Hoofdstuk XVIII.
Reading edition
„Och ja; en hoe gaat dat dan verder, hé?”—veronderstelde Racier als oud-vertrouwde gevangenisklant vanzelf ook bij mij dat laatste bedrijf van zijn dramma wel-bekend. ’t Scheen hem de moeite van het vertellen nauwelijks meer waard.
Hij was weer kalm geworden en heel goedmoedig. Behagelijk lag hij in mijn leunstoel en verkneuterde zich aan den gloed van ’t vuur. De passie was uitgelaaid, en nu rustte hij, bevredigd. Blijkbaar verlucht dat de wonderbaarlijkheden af-verzonnen waren en hij zich dezen morgen niet meer zoo moeizaam hoefde op te winden tot het bloed jagend klopte door zijn roode hoofd. Want daartoe moest hij zich telkens weer eerst forceeren. Dàn pas kwamen de verbeeldingen van zèlf, en voerden hem rusteloos mee, verder en verder naar die afmattende extase, waarin hij zichzelf zoo ontroerend welsprekend hoorde, zoo triomfantelijk zich zag verheffen als een vreemden andere, als een duizeling-wekkend hóóge, als een held, om eigen knieën voor te buigen, om eigen lange zwervers-armen fanatiek naar uit te strekken, en te schreien, te snikken om zoo wrééde verguizing,—de vuisten te ballen in rossen haat tegen de ongerechtigheid van heel ’t menschdom.
Maar dat was nu allemaal uitgetierd en weer bezonken tot een weldadig weeke rust. Hij had zijn rol zoo overwèldigend geleefd, dat ie er nóg slap vermoeid van zat en gansch voldaan. Een edele zelf-voldoening, bewustzijn van eigen grootmenschelijkheid, dat, over alle ijdelheid heen, weer eenvoudig en gelaten is geworden, met een goedertieren glimlach om den mond. Want hij had nu een stil behagen in mijn toch wel onnoozel meegeloof. In mijn goedig-voorkomende, zorgzame aandacht voor hem, en dat ik ’m zoo trouwhartig onbenullig nam naar zijn woord,—hem, den vagebond toch maar, den door de wereld dan toch diep verachten recidivist, den oplichter, die zich altijd schichtig bespied en nagespeurd waande, den overal geschuwden schooier, daar intiem op mijn kamer, in mijn gemakkelijken stoel aan den haard, waar hij de eene sigaar na de andere opblies....
En alle vrees voorbij van te worden betrapt op wat hij verzon in weer die wonderlijk onbedwingbare agitatie, waaruit de verbeeldingen kwamen, veel gloeiend reëeler dan de vale werkelijkheid van zijn zwerversbestaan—hij keek er mij verholen telkens op aan, kwasi argeloos en zoetsappig, wat een valschen trek gaf in zijn gezicht. Maar nee, hij zag aan mij geen spoor van twijfel. En dat ontspande hem dan volkomen, stemde ’m opeens soms warm genegen, als ’n vader voor zijn kind, wanneer hij een wondersprookje verteld heeft, en de schampere lach uit eigen levenservaring wordt beschamend verteederd door het onschuldige kinder-vertrouwen.... Tot ik dan weer in zijn oogen, die naar de vlammen tuurden, looze gedachten zag glunderen, en dat sluwe glimmertje lichten, waardoor zijn even loenzende tronie wel bar ongunstig werd.
Met dit al was hij rustig monter gestemd, en zoo redeneerde hij gemoedelijk weg en ongekunsteld over de dingen die hem nu eenmaal gemeenzaam zijn,—over z’n slaapstee, en ’n vent daar, dien ie vannacht had zien zitten munten: „Nou, slapen dee’ ie toch nooit; ’s even indommelen, dan weer wakker, altijd zoo gejaagd en van alles schrikken. Maar die valsche munter dàcht dat de generaal sliep, tot ie ’m ’s morgens ineens door die reetjes van z’n lampies had zien kijken. Hij had enkel gezeid: „wie mijn verraait, kost ’t z’n leven!”—Nou, dat doen ik tòch niet,—ben je ommers ’t recht kwijt van je vrinde. En van de honderd misdadigers ken ik er negen-en-negetig speciaal,—alleen al uit de bajes netuurlijk ...
