Negende tooneel.
H. C. (Hendrik Clemens) Muller translation
Dezelfden.
Paphlagoniër.
Mij zult ge, bij Poseidon, nooit in driestheid overwinnen,
410Of ik zal geen vergaadring meer met offerdienst beginnen!
Worstverkooper.
En ik zweer bij de oorvijgen, die ik als jongen talrijk
Gekregen heb, en bij het mes waar ’k mee kan bekkesnijden,
Dat ik het van je winnen zal, want anders was ik zeker,
Met hondebrokken opgevoed, zoo’n kerel niet geworden!
Paphlagoniër.
415Met hondebrokken opgevoed? Ik draag hier al sinds tijen
Den eernaam Hondsvot, en durf jij een hondsvot gaan bestrijen?
Worstverkooper.
Ik ben een boef van d’ echte soort, als jongen al een boefje,
Want toen heb ik de slagers al bestolen met een foefje:
„Kijk, zie je daar die zwaluw niet? ’t wordt lente, boerenkinkel!”
420Riep ik, en keken zij, dan stal ik ’t vleesch hun uit den winkel.
Tweede Slaaf.
Jij bent een handig brokje vleesch, en wijs en onverschrokken,
Als d’ander slâ in ’t voorjaar eet, steel jij de voorjaarsbrokken!
Worstverkooper.
Dat deed ik meestal ongemerkt, maar snapten mij die heeren,
Dan ging ik, in elkaar gehurkt, bij hoog en laag aan ’t zweeren;
425Zoodat, toen eens een spreker zag, hoe ik ze had bedrogen,
Hij uitriep: „Kijk, die jongen wordt nog eens bij ’t volk een hooge!”
Tweede Slaaf.
Dat heeft hij drommels goed voorspeld, en ’t was dan ook geen wonder,
Je was meineedige en een dief, en ’t vleesch zat in je donder!
Paphlagoniër.
Ik leer je d’ onbeschaamdheid af, eerst jou en dan den ander,
430Ik stort te voorschijn als een groot en schitterend tegenstander,
En ’k zal de aarde en de zee ondersteboven keeren!
Worstverkooper.
En ik haal eerst mijn worsten in, die jij zou kuljoneeren,
En daarna vaar ik tegen je uit en zal je mores leeren.
Tweede Slaaf.
Wanneer je scheepje lek mocht gaan, zal ik op ’t ruim wel passen!
Paphlagoniër.
435Geloof jij dat je ongestraft, bij Demeter! vijf talenten
Van d’arme Atheners stelen kunt?
Tweede Slaaf.
Pas op en vier je schoot wat!
Hij blaast als de noordoostenwind! Straks regent het processen.
Worstverkooper.
Jij hebt uit Potidaea tien talenten vast gestolen!
Paphlagoniër.
Wat zou dat? aas jij soms op één, om dan je mond te houen?
Tweede Slaaf
(tot den Paphlagoniër).
440Hij stak er graag één in zijn zak.
(tot den worsthandelaar)
Hij stak er graag één in zijn zak. Laat schieten maar je touwen!
De eerste storm is nu bedaard!
Paphlagoniër.
Jij gaat met een vierdubbel proces
Van honderd talenten op de flesch.
Worstverkooper.
Als deserteur krijg je twintig er bij,
En duizend wegens oplichterij!
Paphlagoniër.
445Jij bent gesproten uit een geslacht,
Dat door de goden is veracht!
Worstverkooper.
Jouw grootvader liep hier in ’t land
Gewapend achter ’n dwingeland!
Paphlagoniër.
Mijn grootvaâr? van wien stam ik af?
Worstverkooper.
Van vrouwendienaars, laag en laf!
Want ik weet zeker dat hij was
In dienst van de vrouw van Hippias,
Haar naam? herinner ik mij wel,
Die klonk zoo iets als „juffrouw Vel.”
Paphlagoniër.
450Je bent een schelm.
Worstverkooper.
Je bent een schurk.
Tweede Slaaf.
Sla flink er op.
Paphlagoniër
(
schreeuwende
).
Mijn arme kop,
’k Val in een samenzweerdersstrop!
Tweede Slaaf.
Je ranselt hem aan allen kant,
Met darmen en met ingewand,
Zoodat het kraakt en knettert,
455Zóó wordt het best een vent gestraft,
Die altijd schreeuwt en schettert!
Aanvoerder van het koor.
O allerdapperste stuk vleesch, o held der heldenscharen,
Voor ons en voor geheel den staat de redder in gevaren,
Wat heb je mooi, met mannentaal en flink, dien man verslagen,
460Hoe kan mijn vreugd genoegzaam van uw eer en roem gewagen?