Hoofdstuk XIII.
Reading edition
Fantastische zwerver, poovere Don Quichotte-figuur, zooals hij altijd nog maar waardig rechtop in de statie van zijn lange dallesdekker langs ’s Heeren wegen schooiert, van dorp naar stad, van stad naar dorp, moeizaam trekkend met zijn rechterbeen, waarvan de voet immers eens gekneusd werd onder die automobiel van ... „het groot-kappitaal!”
In de magere vingers van zijn glad-koude hand houdt hij nog steeds kleumig het bosje dunne, roode potlooden omklemd, dat hem voor opzending naar den Krentetuin moet bewaren. En door zijn altijd wat overspannen, rood-aangegloeiden kop draaien op zijn lange landlooperstochten de wonderlijke verbeeldingen voort als de eindelooze film in een bioscoop van louter prikkelende Sherlock Holmes-tafereelen, die zijn oogen doen glinsteren, en zijn ziekelijk dwepersgezicht in felle mimiek laten leven.
Mijn vriend Racier deelt zijn bestaan trouw voort tusschen de rust in de bajes en dan weer ’t vervolg van zijn oplichterijtjes,—zoo simpel in wezen van naïef bedrog, maar voor zijn eigen gloeiende fantasie zóó rijk aan Balzac-iaansche romantiek en intriges, waar hij zelf immers den wèl vaak belaagden, doch steeds overwinnenden held in speelt.—En over de humanitaire vorderingen van ons gevangeniswezen is hij niet zonder waardeering,—de gevangenisdoctoren prijst hij genegen om ’t halve pintje melk daags, ’t wittebrood, en de lange pauzes van rust door de broom in ’t vermoeiende spel zijner verbeelding. Waarna hij dan weer, wat aangedikt in de wangen, zich den rossen baard laat groeien tot den sik van Spaanschen grande,—een groote bloem in zijn knoopsgat koopt, en ’n pakje geurige sigaretten, om behagelijk de nieuwe vrijheid in te flaneeren door de mondaine stadsdrukte, die hem verlokt, de oogen wat pijnlijk geknepen tegen de in de cel ontwende zon, en telkens weer, zoo’n eersten dag, spiedende rondziend naar den armen bliksem, aan wien hij zijn „goede daad” zal wijden.—Want op den dag zèlf der bevrijding aan een grauwen hongerlijder ’n riksdaalder toestoppen van zijn poovere uitgaanskasje, en dan als een heilige in de volte spoorloos verdwijnen eer de andere zwerver zijn dank heeft gestameld,—dat behoort, mèt ’t in ondeelbaar kleine snippers scheuren van zijn ontslagbrief, tot de vaste ceremoniën, die eenmaal de mislukking moeten bezweren van Raciers laatsten groote-slag.
En als hij dan eindelijk, eindelijk ’t wondere ideaal zal hebben bereikt, en, onnoemelijk rijk, zijn paleis in Hyde Park bewoont, met harem èn renstal „au grand complet”,—dan wil hij mij ergens op de Veluwe een lief landhuis laten bouwen naar mijn zin, om mijn leven verder rustig aan ’t schrijven van zijn heldhaftige memoires te wijden.
Maar tot heden blijven dat chateaux en Espagne, al ben ik er in mijn diepst verholen wezen aan gaan gelooven, zooals hij zelf ’t zeker wéét. Met ’n ietwat bleeken zienersglimlach op zijn tòch verzorgde zwervers-tronie pleegt hij mij daaromtrent vrij geregeld, zoo omstreeks de influenza op ’t einde van ’t jaar, te komen geruststellen—als zijn vaste toer door het land en ’t wat wisselvalliger oponthoud aan de meer bedoelde stations hem al weer rond en in Rotterdam terug heeft geleid.
In die donkere dagen voor Kerstmis, als ’t buiten regent of mist, en de stad leeft in zoo’n vaal-groen onderwatersch licht, kijk ik telkens al uit, of ik den pooveren sire nog niet langs mijn huis zie waren. Maar of zijn sjofele figuur zich oplost in de naargeestigheid van ’t weer,—’t is mij nog nooit gelukt hem te verkennen vóór ik onverhoeds, met een aanraking, die mij telkens tòch opnieuw een rilling over den rug geeft, zijn hand op mijn schouder voel kloppen, en zijn dor-schorre stem hoor zeggen: „Zoo vrind, ’n zalig uiteinde,—want vrede op aarde komt niet uit mijn atheïstische strot.”
„Racier!”—tracht ik dan zoo blij mogelijk verrast hem te verwelkomen. En even lachend wisselen we telkens weer dienzelfden blik van verstandhouding,—die nu eenmaal ’n stilzwijgende vraag beduidt van mijn kant, en zijn bemoedigend antwoord: „nee hoor, géén onrein. ’k Heb inspres m’n laaste maffie besteed an ’n bad mèt zeep, en om me hoofd kaal te knippe, dat je me met ’n vrij gewete binne kan late ... ’k Zou liever me rechter hand opvrete, dan dat jij, al was ’t maar zóó’n kleinigheid, von’ ’a’k strakkies weer weg been ... de Natuur weet waarheen.”
Zijn Kerstgaaf aan mij is ’t verhaal van zijn láátste—z’n „slag”, zóó mooi, zóó effetief, als ie er van z’n leven nog géén heeft geslagen. Terwijl hij dan ouder gewoonte, wat nadrukkelijker strompelend, mijn kamer rondmonstert of ik er wat nieuws heb bijgekregen of verhangen aan den wand, maakt hij de gebruikelijke plichtplegingen, steeds uiterst vleiend en hoofsch voor mijzelf en de leden van mijn gezin. Inmiddels zie ik zijn boven ’t verweerde gezicht onder de fameuse kleppet zoo blank bewaarde hooge voorhoofd bedenkelijk aanrooden, zijn lampjes gaan glimmen, zijn gestalte zich fierder rechten, tot hij eindelijk zelf een leunstoel aanrolt bij den open haard, zich behagelijk handenwrijvend vastschurkt in de veering, z’n gammele extremiteit wurmt uit de verloopen schoen, en zoo op ’t randje voor ’t vuur te koesteren zet, dat de damp weldra walmt uit ’t troebel verband....
Zijn kop ligt nu vertrouwd tegen den zachten stoelerug aan, de rossige puntbaard in den vorm gestreeld onderuit; twee zwakke blosjes gloeien op de glimmende jukbeenknobbels boven z’n zwakjes ingevallen wangen en reeds weiden zijn opgetogen oogen verder en verder weg in den verbeeldingsdroom van zijn „slag”. Tot hij de groote lijnen der intrige verkend heeft, en ’t nu alles duidelijk ziet daar in de vlammen van ’t vuur, ’t waarachtig echt doorleeft, wat zijn woorden voor mij realiseeren als bloedwarme werkelijkheid, waarin hij zelf heilig gelooft.
„Heb ik je ’t sterven van Mama al verteld?”—leidt zijn diepe grafstem in. „Och nee, ’t is ook waar,—jou leve en mijn leve,—d’r ligt een wèreld van misère tussche.—Van misère en verdoemenis. Zèg, je rookt ’n ander merk sigarette, maar de lucht is niet slecht, al ben ze erg zwaar ... ’t Is geen affront hè, a’k ’m maar weggooit,—’k wor er in ééne dronke van ... Misschien is ’t ook van de herinnering an háár dood, da’k me nou zoo draaïerig voel ... ’t Was me eenige, al had ik haar na de Commune niet meer gezien ... Me ziel en me gewete, omda’k as atheïst niet zegge wil: me God ... ’k Laat nooit ’n steek valle; wat ’k ben, ben ’k stijf ... Dat kan de wereld juist niet verknoerste van ’n armoedzaaier zooals ik ... Wou ik buige, wou ik kniele,—’k reed met de vier ... Van ’t voorjaar nog op dat rijke buite bij Velp ... die beeldschoone maagd, die gravin ... Maar ’k sting in eene op uit ’r omarming, schud me los, en roep: „edelvrouwe, gij drukt de baarlijke duivel an uw teedere boezem,—mijn tong sterft af, werp ik uit as ’t verdorde lid, zoodra ik maar ’t eerste woord bid ...”
„En toen?”
„Toe?—zien je die winkelhaak in me broek? ’n frommes op logement het’m nog zoo zedig voor me gestopt ... Maar dat hebbe háár honde gedaan, de hellehonde, die die barones toe eigenhandig op mijn los het gelate .... ’k Ben d’r trosch op,—wat let me, as je’n domenee was tornde ik die nade zoo, rits rits weer los, en dan zei ik: „Hier sta ik, godsloochenaar met de flarde van ’t ongeloof langs me beene, as de tropeeën van de martelare ... Want, ja, man, zoo ben ik ... Of ken je mijn altemet nog niet?
„Na mama’s dood kreeg ik d’r overschot;—’n kappitaal van zès duzend gulde! Wat ’n zonde, hoor ’k je denke. Ja, vrind, dat heb ’k jou wel gezeid,—vóór we an ’t end benne zal je pas wete wat Racier ’n groote misdadiger is... Maar ’k kan er niks an doen, ’t is me opgeleid, tusschenbeije kan ’k er zóó baloorig van loope over de weg, dat alle meziek er bij mijn uit is en ik ’t hemelsch firmament beschouwt als ’n vuil beddelake vol vlooiepikke, met verlof ... Da’s ’t sjagrijn, nee en drinke doen ’k niet meer.
„Maar nou mot je hoore. Met die zes duzend gulde op zak was ondergeteekende na Haarlem vertrokke om de omstreke van Bloemedaal te bezichtige. Daar ontmoette ik de tweede groote rol voor mijn slag: de Markies de Touard, net persoon, groot van stuk, en met ’n prachtig voorkome ... beneves geletterd,—gelètterd... tot in de toppe van z’n teene! ’t Was in een geheelonthouders-zaak van ’t socialisme. Daar vroeg iemand ies an de kastelein,—’n Armeniër was ’t en ik vertaalde dat voor ’m. Toen zeit de Markies: „meneer, u ken meer as leze en schrijve;—ik ook”.
„Daar de Markies arm was en an lager wal—néé, als edelman zijnde heeft hij mijn nooit zijn geheime verteld—vroeg hij an mijn: „zelle we same geen rol uitvoere?”—„Nou”—zeg ik—„dat kenne we van de week wel ’s zien, want rolle-bestudeere is geen dagelijksch werk.”—Daarop benne we same gaan loogeere in een eersterang hôtel en ik betaalde voor zijn.
„Daar ondergeteekende alle dage de dagblade lees ... in alle vreemde tale, en ook wel eens een adresboek raadpleeg,—merk ik uit het Vaderland op dat een generaal, welks naam ik verzwijg, uit Indië terug is gekomme en gevestigd te Haarlem, an de Schouteweg. Toe’ antwoord ik ’s morges bij mijn ontwake an de Markies de Touard: „ik heb ’t gevonde, maar we motte er nog een man bij hebbe.” Ik bedoelde netuurlijk me eige door te late gaan as bedoelde generaal: generaal-inspecteur, op reis met z’n staf, want naar ik erbij had geleze was hij met groot-verloftijd van drie jaar in Nederland, maar most immediatement weges familie-omstandighede na Amerika ...
„Die rol ging ik toe an ’t bestudeere; en na me eige idees zat daar geld in. ’k Zeg tege de Markies: we gaan terug na De Haag voor die ’k hebbe mot, want die rol zal me same spele. ’t Kost drie weke studie,—en eerst mot de echte generaal Nederland uit. Toe heb ik de Markies dus netjes angekleed en an ’t bewuste adres late informeere, waarop die lakei antwoordde: de generaal was daags tevore per scheepsgelegenheid vertrokke uit Rotterdam, en dan per spoor verder na Grand Rapids Bizoean ...
„Dus ik speelde de rol, en zullie ware me knechs.—Nou begin ik dat stuk: Daar ondergeteekende speciaal bekend is met de dienst van soldaat tot generaal, en zijn staf twee gesjochte jonges ware, moest ik die eerst dresseere. Na zeve dage had ik de derde persoon in De Haag gevonde: een man van anleg, maar met die dienst niet op de hoogte. Hij was een Italiaansche boekhouwer, die een val had gedaan en twaalf jaar in Leeuwarde doorgebracht had,—o, dat geeft niks, in de gevangenis zit de grooste geest. Heb je ooit wat uit te voere, zoek dan ’n recidivist en hij volbrengt ’t!
„Ik vond ’m in de Lange Nieuwstraat,—’n temijezaak, ’t „café Anna”. Ja, da’s bargoensch. Ondergeteekende spreekt nege tale, èn de dievetaal. Hij was groot van postuur, en ijzer-sterk. Maar de Markies ging alleenig binne, om rede de generaal z’n eige nooit met geen vrouwe inlaat,—en ik erge kwetsie met die madam Anna gehad had. Dus vroeg de Markies haar verlof om die klant de deur uit te sleepe, en dat ’t haar geen windeiere legge zou. Nou, dit alles geschiedde onder ’n toilet dat wij vermomd ware, ik, en de Markies as mijn cavalier,—dus die dame, niet anders dan een meisje van plezier zijnde, gaf da’lijk toe ... Nee, nie waar, dat most allemaal gebeure buite de deur, want alle mure hebbe oore. Waarop wij gonge na ’t Haagsche bosch, een heel end weg voorbij de societeit, om, gebruik makende van de natuur, met z’n drieë onder de bloote hemel te beprate wat er an de hand was.
„Hij hiette ... Ferdinand van Haamsberg, maar ik had ’m van Brakelen van Brandenburg getituleerd, wat de naam was van de adjudant van de generaal. En al ’n end op de Leische weg zeit ie: „as ik er geen kwaad bij kan, gaan ik mee, al was ’t na Londen.”—Nou, dàt was ’n span, want de Markies had met de ouwe wet óók zes jaar en acht maande gehad—zes pond en acht ons, onder ons, gesjochte jonges—in ’t detensiehuis in Hoorn, voor diefstal met braak en poging tot moord: ’n lid eerste klas, dus. Máár ... in z’n doen en late ’n chevalier ... d’industrie!
„De volgende middag al zitte we in Amsterdam in die fijne dames-zaak op ’t Rokin, ’t Groene Huis, Maison Verte, met z’n twee en twintige an tafel in een bonte rij, om an mijn adjudante die etiquette te leere, en de omgang met de edelvrouwe in zij en satijn, gepoeierd èn gedecolleteerd, en hoe ze die als d’r cavaliers bediene motte, dat ze later, as ik an die grootelui’s tafels wier genood, geen flater zouwe make, door bevoorbeeld maar toe te taste na wat die gravinne en freules zoo bloot an d’r buurlui late zien. En we hebbe ’t daar vol gehouwe,—àcht dage lang van ’s morgens tot ’s avens. ... Maar as d’r dan weer een z’n poote uitstak, of met z’n jatte at uit die schale, of z’n lijfelijke rommeling niet bedwong,—floep, dan kreeg ie ’n lik, pardoes in z’n ponum. Want ik was de baas, hè? ’k Had de kaptale, en ... tucht bovenal. Ja, dat het wat ’n cente gekost, zal jij denke. Nou, zoo merakel veel niet, want ’t was geen maison eerste klas. En overdag ging ik met me staf na de manege om ze paard te leere rije, en na vier dage les galloppeerde we zoo same al ventre à terre door de stad. Nou, en ik had netuurlijk in Indië bij de cavelerie gelege, en later jare bar veel gereje toe ’k in Parijs nog boekhouwer bij Rothschild was ...
„Zie zoo, dacht ik, die staf van mijn, nou kenne ze de dames-bediening óók,—en op de goeiekoopste manier, want ik betaalde er enkel ’t ete maar, wees d’rlui hoe ze d’r vorke moste vasthouwe, en as ze vroege uit welke rede, dan zei ik waarom.
„Toe’ ben me van Amsterdam na ’s-Gravenhage, onze residensieplaas, terug gereisd, want daar haal ik nou eenmaal altijd mijn geest vandaan, en studeerde ik precies ’t model van hoe die generaals uitgemonsterd benne, die je daar bij bossies ziet rondloope met d’r bijpassende officiere. Nou, Haagsche kleermakers ben nooit te vertrouwe, waarop mijn logementbaas zei: „gaat ’s in Gorrekum neuze.”
„Zoo gezeid, zoo gedaan. Die kleermaker daar vraag ’k onder vier ooge te spreke, waarop hij zijn vrouw met acht kindere laat verwijdere, en mij afvraagt: „a’k er geen kwaad bij kan, wil ’k je wel helpe, want jij speelt ’n valsche rol. Denk er dus om, want na je ziet zit ik hier met ’n k’nijnehok vol, en is de negende alweer op de komst.”—„Wees gerust”—zeg ik—„alles wat ik doen, dat is in ’n geslote graf”,—en meteen geef ’k hem vierhonderd gulde, omdat ie ook maar ’n arme donder is, en dat ie ’t lake kon koope, waarop ie direct mijn de maat nam.
„Ik koos dus een generaalspak van: dolman, rijbroek èn twee pantalons met bijpassende kaplaarze. Maar voor de garniture, de gouwe kraag en de vangsnoere ging ik werom na de Haag, èn voor de rooje bieze in de pantalon. Me pet met breeje gouwe rand kocht ik in een andere winkel, mèt me hoed met pluime voor grand tenu en dito voor me twee collega’s. Maar an me ridderordes en Kraton-medalje, me expeditiekruize met twee gepse had ik veel moeite, want die ware momenteel in geen een winkel voorhande. Daar werd ik an geholpe door tusschekomst van ’n vierde persoon, in Rotterdam.... Me kruis van de Militaire Willemsorde mèt kroontje heb ik voor f 8.75 van een gesjochte ridder gekocht, na hem mijn geheim onder vier ooge te hebbe onthuld. En de rest van me dure borst dee’ ik hier en daar op, me eereteeke van Tonkin bij ’n eerste luit’nt, me eereteeke van 1881 met de Eikekroon bij ’n tweede...
„Toe was alles present,—en na twaalf dage was ook de kleeremaker klaar. Maar die had netuurlijk geen spiegel, die bij eerste-klasse tailleurs anwezig is, want die is wel zoo groot van de zolder tot de vloer met dito vis-a-vis voor ’t bekijke van achtere. Zooeen heb ik er toe’ late hale en voor hem betaald, waarop we ’n paar uur moste wachte. Maar toe deje we vast onze vermomminge an uit Parijs: Mijn grijze baard met dito pruik à la Napolitaine—van dat lange polkahaar, weet je? Me eerste-luitenant, de Markies, ’n zwarte ringbaard, op z’n Engelsch weg, maar van z’n eige, want die was natuur. En me tweede-luitenant ’n dito baard op z’n Engelsch, maar in ’t blond, óók afkomstig van de kapper van ’t Théâtre français in Parijs. Daarvoor nam een coiffeur hier eerst de maat. Dit alles kostte kappitale van geld.
„Wij kleedde daarop onze politieke pakkies uit. Vier en twintig uur van te vore had ik drie nieuwe koffers an late komme, en daar werde die ingedaan met onze bijpassende pantalon en betiens, die we niet noodig hadde ... En de generaal met zijn staf kleedde zich an, bekeke zich rechsomkeerd, en ’t zat model .... As ’t nou maar goed uitloopt! Ik voor m’n eige ben wel nooit benauwd. En as er geen verraad in ’t spel komt, zal ik de rol ten ende make.
„Toe ’k bel, komt de kleermaker binne, slaat an voor zijn eksjellentie, wenscht hem veel geluk met zijn rol, en daarop worde die kiste dicht gedaan. Eigehandig zet ik daar ’t adres op van Z. Exc. baron van T. v. S., generaal-inspecteur van het Nederlansch-Indische leger, met zijn staf. Onze bediende brenge die na ’t spoor.
„Nog ’n uur blijve we bij die kleeremaker, omdat ik daar dejeuneer met me staf—’t was voor de eerste maal same in uniform, mèt me vermomming. Waarop ik ’n telegram schreef an de Ouwe Doele te Middelburg om plaats voor de generaal en gevolg. Vijf en dertig menute daarna kwam ’t antwoord, dat onze vereerde ankomst hoogst angenaam was.
„Tot hiertoe had de dressage van me adjudante, mèt die uniforme mijn rond f 4900 gekost. Daarop stapte we de deur uit, en omdat er in Gorrekum geen militaire legge, werde we door tusschekomst van de burgemeester en de politie in alle eer na ’t station gebracht.
„Da’s de eerste pessage. Nou komt de tweede, de moeilijkste, waarbij ik erg zenewachtig wier; maar me knechs bleve normaal, want die steunde op mijn capaciteite...”