← Table of contents
De zonderlinge avonturen van "Zijne Excellentie de Generaal"

Hoofdstuk V.

Reading edition

Inmiddels was ’t schilderij afgekomen en Racier weer in zijn gedalleste wereldje verdoold. Maar mijn herinnering aan den Don Quichottigen schooier bleek heel sterk, zóó, dat toen ik tijden later in Amsterdam familiaar werd aangefloten en niemand minder dan den hoogmoedigen zwerver wenkend achter mij zag—de eerste schrik aanstonds oversloeg in een onbedwingbaren lach.

Maar hij nam ’t me niet kwalijk. Fier stond hij hoog boven mij uit, de lange kerel in den zwier van z’n verschooierde plunje. De trouwe dallesdekker, afgelegde ulster, die hij eens alsof ’t een koningsmantel was, gracelijk van mij had aanvaard, hing nog altijd te wijd van z’n schouders af, en eenigszins opzichtig hield hij daaronderuit de fluweelen broek om z’n magere beenen te kijk. Zijn fanatieke gezicht was overschaduwd door den neergeslagen rand van een slap vilthoedje, dat ik ook nog wel meende te herkennen. Maar z’n rossige puntbaard was afgeschoren in de gevangenis, waar hij, naar ik later vernam, weer kortelings ontslagen was, na er opnieuw een oplichterijtje te hebben uitgezeten.

„Nou”—zei ie wijsgeerig gelaten—„as je straks klaar ben met lache ... Zie je, jij meent ’t nie’ kwaad, en je ben geen verrajer ... As je ’n gesjochte jonge an de galg wou helpe kon je anders je testament ook wel make ... Hoe gaat ’t overigens met de kunstschilder, me kameraad? Al nie veel beter vak om alle dag van te ete dan boef, hè, die kunst? Maar zoo gedallest as ik ben ... niet om ’t een of ’t andere, hoor, want leene doe ’k nooit van ’n ami-intime ... ’t Eenigste is, as je knap angekleed ben krijg je nog wel ’n goeie revolver, maar ons schorem geve ze ’n ding dat niet afgaat ... As je mijn maar begrijpt ...”

Nu ben ik uit den aard van mijn connecties niet wat men noemt „groosch”. Maar, eerlijk gezegd, vond ik Racier, zooals die er nu uitzag, toch wel ’n èrg opzichtigen schooier voor een vertrouwelijk gesprek, staande in de pantoffelparade midden op de Leidschestraat. Want we hadden natuurlijk dadelijk een belangstellend publiekje om ons heen gekregen, en op een paar pas afstand had zich ook reeds een dienstijverige diender gepoot, wat aan de ontmoeting min of meer het intieme karakter benam. Dus stelde ik Racier voor om wat op te kuieren en zoo argeloos mogelijk leidde ik hem toen de eerste de beste dwarsstraat mee in, waar hij mij weldra in een gezelligen schaftkelder de eer van een hartig maal wilde aandoen. Want de kerel zag er schrikkelijk verhongerd uit. En toen, in die voldane na-den-eten-stemming, is zijn verbeelding weer aanstonds vaardig geworden, en heeft hij mij de stoutste variaties op zijn sjofele leven verder zitten vóórfantaseeren tot eigen oprechte ontroering.

Hij was nu heel week, de stumperige held, al hadden we heusch niets dan stikke-koffie gedronken. „As je me hart door kon snije”—zei hij met bevende lippen—„zou je zien hoe edel ’t is. En ik zweer je, wáár ik tot me dood toe ook ben in de wereld: in Londen, Parijs of Monaco ... of weer in de lik!... jij krijgt me correspondentie. Me mama en papa zijn tòch ommers dood. En wat mijn zwager voor een cadet is, za ’k je late leze”...

Toen morrelde hij uit een versleten zakportefeuille met veel vergeelde paperassen twee brieven te voorschijn ... „Mot je op je gemak bij gaan zitte, en je verstand bij gebruike.”

Ik las halfluid, en hij luisterde gretig mee:

„Zwager Racier in de gevangenis te X.

„Vernemend, dat ge alweer waart, waar ge als man van Jaren niet meer had moeten komen, deed mij geen plijzier. Ge weet wie ik ben, en jij kunt toch nooit niet zeggen: Charles heeft mij slechte raad gegeven. Daar ik je al van jongeling zijnde heb leeren kennen. Gij waart toen 18 Jaren oud, dus circa 38 Jaar geleden. Waar is de tijd na toe gevlogen wanneer wij zoo eens evetjes achter ons zien, is het maar een schim. Wij hebben allen onze weg gegaan. Zoo we het beste dachten, naar ons eigen goeddunken, gij de uwe, ik de mijne, veel ondervonden, voor en tegenspoed, elk op zijne weg.

„Het doet mij leed dat ik niet mag schrijven op het adres zooals het zou moeten zijn, maar het is niet anders, en zoo ik verder verneem uit uw schrijven zijt ge het einde nabij ...”

„Wat?”—viel ik uit—„ben je zoo ziek geweest, Racier?”

Heel even kwam een rose blosje in z’n wangen op. Toen beheerschte hij zich weer, en zei: „Zoo sterk as ’n peerd, man!... Nou, hoe vin je die rol?”

„Had je dan aan je zwager geschreven, dat je ziek was?”

„Natuurlijk wel, toe ’k me verveelde, en wel ’s graag een lettre intime wou ontvangen ... Lees nou maar voort ...”

„... en zoo ik verder verneem uit uw schrijven, zijt ge het einde nabij, en hebt ge u met God verzoend ...”

„Wàààt?... En je was zoo’n verstokt atheïst?”

„Nogal glad, hè ... Toe de domenee bij mijn wou komme in me cel, heb ik ’m er met dat driepikkertje, dat krukkie, weer uitgetimmerd. Maar de natuur, die anbid ik, en as ’t dondert en bliksemt ga ik ’t liefst over me koekoek hange om uit te kijke ... Hoe vin je nou die rol, da ’k allemaal an me zwager had geschreve?”

„... zijt ge het einde nabij, en hebt ge u met God verzoend, ik hoop en wensch dat ge ditmaal de waarheid schrijft, en nu zoudt ge u ook met ons willen verzoenen, ik weet niet wat ge daarmee bedoelt of zeggen wil. Wij uwe zuster en ik hebbe nooit eenige haat tegen je gekoesterd, als alleenlijk dat dat wij altijd op afstand moesten houden, omdat ge het er naar maakte, is het zoo niet? Dat is het eenige uitsluitsel wat wij tegenover uw gemaakt hebben, voor zoover als wij weten, anders hebben wij ons niet te verontschuldigen en nu in de hoop dat gij het tijdelijke met het eeuwige denkt te gaan verwisselen, wenschen wij uw niets meer of niets minder, dat je de oogen in vrede mag sluiten, en aan moogt zitten gelijk de moordenaar aan ’t kruis op Golgotha aan de Regterhand van Hem, die geeft en neemt naar Zijn eeuwig welbehagen. Dit zij onze laatste bede voor uw, zuchtende ongelukkige van dit wereldrond. Van uwe nog tot heden toe liefhebbende zwager en zuster Charles en Marie.”

Toen ik opkeek zag ik Racier voorovergebogen zitten; dikke tranen gleden langs zijn bleeke gezicht.

„Is het toch niet diep treurig”—snikte hij ineens uit—„dat ’n mensch zoo van de eene misdaad in de andere valt, en in ’t spinhuis lag te sterve, zonder vader of moeder?... Op me bloote knieë heb ik gelege voor God’s troon, en met opgeheve arme gebede: Heere vergeef ’t hem ...!” Maar toen zag hij mijn verbaasde gezicht en verbouwereerd brak hij af: „Jij bent óók link .... Jij denkt: daar laat ie ’n steek valle, die verstokte atheïst ... Zie je, ’k vergeet telkens dat wij vrinde zijn, en da ’k voor jou niet me mooiste hoef voor te doen ... Lees nou maar verder, want er staat nog meer in: over me nà-latenschap ...”

Inderdaad, in een post-scriptum heette ’t onder meer:

„Ge hebt ook gevraagd, waar het adres van uw nicht Dora is, voor het erfdeel. Ik zal dit opgeven, maar heb vooreerst daar nog iets over te zeggen, en dat is dit dat Dora niet je eenigste Nicht is, er zijn er nog, heb je daar nog wel eens over nagedacht dat de andere neven en nichten even na zijn, en je anders Jalousie verwekt, dat moogt ge ook niet doen. En nu Basta hier over, en nu wij hebben je nooit kwaad gewild, dat het gelukkig zou zijn dat je bij den Heer zou zijn.”

„Lees maar voort”—viel de vagebond aanstonds in, om geen verderen uitleg te hoeven geven—„lees maar eerst voort, dien tweeden brief, en zeg me dan hoe ie is, die rol met me zwager?”—

„Zwager Jors!

„Uw laatste schrijven heb ik en de mijne in gezondheid ontvange, en daarmede vernome, als dat ge weer in de ziekenzaal ligt, zooals ge zegt, en met een bloedspuwing en daarbij een dubbele breuk, dus Jors, zijt ge nu voor altijd, als dat waar is, zoo lang ge nog te leve hebt, een man die niet veel meer in de pot te brokkelen hebt, wanneer je nog eens op vrije voeten moogt komen, want dan hebt ge geen krachten meer zooals een gewoon mensch die niets mankeert, want alles is dadelijk boven uwe magt. Ik schrijf dit zoo om rede ik weet met wie ik te doen heb, omdat ge me altijd schrijft dat ge zoo weinig schrijven van ons ontvangt, en ge al de brieven, die ik u toegezonden heb, altijd heb ontvangen. Dit weet ik van den Heer Directeur, die mij, nadat ik hem geschreven had, mij ten antwoord gaf, dat ge niet op sterven lag maar zeer gezond was, wat nu ook wel het geval zal zijn, en altijd uwe brieven gehad heeft. Maar ge begrijpt toch ook zeer goed, dat ik op al de flauwe praatjes, die er in uw schrijven voortkomen, geen antwoord op kan geven, daar het mij in ’t geheel niet raakt, en ik nog zoo nu en dan de pen eens op neem om je te antwoorden. Je eigen broer laat zelfs niets van zich hooren. En dat Dora niet antwoord over de erfenis, die voor haar is, begrijp ik; die moet alles gestopt houden voor man en kinders, want die worden ook al groot vergeet dat niet. En dan nog zoo het een en ander ook over den predikant, die uw komt bezoeken, zooals ge zegt, en u veel troost in sterven geeft, en dat die gezegd heeft, dat hij op 40 jaren Predikant te zijn, nog nooit zulke hartvochtige menschen had ontmoet als wij door niet altijd te antwoorden. Maar hebt ge ook wel aan dien Eerwaarde al verteld, wat ge in die 38 jaar die ik u ken, al uitgevoerd hebt ten nadeele uwer overledene ouders en te meer nog uwer Moeder. Maar ik geloof dat de Predikant niet beter weet of ge zijt nog maar voor de eerste keer daar en dan kan ik aannemen dat hij alzoo spreekt en nu Basta hierover. En wil je me nu nog schrijven dat is goed maar verwacht niet meer dan 2 per jaar, die ik dan zal beantwoorden. Dat is correspondentie genoeg tusschen ons en u, dan weet ge toch zoo nu en dan hoe het ons gesteld is en wij weten dan meteen dat Jors nog leeft ja of Neen en waar hij zich bevind. En eindig nu na uw ook vast een goed jaar 1908 te hebben toegewenscht. Van geluk zal ik maar niet spreken, en wensch uw niets anders dan een goed jaar in de omstandigheden waarin ge u bevindt en teeken mij nu als altijd na groete van je zuster als ook van mijn

„Uw zwager Charles en Marie.”

Maar Racier liet geen tijd om verder over die brieven te praten. Zenuwachtig joeg ie door met allerlei verwarde verhalen:

„Zoo generaal, hoe gaat ’t met ’t leven?” had gisteren immers nog een van de grootste inbrekers ’m aangeklampt. „Zaggies an”—had ie geantwoord—„maar bang nog niet voor de duivel.”—„Mot je driemaal tikke”—had die ander gezeid. En zoo had ie ’m ’t adres opgegeven van de dievensociëteit. „Hoef jij niet te zoeke”—keek de vagebond mij aan met dédain—„want dat vind je nooit as ordentelijk mensch. Toch kan je d’r dag en nacht van voren en van achteren in. Drie maal tikke. Vraagt zoo’n portier: „Kom jij pas uit de bajes, da’k jou nog nie kan?” Laat ik effe drie ontslagbrieve zien. Drie trappe af, loopt ’t zoo deur onder de grond en van ’s avonds tot ’s morgens komt ’t volk er binnen, zoowel van die vrouwen, die op de baan loope, as manne, die met de vijf ons kanne werke.

„De waardin is ’n weduwsvrouw, met een paar bootwerkers an de hand. Die zegt tegen mijn: „Wat ben jij voor ’n vent?” „’n Middelburger”—antwoord ik droog, en zij begrijpt mijn. Maar meteen vraag ik: „Zeg vrouw, wat kost hier dat slape?”—„’n Maffie. Maar mot jij niet ete?”—„Ete”—zeg ik—„da’s werk voor ’t groote kappitaal.”—„Nou maar”—zeit zij—„dat gáát hier zoo niet; d’r mag hier niemand zonder ete na bed!”—„En ’t lood dan?”—„Komt morge terecht; je durft toch ook wel ’n vinkie te lichte?”—Mot je zoo’n ouwe gepensionneerde hebbe as ik.

„Zie je, as je maar mee kan prate in een elk z’n taal en z’n zede, dan ben je in zu’k gezelschap ook gauw genog in. En as je nou lef heb, dan leg je twee kwartjes op tafel, en zeg je: „nou, mensch, da’s nou me heele kappitaal, zal me maar opmake same”... Zegge zij: da’s een toffe sjlemiel ...

„Je mot je immers in alle kringe kanne bewege! Zet mijn met een amazone te paard, of bij de duurste dames van dat vermaak an de tafel ... table d’hôte à prix fixe, vin de champagne demi-sec y compris ... en m’n aard van huis uit as zijnde le chevalier de Racier zal da’lijk weer bove komme. Maar daar raak je de teere snaar van wijle Papa en Mama, en ’t ouderlijk ’uis chez nous à Paris, da’k nog altijd die „hache” niet uit kan spreke ... Want we woonde immers Boulevard des Italiens, quatre vingt dix, en as kind al speelde ik achter die Bastille ...

„La’ me die bolleboffin nou nog ’n kom zweet commedeere, dan za ’k je dat allegaar haarfijn vertelle ...”

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings