij het afscheid:

“Mijn vriend, ik zeg u adieu, en niet alleen adieu, maar adieu voor eeuwig, want ik denk niet weêr te komen. Ik zal op dezen tocht blijven. Ik voel het.”

Bij Stromboli had de eerste ontmoeting tusschen de beide vloten plaats. De Fransche schepen stonden onder bevel van Admiraal Du Quesne. Deze hield dadelijk op het Hollandsche admiraalsschip de Eendracht aan. Van weerszijden werd er gedurende drie uren hevig gevochten, maar geen der partijen behaalde een beslist voordeel.

Voor de Ruyter geen geringe eer, want zijne vloot was aanmerkelijk zwakker dan de Fransche. Deze telde 24 groote en 6 kleine schepen, terwijl de Ruyter slechts bevel voerde over een achttiental vaartuigen, met veel minder geschut en kleiner bemanning.

Eenigen tijd later gelukte het hem 26 Hongaarsche predikanten, die om het geloof als galeislaven een wreed lot te verduren hadden, uit hunne gevangenschap te doen ontslaan. Zij werden aan hem overgeleverd in den erbarmelijksten toestand, met verscheurde kleederen, half naakt, en met uitgemergelde lichamen.

Met tranen in de oogen dankten zij den held voor hunne verlossing, maar de Ruyter, nederig als altoos, zeide: “Dankt uw God, ik heb niet meer dan mijn plicht gedaan.”

Eindelijk, na een lang en roemvol leven, zou Michiel de Ruyter zijn laatsten strijd strijden.

Den 22 April 1676 ontmoette hij de Fransche vloot in het gezicht van den Etna. Dadelijk liet hij zijne schepen in slagorde stellen en viel hij met alle kracht aan. Er ontstond een geweldige strijd, waarbij velen ’t met den dood moesten bekoopen. “De Siciliaansche zee,” schreef een geschiedschrijver, “scheen in een vuurbrakenden Etna veranderd, en alles stond in vuur en vlam, met dikken rook vermengd.”

Onze bondgenooten, de Spanjaarden, hielden zich lafhartig achteraf. Maar de Ruyter vocht met leeuwenmoed, zooals zelfs Fransche ooggetuigen van hem schreven.

Helaas, een half uur na het begin van den strijd trof een vijandelijke kanonskogel den grooten held, en nam hem het grootste deel van zijn linkervoet weg; tevens verbrijzelde hij hem de beide pijpen in het rechterbeen. De Ruyter stond op dat oogenblik op het zonnedek en was bezig zijne bevelen te geven.

Hij stortte neder en viel bovendien nog van het zonnedek, ter hoogte van zeven voet, naar beneden.

Dadelijk snelde men hem ter hulp. Hoewel zwaar gekwetst, riep hij de zijnen nog toe:

“Houdt moed, mijne kinderen, houdt moed; zóó moet men doen, om de zege te bevechten!”

En zij hielden moed; zij streden zoo dapper, dat de vijanden hun heil in de vlucht moesten zoeken, terwijl de onzen hen tot het invallen van de duisternis achtervolgden.

Ondanks zijne vreeselijke wonden liet de Ruyter zich door zijne scheepsbevelhebbers over verschillende zaken inlichten en hield met hen krijgsraad. Ook liet hij drie dagen na den strijd nog verslagen opmaken omtrent hetgeen door de vloot was verricht. Hij was toen echter reeds te zwak om de stukken te kunnen onderteekenen. Den 29en April blies hij den laatsten adem uit, beweend door gansch het Nederlandsche volk.

Den 30en Januari 1677 kwam zijn lijk aan boord van de Eendragt te Hellevoetsluis binnen. Vandaar werd het eerst naar Rotterdam en daarna naar Amsterdam vervoerd.

Met groote statie werd het den 18en Maart in de Nieuwe kerk bijgezet, waar eene prachtige tombe de plaats aanwijst, waar zijn stoffelijk overschot rust.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings