Vijftiende tooneel.
H. C. (Hendrik Clemens) Muller translation
Dezelfden.
Paphlagoniër.
Aan mijn meesteres, godinne Atheen, die de stad wil schermen en schutten,
Bid ik thans, zoowaar als ik steeds voor het volk, den doorluchtigen staat der Atheners,
765D’allerbeste geweest ben na Lysikles en Kynna en Salabakcho,
Dat ik steeds, al doe ik ook niets, toch op staatskosten zal worden gespijzigd.
Doch als ik u haat, en in uw belang niet alleen zal treden in ’t strijdperk,
Dan ga ik spoedig in stukken gezaagd of in riemen gesneden te gronde!
Worstverkooper.
En ik, o Volk, als ik jou niet bemin, niet liefheb, moge gesneden,
770En in kleine stukjes gebraden zijn—doch wanneer die wensch niet genoeg is,
(hij houdt zijn worstplank in de hoogte)
Dan moog ik in pap fijn worden geschaafd, met kaas, hier op deze worstplank,
En met een haak bij de beenen gesleept in de voorstad worden begraven.
Paphlagoniër.
Hoe zou er toch ooit één burger bestaan die het Volk meer liefheeft dan ik doe?
Die ten eerste, als lid van den raad, heb gemaakt dat uw kas voortdurend gevuld was,
775Want in het publiek—ik vroeg het den een—ik bestal en ik worgde den ander,
Geen particulier was veilig bij mij, deed ik maar het Volk een pleiziertje.
Worstverkooper.
Dat’s heelemaal niet ongewoon, o Volk! want ik doe terstond u hetzelfde.
Ik steel u de brooden uit andermans huis, en zet die voor u als een maaltijd,
Dat die schurk van hierover u niet liefheeft, dat zal ik vóór alles u toonen.
780Tenzij dáárom alleen hij het doet, omdat hij zich warmt aan uw koolvuur.
Gij Volk! die met Mediërs eens hebt gestreên, die bij Marathon voor uw bestaan vocht,
U, die na den zege ons steeds hebt gewend aan machtige woorden en grootspraak,
Om ù geeft hij niets, dat gij daar zoo ruw en zoo hard neerzit op de rotsen,
Niet als ik heeft hij een matras u genaaid. Dien breng ik u: rijs in de hoogte,
785Zit lekker, en koester het achterdeel, dat bij Salamis véél heeft geleden!
(Hij legt een matras onder hem)
Volk.
Wie zijt gij o mensch? stamt gij soms af van den grooten tirannenvermoorder?
Dat is nu in waarheid een edel geschenk, metterdaad toont gij u een volksvriend.
Paphlagoniër.
Wat zijt gij op eens welwillend gestemd door zulk een gering vleierijtje!
Worstverkooper.
Veel geringer nog is het lokaas geweest, waar gij hem steeds mee gestreeld hebt!
Paphlagoniër.
790Nooit is er een man verschenen op aard, o Volk, die u flinker beschermde,
Of die u meer liefhad dan ik—is ’t niet zoo, ja, ja, ik verwed er mijn hoofd om.
Worstverkooper.
Jij houdt van het volk, die al acht jaar lang geen meelij toont en het aanziet,
Hoe het hier in de buurt armzalig woont, in hutten en krotten en nesten?
Jij plukt alle menschen, en sluit ze maar op; toen Archeptolemos aankwam
795Om vrede te brengen, dreeft gij hem weg, en gij jaagt alle gezanten
Met schande en smaad uit Athene voort, als zij wapenstilstand verzoeken.
Paphlagoniër.
Opdat gij over alle Hellenen heerscht!—Want ’t staat in orakels geschreven,
Dat hij eens in Arkadië rechter zal zijn.... voor vijf obolen salaris,
Als hij volhoudt.... daarom is het dan ook dat ik hem zal kweeken en voeden,
800Dat ik hem zal verschaffen, ’t zij recht of ’t zij krom, zijn drie obolen salaris.
Worstverkooper.
Dat het Volk in Arkadië heerschen zou, was je doel niet, maar je beoogde
Van de steden te plukken zooveel als je kon, zoodat het volk ondertusschen
Door oorlog en duistere neevlen verblind, al je slechtheid niet zoude bemerken,
Maar gedreven door nood en behoefte aan loon steeds gapend tegen je opzag!
805Als deze zich weder begeeft naar het land, als hij vreedzaam daar wil vertoeven,
En moed zal hervatten bij ’t eten van gort, en het sap van druiven weer aanspreekt,
Dan zal hij de weldaden zien, waarvan gij met uw soldij hem beroofd hebt,
En hij komt als een boertje verbitterd terug, om zijn stem tegen ù uit te brengen.
Dat weet gij, en daarom bedriegt gij uw heer, en gij snoeft en gij droomt van uzelven!
Paphlagoniër.
810Is het niet onbeschaamd dat ge dàt van mij zegt, en dat ge mij telkens belastert
Bij het volk der Atheners, en bij dien staat, dien ik zoo herhaaldelijk weldeed,
Mij, die nog meer dan Themistokles voor de stad in ’t bijzonder gedaan heb?
Worstverkooper.
„Stad van Argos, luister naar diens verhaal!”—met Themistokles durft gij u meten?
Met hem, die de stad schatrijk heeft gemaakt, die hij trof in behoeftigen toestand?
815Die de stad daarenboven, bij wijs van ontbijt, den Piraeus aanbood als kluifje,
En aan versche visschen haar smullen deed, wijl hij niets van de oude haar afnam?
Maar gij, die door uw geheele gedoe kleinburgerlijk maakt de Atheners,
Door murengebouw en orakelgezang—met Themistokles durft gij u meten!
Hij—werd verbannen uit onze stad—Jij—smult van warme kadetjes!
Paphlagoniër.
820Is dat niet vreeselijk, meester Volk, dat ik zoo iets van hem moet hooren,
Ik die u bemin?
Volk.
Ik die u bemin? Houd jij maar op en verveel mij niet met je kletspraat
Lang was ’t mij ontgaan en nu bijna weer, hoe jij altijd de kat knijpt in ’t donker.
Worstverkooper.
Hij is een vervloekeling, Volkjelief, en zijn euveldaân zijn ontelbaar!
Zoodra gij slaapt, plukt hij expres
825De lekkerste stengels uit een proces,
En slikt die door, met beide hand
Staat hij te lepelen de soep van ’t land.
Paphlagoniër.
Jij zal niet lachen, wanneer ik bewijs
Dat je vijf talenten stal als prijs!
Worstverkooper.
830Wat plas je door en flodder je toch,
Jij, die door je listen en je bedrog
Het Atheensche volk weet te honen?
Geloof maar dat ’k aan kan toonen,
Of bij de goden! ik leef niet meer,
Dat j’ uit Mytilene keer op keer,
Door omkooperij van velen
835Meer dan veertig mina’s dorst stelen!
Koor.
(tot den worstverkooper)
O gij, die als een steun en stut
Voor allen zijt verschenen,
’k Bewonder van uw taal de fut,
En als gij verder ons beschut,
Zult gij de grootste zijn in nut
Voor ’t volkje der Hellenen!
840Gij zult weldra in stad en land
Alleen ’t bewind gaan voeren,
Neptuin gelijk, zet fluks uw tand
De bondgenooten naar uw hand,
Geld zult gij slaan uit iedren stand
Door schudden en door roeren!
Aanvoerder van het koor.
Laat hem geen oogenblik met rust; hij heeft vat op zich gegeven,
Met zulke longen in je lijf, kan je hem zijn vet wel geven!