← Table of contents
De Ridders

Elfde tooneel.

H. C. (Hendrik Clemens) Muller translation

Dezelfden, behalve de Paphlagoniër.

Aanvoerder van het koor.

Toon nu eens je beleid en je stoutmoedigheid!

Als ’t waar is dat je vroeger, zooals je zelf vertelt,

In elkaar gehurkt gestolen vleesch verstoppen kondt—

485Dan loop je nu ook drommels gauw naar ’t raadsgebouw,

Want hij ’s daar binnengevallen, en hij dient terstond

Al buldrend tegen allen een valsche aanklacht in.

Worstverkooper.

Dan ga ik, vuil als ik ben, maar toch leg ik nog eerst

M’n darmen en m’n messen hier op den grond ter neer.

(Hij legt alles af)

Tweede Slaaf.

490Daar heb je olie, wrijf er eerst je nek mee in,

Dan glijdt daartegen de heele valsche aanklacht af.

Worstverkooper.

Uitmuntend! jij hoort zeker thuis in ’t turnlokaal.

Tweede Slaaf.

Slik ook dit nog naar beneden.

(Hij geeft hem knoflook)

Worstverkooper.

Slik ook dit nog naar beneden. Waarvoor dient me dat?

Tweede Slaaf.

Door knoflook te eten zal j’ een beter kemphaan zijn.

495Kom, spoed je voort.

Worstverkooper.

Kom, spoed je voort. Dat doe ik al.

Tweede Slaaf.

Kom, spoed je voort. Dat doe ik al. En denk er aan:

Je bijt en lastert, je eet z’n hanekam maar op,

Als dàt gedaan is, kom je hier weer in galop!

(De worstverkooper gaat naar de stad, de slaaf gaat het huis binnen).

Koorlied.

Ga henen met vreugd, en handel vrij

Tot blijdschap en voldoening van mij,

500Zeus zelf bescherme uw paden,

En als d’overwinning eens is behaald,

Dan komt gij terug, en zegepraalt,

Met kransen bestrooid en beladen!

De aanvoerder van het koor

(tot de toeschouwers)

En gij! verleent ons aandachtig gehoor, als wij naderen met anapesten,

505Gij, die bij de feesten verschillende zangen van velerlei Muse gehoord hebt!

(Het koor wendt zich naar het publiek)

Parabase.

Als eertijds een van het oude geslacht, als een vroegere blijspelendichter

Ons verzocht om naar het publiek toegewend zijne verzen te gaan reciteeren,

Niet licht verwierf hij die gunst van ons; maar thans is de dichter het waardig,

510Omdat hij veracht wie bij ons is veracht, en omdat hij de waarheid durft spreken,

En dapper op Typhon zelf losgaat, en het onweêr waagde te tarten.

Maar dàt, waar velen verbaasd over zijn, die verwonderd mij vroegen naar d’oorzaak,

Waarom hij niet vroeger een koor heeft verzocht, om zelf zijn tooneelstuk te spelen,

Dàt droeg hij ons op te verklaren aan u. Ik heb—aldus sprak de dichter—

515Niet uit domheid zóó met mijn verzen gedraald, maar ik huldigde altijd de meening

Dat er niets op aarde zoo moeilijk was als een blijspel goed te vertoonen.

Veel minnaars verdringen zich om haar gunst, maar de Muse schenkt weinigen toegang.

En de dichter, publiek! heeft uw aard doorgrond, hoe gij jaarlijks verandert en wisselt,

Hoe gij altijd de vroegere dichters verzaakt, zoodra hen d’ouderdom nadert:

520Hij weet wat met Mágnes eens is geschied, toen leeftijd zijn lokken vergrijsde,

Die zoo menigen wapentros heeft gesticht, als hij won in den edelen wedkamp,

Die met wiss’lende tonen uw oor heeft gestreeld—met lierzang—met kwinkeleeren,

Met Lydisch gefluit—met wespengeluid—die met kikkergekwaak u gedoopt heeft,

En die tòch niet altijd u kon voldoen, en als grijsaard, niet toen hij jong was,

525Door ù is versmaad, omdat hij te tam, te gematigd was in zijn spotlust!

⁂

Ik herinner den dichter Kratinos u ook, die van lof overstroomd en van glorie

Door uw veld als een bergstroom rolt, poëzie! en platanen en machtige eiken

Met wortel en tak op den grond doet slaan—zóó velt hij zijn vijand ter neder,

Dat bij ieder feestmaal zijn lied weerklonk: „Godin Geefgraag met vijgenpantoffels!”

530En „Bouwmeesters van kunstrijken zang”—zóó bloeide zijn naam in Athene.

Doch thans? Geen meelij vervult uwe borst, als hij treurt en zeurt in zijn verzen,

Wanneer bij het tokkelen weigert zijn luit, als de klanken verdwenen van vroeger,

En valsch weerklinkt de geheiligde snaar!—Thans dwaalt hij als grijsaard in ’t ronde,

Aan Kónnos gelijk, en „verdord is zijn krans, en hij gaat aan zijn dorst nog te gronde!”

535Hem paste de staatsdrank op het stadhuis, den zoo dikwerf schittrend bekroonde,

Dan zeurde hij niet, en zat glansrijk hier bij den priester van god Dionysos.

⁂

Zie Krátes eens, wat moest hij van u ook al grillen en luim ondervinden!

Wiens kunst leek op een eenvoudig ontbijt, dat hem luttele inspanning kostte,

Die met nuchteren smaak u een maaltijd schonk van grappen en fijne gedachten,

540Toch—hield hij het uit, soms daalde zijn zon, en dan rees hij weer naar de hoogte.

Hij vreesde het wisselend dichterenlot. Denkt allen aan wat hij eens zeide:

Dat men vóór alle dingen een roeier moet zijn, en daarna pas staan aan het stuurrad,

Allereerst op de plecht van het vaartuig geplaatst, om de richting te leeren der winden,

En ten slotte de stuurman van alles te zijn!—Tot dank voor al deze woorden,

545Omdat hij verstandige denkbeelden had, en niet leuterend sprong in zijn scheepje,

Schenkt gij hem nu donderend handengeklap, voortdurend een eeregeleide,

Goedgekeurd gemompel op ’t schouwburgfeest,

Dat de dichter tevreden naar huis moge gaan,

In zijn arbeid geslaagd,

550Met een voorhoofd, stralend van blijdschap!

Koor

(

Ode

).

God Poseidon, ù roep ik aan,

U is de stem van ’t snuivend ros,

U zijn hoefslag geheiligd:

Gij, die over de waterbaan

’t Donkergekleurde schip doet gaan,

555Gij, die zeevaart beveiligt!

⁂

God Poseidon, der rossen heer!

Die u verheugt in glans en eer,

Als, in schittrende rijen,

Heel de bloeiende jeugd der stad

Luchtig, vluchtig de teugels vat

Van den brieschenden paardenschat,

Voor zijn harddraverijen!

⁂

560Kom ten reidans van uit de zee,

Breng uwen gulden drietand mee,

Door dolfijnen gedragen!

Gij, wien van verre de schipper smeekt,

Als zijn kiel op de klippen breekt,

Door den stormwind verslagen!

⁂

Zilten telg van den dondergod!

Gij, wien Phormion heel zijn lot,

’t Lot zijner schepen vertrouwde:

U ter eer klink’ ’t loflied schoon,

U, Poseidon, Kronos’ zoon—

Gij, ons het liefst van de hemelgoôn,

Toen ons de zeeslag benauwde!

⁂

565Ja, ik wil den roem verkonden van ons heerlijk voorgeslacht,

Waardig op het kleed te stralen, dat m’ Athene jaarlijks bracht,

Mannen die in voetgevechten, òf in ’t schip-omkluisterd heir

Ons den zege steeds bevochten, ’t vaderland tot roem en eer.

Geen van al die dappre mannen heeft den vijand ooit geteld,

570Doch zoodra ’t gevaar nabij was, zwol zijn moed en werd hij held.

Mocht er één terzijde storten, mocht hij wanklen in den slag,

Hij ontkende, stofafschuddend, dat hij ooit ten onder lag!

Nimmer staakten zij de worstling, want geen vroeger generaal

Maakte ooit, als Kléon’s vader, aanspraak op een staatsonthaal;

575Thans verlangt men eerezitplaats, spijs en drank van ’t algemeen,

Of men weigert mee te vechten. Doch wij eischen dat elkeen

Zich zal offren, onbaatzuchtig, voor den staat en voor zijn goôn,

Méér verlangen wij van niemand, slechts dit ééne ridderloon:

Dat, zoodra de vrede daar is, gij ’t ons niet misgunnen zult,

580Dat ons lijf weer is geroskamd, hoofd- en baardhaar weer gekruld!

Koor

(

Ode

).

En gij, Pallas, der stede heil!

Gij die Atheen, in rotsen steil,

Steunt in oorlog en vrede,

Die reeds vaak onze stad behieldt,

Die ons dichterental bezielt

585Naar de aloude zede!

⁂

Nader, godin van kunst en vreê,

Breng welwillend den Zege mee,

’t Beeld dat rust op uw handen,

Nike, die ons lied begeleidt,

Die in oorlog, die in strijd

Aan Athene haar zorgen wijdt,

590Schutgodes dezer landen!

⁂

Reik thans zegenend uwe hand

Aan de bloem van den ridderstand,

Als zij krijg wil beginnen

Met den vijand, die aan ons land

Zijn eerzuchtige netten spant:

Schenk ons zoet overwinnen!

⁂

595Thans wil ’k ook den lof bazuinen van den eedlen paardenstand!

Zij verdienen lof en eerbied, want zij brachten veel tot stand,

Hebben mèt ons veel verdragen, ingevallen en gestreên,

Maar wat zij op ’t land volbrachten, kent nog lang niet iedereen!

Sprongen zij niet, flink als mannen, op de schepen van het land?

600Dronken zij niet flink uit bekers, aten knoflook uit de hand?

Droegen zij elkaar niet riemen, als gewone menschen, na,

Riepen zij niet, waterscheppend: „Wie roeit mee? hiep, hiep, hoera!”

„Aarzel niet om aan te pakken, grijp de riemen, edel ros!”—

Toen men aankwam in Korinthe, liep de troep er gauw op los

605Om met hoeven zich een rustplaats en een deksel op te slaan

En wat was uw voedsel, paarden? kreeften, en geen klaverblaân!

Als een kreeft naar land kwam kruipen, vingt gij hem uit ’t peilloos diep,

Zoodat eens ’n Korinthisch kreeftje, ’n moppentapper, luidkeels riep:

„Vreeslijk toch, o god Poseidon, dat de woning van geen visch,

610Noch de aarde noch het water voor de ridders veilig is!”

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings