II.
Reading edition
Toen ontving ze zijn brief.
"Vergeef me, zoo ik van dag tot dag uitstelde u te komen zien; vergeef me, zoo ik van daag nog niet daartoe besluiten kon en u schrijf. Vergeef me zoo ik u zelfs durf te vragen, of het niet zal moeten zijn, dat wij elkander niet meer zien. Zoo ik u pijn doe en beleedig, zoo ik—God geve van niet—doe lijden, vergeef me, vergeef me! Ik heb misschien uitgesteld uit een beetje besluiteloosheid, maar veel meer omdat ik meende niet anders te mogen doen.
"Er is tusschen onze beide levens, tusschen onze beide zielen, eene ontmoeting van geluk geweest, die eene bizondere zaligheid, eene bizondere gunst van den hemel was. Gelooft u dat ook niet? O, als ik maar de woorden had u te zeggen hoe dankbaar ik in mijn innigste ziel ben voor dat geluk. Als ik ooit later op mijn leven terugzie, dan zal ik er altijd tusschen veel leelijks en zwarts dàt geluk in blijven zien, als een ster van licht. Wij hebben dat zoo gekregen: een geschenk van licht. En ik durf u te vragen of u met mij dat geschenk bewaren wil, als iets heiligs.
"Zullen wij dat kunnen doen, als ik u blijf bezoeken? O, u zeker, ik twijfel niet aan u, u zal sterk zijn en het heilig bewaren, ons heilig geluk, vooral omdat u al gestreden heeft, zooals uzelve mij op onzen heiligen avond toevertrouwde. Maar, ik, zal ik ook sterk kunnen zijn, vooral nu ik wéet, dàt u gestreden heeft? Aan mij twijfel ik, aan mijn eigen kracht; voor mijzelven ben ik bang! Er is iets wreeds in mij, iets vernielzuchtigs, iets van een barbaar. Als jongen had ik er plezier in mooie dingen en kunstvoorwerpen te vernielen, ze te kerven en te bezoedelen. Verleden had Jules mij wat rozen gebracht, op mijn kamer; 's avonds, toen ik alleen zat, mijmerend over u en over ons geluk—zelfs op dàt oogenblik—frommelden mijne vingers aan een roos, die uitbladerde, en toen ik die eene roos ontbladerd zag, was het in mij eene wreedheid om ze allen te ontbladeren, en ik verfrommelde ze allemaal. Ik noem u maar een klein bewijs op, omdat ik u geen groote bewijzen noemen wil, uit ijdelheid, opdat u niet wete, hoe slecht ik ben. Ik ben bang voor mezelven. Als ik u weêr zag, en weêr zag, en weêr, wat zoû ik gaan gevoelen en denken en willen, zonder te willen? Wat zoû sterker in mij zijn, mijn ziel of mijn beest? Vergeef me, dat ik mijn angst u bloot leg en minacht mij er niet om. Tot nog toe heb ik niet gestreden in onze heilige wereld van geluk. Ik heb u gezien, veel gezien voor ik u kende; ik heb u geraden, zooals u was; ik heb u mogen spreken, ik heb u mogen liefhebben met mijn ziel alleen: ik smeek u, o laat het zoo blijven. Laat me mijn geluk zoo blijven bewaren, heilig, duizendmalen heilig! Ik vind het nu waard geleefd te hebben, nu ik dàt gekend heb: geluk, het hoogste: En voor den strijd, die waarschijnlijk zoû komen en dat heilige bezoedelen zoû, ben ik bang.
"Gelooft u mij, als ik u zweer, veel over dit alles te hebben nagedacht; gelooft u mij, als ik u zweer, dat ik lijd bij de gedachte u nooit weêr terug te zullen mogen zien? En vooral: vergeeft u mij, als ik u zweer, dat ik zoo doe, omdat ik denk goed te doen? O, ik ben u dankbaar, en ik heb u lief als een ziel van licht alleen, alleen licht!
"Misschien doe ik niet goed u dezen brief te zenden. Ik weet het niet. Misschien verscheur ik deze woorden straks ..."
Maar hij hàd haar den brief gezonden.
Er was veel bitterheid in haar. Zij had eens gestreden, zich overwonnen en, in een heilig oogenblik dien strijd en die overwinning gebiecht: zij wist, dat zij dit noodlottig had moeten doen; zij wist nu, wat zij door die biecht verliezen zoû. Een kort oogenblik slechts, een enkelen avond misschien, was zij haren god waardig en gelijk geweest. Nu was zij dat niet meer; ook dàarom was zij bitter. En het bitterst was zij, omdat de gedachte in haar dorst oprijzen:
—Een god! Is hij een god? Vreest een god voor strijd?
Toen werd hare driedubbele bitterheid tot wanhoop, de zwarte wanhoop, de nacht, waardoor hare oogen zochten te dringen om iets te zien, waarin zij niets zagen, niets, en zij kermde zacht, en wrong hare handen, ineengezonken voor het venster en turende naar de trammen, die, onbarmhartig, met hun gerinkel van bellen, reden, heen en weêr.