„A’k dan maar ’n celletje heb met vanbove ’n inzicht in de natuur.... Want dat groen, dat bevalt mijn. En ’n lap lucht kan je zoo zoetjes en zachies in prakkezeere ... Daar in Scheveninge, a’k dan op me krukkie ging staan, keek ik zóó over de duine in zee... Och man, en bij donder en bliksem maar over die koekoek heen hange,—want voor ’n gesjochte jonge is er ommers tòch geen nood... En ... atheïste kenne geen angst!
„Ja.... daar in Scheveninge, da’s nou mijn Kurhaus. Ik heb ’t inspres gevraagd, toe’ na me rol van generaal, of ’k assiblief daar weer me tijd op moch’ knappe, en die vijf jaartjes viele me d’r niet eens zoo schrikkelijk lang. Nee, want ik sting er van ouds in de kas, en ...”
—Vijf jaar?”—vroeg ik—„en jullie waren allemaal tot twaalf jaar veroordeeld?”
„Hè man, wa’ ben jij toch ongedurig!”—viel hij toen kregel uit. „Kà je dan nooit zoo ’s lossies tege jou prate?... Maar affijn, gaat er nou dan ook op je gemakkie bij zitte, dan vertel ik je dat tooneelstuk van mijn medeen effe uit. Kan ’t spel weer beginne!—Laa’s zien, waar wazze me ook weer gebleve?... ’t Spant jou, hè? Vin je ’t schrikkelijk boeiend?... Maar wat d’r nou komt, daar is die hooge wereld en alles heelegaar uit, hoor ... Da’s me natuur weer, om zoo te zegge,—de natuurstaat van die misdadige menschheid, zoo gezeid; en daar valt niet veel boeiends an te beleve.
„’k Hè je toch al gezeid van die twee-en-twintig pakkies tebak?—Nou dan, dat heele kappitaaltje kon ’k zoo binnesmokkele, omdat ’k altijd ’n goed gedrag an de dag leg, zoowel in dat huis van bewaring as in ’t gróóte Huis. Daarom wordt ondergeteekede nooit gevisenteerd.—Dat pruimde ik dus, en deelde ’k netuurlijk onder de deke der liefde an mijn andere lotgenoote mee. Nou, nogal wiedas, die zagge mijn maar niet graag van de rechtbank terugroepe. A’k ’n groote eter geweest was, ha’k alle dag wel vijf porsies kenne krijge voor me tabak. Zóó dol is de gevange mensch daar toch op;—och jò, daar doen ze ’n moord voor.—Maar a’k pàs weer daar ben, dan eet en dan drink en dan slaap ik niet, alléén van dat smeulende dóórdenke.
„Nou, en toe’ in dat huis van bewaring werom na de uitspraak, toe kreeg ik nog ruzie ook met mijn staf, omdat zij net zoo goed twaalf jaar hadde, en ik eerst had gezeid, da’k alle gevolge op mijn nam. Op ’n dag zitte we daar weer same tabak te strippe—erg fniezerig werk, na je wel snapt—as de Markies de Touard mijn die oorzaak van zijn tweede val gaat verwijte, en dat ie nou z’n keel wel an de kapstok kon hange. En jawel hoor, die tweede educan valt mijn ook af, en na ’n heeleboel vijve en zesse rake me handgemeen,... knokke, man... och christeneziele! Maar die andere jonges hadde meelij met mijn en weerde hullie af... om die tabak. Toe komme die bewaarders binne, en vatte ons beet,—één loopt er pardoes met ze booschop bij de directeur an, en die zeit: „Kom jonges, jullie hebt ’t met z’n drieë in de vrijheid ommers altijd zoo goed kenne stelle,—waarom maak je nou ruzie?”—Maar jawel, hoor, medeen most ’n elkeen weer in z’n cel.—We hadde daar zoo netjes onder mekandere gezete;—’k had echt ’t sjegrijn in me lijf. Ja, gedurende de appèldage hadde ze me wel tien maal gevraagd, da’k nog geen uitsluitsel wou geve, om rede ik ’t daar zoo fijn na me zin had ... Maar toe’,—zukke roetgooiers!—’k denk: wat let mijn? en de laaste dag nog om vier uur teeken ik an ... Hadde zullie ’t smoor in, dat ze d’r eige inspres ankleeje moste voor dat parket!... En die volgende morge die cel uitgehaald, en weer met z’n drieë geboeid an mekaar—maar nou kwaad!—da’ we met zes veldwachters vervoerd wiere om dat hoogere beroep te gaan doen.
„Nou, en dan krijg je al dat gezeul en gemier van nieuws an. Zes uur porre, de noodige inwendige mensch versterke met 1480 deele melk en water benevens je kuggie. Kuggie mee om op te ete onder de reis na De Haag—mijn geliefde residentie, na je wel weet—maar nou: voor ’t Hof.
„Dat stompie roggebrood heb ik netuurlijk gauw an dat publiek cadeau gegeve. En zoo wier die stoet vertransporteerd: ik met me staf an mekaar, briggedier-victief en twee veldwachters, allegaar in de trein. Maar daar hawwe ’t goed. Want we mogge de boteramme van onze eerewacht opete, en die ware flink gemeubeleerd met ham; me krege segare te rooke en ’n kop van de alderfijnste koffie uit dat station Rosendaal,—viel niks op an te merke, petje af, èrg best transport. Al hè’k dan ook onder ’t rije van me vleugeladjudant de Markies nog ’n labberdoedas op me wang gehad, die ’k tot hede ten dage spijt heb ’m vanwege die opebare macht niet dubbel werom te hebbe kenne verkoope, zóó kwaad as die man op mijn was. Maar ook me andere had ziels met z’n eige te doen, want zij ware toch maar me knechs geweest en hadde niks opgelicht,—wat waarheid bevatte, uitgenome ’t drage van de milletaire kleere, wat ook om straf vraagt van de wet!
„En ajje dan ankomt in je residentieplaas, staat die equipage al op je te wachte, met koesier en twee palfreniers achterop,—de cellewage, vervloekte ijzere kast; allegaar amparte ’okkies, waar je ingeduwd wordt, ’n stank van dieve, zoo scherp dat je bijna stikt; en zoo’n kar rammelt, dat je denkt, dat je maag om zal draaie. Bè je dankbaar ajje op die binneplaas ontboeid wordt! En dan komt altijd die directeur medeen erg vrindelijk na mijn toe, en zeit: „Zoo Racier, ben je daar weer?” Waarop die briggedier ’t bewijs van zijn gevangene overlevert.
„Affijn, in De Haag wier toe’ die heele zaak weer uitgeploze, maar alles veel minder mooi en vertierig, en met maar veertien getuige erbij. En eindelijk voor dat hooge hof, eischte die zwartrok van ’n procureur-generaal,—waar ’k bij laat vloeie dat ’t geen kat is om zonder handschoene an te pakke en die de grooste hekel het an recidiviste—: bevestiging van de straf voor Racier en zijn staf.—’k Wil je best bekenne: toe’ zat ik in draf, en d’r ware twéé geneesheere noodig, om mijn weer bij me trimmetane te brenge, want ik was van me stokkie gevalle.—Maar eindelijk benne we allegaar tot niet meer dan vijf jaar veroordeeld, en door tusschekomst van de directeur ware we medeen al gescheië, zoodat zullie na Leeuwarde ginge en ik vroeg om me eigeste celletje werom in me vertrouwde Scheveninge!...
„Maar ’t eenige wat ik daar toe’ toch zoo schrikkelijk miste, dat was me slaatje.—O man, ik smachtte soms zóó om te pruime, da’k dat teertouw ging kouwe, dat ik uit zat te pluize. Dikkels genog hoor, kwam de directeur, en dan zei ’ie: „spoeg’s uit op je hand,” dat ie die touwvezels zag ...
„Nou moch’ ik daar, om me goeie gedrag, nog wel’s me celletje uit om dinge van zolder te hale, zooas cocos om te vlechte voor die mensche, en dan liep ik zoo maar as ’n vrij man onder die hanebalke rond ... Och Heere, wat mòch’ ik dat graag,—’k ruik nòg die scherpe touwlucht a’k er om denk.
„Maar nou op ’n keer ontmoet ik in die gang ’t dochtertje van de werkmeester. En ’k maak zoo’n lief praatje, toe zij zeit: „Ja, ze was tabak weze brenge an vader.” Dat wier me medeen of er ’n vlam opsloeg achter me ooge;—’k most me vasthouwe, zóó beroerd as mijn dat miek. Maar ’k laat netuurlijk niks merke, en dat meissie loopt deur, en ik sluip stiekem werom die trappe weer op. Want zie je, gestole heb ik nog nooit, maar tabak is as ’n suikerpot voor ’n kind. Dáár kan je niet afblijve. En och christeneziele, a’k die jekker van de werkmeester navoel, die d’r hong op de touw-zolder,—dan snap ik daar met ’n woord van waarachtig ...: ’n heel pond Friesche baai, da’k eerst nog dacht, dat z’n boteram was! En eer ’k ’t wist, ha’k ’t al weggepakt... Man, màn! da’ kan jij niet doorvoele wat dat voor ’n bajesklant is: tabak genog voor z’n hééle straftijd om van te pruime, a’ je ’t ’n beetje gochem angeleid het...
„Maar as de directeur in me cel kwam, dan vond ie niks as dat ééne slaatje soms in mijn mond. En dat ie niks von, dat gaf ’n heele opstand; wiere telkes invalle voor gedaan om mijn celletje na te speure,—ja, ’n paar maal hebbe ze me stroozak opegesnede... Hi, hi!—daar làg ’t niet.
„Nee man... Maar omda’k altijd zooveel hieuw van diere—bij mijn goeie gedrag—moch’ ik alle Zondags op zolder die twee katte van de opzichter gaan verzorge; en daar liete ze mijn onder de roos dan zoo’n heele middag vrij passegiere. Nou, je had er vanzelfs wel tralies voor die rame, maar je was er zoo hoog, en zoo kon je ’r heelegaar die schepies in zee zien, die mijn gedachte ver mee trokke. Hè, en ondergeteekende màg zoo graag reize... A’je me ’n riksdaalder geeft, zit ’k morge in Londe,—met die veeboot van Harlinge over, as drijver achter die schape an... Zie je, en dan die vrijende paartjes bespieë daar in die duine as ’t weer lente wier, en d’r zoo’n groene liefelijkheid kwam over dat zand ... Nou, en dan kreeg ik voor die poesies ’n bitje zoete melk mee, stukkies vleesch, wittebrood, maar dat vrat ’k netuurlijk zelvers allegaar op, want dan dacht ik: die lieve beesies worde tòch wel vet, en ik lust ’t graag, krijg ’t nooit...
„Ja, ’n Zòndagsche Zondage, hoor! Wàt had ’k ’t op die zolders toch best: vrijuit loope, lekkertjes schranse, en, och christeneziele noggetoe, die heele zak vol tabak, die ’k onder ’t touw en ’t cocos stiekem weggeborge had...”