III.
Reading edition
Zij sloot zich op; zij zag hare kinderen niet veel; aan hare kennissen zeide zij, dat zij ziek was. Voor bezoeken gaf zij belet. Uit intuïtie ried zij, dat men in hunne kringen sprak over haar en Quaerts. Het leven was dof om haar heen: een dicht ineengeweven net van lastige, vervelende mazen en zij bleef als roerloos in heur hoekje om zich niet in die mazen te behoeven verwarren. Eens drong Jules tot haar door; hij ging, niettegenstaande Greta hem weêrhouden wilde, naar boven; hij zocht haar in het boudoirtje, vond haar niet en ging beslist naar hare slaapkamer. Hij klopte maar kreeg geen antwoord en trad toch binnen. De kamer was half duister door de dicht gehouden stores; in de schaduw van den baldakijn, die over het ledekant oprees met draperieën van een oud-blauw brokaat, lag Cecile te slapen. Haar peignoir was open op de borst, de sleep slierde van het bed af, verkreukeld over het tapijt; over het kussen lagen heure haren; hare eene hand hield zich krampachtig in de tulle ondergordijnen vast.
—Tante! riep Jules, tante!
Hij schudde haar even bij den arm en zij werd loom wakker, met zware, blauw omcirkelde oogen. Zij herkende hem niet dadelijk en dacht, dat hij kleine Dolf was.
—Ik ben het, tante; Jules ...
Zij herkende, vroeg hem, hoe hij hier kwam, wat er was en of hij niet wist, dat zij ziek was.
—Ik wist het, maar ik moest u spreken. Ik kwam u spreken over ... hem ...
—Hem?
—Over Taco. Hij vroeg mij het u te zeggen. Hij kon u niet schrijven, zei hij. Hij gaat een groote reis doen, met zijn vriend uit Brussel; hij blijft heel lang weg en hij woû ... hij woû afscheid van u nemen.
—Afscheid?
—Ja, en hij vroeg mij het u te vragen, of hij u nog eens zien mocht.
Zij had zich half opgericht en zag den jongen wezenloos aan. In eene seconde gingen de herinneringen door haar brein van den langen blik, dien Jules vreemd op haar geslagen had, toen zij Quaerts voor het eerst gezien had, toen zij, koel, op een laatdunkenden afstand, tot hem gesproken had: Heeft u familie in den Haag? Heeft u een betrekking? Sport? O!...
De herinneringen van Jules' spelen op de piano van Rubinsteins romance in es, van de extaze zijner fantazie: de glanzende regenbogen en de engel-wordende zielen.
—Afscheid? herhaalde zij.
Jules knikte.
—Ja tante, hij gaat weg, voor zoo lang.
Hij had zelve kunnen huilen en huilen was ook in zijne stem, maar hij wilde niet en alleen werden zijne oogen vochtig.
—Hij vroeg mij, het u te vragen, herhaalde hij moeilijk.
—Of hij afscheid kan nemen?
—Ja, Tante.
Zij antwoordde niet, maar bleef voor zich uit turen. Om haar heen begon eene leêgte zich uit te meten, met perspectieven van oneindigheid. Het was als een schaduwbeeld van hunnen avond van verrukking, maar het lichtstraalde niet uit die schaduw.
—Leêgte ... sprak zij tusschen hare lippen.
Wat tante?
Zij had hem willen vragen of hij nog als vroeger bang was voor leêgte in zich, maar eene zachtheid van medelijden, een week gevoel, als eene verzoeting van de bitterheid, die zoo vol in haar was, weêrhield haar.
—Afscheid? herhaalde zij, met een glimlach van weemoed, en groote tranen vielen zwaar, drop, op drop, op hare, in elkaâr gewrongen, vingers neêr.
—Ja, tante ...
Hij kon zich niet meer inhouden: een enkele snik hokte in zijne keel, maar hij kuchte even na, om te doen gelooven, dat het geen snik was. Cecile sloeg haar arm om zijn hals.
—Je houdt heel veel van ... Taco, niet waar? vroeg ze en het trof haar, dat het de allereerste maal was, dat zij dien naam uitsprak, want zij had Quaerts nooit zoo genoemd: zij had nooit een naam tegen hem gezegd.
Nu antwoordde hij niet, maar hij voegde zich in haren arm, in hare omhelzing en begon te weenen.
—Ja, ik kan u niet zeggen, hoeveel! begon hij.
—Ik weet het! sprak ze en ze dacht aan de regenbogen en de engelen; hij had gespeeld als uit hare eigen ziel.
—Mag hij komen? vroeg Jules trouw gedachtig aan wat hem was opgedragen.
—Ja.
—Hij vraagt, of hij van avond komen mag?
—Goed.
—Tante, gaat hij weg om ... om ...
—Om wat, Jules?
—Om u; omdat u niet van hem houdt en niet met hem trouwen wil? Mama zegt dat ...
Zij antwoordde niet; zij snikte, haar hoofd op Jules' hoofd.
—Is het zoo, tante? Neen, nietwaar...?
—Neen.
—Maar waarom dan?
Zij richtte zich in eens op, zich winnende en zag hem vast aan.
—Hij gaat weg, omdat hij weg moet, Jules. Ik, kan je niet zeggen, waarom. Maar wat hij doet, is goed. Alles wat hij doet, is goed.
De jongen zag haar roerloos aan, met groote natte oogen, vol verwondering.
—Is goed? herhaalde hij.
—Ja. Hij is beter dan een van ons allen. Als je van hem houden blijft, Jules, zal je dat geluk aanbrengen, zelfs al ... al zie je hem niet meer.
—Gelooft u? glimlachte hij. Brengt hij geluk aan? Zelfs dan ...
—Zelfs dan ...
Zij hoorde zich aan, terwijl zij zoo sprak; het was haar of een ander sprak; een ander, die niet alleen Jules troostte, maar ook haarzelve en die haar misschien kracht zoû geven afscheid van Taco te nemen zooals het goed zoû zijn: zonder wanhoop.