V.
Reading edition
Cecile was enkele dagen niet uitgegaan en zij had niemand gezien; op een morgen ontving zij een briefje; het luidde:
Mevrouw!
Ik weet niet of u mijn mystieke woorden heeft kwalijk genomen. Ik weet niet juist meer wat ik gezegd heb, maar ik herinner me hoe u tot me zei dat ik te ver ging. Ik hoop dat u om dat te ver gaan niet boos is. Het zoû mij een groot geluk zijn, zoo ik u mocht komen zien. Mag ik hopen, dat u me toestaat u van middag een bezoek te komen brengen?
Met mijn eerbiedigste groeten,
QUAERTS.
Daar men op antwoord wachtte, schreef zij dadelijk terug:
Geachte Heer!
Het zal mij aangenaam zijn u vanmiddag te ontvangen.
CECILE VAN EVEN.
Toen zij daarop alleen was las ze zijn briefje over en nog eens over, bezag zij met een glimlach het papier, bezag zij de letters van het schrift.
—Hoe vreemd! dacht ze. Dat briefje, en dat dit alles zoo is. Wat is alles vreemd, alles, alles!
Lang bleef zij droomen, het briefje in de hand. Toen vouwde zij het met zorg dicht; zij stond op, liep de kamer op en neêr, zocht met hare fijne vingers in een coupe vol visitekaartjes en nam er twee uit, die zij lang bezag. Quaerts ... Die naam had een anderen klank dan vroeger ... Hoe vreemd dat alles! En ze sloot eindelijk het briefje en de twee kaartjes weg in een klein, leêg loketje van hare schrijftafel.
Zij wilde thuis blijven en liet de kinderen wandelen met de kindermeid. Zij hoopte, dat er geene andere visite komen zoû, noch mevrouw Hoze, noch de Van Attema's. En voor zich uit turende dacht zij na, lang, lang na. Er was zooveel, dat ze niet begreep: eigenlijk begreep ze niets. Wat haarzelve betrof, zij had hem lief gekregen, dat was niet meer te doorgronden, dat was alleen aan te nemen. Maar hij, hoe was hij en wat, wat was er in hem?
Hare antipathie in den aanvang? Sport ... hij deed veel aan sport, herinnerde zij zich ... Zijne visite, die eene indiscretie was geweest ... Hij scheen dat nu te willen goed maken en haar niet meer te komen bezoeken zonder hare toestemming. Zijn mystiek gesprek aan dat diner ... En mevrouw Hijdrecht ...
—Wat is hij vreemd, dacht ze. Ik begrijp hem niet. Maar ik heb hem lief; ik kan niet anders. Lief lief ... wat vreemd dat dat bestaat! Ik wist nog niet, dat dat bestond! Ik ben niet meer mezelve: ik word een ander! Wat zoû hij van mij willen...? En hoe zonderling: ik ben getrouwd geweest, ik heb twee kinderen? Wat zonderling, dat ik twee kinderen heb! Het is me of dat niet zoo is. Ach, en ik hoû toch zoo van ze, mijn ventjes! Maar dàt, dat is zoo mooi, zoo helder, zoo doorzichtig, alsof dát alleen de waarheid is. Misschien is liefde alleen de waarheid ... Het is alsof alles kristal in en om me wordt!
Zij zag om zich heen en het verwonderde haar, het hinderde haar, dat in die dagen hare omgeving de zelfde was gebleven: de rozenhouten meubeltjes, de plooien der behangsels, het dorre boomlandschap van den Scheveningschen weg daar buiten. Maar het sneeuwde, stil en zacht, met langzame, groote vlokken, die zwaar neêrvielen of zij de wereld wilden rein maken. Die sneeuw was frisch en nieuw, maar toch was die sneeuw niet de eigenlijke natuur voor haar, die steeds hare verre landschappen zag, als fata morgana's, sidderend in trillingen van licht.
Om vier uur trad hij binnen. Zij zag hem dus nu voor den eersten keer na de zelfkennis, die door haar was geschoten, als eene verwondering. En toen hij binnentrad voelde zij de zonderling zalige gewaarwording, dat hij zich voor haar vergoedde, dat hij zich volmaakte voor hare verbeelding, dat alles in hem goed was. Nu hij daar voor haar gezeten was, zag zij hem voor het eerst, en zij zag, dat hij mooi was. De kracht van zijn lichaam verheerlijkte zich tot de kracht van een jongen god, breed toch slank, en gespierd als met de marmeren spieren van een beeld, vreemd dat alles onder de moderniteit van zijn half gekleed kostuum. Voor het eerst zag ze zijn gelaat, zag ze het geheel en al. De snit ervan was Romeinsch, als van een keizerskop, met zijn zinnelijk profiel, zijn kleinen, vollen mond, levend rood onder het goudbruin van zijn kroessnor. Laag het voorhoofd—het haar zeer kort geknipt, als een rond zwart vlies—, en over dat voorhoofd, met zijn enkele groef, eene treurigheid als een waas van ouderdom, vreemd in tegenstelling met de wulpsche jeugd van zijn mond en kin. En dan zijne oogen, die zij reeds kende, zijne oogen van geheimenis, klein en diep liggend, met de diepte van hunne pupil, die zich nu scheen te sluieren en dan weêr openblonk.
Maar het vreemdste was, dat van geheel zijn mooi, van geheel zijn wezen, van geheel zijn zitten daar, met zijne handen gevouwen tusschen zijne knieën, een magnetisme tot haar uitging, dat haar als tot hem trok, onwederstaanbaar, als was ze, in eens, van haar eerste moment van zelfkennis af, zijn ding geworden, dat hem in alles zoû dienstbaar zijn. Zij voelde dat magnetisme haar zoo hevig aantrekken, dat alles in haar smolt tot loomheid en zwakte. Eene zwakte, als zoû hij haar kunnen nemen en wegdragen, ergens heen, waar hij wilde; eene zwakte, als had zij geene eigen gedachte meer, als was ze niets dan hèm geworden.
Dit voelde zij intens en toen, toen was het állervreemdste, dat hij daar zitten bleef als op een afstand van eerbied, dat zijn oog tot haar opzag met eerbied, dat zijne stem klonk in eerbied. Toen was het állervreemdste, dat zij hem beneden zich zag, terwijl zij hem boven zich voelde; dat zij zijne mindere wilde zijn en hij haar eene hoogere scheen te achten. Zij wist niet hoe zij dit alles in eens zoo intens doordrong, maar zij dròng het door en het was de eerste pijn, die haar om heure liefde trof.
—U is toch wel lief, dat u niet boos op me is! begon hij.
In zijne stem klonk vaak iets vleiends; ze was niet helder en zelfs nu en dan wat gebroken, maar dit gaf er juist eene bekoring van timbre aan.
—Waarom? vroeg ze.
—Ik ben ten eerste indiscreet geweest met mijn visite. Ten tweede ben ik ongalant geweest op het diner van mevrouw Hoze.
—Een heel zondenregister! lachte zij.
—Zeker! ging hij voort, en u is wel goed dit alles niet kwalijk te nemen.
—Misschien heb ik dat niet gedaan omdat ik altijd zooveel goeds van u hoor bij Dolf.
—Heeft u nooit iets vreemds in Dolf gezien? vroeg hij.
—Neen, wat dan?
—Heeft het u nooit gefrappeerd, dat hij meer oog heeft voor de groote ensembles van politieke vraagstukken, dan voor de détails van zijn eigen omgeving?
Zij zag hem aan, glimlachend verbaasd.
—Ja, zeide zij. Dat merkt u juist op. U kent hem goed.
—O, we kennen elkaâr al lang, van jongens af. Het is curieus: hij ziet nooit de dingen, die vlak bij hem liggen; hij doordringt ze niet. Hij is intellectueel vérziende.
—Ja, beaamde zij.
—Hij kent zijn vrouw niet, zijn dochters niet en Jules niet. Hij begrijpt niet wat er in ze is. Hij maakt zich van ieder vaste beeldjes en zet die in zijn geest vast, en die beeldjes vormt hij naar twee karaktertrekken, die vooruitspringen en elkaâr wat opbouwen en afbreken. Mevrouw Van Attema schijnt hem een coeur d'or, màar onpractisch: en daarmeê uit. Jules: een muzikaal genie, màar een onhandelbare jongen: uit.
—Ja, hij denkt niet ver na over karakters, zeide zij. Want er is nog veel meer in Amélie ...
—En Jules heeft hij heelemaal mis! meende Quaerts. Jules is zeer handelbaar en niets geniaal. Jules is niets dan aanhankelijkheid met wat rudimentair talent. En u, ... u heeft hij ook mis!
—Mij?
—Geheel en al! Weet u hoe hij u vindt?
—Neen.
—Hij vindt u,—laat me dit vooraf zeggen,—zéer, zeer sympathiek en een lief mama-tje voor haar jongens. Maar hij meent verder, dat u onbekwaam is heel veel van iemand te houden; hij vindt u een vrouw zonder passie en melancholiek zonder reden, alleen uit wat verveling. Hij denkt, dat u zich verveelt!
Zij zag hem geheel en al ontsteld aan, en ze zag hem ondeugend lachen.
—Ik verveel me nooit! sprak ze, ook lachend en met volle overtuiging.
—Neen, natuurlijk niet! antwoordde hij.
—Hoe weet u dat! vroeg ze.
—Dat voel ik, hernam hij. En ik voel nog meer. Ik weet ook, dat het fond van uw karakter niet melancholiek is, niet donker, maar heel licht.
—Dat weet ik zelf zoo niet! murmelde zij bijna, loom, met die zwakte in haar, gelukkig, dat hij haar zoo doorzag. En, ging zij, heel luchtigjes, voort, zoû u ook gelooven, dat ik niet in staat ben veel van iemand te houden?
—Dat is nu iets, dat ik niet weet! zeide hij, met zooveel oprechtheid, dat zijn geheele gelaat zich in eens verjeugdigde en de groef van zijn voorhoofd weg was. Dat weet ik niet.
—U weet anders wel veel van me! schertste zij.
—Ik heb u al zoo dikwijls gezien.
—Nauwlijks vier maal!
—Dat is heel veel!
Zij lachte helder.
—Is dàt nu galant? vroeg ze vroolijk.
—Het is zoo bedoeld, sprak hij terug. U weet niet hoeveel het voor me is, als ik u zie.
Het was veel voor hem haar te zien! En zij voelde zichzelve zoo klein, zoo weinig, en hem zoo groot, zoo veel. Wat sprak hij beslist, wat wist hij dat alles zeker! Ze was er bijna treurig om, dat hij zooveel vond in eene enkele maal haar te zien. Hij stelde haar te hoog; zij wenschte niet zoo hoog gesteld te worden.
En dat teeder-broze hing weêr tusschen hen, zooals het aan het diner tusschen hen gehangen had. Daar was het gebroken door éen ongelukkig woord, o, dat het nu toch niet zoû breken!
—Laten we nu eens over u spreken! zeide zij met eene aangenomen luchtigheid. Weet u wel, dat u alle moeite doet mij te doorgronden, en dat ik niets weet van u! Dat is niet eerlijk.
—Als u wist, hoeveel ik u al gegeven heb. Ik geef me u geheel en al: voor anderen verberg ik me altijd.
—Waarom?
—Omdat ik bang voor die anderen ben!
—U bang?
—Zeker. U vindt, dat ik er niet naar uit zie om bang te zijn? Ik bezit iets ...
Hij aarzelde.
—Nu? vroeg ze.
—Ik bezit iets, dat me heel dierbaar is en waarvoor ik heel bang ben, dat de menschen het zullen aanraken.
—En wat is dat?
—Mijn ziel. En ik ben niet bang, dat u dàt zal aanraken want u zal het geen pijn doen. Integendeel: het voelt zich juist heel veilig bij u.
Ze had hem weêr, werktuigelijk, zijne vreemdheid willen verwijten: zij kon niet. Maar hij ried hare gedachte.
—U vindt me een heel zonderling mensch, niet waar? Ik kan niet anders zijn tegenover u!
Zij voelde hare liefde zich in haar hart als uitspannen, het als verwijden tot alomwijdte in haar. Haar liefde was als eene ruimte, waarin hij dwaalde.
—Ik begrijp u nog niet, ik ken u nog niet! sprak ze zachtjes. Ik zie u nog niet ...
—Zoû u er éenigszins belang in stellen mij te zien?!
—Zeker.
—Mag ik u dan van mij vertellen? Ik zoû het gaarne doen, het zoû mij een groot geluk zijn.
—Ik zal heel graag naar u hooren.
—Een vraag vooraf: u houdt niet van menschen, die aan sport doen?
—Zeker wel; ik hoû er veel van krachtsontwikkeling te zien, als ik er zelve buiten ben. Daarom hoû ik ook van naar een storm te hooren, als ik zelve thuis ben. En ik kijk zelfs heel gaarne naar acrobaten.
Hij lachte even.
—Die sport was u toch in mij antipathiek?
—Waarom denkt u dat?
—Dat heb ik gevoeld.
—U voelt alles! zeide zij, bijna bang. U is een gevaarlijk mensch, hoor.
—Dat denken er heel veel. Mag ik u zeggen, waarom ik geloof, dat mijn sport u antipathiek was?
—Ja.
—Omdat u dien niet in mij begreep; ook al zag u me misschien aan, dat ik er veel aan doe.
—Ik begrijp u in het geheel niet.
—Juist ... Maar laat me toch niet zoo over mezelven praten; ik praat liever over u.
—En ik liever over u. Wees dus nu voor de eerste maal galant tegenover me en spreek ... over uzelven.
Hij boog met een lachje.
Als u me dan niet pedant vindt.
—Ach wel neen. U zoû me van u vertellen. U begon met te spreken over sport ...
—U helpt me op den goeden weg ... Zoû u kunnen begrijpen, dat er twee menschen in me zijn?
—Twee menschen?...
—Ja. Mijn ziel, die ik beschouw als mijn eigenlijke mensch en dan ... dan nog iets anders.
—En wat is dat andere?
—Iets leelijks, iets gemeens, iets brutaal primitiefs. Het beest, in een woord.
Zij haalde lichtjes hare schouders op.
—Wat maakt u uzelven zwart. Zoo iets is er in iedereen!
—Ja maar, mij hindert het meer dan ik u zeggen kan. Ik lijd er onder; dat beest doet mijn ziel pijn, nog meer pijn, dan de heele wereld haar pijn doet. En weet u nu waarom ik me vooral bij u voel, alsof ik veilig ben? Omdat ik bij u dat beest niet voel ... Laat mij nog even praten, laat me even biechten, het doet me zoo weldadig aan, u dat alles te vertellen. U dacht, dat ik u maar viermaal gezien heb? Maar ik heb u zoo dikwijls gezien, vroeger, in de comedie, op straat, overal. Het was me altijd wel vreemd, dat ik u zag in het leven. En als ik dan naar u keek, dan voelde ik iets, alsof ik tot iets mooiers werd opgenomen. Ik kan het niet beter uitleggen. Er is iets in uw gezicht, in uw oogen, in uw bewegingen, ik weet niet wat, maar iets beters dan in andere menschen, iets, dat, heel welsprekend, alleen tot mijn ziel sprak. Dat alles is zoo fijn en zoo vreemd; ik kan daar nauwlijks duidelijker over praten. Maar u zal weêr vinden, dat ik te ver ga, niet waar? Of dat ik dweep?
—Ik zoû zeker nooit gedacht hebben dat u zoo een idealist, en zoo een sensitivist was, sprak Cecile zacht.
—Mag ik wel zoo tot u spreken?
—Waarom niet? vroeg zij, om niet te behoeven te antwoorden.
—Omdat u misschien bang is, dat ik u zoû kunnen compromitteeren ...
—Ik ben daar geen oogenblik bang voor! hernam zij hoog, als minachtende de menschen.
Zij zwegen even. Dat teeder-broze, dat zoo licht breken kon, hing nog tusschen hen, fijn, als een herfstdraad, die hen vereenigde. Eene atmosfeer van verlegenheid was om hen. Zij voelden, dat er beteekenisvolle woorden tusschen hen gewisseld waren. Cecile wachtte even, tot hij weêr spreken zoû. Maar, toen hij zwijgen bleef, begon zij, dapper:
—Ik stel het op hooge waarde, dat u zoo tot me gesproken heeft. U heeft gelijk: u heeft me wel heel veel van u gegeven. Ik woû u nu verzekeren, dat alles wat u me gegeven heeft, heel veilig bij me zal zijn. En ik geloof, dat ik u nu beter begrijp, dat ik u beter zie.
—Ik zoû u gaarne iets vragen, maar ik durf niet! sprak hij.
Zij glimlachte om hem aan te moedigen.
—Neen heusch, ik durf niet! herhaalde hij.
—Wil ik er dan naar raden? schertste Cecile.
—Ja, wat denkt u?
Zij zag even de kamer rond, toen naar het kleine tafeltje met de boeken.
—Emersons Essays? ried ze ten laatste.
Maar Quaerts schudde zijn hoofd en lachte.
—Neen, dank u! sprak hij. Die heb ik me al aangeschaft. O, neen, ik zoû u veel meer willen vragen dan een boek te leen.
—Wees dan dapper en vraag het! schertste Cecile voort.
—Ik durf niet! herhaalde hij. Ik zoû het ook niet onder woorden kunnen brengen.
Ze zag hem ernstig aan, in zijne oogen, die haar geheel openblonken, en toen sprak ze:
—Ik weet, wat u me vragen wil, maar ik zal het niet zeggen. Dat moet u doen: zóek dus uw woorden.
— Als u het dan weet, vergunt u me dan het u te zeggen?
—Ja, want als ik het goèd weet, is het niets wat u niet zoû kunnen vragen.
—Het zoû toch een heele groote gunst zijn ... Want laat me u vooraf zeggen, dat ik me geheel en al als iemand van lager orde beschouw dan u!
Eene schaduw waasde over heur gelaat; haar mond had een trekje van pijn, en ze drong hem, lichtjes ontzenuwd:
—Toe, vraag het nu. Eenvoudig weg.
—Zoû u dan sympathie met me willen sluiten? Zoû u me willen toestaan bij u te komen, als ik me ongelukkig voel? Ik voel me bij u altijd zoo gelukkig, zoo mooi, zoo anders dan in het gewone leven, want ik leef bij u alleen mijn eene mensch, mijn eigenlijke, u weet wel.
Alles smolt weêr in haar tot loome zwakte; o, hij stelde haar te hoog, en ze was heel gelukkig om wat hij vroeg, maar treurig, dat hij zich zoo minder voelde dan zij.
—Goed! sprak zij toch met eene stem van klank. Laten we sympathie sluiten.
En zij stak hem hare hand toe, hare mooie, witte, lange hand, met aan dien eénen vinger de witte en blauwe vonkjes van juweel, en hij drukte de tippen dier vingers even heel eerbiedig tusschen de zijne.
—Dank u! sprak hij zacht met zijne stem; die wat gebroken was.
—Is u dikwijls ongelukkig? vroeg Cecile.
—Altijd ... antwoordde hij, bijna nederig en verlegen, dat hij dit zeggen moest. Ik weet niet, wat dat is; ik ben altijd zoo geweest. En van kind af aan, heb ik toch veel bezeten, dat de menschen geluk noemen. Maar toch, toch ... Ik lijd door mezelven. Ik doe mezelven het meeste pijn. En daarna de wereld ... en ik moet me altijd verbergen. Ik geef aan de wereld alleen een meneer, die paard rijdt en schermt en jaagt, een meneer, die in de wereld komt en gevaarlijk is voor jonge vrouwen ... Hij lachte met zijn slecht lachje en hij keek haar schuin in de oogen; zij bleef kalm naar hem opzien.
—Verder geef ik ze niets, aan die menschen. Ik haat ze; ik ben niet als zij, Goddank!
—U is te trotsch! sprak Cecile. Ieder van die menschen heeft weêr zijn verdriet, evenals u; de een lijdt wat fijner, en de ander wat grover, maar ze lijden allemaal. En daarom staan ze u allemaal nabij.
—Ieder op zichzelf, misschien! Maar zoo zie ik ze niet, ik zie ze en bloc en zoo haat ik ze. U dan niet?
—Neen, zeide zij kalm. Ik geloof niet, dat ik haten kan.
—U is heel sterk, in uzelve. U heeft aan uzelve genoeg.
—O neen, dat niet, heusch niet, maar u ... u is onrechtvaardig tegenover de wereld.
—Mogelijk: ze doet me ook altijd pijn. Alleen bij u, daar vergeet ik, dat ze bestaat, die wereld daar buiten. Begrijpt u nu, waarom ik u zoo ongaarne bij mevrouw Hoze zag? Het was me of u zich verlaagd had. En om ... om dit vreemde, dat ik in u zag, heb ik ook niet vroeger uw kennismaking gezocht. Die kennismaking moest noodlottig gebeuren; daarom wachtte ik maar ...
Het Noodlot, wat zoû het haar brengen? dacht Cecile. Maar ze kon niet doordenken: het was haar of ze maar droomde van heele mooie, fijne dingen, die niet bestonden bij andere menschen en alleen zweefden tusschen henbeiden, en die mooie dingen wáren er al: zij behoefde ze zich niet meer als illuzie te bespiegelen: het was of zij de toekomst had ingehaald! Een kort oogenblik slechts dit geluk; toen weêr voelde zij pijn, om zijn eerbied.