← Table of contents
De zonderlinge avonturen van "Zijne Excellentie de Generaal"

Hoofdstuk VI.

Reading edition

En de vagebond vertelde met die schor-verschooiërde stem:

„Het huis an de Boulevard des Italiens numéro quat’ vingt dix, waar papa en mama woonde met mijn, had natuurlijk zeve verdiepinge. Rez-de-chaussée woonde een coiffeur pour dames ... de premier ordre; op de tweede étage le président général van de Banque ... eh ... de l’Europe, en op de derde woonde papa. Je begrijpt, zoo’n huis van zeve verdiepinge, heelemaal van ’t duurste blauwe hardsteen gebouwd, met ... marmel ingeleid èn graniet, en alles ... satijnhout van binne, dat was papa en mama te hol om alleenig in te wone, en dus voor de gezelligheid nam ze daar die andere amis bij in: le coiffeur-en-chef, le président supérieur, en al die verdere vrinden van de hoogste aristocratie van papa ... Zoo wàs mon père noble!

„Ik ga tòch nog ’s kijke in Parijs of dat ouderhuis er nog staat, waar mijn dierbaarste kinderjare in zijn verslete ... Maar dan gaan ik vermomd, want as ik er kom, word ik opgepakt, en daar ben ik te dom voor. Zoodra ik om reisgeld telegrafeer, heb ik ’t netuurlijk meteen. Na’ Londòn óók, maar dan neem ’k me route over Harlinge met de koeieboot, om op ’t vee te passe, want dan bè je voor ... vijf en twintig stuivers over ...”

„En hoe vermom je je dan, Racier?”—kwam ik ’m in ’t gevlei.

„Wel, dan gaan ik eerst na onze residentieplaas, het vorstelijk ’s Gravenhage—daar haal ik altijd mijn geest vandaan—en kijk precies na ’t model van die generaals, die je daar uitgemonsterd ziet rondloope. Zoo heb ik daar direct de maat van, en koop me een dolman, rijbroek èn twee pantalons, beneves de kaplaarze. Om geen argwaan te koestere, doen ik die inkoope te ... Leischendam. Maar de garniture en goude kraag met passende vangsnoere koop ik in de Haag, alsmede de roode bieze voor in de pantalon. Natuurlijk gaan ’k in een ander magasin royal voor die pet met breede goude rand en een hoed met pluim voor grand tenu. Met de ridderordes en Kraton-medaille, expeditiekruize met twéé gepse, zal ik netuurlijk veel moeite hebbe, maar daar word ik an geholpe door tusschekomst van een vierde persoon te ... Rotterdam.”

„Natuurlijk!—Maar vertel nu eens eerst verder van je kinderjaren in ’t ouderlijk huis ...”

„Dat was netuurlijk allemaal speciaal eerste klas gemeubileerd ... alles rood fluweel ... couleur de rose, met een vleugelpiano, want papa was de grooste liefhebber van de muziek, ameublement d’acajou, gróóte canapé en de duurste schilderije van De Ruyter ...”

„De Ruyter?”

„Ja, waar verleê jaar immers nog al die feeste voor benne gevierd, toen ik in de lik zat;—daar had papa ... laa’s zien, drie in ’t salon, en drie in de huiskamer, en twee in de spreekkamer, en in de slaapkamers, de rookkamers, de salle à manger ...”

„De badkamer?”

„Zjuust, en, om kort te gaan, in alle compartimente had papa natuurlijk die schilderije late ophange van ... hoe heet die knul nou ook weer dat ze zonge? ’k Kon er die nachte in me cel nie eens van slape ... De Ruyter, De Ruyter-kilekile?—Lammeling, om ’n arme gevangene nog wakker te houwe ...”

„Racier—nou ben je toch leelijk aan ’t warren. Bedoel je misschien ... Rembrandt?”

„Kilekile!! ’t Was om stapelgek van te worde,”—vloog ie rood-aangeschoten op—„want ’k sliep tòch zoo beroerd, en net effe was je dan ingedommeld, of je schrok al weer wakker van dat getreiter ... En dan netuurlijk aldoor droome van pa’s schilderije, waar die De Ruy ..., Rembrandt-kile, wil ’k zegge, de schoonste vrouwe op had uitgeschilderd. Want die Vrouwe ben natuurlijk de hoogste natuur; voor mijn ook ... Heb ik van kind af respect voor gehad. Net as papa. Die hieuw kolossaal van mama ...

„Mama was vanzelfs een ... Spaansche, beeldschoon, en in ’t hôtel de Belvédère, waar zij rees met haar familie en dat bediende-personeel, had papa haar gezien. Sting immédiatement in vuur en vlam, en twee jaar daarna heeft ie ma geschaakt ... uit Madrid. Zij was ommers Roomsch, en hij van ’t protestansche gloof. Maar behalve de Heilige Maagd, ging dat best same. En wij, me broer en me zuster en ik, wiere geloovig opgevoed, van bidde voor en na ’t ete, met ’t Onze Vader, en as we na bed ginge, wij kinderen, altijd ’n Wees gegroetje op z’n Fransch.

„Maar op school, in me kinderjare, was ik ’n ondeugende bliksem, ’k Voerde bar veel kattekwaad uit, en as ’k een dooie hond ving, bond ik ’m subbiet ’n touwtje om z’n nek en hing ’m an de bel bij de meester.

„Daarom most ik van school. En toe’ zei papa: „die jonge van mijn zal ’k late studeere”, wat ik ook deed tot me achttiende jaar in de rechte ... van ’t Chineesche rijk! Maar daardoor wier ik natuurlijk niet langer kerksch.—Nee, da’ begrijp je, want die boeke brachte mijn op een dwaalspoor. Toch heb ik mij nooit afgegeve met vreemde meisies, of ook soms Koning Alcohol gediend. Want ’s avonds zat ik altijd in de Opera, voor huit sous, omda’ ’k zoo’n gróót demecraat was, en as ’k thuis kwam om 12 uur lagge papa en mama al ter ruste, zoodat mijn geachte ouders hiervan nooit niks hadden bespeurd.

„Toch had ik daar netuurlijk in die Chineesche rechte verders geen zin, door de zwendelderij die ik in de wereld had ontmoet, en ben ’k heengegaan uit de academie na ’t kantoor van ... Rothschild.

„Toe kwam ommers die Fransch-Duitsche oorlog. Nou, papa die kapitein van de garde nationale de Paris was, trok meteen z’n pakkie as kaptein uit en bedankte, want die zag ook de zwendelderij en wou z’n eige niet late omkoope as moordenaar, hoe ’n erge tegenstander ie ook was van Duitschland. Maar edel boven al.

„Daarom hebbe papa en ik same natuurlijk Napoléon op de vlucht gejaagd, en daar heb ik nooit spijt van gehad ... Nee, waarachtig niet! Zoo’n doerak.

„Voor die grappemakerij van de Commune vergaderde wijlie as samenzweerder op allerlei plaasse van de Rue St. Honoré, Rue Valmi, Rue St. Laurent, en bij papa. ’t Ware 82 mannen en 14 vrouwen. En die de lont angestoke heeft bij de Tour Vendôme, was een zekere Sandant, later gewichtewerker, same met zijn ami intime Rollin, „Hercule du monde”. Teminste: dat leert de geschiedenis zoo, maar die wete natuurlijk niet dat ik die Rollin was, hercule du monde,—zal je later beter verstaan.

„’t Gebeurde, zooals je weet oppe ... 13 September ’68! Toen kwame wij tussche tiene en elve op de Place de la Bastille same; ik stong naast pa en tusschen 1 en 2 hebbe ze ’m de lucht in geblaze ... Jò, wat ’n knal. Da’ was vuurwerk! En ’k wou dat alle millionnairs met die rot-automobiele van de wereld d’r in hadde gezete. Want daar heb ’k toch zóó ’t smoor an, dat ’k er niet van ken slape!... En ’k hing! Om kort te gaan, nou most ik op de vlucht. Weg van mijn dierbare ouders en uit mijn geliefde vaderstad Parijs, want ’t uur der wrake was geslage. Waar papa toe’ gevloge is, heb ik nooit an de weet kenne komme, maar mama met me zuster Elizabeth zijn alleen thuis gebleve.

„Wij gingen te voet over St. Denis na Brussel. Sandant as gewichtewerker, waar ie an de honderdponders voor was geholpe, maar in andere kleere die zijn vrouw hem immédiatement had meegegeve, en ikke als Rollin, hercule du monde. De eerste nacht sliepe we al bij een boer, diep in ’t veld, onder de bloote hemel; daar stuurde ma mijn die passende vrouwekleere na, met de boôschap, da ’k nou ook me baard af most schere. Toe was ik 22 jare oud en had 50 frank op zak. We reze ook nog in de trein, maar te voet ginge we over de Belgische grenze, anders ware we natuurlijk gesignaleerd.

„Mot je goed verstaan. Me hart trok na Holland, na Sluis as je weet, om rede ik daar in ’t jaar 1877 was gebore, toen me ouwelui een rondreis maakte na Oostende, en mama in Sluis de kraam van mijn uit ging legge. Maar daarna namme ze mijn netuurlijk as echtelijk kind zijnde,—bébé juridique—mee na Parijs.

„Van daar dat ’t bloed weer na Zeeland trok, en ik netuurlijk die Hollansche taal ook met de moedermelk had ingezoge. Ik liep dus van Antwerpe over Oude God na Breda. Toe sprak ik nog. Maar in Dordt ware me cente op, en nog altijd ter spraak, heb ik voor ’t eerst van me leve op koste van de politie geslape in ’t Logement de Drie Krone in de Wijnstraat. Die commissaris had dus medelije met mijn, en gaf me een kaartje voor de boot na Middelburg. Op die overtocht dacht ik: „as ik me stom houw, zal ik willicht de liefdadigheid opwekke van de mensche.” Dus ik bestudeer die eerste rol, en in de Winterstraat op ’t hoekie van ’t Waaigat in dat logement van Tazelaar, voorheen Van Zwijneren, hieuw ondergeteekende zich of hij niet kon spreke. Toe zeit die vrouw: „Je mot mejelij hebbe met zoo’n man, want hij kan spreke nòch verstaan. Leg die man bove as alle mensche in bed legge, in die krip onder ’t raam.” Dat gebeurt. Maar in die linksche be’stee sliep me aanstaande vrou, Carline Borin. Daar krijg ik kennis an, hoewel ik geen geluid gaf. „Wat zal God nou geve?”—zeit zij nog. Maar ’t was vlak bove de be’stee van vrouw Tazelaar. Die hoort dat, en zeit midde in de nacht tege mijn: „nou mot je eruit.” Ik klee me an, en schrijf op me leitje: „Waar zij gaat, gaan ik mee.” „Pas op”—zeit vrouw Tazelaar—„want die meid denkt zeker dat jij geld heb.” „Nee”—zeit Carline—„ik zal zoolang jij stom en doof blijft die kost voor jou verdiene, want je ben een knap manspersoon ... al most ik ook an de huize anbelle ...”

„Nou, ’k ben vier jaar met Carline geweest, want ze was ’n beeldschoone vrouw, maar dat mensch het nooit me stem gehoord. As doofstomme trok ik met haar langs de weg om eerlijk ons brood te verdiene: marchant ambulant ... Ze heeft me vier zone geschonke!”

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings