Achttiende tooneel.
H. C. (Hendrik Clemens) Muller translation
Volk, Paphlagoniër, Worstverkooper, Koor.
Paphlagoniër
(
met orakelrollen
).
Kijk nu ereis hier! en ’k breng ze nog niet allemaal.
Worstverkooper
(met een nog grooter pak)
Ik word er wee van! en ik breng ze niet allemaal.
Volk.
Wat is dat?
Paphlagoniër.
Wat is dat? Orakels!
Volk.
Wat is dat? Orakels! Zijn dat z’alle?
Paphlagoniër.
Wat is dat? Orakels! Zijn dat z’alle? Wat vraag je toch?
1000Ik heb, bij Zeus, nog thuis een heele kist er van.
Worstverkooper.
En ik heb nog twee huurhuizen en een zolder vol.
Volk.
Laat kijken, van wie zouden deze orakels zijn?
Paphlagoniër.
De mijne zijn van Bakis.
Volk.
De mijne zijn van Bakis. En de uwe, van wie?
Worstverkooper.
Van Glanis, die een oudere broêr van Bakis was.
Volk.
1005Wat staat er in?
Paphlagoniër.
Wat staat er in? Ze handlen van Pylos, van Atheen,
Van u, van mij, ja over alles en nog veel meer.
Volk.
En die van u?
Worstverkooper.
En die van u? O, over Athene en linzenbrei,
Over de Spartanen, over een nieuwe makreelensoort,
Over de valsche broodafwegers op de markt,
1010Over jou, over mij—verrekken mag die kerel daar!
Volk.
Komaan, leest allebei nu je orakels op,
Ook dat over mij, waarin ik zoo’n behagen schep,
Dat ik „een aadlaar in de wolken” worden zal.
Paphlagoniër.
Zoo luister en verleen mij een aandachtig oor.
1015„Zoon van Erechtheus, let op den weg van uw woord, dat Apollo
„Riep uit het duistere hol, omsloten door eervollen drievoet,
„Red mij den hond, zoo beval hij, met snijdende tanden gewapend,
„Die vóór u met dreigenden muil en verschrikkelijk buldrend
„Loon aan u geeft, en zoodra hij dat niet doet gaat hij te gronde.
1020„Want uit haat tegen hem hoort men vele raven al krassen.”
Volk.
Wat dat beteekent vat ik, bij Demeter, niet.
Wat heeft Erechtheus met een hond en een raaf te doen?
Paphlagoniër.
Ik ben de hond, want ik ben degeen die voor u blaft.
Apol beveelt u mij te redden, mij, den hond.
Worstverkooper.
1025Niet dàt zegt het orakel, maar wèl dat de hond
Aan uwe orakels knabbelt als aan tarwemeel,
In mijn orakels staat het rechte over dien hond.
Volk.
Leg dat eens uit, ik neem een steen vast in mijn hand,
Als somtijds die orakelhond mij bijten wil.
Worstverkooper.
1030„Zoon van Erechtheus, let op hond Kerberos, zielenverkooper,
„Die u vleit met zijn staart, en die u beloert bij uw maaltijd,
„Die, zoodra gij kijkt op zij, terstond al uw eten verorbert.
„Die op de wijze der honden maar altijd staat voor de keuken,
„En die des nachts alle schotels en ook alle—eilanden aflikt.”
Volk.
1035Die Glanis spreekt, bij Poseidon, een veel beter taal.
Paphlagoniër.
Hoor eerst, mijn beste, wat ìk heb, en oordeel dan:
„Daar is een vrouw, die een leeuw zal baren in ’t heilig Athene,
„Die tot heil van het volk met vele muggen zal vechten.
„En zijn welpen beschut. Dien leeuw moet gij u bewaren,
1040„Binnen uw muren van hout en binnen uw torens van ijzer.”
Begrijpt gij dit?
Volk.
Begrijpt gij dit? Ik snap er niets van, bij Apol.
Paphlagoniër.
De god beveelt u duidelijk dat gij mij redt,
Want ik ben toch de leeuw die u beschermen moet.
Volk.
Je bent eer een Tegenleeuw, als ik je zoo noemen mag.
Worstverkooper.
1045Opzettelijk verzwijgt hij één ding van de spreuk,
Met ijzer heeft hij den muur bedoeld, en boeien ook,
Waardoor Apollo uwe redding mooglijk acht.
Volk.
Hoe heeft de godheid dat bedoeld?
Worstverkooper.
Hoe heeft de godheid dat bedoeld? Hij geeft bevel
Dat gij hem in vijfdubbele boeien binden zult.
Volk.
1050Het schijnt mij toe dat dit orakel wordt vervuld.
„Doe niet zijn wil, want nijdig bekrassen u donkere raven,
„Maar houd den havik te vriend, indachtig hoe hij u eenmaal
„Redde, nadat hij met moed de Lakonische raafjes gepakt had.”
Worstverkooper
(
ter zijde
).
’t Was in een brooddronken bui dat de Paphlagoniër held was!
(hardop)
1055„Kekrops’ spruit, onbezonnen, acht gij die daad zoo gewichtig?
„Zelfs eene vrouw draagt een last, zoodra als de man het haar oplegt,
„Maar gaan vechten, dat nooit! Zij raakt in de Vecht met haar vechten.”
Paphlagoniër.
Hoor dat orakel ook eens, waar van Poort voor de Poort zoo iets inkomt,
„Daar is een Poort voor de Poort.”
Volk.
„Daar is een Poort voor de Poort.” Voor de Poort? wat zou dat beteekenen?
Worstverkooper.
1060Dat hij de kuipen in het badhuis stelen zal.
Volk.
Zoodat ’k vandaag geen bad kan nemen, beste vriend?
Worstverkooper.
Ja zeker! want die kerel pakte de kuipen weg.
Nog is er één orakel, waarin voorkomt van
De zeevaart—let nauwkeurig op, wat dàt ons zegt.
Volk.
1065Lees op, ik luister, en ik zal ook zorgen dat
Vóór alles aan mijn zeelui ’t loon wordt uitgekeerd.
Worstverkooper.
„Zoon van Aegeus, pas op dat u niet verschalke die hondsvot,
„Gluiperig, snel als de wind, en slim als een vos en ervaren.”
Weet jij wie dàt is?
Volk.
Weet jij wie dàt is? O, de hondsvot Philóstratos.
Worstverkooper.
1070Dàt zegt hij niet, maar wèl dat Kléon telkens vraagt
Om schepen, waar hij belastingen mee innen kan,
En Apol verbiedt dat gij die voortaan geven zult.
Volk.
Wordt met een hondsvot ook wel eens een schip bedoeld?
Worstverkooper.
Jawel, want honden en ook schepen loopen snel.
Volk.
1075Maar waarom spreekt hij ook van „vos” behalve „hond?”
Worstverkooper.
Hier worden met „vosjes” de soldaten wis bedoeld,
Omdat ze druiven knabblen in ’t vijandlijk land.
Volk.
Goed!
Goed! Maar zeg mij eens, hoe komen die vossen aan hun loon?
Worstverkooper.
Daar zorg ik voor, drie dagen vooruit geef ik hun vast.
1080Hoor dit orakel nog aan: „Apoll” beveelt u Cyllene
„Streng te vermijden, opdat het u niet door list moge vangen.”
Volk.
Wat voor Cyllene?
Worstverkooper.
Wat voor Cyllene? Hier wordt vast z’n hand bedoeld,
„Stil leenen” meent hij, als hij stil z’n hand ophoudt.
Paphlagoniër.
Dat is niet juist, want met Cyllene bedoelde Apollo
1085Zeker de lamme hand van den wichelaar Diopeithes.
Maar ook ik heb een spreuk, een gevleugeld woord, voor u bij mij,
Dat gij een adelaar wordt, en geheel onze aard zult beheerschen.
Worstverkooper.
Ik heb nog meer: ook de Roode Zee, niet alleen onze aarde,
Dat gij tot in Ecbatana recht zult spreken en smullen.
Paphlagoniër.
1090Maar ik zag in mijn droom dat de godheid zelf was verschenen,
En met een schenkkan over het volk heil strooide en welvaart.
Worstverkooper.
Ik zag meer in mijn droom, want ik zag godinne Athene,
Die uit haar tempel trad, wijl een uil op haar hoofd was gezeten,
En toen plengde zij duidelijk uit hare flesch op uw voorhoofd
1095Ambrozijn, maar pekel en knoflook goot z’ op het zijne.
Volk.
Hoera, hoera!
Hoera, hoera! De beste orakels zijn van Glanis, dat staat vast!
En ik vertrouw mij aan ùw zorgen, beste vriend,
Voer jij het oudje, en geef opnieuw hem onderwijs!
Paphlagoniër.
1100Nog niet, ik smeek je! wacht nog eventjes, totdat
Ik jou je haver en je dagelijksch brood verschaf.
Volk.
Van haver wil ik niet hooren, ik ben veel te lang
Door jou bedrogen, en ook door Theophanes.
Paphlagoniër.
Ik zal je brood verschaffen, netjes voorgekauwd.
Worstverkooper.
1105Ik lekkere broodjes, die je niet te bijten hebt,
En gebraden eten: eten is voortaan je heele taak.
Volk.
Vooruit, een beetje gauw dan, wie van beiden nu
Ik vinden zal dat mij het meest heeft wèlgedaan,
Dien geef ik de teugels van de volksvergadering.
Paphlagoniër.
1110Ik ga het eerst naar binnen.
Worstverkooper.
Ik ga het eerst naar binnen. Neen, niet jij, maar ik!
(Hij stoot hem terug. Beiden af)
Koor.
O Volk! hoe is toch uw rijk
Zoo schoon en grootsch tegelijk,
Daar ieder u vreest, in ’t slijk
Zich werpt voor uw voeten.
1115Want licht ontvlambaar zijt gij,
Verlekkerd op vleierij,
En tuk op bedriegerij
Van wie u ontmoeten!
Elk sprekertje gaapt gij aan,
Uw verstand schijnt op reis gegaan,
1120Nu duldt gij van elk voortaan
Slechts vleien en groeten!
Volk.
In uw kruin, uw harendom
Zweeft geene gedachte om,
Want ik houd m’ opzettelijk dom,
Ben niet onverstandig!
1125Verheugd is steeds mijn gemoed,
Wanneer men als kind mij voedt,
Wanneer ik een gids ontmoet,
Die stelen kan, handig!
Doch als hij door euveldaân
Gevuld is en welbelaân,
Dan val ik hem plotsling aan,
1130En kwak hem lostandig!
Koor.
Dat noem ik een wijs beleid,
Ik zie dat gij waakzaam zijt,
En vol van scherpzinnigheid,
Trots grijzende jaren!
Want ik merk, gij speelt er mee,
En gij fokt hen op als vee,
1135Om ze voor de meeting gedwee
En vet te bewaren!
En als in uw keuken dan
Geen spijs meer verschijnen kan,
Dan slokt ge den vetsten man
1140Met huid en met haren!
Volk.
Is dat niet een slim bestaan,
De lieden die in hun waan
Mij vreeselijk foppen gaan,
Mij schijnbaar misleiden?
1145Hen ga ik voorzichtig na,
Voor hen voel ik geen genâ,
Zoodra als zij hun papa
Oplichten en mijden—
Dan betrap ik hen terstond,
Onderzoek hen met mijn sond’,
En laat uit hun dievenmond
1150Het braaksel weer glijden!