← Table of contents
De zonderlinge avonturen van "Zijne Excellentie de Generaal"

Hoofdstuk XVI.

Reading edition

„Och ja”—zei de vagebond, nu meer op koel mededeelenden dan op beeldenden toon—„dat heeft toe’ twee en half jaar en drie dage geduurd ... Maar godallemàchies zoo’n ròl!—Zoo kan ik me hand twee en dertig maal verdraaië, en as die rechtbank d’r achter komp, dan zeg ’k dat ’t niet-en-waar is. O man, en allegaar zóó fijn geskreve, da’ j’t háást niet ken leze ...”

Ook stonden z’n h’s er nu weer allemaal in, want ’t was voorloopig erg nuchter en zakelijk:

„Zie je,”—vertelde hij—„want we ben daar toe’ nog ’n week of drie gebleve, na ’k bij ’t kappetaal ’n oplichterij had gedaan, groot ... vier duzend acht honderd gulde;—bij ’t hóóge kappetaal! An de schatrijkste lui ging ik weer de komplemente brenge van die familiebetrekkinge in Indië,—die ’k van me levensdage nooit had gezien. Daar stuurde ’k dan me beletkaartjes an en wier afgehaald of gong er zelf per rijtuig heen, wier d’r heerlijk onthaald, terwijl ik de inwendige mensch nakeek of daar voor mijn wat viel te plukke bij geval,—om rede mijn bankier uit was, en van zu’k soort smoesies meer. Dusdanig leende ik overal duzend of vijftienhonderd gulde en dempte daar die putte van drie-, vier-, vijfhonderd mee. Zoodat ik as eerlijk man groote oplichtinge miek om de kleine te dekke. Maar hôtels en kleermakers betaalde ik nóóit;—da’ was eenmaal Fransch en kon ondergeteekende zich dus niet an onttrekke ...

„Toe Middelburg af was gestroopt, trokke me dus na dat hotel Pays Bas in Utrecht,—met de éérste trein weg, in ’n éérste klas rijtuig, en daar er dan welderis andere passegiers inzitte, en ik in polletiek wel ’s niet vermomd was,—want da’s zwaar zoo’n pruik en baard—huurde ik voor mijn en me staf alleenig die hééle coupé effe af ... Nou en polletieke ha’k netuurlijk genog: op laast zeve, acht pakke, want wie vertrouwt er soms geen generaal?... Maar de kleermakers magge hierbij niet worde vermeld, om rede d’r nog in leve benne, die f 2500 op ondergeteekende’s krijt hebbe staan.

„Ook ka’ je zoo nagaan da’k bij me vertrek iedere bediende, van schoenpoeser tot kofferdrager af, ’n tientje gaf volgens die etiquette van de hoogste aristocraassie, en zoo wiere er voor mij vanzelfs diepe buiginge gemaakt in bijzijn van die verneuriede hotelhouwer ... An ’t station schonk ik me koesier effe ... vijf en twintig gulde fooi.—„La’ maar zitte.” Goeiegenade noggetoe, nogal niks!

„Netuurlijk kreeg ik in Pays Bas me appartement weer bove die poort met vijf kamers, en vijf kelners wiere angenome voor mijn alleenig, angezien die bollebof nog nooit eerste klas slapers had gekamerd. Waarop ik speksie miek in de kazerne van „de Veld” en ik orders gaf an de dienstdoende kappitein Jhr. O., om de andere dag die stukke in die Maliebaan te gaan zette, om rede ik zelf ’t commando uit wou voere.—Zeg?—nou! òf die ofciere in draf zatte, want ik zat op me schimmel, ree links en rechs met me educans, om te kijke of die kenonne in orde voor tijd van oorlog ware, en ’t was allegaar oudroest.—Wat een deining!—Toe vergezelde ik zelf die heele stoet na de kazerne werom, waarop kapitein Jhr. O. mijn na ’t hotel opgeleidde, waar me schilderhuis al sting en me wacht, en ik zoo maar de sierade van me borst afplukte, om kedo te doen an de ofciere d’r dames. En ik noodigde er verscheie uit van de veld en de mineurs bij mijn op ’n neutje ... sjampoepel, waar ’k op ’t moment nòg wel ’s effe zin an had ...

„Maar de zake mochte er niet onder lije, en vier dage later zat ’k alweer druk-op in me oplichterije. Zoo gauw ze uit Middelburg maande, seinde ’k: „Spectiereis, geduld”—werom ... Binne ’n groote zes weke ha’k ook hier me zestien miel geflescht ...

„To ’k twee dage voor ons vertrek ’s alleenig in Wageninge gong neuze, waar ’n boezemvrind uit Brussel van mijn was gevestigd, en ’k dus me staf achterliet. Maar die ami-intime van mijn had me verniggeld, zooda’k langs die straat loop, en ’n groentevrouw an die deur van ’n eerste klas villa hoor vrage an die mevrouw: „heb u nog als maar geen tijding uit Indië gehad?”—Wat ondergeteekende achter z’n oor knoopte.

‘’k Gong dus ’n herreberg in—’k wil zegge: zoo’n groot café-restaurant à la carte, en liet me ’n kejakkie brenge mèt de Figaro, en hieuw die inspres onderstbove, want ik zat bijna in donker.—„Ka je dat averechs leze meheer?”—zeit me dat frommes achter die tapkast. „Ik kan rechs en links leze dame, a’k mijn bril maar heb of gouwe lornjet.” Wat allegaar begonne was om kennismaking. Want: ik zoch iemand die d’r zoon as eerste-luitenant in Indië was. (Dat ha’k ommers van dat wijf an die groentewage gehoord.) Waarop zij zeit: „dan mot uwe zeve deure verder weze; daar het me man verleê week nog wijn gebracht, en toe’ het die mevrouw gezeid: ’t zou me wel duzend gulde waard zijn a’k maar tijding had.”—„Zóó”—zeg ik—„noodig uws man dan uit om haar edele effe mijn eksjellentie’s kaartje an te prizzeteere”. Waarop ik na Utrecht werom ging, want ik most volges die etiquette eerst uitgenoodigd worde door die medam.

„En jawel hoor, klokke vier en twintig uur later kwam die brief. Die hotelhouwer most zich daarvoor natuurlijk eerst in gala kleeje, om die mijn te brenge, en anders miek ’k ’n standje—want ’k zat juist te dineere... En me ete, da’s me heilige plicht voor ’t in stand houwe van die menschheid. Altijd, en nòg. A’k vreet kan ’k bevoorbeeld ook nooit geen pelisie vele. Buite ben ’k pakbaar—da’s volges de code civile. Maar a’k binne zit te bikke, dan kenne die klabakke eerst fesoendelijk d’r beurt afwachte,—to’k over die dake weg ben gespat. Wat jou?

„Recht is recht. En daar sting in die brief of z’n eksjellentie baron v. T. v. S. zoo goed wou weze na Wageninge bij die douairière over te komme, want ’t was ’r wel d’r rechterarm waard, om tijding van d’r geliefde kroost te hoore.—Je mot me maar niet ankijke, nou; a’k dat vertel begin ’k amper te huile.—In geen vijf jaar had ze geen letter vernome!...

„Da’s koffie”—zeg ’k tege me maats—„dan lawe medeen maar onze bagazie na Arnem in ’t Zwijnshoofd brenge”—want die hotelhouwer hier wou àls maar die afrekening na mijn standplaas in Haarlem sture, wat ik voorgaf niet te wille wete voor me vrouw, van wege die vertering, die ik miek op grooste schaal,—en stapte zelf af in Wageninge met me staf. Hier wiere we door de grooste heer van ’t gerecht gesalueerd.

„Te voet trokke we in optocht door die stad. Daar sting al ’n groot publiek in blije verwachting voor die deur en in de ronde. Lakeie in livrei hieuwe die orde en introduzeerde ons an mevrouw. Zij zat vergezeld met hare dochter—haar eenige troost die d’r nog overgebleve was,—en ontving ons allerminzaamst:

—Zijn eksjellentie, zou u mijn zoon nog herkenne in polletiek en in grand tenu?”—vroeg ze mijn, die doerak.—„Ik ben de almachtige God zoo dankbaar, dat de caféhouwer mijn meegedeeld heeft as dat er ’n generaal bij zijn geweest was, die weet had van mijn laaste kroost.”

—Mevrouw douairière, ’t is geen drie maande geleje dat ik nog met zijn edele uw zoon te paard heb gewandeld op Padang Pandjang ...”

—„Hier is mijn album”,—zeit zij toe’, waarmee ondergeteekende niet op ze gemak was, omrede hij de bewuste persoon natuurlijk nooit in de linke gehad had, en ’t album twee-en-tachetig differente fotografies bevatte van allegaar dames en heere in polletiek.—Waarop ik dat eerste blad opende. En daar spreker dezes ’n premier klas fisolemie-kenner is, en in de petrette van de mannelijke tak geen millitair voorkomen zag, vestigde ik mijn aandacht op dat vijfde blad en leesde ik in die fisolemie: dit is een krijgsmanshouding. Waarop ik antwoordde met groot lef: „da’s ie sprekend, maar as jonger”.

—Daaran het zijn eksjellentie gelijk”—zuchtte die édele weduwvrouwe met trane van geluk over d’r wange. En ik ’m vervolges zes, zeve keere in polletiek d’r uithaalde uit ’t zelfde fisolemie. Waarop ik mededeelde op dat oogeblik in benauwde omstandighede te verkeere, en niet durfde telegrafeere uit rede van de zenuwstaat van mijn vrouw de barones, die zij netuurlijk van anhuwelijking speciaal goed kon,—en of ze me altemet an geen f 1500 wou helpe.—„Volgaarne, eksjellentie”—zeit zij—„maar ’k hoef nooit ’n cent ervan weerom te hebbe, omrede uw familie daar te goed voor is, en uws dienst is met geen geld te betale.”—Zoodat ik toe’ diep geroerd beloofde an de menister van kolonië de bewuste gedetacheerde te late verhooge in die milletaire stand.

„Nou heb ik dus weer vijftienhonderd pop in me zak, en ’t benne allegaar oplichterije. Dus ik vertrek, en blijd da’k van dat wijf af ben,—’k had zitte knijpe.—In Arnem staan netuurlijk weer die twee schilderhuize met de noodige schildwachte op mijn te wachte, want dat was al overal bekend.—En ’t zelfde liedje. An de sergeant van ’t piket gevraagd waar die generaal woonde van de gele rijers; waarop zij allemaal in de pesisie stinge, niet voor mijn polletieke pakkie, maar voor me borst met ridderorders.—Andere dag met me staf te paard op bezoek bij me mede-generaal. En toe me educan daar anbelde, zou z’n eksjellentie juist ook te paard stijge, waarvoor die deur geopend wier door ’n heereknecht in ’t groen, met dito broek tot an ze kouse. Daaronder witte kouse met láge schoene stile Louis treize, alles na de hoogste etiquette voor zijn bewuste meester.

„Maar ik wou zien of hij zijn etiquette versting en bleef dus zitte. Hij bekeek mijn eerst en zei toe’: „U ben ’n persoon om kennis te make.” Nou legt die opvoeding van de dienst an mijn eige persoon. Waarop hij na achtere gaat, waar zijn paard sting met zijn ordonnans,—en ’t de weet van mijn is, waar ik rije mot op mijn paard, dat as in oorlogstijd uit ’n schimmel bestond. Maar mijn educans volge mijn op vijftien pas. En toe’ ik zag dat zijn ordonnans rechs van ’m reed, dee ik dat ook.—Ja, je mot geen knoopedraaier weze voor zoo’n rol!—„En z’n eksjellentie”—zeg ik—„u heb wellicht wel ’s meer met een generaal uit rije geweest?”—Hoe vin je ’m, die kneep van mijn? Ja, want ik wou netuurlijk Velp welleris zien omdat daar óók nog zoo’n schatrijke douairière met ’n zoon in Indië zat, die ik effe gauw op twee lappies van duzend had geschat.—En toe ginge we weer ventre à terre door Arnem terug tot zijn huis, waarop ik afsteeg, en mijn eerekaartje afgaf met de vraag of ik spectie over die gele rijers make moch’, wa’k er ... ja, krimmeneel bezonder heb afgebracht!—Maar da’s lèf, hoor,—met ’n echte generaal,—en geeneen gesjochte jonge doet ’t mijn na ... D’r is immers nog nóóit zoo’n rol gespeeld in ons land!

