IV.
Reading edition
—U gaat dus een lange reis maken? vroeg ze.
Hij zat over haar, roerloos, met eene smart over zijn gelaat. Zij was uiterlijk zeer kalm, alleen was er een weemoed in haren blik en hare stem; in haar wit toilet, met de écharpe, die haar voor de voeten viel, lag zij achterover in de drie kussentjes der roze moiré chaise-longue; de punten van hare schoentjes verloren zich in de witte schapen vacht. Voor haar op het tafeltje lag een groote bouquet losse rozen, roze, witte en gele, met een breed lint samengestrikt. Hij had ze haar meêgebracht en zij had ze nog niet in eene vaas gezet. Er was veel kalmte om hen heen; de exquize atmosfeer van het boudoirtje scheen de zelfde.
—Zeg me, doe ik u niet erg verdriet? vroeg hij, met die smart in zijne oogen, zijne oogen, die zij nu zoo goed kende.
Zij glimlachte.
—Neen ... sprak ze. Ik zal eerlijk zijn met u. Ik heb verdriet gehàd, ik heb het nu niet meer. Ik heb me voor de tweede maal bestreden en ik heb mezelve overwonnen. Zal u dat gelooven?
—Als u wist hoeveel wroeging ik voel ...
Zij stond op en trad op hem toe.
—Waarom? sprak ze, met eene stem van klaarte. Omdat u mij geraden heeft, en me geluk heeft gegeven?
—Heb ik dat dan?
—Is u dat dan vergeten?
—Neen, maar ik dacht ...
—Wat?
—Ik weet het niet; ik dacht, dat u zoo lijden zoû, ik ... ik vervloekte mezelven...!
Zij schudde zachtjes het hoofd, met eene glimlachende afkeuring.
—Foei! sprak ze. U profaneert ...
—Vergeeft u me?
—Ik heb u niets te vergeven. Hoor eens. Zweer me, dat u me gelooft, dat u gelooft, dat u mij gelùk heeft gegeven en dat ik niet lijd.
—Ik ... ik zweer het u.
—Ik vertrouw, dat u niet alleen zweert om aan mijn verlangen te voldoen.
—U is het hoogste in mijn leven geweest, sprak hij zacht.
Eene verrukking schoot door hare ziel.
—Zeg me alleen ... begon ze.
—Wat?
—Zeg me, of u gelooft, dat ik, ik, ik ... altijd het hoogste in uw leven blijven zal.
Zij stond voor hem, lang, in haar slepend wit. Zij scheen te stralen; zij was zoo mooi als hij haar nog nooit gezien had.
—Ik weet dat zeker! sprak hij. Zeker, o zeker ... God, hoe kan ik u daarvan zekerheid geven?!
—Maar ik geloof u al! riep zij uit.
Zij lachte met een lach van verrukking. In hare ziel scheen eene zon naar alle zijden stralen uit te schieten. De oneindigheid harer ziele-leêgte vulde zich met licht. Zij wond haren arm zacht om zijnen hals en kuste hem op het voorhoofd met eene liefkoozing van kuischheid.
Een oogenblik scheen hij alles te vergeten. Hij stond ook op, nam haar in zijn armen, bijna woest, en klemde haar in eens tegen zich aan, als wilde hij haar verpletteren aan zijne borst. Zij zag even nog zijne treurige oogen; toen zag zij niet meer, verblind door de zoenen van zijn mond, die geheel haar gelaat schroeiden als vonken vuur. In de zonne-verrukking van hare ziel mengde zich eene zaligheid van de aarde, een toegeven aan het geweld zijner omhelzing. Maar het bliksemde door haar heen, wat zij verliezen zoû, zóo zij toegaf. Zij dwong zich los, weerde hem af en sprak:
—En nu ... ga.
Het duizelde hem, hij begreep, dat het moest.
—Ja, ja, ik ga, sprak hij. Ik mag u schrijven, niet waar?
Zij knikte van ja, met haren glimlach.
—Schrijf me, ik zal u ook schrijven, zeide zij. Laat mij altijd van u weten ...
—Dit zijn dus niet de laatste woorden, die er tusschen ons zijn? Dit ... dit alles ... was niet het laatste?
—Neen ...
—Ik dank u. Adieu, mevrouw, adieu ... Cecile. O, als u wist, wat dit oogenblik mij kost!
—Het moet. Het mag niet anders. Ga, ga. U doet goed te gaan. Toe, ga ...
Zij reikte hem nog de hand, voor het laatst. Eene seconde daarna was hij verdwenen.
Zij zag vreemd om zich rond, met verwilderde oogen, met ineengedrongen handen. Ga, ga ... herhaalde zij, als ijlend. Toen merkte zij de rozen op. Met iets als een zachten schreeuw zonk zij neêr voor het tafeltje en begroef haar gezicht in zijn geschenk, tot de dorens haar schramden. Die pijn—twee druppels bloed, die van haar voorhoofd vielen—ze bracht haar tot bezinning. Voor den kleinen Venetiaanschen spiegel, boven hare schrijftafel, wischte zij zich met den zakdoek de roode vlekjes af.
—Het geluk! stamelde zij in zichzelve. Zijn geluk! Het hoogste van zijn leven! Hij heeft dus geluk gekend, al was het ook maar kort. Maar nu ... nu lijdt hij. Nu zal hij weêr veel lijden, weêr als vroeger. De herinnering aan ons geluk zal niet alles kunnen doen. O, kon het dat maar, dan was alles goed, alles ... Ik wil niets meer, ik heb mijn leven gehad, mijn kinderen; ik ben nu alles voor hen. Voor hem mocht ik niet méer zijn ...
Zij wendde zich van den spiegel af en zonk neêr op de bank, als was zij vermoeid van heel veel ruimte, die zij doordwaald had, en zij sloot de oogen, als was zij verblind van heel veel licht. Hare handen vouwden zich als om te bidden; heur gelaat straalde, in zijn moêheid, van glimlach op glimlach.
—Het geluk! herhaalde zij, stamelend in dat geglimlach. Het hoogste van zijn leven! O God, het geluk! Ik dank u, God, ik dank u ...
Den Haag Wiesbaden-Hilversum,
Jan. '91-Oct. '91.