IV.
Reading edition
Zij bleven toen lang met elkander praten en er kwam niemand, die hen stoorde. Het kind was weêr gaan zitten bij het raam. De schemering begon hare asch naar binnen te strooien. Zacht wit zag hij Cecile daar zitten, in de melodie harer woorden van halve stem, die weldadig tot hem aanklonken. Zij spraken over veel; over Emerson; over een gedicht van Van Eeden, in den Nieuwen Gids; over hunne levensopvattingen. Hij had een kop thee willen aannemen, alleen om haar zich te zien bewegen met de weeke lijnen harer bevalligheid, staande voor het theetafeltje in den hoek. In haar wit toilet, had zij iets van marmer, dat week zoû zijn van bezieling en leven. En onbewegelijk bleef hij zitten, luisterend met eerbied, opgenomen in eene teedere verrukking van geluk. Het was eene stemming, niet te analyzeeren, zonder zichtbaren oorzaak, alleen wordende uit hun sympathetisch samenzijn, zooals eene bloem wordt uit een onzichtbaar zaad, na een regendrop en wat zonneschijn. Ook zij, ze was gelukkig; ze voelde niet hare pijn om zijn eerbied. Ze was wel een beetje weemoedig, dat hij zoo geleefd had, maar toch was ze gelukkig om het geluk van die stip van het heden. Ze zag nu ook niet haren donkeren stroom, hare inktlucht, haar nalatenschap; ze zag nu alles licht, in kalmte. En het geluk ademde om hen heen, tastbaar, als met eene liefkoozing. Soms zwegen zij, en zagen beiden naar het kind, dat las, of het vroeg hun iets en zij antwoordden. Dan glimlachten zij elkander toe, omdat het zoo zoet was en niet hinderde.
—Ik wilde, dat dit nu altijd zoo bleef! dorst hij te zeggen, toch nog vreezende; dat zulk een woord de kristallen transparantheid van hun geluk zoû breken. Als u nu in me zien kon, hoe goed ik me voel. Ik weet niet waarom, maar ik voel me zoo. Misschien om uw vergeving. Het Roomsche geloof is toch heerlijk met zijn absolutie. Wat een troost voor zwakke menschen.
—Maar u mag u niet zwak vinden. U is dat ook niet. U zegt me, dat u zich soms boven het gewone leven kan stellen, dat u kan neêrzien op de smart van het leven als op een comedie, die maar eventjes droef doet glimlachen, maar niet de waarheid is. Ik geloof ook, dat het leven, zooals wij het zien, alleen maar symbool is van een leven van waarheid, dat er onder schuilt en dat we niet zien. Maar ik kan me niet boven het symbool stellen en u wel. Daarom is u heel sterk en voelt u heel groot.
—Hoe zonderling! en ik voel juist mijzelven zwak en u groot en krachtig. U durft te zijn, die u is, in al uw harmonie en ik verberg me altijd en ben bang voor de menschen, persoonlijk, ook al stel ik me soms boven het leven, als massa. Maar dat zijn raadsels, die ik toch niet kan oplossen, en al mis ik de macht ze op te lossen, ik voel op dit oogenblik niets dan geluk. Ik mag dat wel eens hoorbaar zeggen, nietwaar hóorbaar?
Zij glimlachte hem toe, zalig, dat zij hem het geluk gaf.
—Het is de eerste maal, dat ik zóo het geluk voel, ging hij voort. Eigenlijk is het de eerste maal, dat ik het voel ...
—Analyzeer het dan niet.
—Ik hoef het niet te analyzeeren: ik zie het in al zijn eenvoud voor mij staan. Weet u waarom ik gelukkig ben?
—Analyzeer niet ... herhaalde zij bang.
—Neen, sprak hij, maar mag ik het zeggen zonder analyze?
—Doe dat niet, stamelde zij, want ... want ik weet het ...
Zij smeekte het, zeer bleek, met gevouwen vingers, die trilden. Het kind sloeg acht op hen; het had zijn boek gesloten, het kwam naar zijne moeder en zette zich op zijn plaatsje, met een blik van prille wijsheid in zijne bleekblauwe oogjes.
—Dan gehoorzaam ik! sprak Quaerts met eenige moeite.
En zij zwegen beiden, hunne oogen vergroot als door den glans van een vizioen. Om hen heen scheen het zacht te stralen, door de asch der schemering heen.