„Maar netuurlijk kan ik je niet al die oplichterije vertelle, want dat zou ’n roman worde, nog zeve maal dikker as de Bijbel ... en die drie maande in Arnem alleen heb ’k ’n duzend gulde of elf op de kop kanne tikke. Toe ben ’k effe na Utrecht gegaan om mijn hotel te betale,—’t eenigste wat ik in Nederland ooit betaald heb, en daarna heb ik incognito op gemeubeleerde kamers uit zitte blaze in De Haag, mijn geliefde residentieplaas. Dat kostte mijn daar, met me twee educans, an de Voorhout effe f 75 per week voor ameublement mèt pension—da’s de kost. Ik heb er netuurlijk ook wel enkelde slaggies geslage, maar die hadde nie’ veel te beduie: van één, twee, drie honderd gulde,—geen grand-tenu-somme; ka’ je zoo nagaan, want ik werkte daar in polletiek, omdat er veels te veel gouwe torre rondkroele in die stad, met van die ouwe gehaaide verraai-generaals.

„Toe trok me hart weer na Zeeland terug, met name in Goes. We zworve daar dat land in de ronde, en bij de rijkste leende ik wat ik kon leene, al ware ’t soms kleine kaptale, waarvan—ik bezweer je—’k nooit ’n cent terug heb betaald. En zoo kwamme we dan eindelijk in Berge op Zoom, die vuile ongeluksstad, waar je geeneens ’n 1e- of 2e-rangs logement had, zoodat we weer verplicht ware gestoffeerd te gaan wone, en hier trok ik alle dag met me staf in uniform door die strate, om dat wantrouwe niet op te wekke.

„Zoo loop ik, in polletiek, met me maats van Berge op ’n prachtige achtermiddag na Thole om te geniete van die natuur bij maanlicht,—waar ondergeteekende ’n speciale liefhebber van is,—as mij daar in ééne ’n beeldschoone dame in zwarte sluier tegekwam, en mijn enkel maar afvroeg: „Wat ben u gauw bevorderd, eksjellentie, u ben net zoo min generaal as ik kapiteinsvrouw”.—Waarop ik heel skrikkelijk verschoot, en mijn vleugeladjudant, de Markies de Touard, die lijende was an de vallende ziekte, van de schrik een toeval miek.

„En zij zweeft door na’ Berge op Zoom.—Waarop ik in ’t naastbijgelege café om hulp vroeg voor me educan op te knappe, en ’n half uur privé met me collega’s weze moch’, voor ’t geld dat ’t kostte, onder ’t nuttige van ’n dejeuner ... froid à la fourchette, bestaande uit brood, vleesch en koffie.

„Toe vroege die twee jonges an mijn: „Wat motte me nou beginne,—de kogel is door de kerk, en me benne verneuried?”

„Laat alles maar an mijn over”—zeg ik—„ik zal dat varke wel wassche.—Want in me jonge jare het die beeldschoone dame mijn haar liefde verklaard,—en daar het ze nou zeker ’n soort haat en nijd van gemaakt.”—

„Ja man, nou vertel ik je de fijnste roman uit dat verrajersleve van die vrouwelijke seksie. Want een vrouw in zwarte sluier had er mondelings kennis van gegeve an de commissaris van politie en an die kazerne. Maar de justitie dorst mijn niet te arresteere, en dee dat over an de milletaire macht om da’lijk de valsche generaal te onteere... Nie minder dan vier, vijf patrouilles defileerde er heen en weer door die stad: sergeant, kopperaal met acht man, of luitenant, ’n eerste, ’n tweede, à tour de ròle. Maar daar was ondergeteekende zich niet van bewust. Dus ik gong na Berge terug.

„Onder de weg ontmoet ik ’n wachtmeester van de huzare, die mijn speciaal kon. Hij komt na me toe en zeit: „meheer, je mag wel oppasse, want ze loope patroulle om je te vatte. En dat zou mijn spijte, want je rol is te mooi.”

„Daarop zijn we in dat koffiehuis de avond gaan zitte afwachte met verschillende consumsies. ’t Bitterste was dat in Berge die paarde nog stinge van me eige: ’k had f 675 voor mijn schimmel gegeve en voor die twee andere f 550,—van kleine oplichterije netuurlijk betaald. Zoodat ik in die herberg eerst me pruik en baard afdee, en werp in die sloot, met modder, gras en zand d’r over. Maar ’k zat met de gelde nog in de zak van me kamgare pak, èn beige demi. Dus denk ik: ’t eenige wat ik doen kan is die caféhouwer me heele rol te vertelle, waarop hij met me brief na’ de stal is gegaan, de huur het betaald, en die paarde na dat café late brenge ... Wat netuurlijkerwijs ’n flater van mijn was ... Ja, da’s de steek wat de spreker het late valle,—zooas ’t de beste breisters vaak overkomt.

„Vervolges heb ik me persoonlijk alleen vervoegd in ons kosthuis—sluipenderwijs langs-achter die tuin, waar ik snikkend an die kostjuffrouw vroeg: „Mevrouw, ik bid u uit de Netuur of u mijn wil bescherme?”—„As ’t me man goed is ...”, zeit zij.—„Uws man zal voor mijn geen oogeblik van ze vrijheid motte misse”.—Waarop die man miek: „Meheer, meheer, wat heb je nou uitgevoerd?”

„Ja”—zeg ik weer—„wie sta, zie toe dat hij niet valt.”

„Daar die mensche erg vroom ware, koesterde ze een diep meelije met mijn. Daarom heb ik hullie me kiste in late pakke met die adresse op me eige naam, bureau restant Anvers. Maar dat gèld nam ik er netuurlijk zèlf eerst uit: f 11.422 zonder dat zullie ’t zagge. En toe’ vroeg ik wat ik haar schuldig was.

„De cente, die u thans nog in je zak heb, zal je wel noodig hebbe om te ontkomme; daarom geve we je de penninge, dat je ons schuldig ben, in naam van Jezus Christus cadeau.—Zorg alleenig dat je uit de gevangenis blijft!”—Waarop ik huilende wegging en die vrouw omarmde ...

„Ja, want ik was óók niet heelegaar brandschoon, omrede ik onder de weg en in dat café, waar me educans maar wit-bestorve zatte te knijpe, tot hede drie-en-twintig kejakkies genome had, en maar niet dronke kon worde, zooas die zenuwe inwendig trokke. En in ’t bewuste koffiehuis hebbe me toe’ ook nog ’t een en ander verteerd, zoodat we wel rijtuige hoorde voorbijrije, maar niet wetede dat dat om òns was begonne. Waarop ik die koffiehuishouwer betaalde èn ’m voor ze weldaad honderd gulde wou geve. Maar nee—zei die edele man—„geef die dan maar an me dochtertje, die, as Katteliek zijnde, ’t andere jaar toch d’r eerste kemunie mot doen.” Zoo ginge me dus die plaas op, bestege onze gereedstaande rosse, en reje in ’t holst van de nacht die weg na Thole op.

„Die pont, die je daar heb, stakke we over te paard, en an de eerste tol, die dicht was—óók verraje werk—schreeuwde mijn eerste vleugeladjedant om de tolbaas ... toe daar p’rdoes vier heere met hooge hoeje uitspronge: de president van de rechtbank uit Zierikzee, met de substituut, de officier uit Middelburg, en een ander, die ik niet kon. Maar de eerste kwam na mijn toe, en: „Eksjellentie”—zeit ie—„stijgt van uws paard, want ik wou wel ’n paar woorde met je verwissele.” Waarop ondergeteekede, zooas je wel begrijpe kan, netuurlekerwijs wel lont rook, van ze paard af klom, dat vastgehouwe wier door ’n man met róóje baard, en me laaste bevele gaf an me staf. Toe zeit hij: „in naam des Konings zijt gij mijn arrestant, want ge zijt niet de baron v. T. v. S., maar Racier, de vroegere doofstomme marskramer,”—’t welk doende hij zijn rooje sjerp vertoonde an mijn.

„Nou—gedane zake neme geen keer, hè?—en achter dat tolhuissie stinge ’n antal van na mijn schatting wel 15 à 16 veldwachters, dus ik antwoordde nederig: „edelachtbare heere president èn rechters, ik ben geknipt en ’k zal volgaarne meegaan, maar om de nagedachtenis van me edele moeder smeek ik genadig of we ’t altemet niet zonder geleië van die heere veldwachters af zouwe magge, want—hoe diep ook gedaald zijnde as atheïst, het ’n mensch toch nog z’n schaamte en eergevoel”.—Waarop die officier zijn orders gaf dat die openbare macht kon verdwijne, en ik mèt me staf en van die justitie z’n tegenwoordigheid vereerd, in ’n rijtuig met twéé paarde ... na ’t huis van bewaring in Middelburg wier overgebracht ...”

Snikkend, met z’n zwerverskop schokkend in die lange dorre handen, kon Racier nog enkel maar uitbrengen: „... voor ’t eerst ... na twee en ’alf jaar ... en drie dage ... van de alder’oogste eerbewijzing ... zonder ... lakei ... op die bok ...!”

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings