← Table of contents
Gouden Daden

David Livingstone.

Reading edition

Te Ulva, een der Hebridische eilanden, die ten noorden van Schotland liggen, werd in 1813 een knaapje geboren, dat eenmaal zijn naam wereldberoemd zou maken. Hij heette David Livingstone en was de zoon van eenvoudige, maar zeer geachte ouders. Van zijn grootvader vertelt hij, hoe deze, toen hij op zijn sterfbed lag, al zijne kinderen tot zich riep en tot hen sprak:

“Ik heb mijn leven lang alle overleveringen, op onze familie betrekking hebbende, verzameld,—en nooit heb ik gevonden, dat een onzer voorouders oneerlijk is geweest. Wordt dus een uwer of een uwer kinderen oneerlijk, dan zit dat niet in het bloed, dat door uwe aderen stroomt. Ons bloed is niet eerloos. Ik laat u dezen levensregel na: “Weest rechtschapen!”

Welnu, als dat werkelijk de levensregel van het geslacht der Livingstones is geweest, dan is het knaapje, dat in 1813 op het genoemde eiland het eerste levenslicht aanschouwde, dien regel getrouw gebleven. De kleine David groeide op tot een vroom Christen, eenvoudig van hart en rein van levenswandel.

Zijne ouders waren te arm om hem eene wetenschappelijke opleiding te doen geven, hoewel David al vroeg toonde zeer leergierig te zijn en altoos met zijn neus in de boeken zat. Op tienjarigen leeftijd reeds werd hij op eene fabriek geplaatst en moest hij daar werk verrichten van den morgen tot den avond. Zijne leergierigheid had hij echter niet aan de deur der fabriek achtergelaten,—neen, hij kocht reeds voor zijn eerste weekloon een Latijnsche spraakkunst, en wist zijn werk zoo in te richten, dat hij in de fabriek zijn taak kon verrichten en tegelijkertijd toch zijne leergierigheid bevredigen. Hij kon werken en lezen tegelijk. Hij legde zich met zooveel ijver op de studie van het Latijn toe, dat zijne moeder hem dikwijls na middernacht het boek met geweld ontrukken moest. En niet alleen op het Latijn legde hij zich toe, maar hij bestudeerde ook de plantenkunde, de genees- en de sterrenkunde. Ook las hij een tal van reisbeschrijvingen, waardoor de lust tot het bezoeken van vreemde landen en volken bij hem werd gewekt, welke hem eenmaal tot een beroemd ontdekkingsreiziger zou maken. In zijne vrije uren zwierf hij later gaarne over de bergen, en was het hem een genot eene verzameling aan te leggen van de schelpen, die hij op zijn weg ontmoette.

Later vestigde hij zich metterwoon te Glasgow, waar hij nog beter gelegenheid kreeg om zich te ontwikkelen. Hoewel ook hier in een fabriek werkzaam, vond hij toch gelegenheid in die academiestad de voorlezingen te volgen over wijsbegeerte en theologie, en lessen te nemen in de Grieksche taal en de medicijnen. Hij studeerde met zooveel ijver en volharding, dat hij eindelijk zelfs den graad van doctor in de medicijnen en in de chirurgie verwierf. Hij was intusschen opgegroeid tot een geloovig Christen, en zijn liefste wensch was het geworden, als zendeling onder de heidensche volken werkzaam te zijn, en hun het Evangelie te brengen.

Hij bood zijne diensten aan het Londensche zendeling-genootschap aan en vertrok in 1840 naar Zuid-Afrika, waar hij mede-arbeider werd van den verdienstelijken zendeling Robert Moffat, met wiens dochter hij later in het huwelijk trad.

Bijna tien jaren bracht Livingstone onder het volk der Betschuanen, en wel het meest te Kolobeng door, ten noorden van Kuruman, bij de Bakuena, waar hij geheel en al met de taal, de zeden en gewoonten der Betschuanen op de hoogte kwam. Hij was een weldoener voor de onbeschaafde zwarten, en toonde zich een ernstig tegenstander van hunne oostelijke naburen, de boeren, van wie zij veel te lijden hadden. Door de oprichting van scholen, door zijne diensten als tuinier, timmerman of smid, door zijn hulp als geneesheer, en door zijne groote gaven van geest en hart kreeg hij op de wilde volksstammen een grooten invloed en was zijne aanwezigheid daar voor hen een ware weldaad. Zijne vrouw stond hem bij zijn arbeid trouw ter zijde en was in alle opzichten zijne helpster en zijn steun. Hij stichtte zendings-stations te Mabotsa en Kolobeng en breidde zijn arbeidsveld steeds verder uit.

Eindelijk besloot hij dieper de binnenlanden in te trekken, en bereikte zoo in 1849 het Ngami-meer en den Sugastroom. Van 1851–1853 zette hij zijn tocht voort en deed daarbij vele ontdekkingen, die voor de aardrijkskundige wetenschap van het grootste belang waren. Hij werd nu van lieverlede meer ontdekkingsreiziger dan zendeling, en doorkruiste van 1854–1856 het geheele Afrikaansche vasteland van Loanda aan de west- tot Quillemane aan de oostkust. Bijna overal gelukte het hem het vertrouwen der volksstammen, die hij op zijne reizen bezocht, te winnen, maar dikwijls ook was hij aan de grootste gevaren blootgesteld en werd hij met den dood bedreigd.

Eindelijk keerde hij na een verblijf van zestien jaren in het donkere Afrika naar Engeland terug, waar hij van zijne reizen eene beschrijving gaf onder den titel: “Missionary travels and researches in South Africa.”

Later heeft hij nog meer reizen in dat werelddeel gemaakt, maar de resultaten van zijn eerste verblijf aldaar bleven de belangrijkste.

In zijn tweede reis van 1858 tot 1864 was Livingstone niet meer de zendeling van het Londensche zendelinggenootschap, maar het hoofd eener expeditie, door het Engelsche gouvernement uitgezonden, en wel door lord Clarendon, minister van buitenlandsche zaken op touw gezet, om de reeds verkregen kennis van de geografie, de minerale producten en veldgewassen van Oost- en Centraal-Afrika te vermeerderen, betrekkingen met de inboorlingen aan te knoopen of uit te breiden, en eene ruilhandel tusschen hen en Engeland te openen. Hij onderzocht op dien tocht de Zambezi-mondingen, voer met een stoomboot de Schire op tot aan het meer Schirwa, en ontdekte het Nyassa-meer. Een zware slag trof hem den 27en April 1862, toen hem zijne geliefde vrouw door den dood ontnomen werd. ’s Avonds blies zij den laatsten adem uit, en reeds den volgenden morgen werd zij onder een grooten babab-boom begraven. Zij was eene edele vrouw, die hem op zijne vele en moeilijke zwerftochten getrouw ter zijde had gestaan.

In 1864 werd zijne expeditie door de regeering ontbonden, maar reeds twee jaar later begaf hij zich opnieuw op weg naar het hem lief geworden werelddeel. Deze reis was zijn laatste, en veel meer dan vroeger bracht hij zijne vrienden en bewonderaars in ongerustheid, door weinig of geen berichten te zenden. Eindelijk bereikte hun zelfs het gerucht van zijn dood. Men wist te vertellen, dat hij van Ngomano in Zuidwestelijke richting naar het meer Nyassa was gereisd, hetwelk hij was overgestoken. Daar zou hij echter door een troep Mazitu overvallen en door een bijlslag doodelijk getroffen zijn. De boodschappers van deze droevige tijding verklaarden zelfs, dat zij hem zelf een graf gegraven en hem daarin neergelegd hadden.

Er waren echter enkelen, die niet aan zijn dood geloofden, zoodat, om zekerheid dienaangaande te verkrijgen, door het geografisch genootschap te Londen eene expeditie werd uitgezonden, om naar den moord een onderzoek te doen en de plaats, waar de misdaad zou hebben plaats gehad, vast te stellen.

’t Bleek toen, dat het slechts een gerucht was geweest, en niets meer.

Eindelijk werd alle twijfel opgeheven door een brief van Livingstone zelf, die geschreven was op 1 en 2 Februari 1867, maar eerst ontvangen werd in April 1868. Hij was dus langer dan een jaar onderweg geweest. Later kwam er nog een brief van hem, geschreven den 16en December 1867. Daarna werd weer gedurende langen tijd niets van hem gehoord, en reeds begon men weer ongerust over hem te worden, toen men opnieuw een brief van hem ontving, waarin hij berichtte, dat hij de bronnen van den Nijl had ontdekt.

Na dien tijd hoorde men niets meer van den beroemden man, en eindelijk begon men te vreezen, dat hij òf vermoord zou zijn, òf in groote moeilijkheden verkeerde. Eindelijk besloot de Redactie van de New-York Herald eene expeditie uit te zenden, om hem op te sporen en hem, zoo noodig, hulp te verschaffen.

Den 16en October ontving Henri M. Stanley, een van de correspondenten van dat blad, in Spanje een telegram van den uitgever, afgezonden uit Parijs, met de tijding, dat hij onmiddellijk voor eene gewichtige opdracht naar Parijs moest komen.

Stanley haastte zich aan dat bevel te voldoen. Hij begaf zich dadelijk op reis, meldde zich aan het hôtel van den uitgever, wiens naam James Gordon Bennett was, en vroeg dezen heer te spreken. De heer Bennett lag reeds te bed, want ’t was in het hartje van den nacht, toen Stanley daar aankwam,—maar hij stond dadelijk op.

Zoodra Stanley bij hem binnenkwam, vroeg hij:

“Mijnheer, weet gij ook, waar zich op ’t oogenblik Livingstone bevindt?”

“Mijnheer,” antwoordde Stanley, “ik heb daar niet het flauwste denkbeeld van.”

“Welnu, ga hem dan zoeken. Neem vooreerst duizend pond sterling op. Zijn die verbruikt, neem er dan weer duizend. Zijn, ook die uitgegeven, beschik dan andermaal over duizend pond, en desnoods nog eens daarna,—maar vind dr. Livingstone. Goeden nacht, mijnheer Stanley, God behoede u!”

Stanley reisde af, om Livingstone te zoeken. In 1871 kwam hij te Zanzibar aan. Nadat hij met de behoedzaamheid van den man, wien het “ontdekken” in totaal vreemde streken bijna van zijne kinderjaren af eigen was, eene groote expeditie georganiseerd en uitgerust had, begon hij 21 Maart den tocht naar het binnenland. ’t Was eene moeilijke reis, maar zij werd met een gelukkigen uitslag bekroond. Aan den oostelijken oever van het Tanganajika-meer, in het dorp Oedsjidsji vond hij den 10en November den lang vermisten natuurvorscher. Op ongeveer 3000 schreden afstands van Livingstone’s verblijf ontmoette hij eerst Soesi, den bediende van den beroemden man. Stanley beschrijft zijne ontmoeting met Livingstone aldus:

“Ik duwde de menigte terug en schreed tusschen een laan van menschen vooruit, totdat ik aan den door Arabieren gevormden halven cirkel was gekomen, waarvóór de grijsgebaarde blanke stond. Langzaam naderend merkte ik op, dat hij er bleek en vermoeid uitzag, eene blauwachtige muts met verschoten gouden band op het hoofd had en een buisje met roode mouwen en eene grijze broek droeg. In dit oogenblik zou ik gaarne op hem zijn losgestormd, maar ik was in tegenwoordigheid van zulk een hoop gespuis te laf daartoe. Ik zou hem gaarne om den hals zijn gevallen, maar wist niet hoe hij, Engelschman, mij zou ontvangen. Ik deed dus, wat lafheid en valsche trots mij als het beste ingaven, trad voorzichtig op hem toe, nam mijn hoed af en zei: ‘Dr. Livingstone, naar ik vermoed.’”

“Ja,” antwoordde hij met een vriendelijk lachje en even aan zijn pet lichtend. Ik zette mijn hoed weer op, hij zijne pet, wij schudden elkander hartelijk de hand, en ik zeide luide: “Ik dank God, heer doctor, dat Hij mij vergund heeft, u te zien.”

“En ik ben dankbaar,” antwoordde hij, “dat ik u begroeten kan.”

In December hebben deze twee beroemde mannen samen den noordelijken oever van het Tanganajika-meer bereisd, en den 18en Februari 1872 bereikten zij Oenjanjembe, waar Livingstone bleef om de noodige middelen tot voortzetting van zijne navorschingen af te wachten. Stanley nam een hartelijk afscheid van hem en aanvaardde 14 Maart den terugtocht.

David Livingstone stierf in het zwarte werelddeel den 1en Mei 1873, in den ouderdom van zestig jaar. In 1874 werd zijn lijk naar Londen overgebracht en in de Westminster-abdij, de rustplaats van talrijke beroemde mannen, bijgezet.

Rechts aan het hoofdeinde der lijkbaar, een slip van het lijkkleed dragend, liep Stanley, verbrand door de Afrikaansche zon, want hij was juist van eene nieuwe reis uit Afrika teruggekeerd. Thans begeleidde hij den beroemden man naar een ander “donker werelddeel,” waarvan echter geen zwerveling ooit terugkeert.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings