IV.
Reading edition
Anna speelde slecht whist tot wanhoop van Suzette; o, dat kind vergat zelfs de grootste troeven! en Dolf riep zijne vrouw:
—Amélie val eens in, tenminste als Quaerts niet wil. Je geeft je dochter wel niet veel toe, maar het is toch nog een ziertje beter!
—Ik zal liever mevrouw Van Even gezelschap hoûen, sprak Quaerts.
—Gaat u anders gerust whisten, meneer Quaerts! sprak Cecile met de koude stem, die zij tegen, haar antipathieke, menschen aannam.
Amélie sleepte zich met een ongelukkig gezicht weg. Ze speelde ook niet schitterend, en Suzette werd altijd zoo driftig als ze iets verkeerds deed.
—Ik heb al zoo dikwijls verlangd met uw kennis te maken, mevrouw: ik zoû niet gaarne nu de gelegenheid laten voorbijgaan, antwoordde Quaerts.
Ze zag hem aan: het ontstemde haar, dat ze hem niet begreep. Ze wist, dat hij nog al een Don Juan was. Ze herinnerde zich den naam eener getrouwde vrouw in verband met den zijne. Zoû hij meenen haar wat het hof te maken? Ze hield anders niet van die aardigheden; ze had nooit van flirt gehouden.
—Waarom? vroeg ze kalm, en ze verbeet zich dadelijk, want hare vraag klonk als eene coquetterie en ze bedoelde alles behalve dat.
—Waarom?!
Hij zag haar lichtjes verrast terug aan; hij zat dicht bij haar, Jules tusschen hen in, op den grond, tegen zijn knie, de oogen gesloten.
—Om ... om, stamelde hij, omdat u de zuster is van mijn vriend, niet waar, en ik zag u hier nooit ...
Zij antwoordde niet: zij had in hare eenzaamheid verleerd te converseeren en zij gaf zich er niet de minste moeite voor.
—Ik heb u vroeger dikwijls in de comedie gezien, sprak Quaerts; toen meneer Van Even nog leefde.
—In de opera, zeide zij.
—Ja.
—O, ik kende u niet.
—Neen.
—Om mijn rouw ben ik heel lang 's avonds niet uitgegaan.
—En ik kom altijd 's avonds bij Dolf mijn visites maken.
—Dus logisch, dat u me nooit hier ontmoette.
Ze zwegen even. Het trof hem, dat ze zeer koud sprak.
—Ik zoû wel gaarne aan de opera willen gaan! murmelde Jules met gesloten oogen. Ach neen, eigenlijk toch niet.
—Dolf zei me, dat u veel las, ging Quarts voort. Volgt u de moderne litteratuur?
—O ... een beetje. Ik lees niet zoo heel veel.
—Niet?
—O neen. Ik heb twee kinderen en er dus niet veel tijd voor. En het boeit me nooit veel: het leven is veel romantischer dan welke roman ook.
—U is dus filozoof?
—Ik? O waarlijk niet, meneer Quaerts, ik ben zoo laag bij den grond mogelijk!
Zij zeide het met haar slecht lachje en hare koude stem: hare stem en haar lach, als zij bang was, dat men haar verwonden zoû in heur geheim sensitivisme en als zij zich dus verborg, diep in het mysterie van zichzelve, gevende aan de buitenwereld iets geheel anders dan zij was. Jules had zijne oogen geopend en zag haar aan en zijn blik, dien hij niet meer van haar afwendde, hinderde haar.
—U woont allerliefst daar op den Scheveningschen weg.
—O zeker.
Zij zag eensklaps, dat zij onbeleefd van koudheid was en dit wilde zij niet, ook al was hij haar antipathiek. Zij vleide zich achteloos wat achterover; ze vroeg blankweg, zonder eenige belangstelling, geheel voor de conversatie:
—Heeft u veel familie in den Haag?
—Neen; mijn ouders wonen te Velp en mijn familie meerendeel in Arnhem. Ik ben nooit ergens vast, ik kan nooit lang op een plaats blijven. Ik heb langen tijd in Brussel gewoond.
—U is niet in betrekking, niet waar?
—Neen, mijn illuzie van jongen was in de marine te gaan, maar ik ben afgekeurd geworden voor mijn oogen.
Zij zag hem even onwillekeurig in zijne oogen: kleine, diep liggende oogen, waarvan zij de kleur niet zien kon. Zij vond er iets sluws, iets geslepens in.
—Het heeft me altijd gespeten, ging hij voort. Ik ben een man van beweging. Ik voel altijd drang naar beweging in me. Ik troost me nu maar met veel sport.
—Sport? herhaalde zij koud.
—Ja.
—O.
—Quaerts is een Nimrod en een Centaur en een Herkules, niet waar? riep Jules.
—Zoo, geef je me "namen"? lachte Quaerts. Waarbij "deel je me verder in", Jules?
—Bij de heele enkele menschen, van wie ik veel hoû! riep Jules in vuur en vlam. Taco, je zoû me nog altijd paard leeren rijden?
—Nu, wanneer je wilt, kereltje.
—Ja, maar jij moet den dag bepalen, dat we naar de manege gaan. Ik bepaal geen dagen, daar vind ik iets angstigs in.
—Morgen dan? Het is morgen Woensdag.
—Goed.
Cecile bespeurde, dat Jules haar steeds aanzag. Zij zag hem terug aan. Hoe was het mogelijk, dat de jongen van dien man hield! Hoe was het mogelijk, dat, als het hàar hinderde, het hèm niet hinderde: dat gezonde, dat sterke, die kracht van spieren, die kracht van sport! Had die man iets slechts voor met Jules, dat hij zich zoo quasi teeder voordeed tegenover dat kind? Zij begreep er niets van, zij begreep noch Quaerts noch Jules en zelve verzonk ze weêr in die stemming van zelfverlies, waarin zij niet wist wat ze dacht en op het oogenblik zelve zeggen zoû; stemming, waarin zij zich terug zocht, en te vergeefs. Verbitterd stond zij op, lang, rank, lenig; in haar krip, als eene koningin, die rouwde; goudspelingen in het dof blond van heur haar, waarin een klein gitten kroontje glom als zwart spiegel.
—Ik ga eens even zien, wie er wint, sprak ze en ze ging naar de speeltafel in de andere kamer; ze zette zich achter Mevrouw Hoze, schijnbaar belangstellend in het spel en, door het licht der bougies heen, gluurde ze naar Quaerts en Jules. Ze zag, dat ze zachtjes met elkaâr spraken, vertrouwelijk, Jules met zijn arm op Quaerts' knie. Ze zag het glimlachend gezicht van Jules, als in aanbidding, opzien naar het gelaat van dien man, en ze zag, dat de jongen eensklaps zijne armen, tot eene woeste liefkoozing, heensloeg om zijn vriend, die hem afweerde, met een zacht gebaar.