← Table of contents
Extaze

VI.

Reading edition

Jules was een paar dagen niet naar school gegaan, om zware hoofdpijnen, die hem heel bleek maakten en hem een trek van groote treurigheid gaven; maar hij was nu wat beter, en, zich vervelende op zijn eigen kamertje, ging hij naar beneden, naar den leêgen salon en zette zich voor de piano. Papa zat wel te werken in zijn kantoor, maar het zoû papa zeker niet hinderen, dat hij speelde. Dolf bedierf hem, in zijn jongen iets ziende, dat hemzelven vreemd was en hem daardoor aantrok, zooals hem dit misschien vroeger in zijne vrouw ook had aangetrokken; kwaad kon Jules in zijn oogen niet doen en als de jongen maar gewild had, zoû Dolf geen geld gespaard hebben om hem eene zorgvuldige muzikale opvoeding te laten geven, maar Jules kantte zich met handen en voeten tegen alles wat naar lessen zweemde en beweerde bovendien, dat het niet de moeite waard zoû zijn. Eerzucht was er niet in hem; het streelde hem niet, dat Dolf zooveel in hem zag, zooveel meende te hooren in zijn spel: hij speelde alleen voor zichzelven, hij speelde om zich te uiten in de vage taal van muziekklank. Op dit oogenblik voelde hij zich alleen, verlaten in het groote huis, al wist hij, dat papa twee kamers àf zat te werken en dat hij zijn toevlucht zoû kunnen nemen op papa's groote bank; in zijn borst was op dit oogenblik een bijna fyziek gevoel van angst voor die eenzaamheid, welke iets als eene wijdte van in-alleen zijn om hem deed ronddraaien. Hij was veertien jaar, maar hij gevoelde zich niet als een kind, niet als een jongen; iets weeks, behoefte aan bijna vrouwelijke aanhankelijkheid, toewijding aan een, die hem alles zoû zijn, had hem reeds van zijne kleine-kind zijn als in zijne viriliteit getroffen en het doorhuiverde hem met die angst voor in-eenzaamheid, alsof hij zichzelven niet begreep, alsof hij bang was voor zichzelven. Zoo leed hij veel aan vage stemmingen, waarin dat vreemde hem beknelde en op de borst klom, waarin hij niet wist waar hij zijn in-wezen zoû verschuilen en waarin hij spelen ging, om zich te verliezen in de groote klankziel van muziek. Zijne dunne, nerveuze vingers tokkelden tastende over de toetsen; zelve leed hij van valsche akkoorden, die hij zoekende aansloeg; dan liet hij zich gaan, vond een enkel motief, heel kort, van klagende mineur-melancholie, en liefkoosde dat motief, liefkoosde het in vreugde dàt gevonden te hebben, dat te kúnnen vinden, liefkoosde het tot het als eene monotonie van verdriet ieder oogenblik terugkwam. Hij vond het motief zoo mooi, en kon er niet van scheiden; ze zongen zoo goed weêr wat hij voelde, die vier, vijf tonen en hij speelde ze weêr en speelde ze weêr, tot Suzette binnen vloog en hem zei, dat ze dol werd en hem vroeg of hij ophield.

Zoo ook speelde hij nu, en het was erbarmelijk eerst; hij kende nauwelijks de noten weêr; verscheurende cacofoniën kermden op en doorsneden hemzelven zijn arm, nauw van hoofdpijn genezen, brein; hij kreunde of hij weêr pijn had, maar zijne vingers waren als gehypnotizeerd, ze konden niet uitscheiden, ze zochten door en de klanken zuiverden zich; eene korte fraze klaarde los als met een kreet, een kreet, die telkens terugkwam op éen zelfden toon, plotseling hoog na de doffe laagte, die als gepreludeerd had. En die toon was Jules eene verrassing: hij schrikte van ze—ze klonk zoo mooi van verdriet—en hij was nu blij ze gevonden te hebben en blij zoo een mooi verdriet te hebben. Toen bezat hij zich niet meer, en hij speelde door en het was hem of hij niet speelde maar een ander, die in hem was en hem dwong; hij vond de volle accoorden zuiver als bij intuïtie: door het geween der klanken heen liep die zelfde muzikale figuur hooger en hooger op als met zilveren voeten van reinheid, tegen luchtig omhooggeblazen regenbogen van kristal en bereikte ze het hoogste van den glasboog, dan stiet ze haar kreet, maar nu met dronkenschap, uit in majeur, als sloeg ze hare wijde armen blijde op naar hemelen van ontastbaar blauw. En het werden als menschenzielen, die eerst leven en lijden en uitstooten haar klacht, die dan sterven, beginnen te stralen met lichamen van klaarte, wien lange vleugelen ontschieten als weêrlichten van zilver, hunne zieleschouders uit; ze trippelen achter elkaâr de regenbogen over als over bruggen van glazen blauw en rose en geel getintel, en er komen al meer en meer; het zijn volken van zielen en ze reppen en reppen hare zilveren voeten, ze dringen zich over den regenboog, ze lachen en zingen en duwen elkaâr; in hun gedrang stooten hare vleugels elkaâr, verstuift er zilverdons. Op den top van den boog staan ze nu en zien op gróote naïveteit van lachende kinderoogen en ze durven niet, ze durven niet, maar achter hen dringen de zielen; ontèlbare komen ze, meerdere, meerdere altijd door; ze duwen op naar den hoogsten top, hunne vleugels recht in de lucht, vlak tegen elkaâr. En nu, het moet: ze mogen niet meer aarzelen: éen haalt er diep adem, geeft een schok, spreidt open zijn vlucht en slaat zich met éen slag uit den dichten drom, de lucht in. Hem volgen er dadelijk vele, de een na den ander; ze stijgen in blauw in bezwijmeling; het glanst alles om hen rond. Nu, diep onder hen, welft zich, dun als een draad, de boog, maar ze zien er niet naar: stralen vallen er hun te gemoet; zielen zijn het, die ze omhelzen; in omhelzingen nemen zij ze meê. En dan het licht; het licht, dat overstraalt; oplossingen in het supreme licht; niets dan het licht, de klanken zingen het licht, de klanken zijn het licht, er is niets meer dan het Licht, eeuwig ...

—Jules!

Hij zag met een blik, die niet herkende.

—Jules! Jules!

Hij glimlachte nu, als gewekt uit een slaap van droomen; hij stond op, ging naar haar toe, Cecile. Zij stond voor de deur; zij was daar blijven staan, terwijl hij speelde: het was haar geweest of hij iets van hàar speelde.

—Wat speelde je daar, Jules? vroeg zij. En hij was nu geheel wakker en verlegen, omdat hij dacht, dat hij zeker heel veel geluid had gemaakt door het huis, door hun huis ...

—Ik weet niet, tante! zeide hij.

Maar zij omhelsde hem, in een, onstuimig, met dankbaarheid ... Zij was hem Hèt, het Mysterie! verschuldigd, omdat hij eens op haar was boos geweest ...

HOOFDSTUK IV.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings