Een heldenhart onder een grove kiel.
Reading edition
In 1892 zou er bij een boerenwoning te Hilversum een put gegraven worden. De werklieden waren ijverig in de weer. Men spitte van den morgen tot den avond en wierp de aarde omhoog. Spoedig al was men zoo diep in den grond gekomen, dat de aarde door middel van een windas naar boven geheschen moest worden. Van datzelfde windas moesten de werklieden ook gebruik maken om, toen zij dieper gekomen waren, in den put af te dalen. ’t Was een gevaarlijk werkje, want zij groeven in zandgrond, en moesten dus de uiterste voorzichtigheid betrachten, om instortingen te voorkomen. In kleigrond bestaat dat gevaar niet, maar zandgrond is veel moeilijker te bewerken. Telkens, als zij weer dieper in den grond waren doorgedrongen, lieten zij houten cilinders in den put zakken, om het zand in bedwang te houden. ’t Gevaar voor instortingen was hier nog grooter dan gewoonlijk, omdat deze nieuwe put gegraven werd vlak naast den ouden.
Toch, ondanks alle genomen voorzorgen, gebeurde er een vreeselijk ongeluk. Toen de put bijna twaalf meter diep was, en zich een van de gravers op den bodem bevond, barstte een van de houten cilinders door de persing van den grond uit elkander, en werd de man onder het neervallende zand bedolven.
Een groote schrik maakte zich van allen, die in de nabijheid waren, meester, en ’t gerucht, dat er een man levend onder het zand begraven lag, ging in Hilversum van mond tot mond. Van alle kanten stroomden de menschen toe, om op de plaats zelve te zien, wat er gebeurd was.
Dadelijk was men op redding van den ongelukkige bedacht. Men plaatste nieuwe houten cilinders in den put, om verdere instortingen zoo mogelijk te voorkomen, en ijverig ging men aan het werk, om het ingestorte zand te verwijderen.
Angstig vroeg men zich af, of de ongelukkige nog zou leven, en zoo ja, of men hem nog tijdig zou kunnen redden.
’t Ongeluk gebeurde op den morgen van den 8en October, en den geheelen dag bleef men onverpoosd aan den arbeid, om het slachtoffer van den ramp te bereiken. Toen de avond viel, werden de lantarens opgestoken, want men dacht er niet aan, het reddingswerk op te geven. Neen, men arbeidde den geheelen nacht voort, tot eindelijk, om drie uur in den morgen, op hun roepen eenig geluid uit de diepte tot hen doordrong. De ongelukkige leefde dus nog. Ha, dat gaf moed, en met vernieuwde krachten werkte men voort.
Tot plotseling opnieuw een van de houten cilinders in elkaar werd gedrukt, en de put ten tweeden male met zand werd gevuld. De beide werklieden, die in den put met graven bezig waren, konden zich ternauwernood in veiligheid brengen.
Een jammerkreet steeg op uit den kring van omstanders, die zich beijverd hadden om het zand op te hijschen. De vrouw van den levend begravene, die zich bij den put bevond, stortte bij dezen nieuwen ramp bewusteloos op den grond.
’t Werd Zondag. De mannen staarden elkander vragend aan. Zou de ongelukkige nog leven? Moest men opnieuw aan den arbeid gaan, om hem zoo mogelijk nog te redden? Maar—zou de put niet wederom instorten, en ook hun een ontijdig graf doen vinden? Neen, men durfde niet! ’t Werk was te gevaarlijk.
En toch,—kon men den man, die misschien nog leefde, daar op den bodem van den put aan zijn vreeselijk lot overlaten?
Opeens grijpt een van hen de spade, en gaat aan den arbeid. ’t Is een eenvoudige werkman van ongeveer veertigjarigen leeftijd. Onder zijn grove kiel klopt een heldenhart. Hij grijpt de spade en begint den gevaarlijken arbeid.
Twee anderen, door zijn voorbeeld aangemoedigd, doen als hij. Zwijgend werken zij voort, want er mag geen oogenblik verloren gaan.
Den geheelen dag werkt de brave Van Rheenen door, en steeds dieper daalt hij in den put neder. Zijne helpers hijschen het zand omhoog. De Zondag gaat voorbij, en de nacht komt, maar Van Rheenen gunt zich geen rust. Eene groote vermoeidheid overmeestert hem en hij kan de spade nauwelijks meer hanteeren, maar—hij weet van geen ophouden. Daar beneden immers verkeert een zijner makkers wellicht in stervensnood?
Honderden menschen staan om den put geschaard. Opeens verzocht hij stilte. Hoorde hij daar geen geluid van uit de diepte tot zich komen?
Ja, ja, het geluid herhaalt zich. De man leeft nog, en Van Rheenen roept het den omstanders toe.
“Hij leeft! Hij leeft!” klinkt het van mond tot mond.
Van Rheenen werkt zonder ophouden voort, tot hij eindelijk niet meer kan. De spade ontvalt aan zijne bevende handen, en bewusteloos zijgt hij neder.
IJlings hijscht men hem op. Zijn gelaat is doodsbleek. Spoedig opent hij de oogen weder en vragend kijkt hij met wezenlooze trekken de omstanders aan.
Ha, hij herinnert zich! Daar beneden in den put ligt een mensch bedolven onder het zand. Met inspanning van al zijne krachten heft hij zich op. Hij nadert den put, en laat zich opnieuw naar den bodem zakken. Men waarschuwt hem, toch niet te veel van zijne krachten te vergen, maar hij luistert er niet naar. Hij grijpt de spade en gaat opnieuw aan den arbeid. De houten wanden boven zijn hoofd doen een waarschuwend gekraak hooren,—doch Van Rheenen werkt door, want daar beneden hem klinkt eene menschelijke stem, die om hulp smeekt.
Hij graaft steeds verder,—tot hij met zijne spade stuit op de ingevallen duigen van een kuip. Hij nadert dus den ongelukkige en zal hem weldra hebben bereikt. O, dat geeft hem nieuwe krachten,—en sneller daalt zijne spade in den grond. Een geestelijke wil in den put afdalen, om den levend begravene toe te spreken en hem te bemoedigen, maar men weerhoudt hem, opdat er geen oogenblik verloren zal gaan.
’t Wordt Maandagmiddag vijf uur,—en nog altoos zet Van Rheenen zijn edelmoedigen arbeid voort. Maar telkens duidelijker worden de kreten van het slachtoffer. Van Rheenen kan bijna de spade niet meer hanteeren, en alles aan zijn lichaam trilt en beeft van vermoeidheid. Reeds heeft hij onafgebroken dertig uren zijn zwaren arbeid verricht.
Eindelijk,—eindelijk dan toch ontvangt hij de kroon op zijn werk. Hij heeft den ongelukkige bereikt, hij schuift het laatste zand weg, hij wikkelt hem in een laken, dat men hem van boven af toewerpt, en met zijn kostbaren buit laat hij zich omhoog hijschen.
En nauwelijks is hij boven gekomen, of opnieuw wordt een gekraak vernomen en ten derden male stort de put in. Maar het bulderend geraas van het neervallende zand wordt overstemd door het oorverdoovend gejubel van de velen, die getuigen waren van het moedige reddingswerk.
Waarlijk, wel klopte onder dezen eenvoudigen werkmanskiel een heldenhart!
Onder gejuich werden redder en geredde naar hunne woningen gebracht, en van alle kanten kwamen gelden in, om Van Rheenen een blijk van hulde te kunnen aanbieden. Men liet daarvoor een eenvoudige woning bouwen, die hem als eene blijvende herinnering aan zijne moedige daad werd aangeboden.