V.
Reading edition
Zij had dien avond lang geschreven in haar dagboek, en ze liep nu de kamer op en neêr, hare handen gevouwen neêrhangende, haar hoofd een weinig gebogen, met een blik, die staarde. Er was ernst om haren mond. Vóór zich zag zij het vizioen; dat wat zij geraden had. Hij had haar lief, met alleen zijne ziel, niet lief als eene vrouw die mooi is en goed, maar hooger lief dan dat, lief met de fijnste zielezenuwtrillingen van zijn mensch,—zijn eigenlijke—lief met de supreme Aandoening der essence zijns wezens. Zóó voelde zij, dat hij haar liefhad, met contemplatie en aanbidding, en zoo voelde zij het in waarheid door een raadvermogen van sympathie dat hun elkanders in-wezen deed raden naar waarheid. En dàt was zijn geluk—zijn eerste, zooals hij zeide,—haar zóó lief te hebben en niet anders. O zij begreep hem! Ze begreep zijne illuzie, die hij zag in haar en ze wist nu, dat zoo ze hem in waarheid lief wilde hebben, om hèm en niet om zich, ze voor hèm niets anders mocht zijn en blijven dan illuzie, dan eene vrouw, die geen vleesch was, die niets verlangde van de aarde, welke hij vond in andere vrouwen, die alleen ziel zoû wezen, zusterziel der zijne. En zooals ze het vizioen zijner liefde voor zich zag, kalm en stralend, zoo zag ze ook voor zich den eigen strijd, die haar wachtte: strijd met zichzelve, strijd met haar eigen smart: smart, omdat hij zoo hoog van haar dacht en ze madonna noemde, terwijl zij laag wilde zijn en slavin. Zij zoû moeten schijnen, die hij zag in haar, om zijn geluk, en die rol zoû haar zwáar vallen, want ze had hem lief met o zooveel eenvoud, met geheel haar vrouwewezen, dat zich geheel wilde geven, zóo geven als eene vrouw zich slechts aan éen in haar leven geeft, wat en wie ze ook geven mocht daarvoor, uit onwetendheid van zichzelve, en geven moge daarna in bitterheid en leed. De uiterlijkheid van dien rol en de innerlijkheid van haar zijn: het conflict daartusschen zoû haar zwaar vallen, maar ze dacht aan die zwaarte met een glimlach en met een geluk, stralende door haar hart, want dien zwaren strijd zoû ze strijden voor hèm, ter wille van hem en alleen voor hem. O, de weelde te lijden voor een, dien ze liefhad al ze had hèm; in zich gefolterd te zullen worden van verlangen, dat hij niet tot haar komen zoû met de omhelzing zijner armen en den zoen van zijn mond, en te voelen, dat ze zoo gefolterd zoû worden om zijn geluk, het zijne! Te voelen, dat ze genoeg hem liefhad om tot hem te gaan met open armen en hem den aalmoes zijner liefkoozingen vragen, maar ook te voelen, dat ze hem meer liefhad dan dat en hooger, en—niet uit fierheid en kuischheid, die toch nog egoïsme zijn—maar alleen uit zelfopoffering aan zijn geluk—niet vragen wilde en nooit vragen zoû.
Pijn, pijn om hem! Een zwaard door hare ziel voor hem! Martyre te zijn voor haar god, die op aarde niet gelukkig kon zijn, dan alleen in hare marteling! En ze was door het leven gegaan, jaren lang, zonder tot op dezen dag gevoeld te hebben, dat zulke weelde bestaan kan, niet als verbeelding in verzen, maar als realiteit in haar hart. Ze was jong meisje geweest en ze had hare dichters gelezen en wat zij rijmden over liefde en ze had gemeend dat alles te begrijpen, fijn te begrijpen en toch: zonder ooit het minste voorgeraden te hebben van het Gevoel zelve. En—jonge vrouw was ze geweest, ze was gehuwd geweest, kinderen had ze! Door haren geest flitste heur huwelijksleven in een bliksem van herinneringen en ze bleef staan voor het portret van haren overleden man, dat daar op een ezel stond in een draperie van somber peluche. Het was een masker van heerschzucht: een streng fijn gelaat met scherpe trekken als gegraveerd in fijn staal; koud-verstandige oogen met een strakken portretblik: dunne, baardelooze lippen, beslist op elkaâr gesloten als een slot. Haar man! En ze woonde nog in het zelfde huis, waar ze met hem gewoond had, waar ze hare vele gasten had moeten ontvangen, toen hij minister was geweest van Buitenlandsche Zaken. Hare recepties en diners schitterden als wereldsche tafereelen in haar geest op en ze zag nog duidelijk het oog weêr van haren man, die in een korten cirkelblik van goed- of afkeuring alles opnam: het arrangement harer kamers, hare tafels en haar eigen toilet. Haar huwelijk was niet ongelukkig geweest: haar man was wat koud en zonder expansie, geheel opgenomen in zijne eerzucht, maar hij hield van haar op zijne wijze, en dat zelfs met teederheid: ook zij, ze had van hem gehouden; zij had gemeend hem uit liefde te trouwen: hare aanhankelijke vrouwelijkheid beminde heerschers. Delicaat van gestel, ondermijnd misschien door de te groote energie der gedachte, was hij na eene korte ziekte overleden; Cecile herinnerde zich hare treurigheid, hare eenzaamheid met de twee kinderen, van wie hij reeds gevreesd had, dat zij ze bederven zoû. En hare eenzaamheid was haar zoet geweest, met het gewolk van haar gedroom ...
Waarom had ze dit portret—eene mooie levensgroote fotografie; een koolafdruk, donker van eene Rembrandtsche schaduw—nooit laten naschilderen in olieverf, zooals ze eerst had willen doen? Het voornemen was uit haar weggebleekt; ze had er in maanden niet meer aan gedacht; nù eensklaps dacht zij er aan ... En er was geen zelfverwijt en wroeging in haar. Ze zoû de schilderij niet laten maken. Het was goed, zoo. Zij dacht zonder weemoed aan den doode. Zij had zich niet over hem te beklagen gehad, hij had haar nooit iets kunnen verwijten. En nu, ze was vrij; zij werd er zich bewust van met eene wijde blijdschap. Vrij, te voelen wat ze wilde. Hare vrijheid welfde zich als boven haar uit met blauwe uitspansels, waarin hare nieuwe liefde opsteeg in de immaculate vlucht van een duif. Vrijheid, lucht, licht! Ze wendde zich met een glimlach van verrukking af van het portret; heure armen sloegen zich boven haar uit als wilde zij hare vrijheid, de wijdte van hare lucht, meten, als wilde zij het licht tegemoet. Lief, ze had lief! Er was alleen liefde; er was alleen de harmonie van zielen, de harmonie harer ziel van dienares met die van heur, op aarde verbannen, god. O, wat een gratie, dat die harmonie bestaan kon, tusschen zoo iets hoogs als hij en laags als zij! Maar hij mocht het niet zien, dat ze laag was; madonna moest ze blijven, om hem moest zij die blijven, om hem, in de marteling van zijn eerbied, en de duizeling van het hooge punt, troon van vergoding, waarop hij haar tot zich verhief. Om haar heen voelde zij die duizeling draaien als met ringen van glans. En ze viel neêr op hare bank, hare vingers vouwden zich, hare oogleden knipten; toen bleven hare oogen zelve voor zich uit turen, heel ver weg ...