Hoofdstuk I.
Reading edition
Het is een vastgesteld feit dat elk belangrijk onderwerp van studie beschouwd kan worden van twee zeer uiteenloopende—dat wil zeggen schijnbaar uiteenloopende—standpunten, namelijk van het standpunt van hen die oordeelen volgens voor hen vaststaande feiten en van het standpunt van hen die oordeelen volgens hunne gevoelszienswijze. De eerste beschouwing wordt genoemd de wetenschappelijke, met de tweede bedoel ik die van hen, die door innerlijke kennis—door kennis van de ziel, niet door kennis van het tegenwoordig hersenverstand—weten van de werkelijke waarheid der dingen. En nu is het een treurige gewoonte geworden dat zij, die oordeelen volgens vaak zeer betrekkelijk vastgestelde feiten, hoegenaamd geen waarde hechten aan de beschouwingen, die omtrent zekere dingen bestaan, van hen die een innerlijk besef van de gnosis dezer dingen hebben. Bovendien is de eerstgenoemde school van denkers heden ten dage in de meerderheid doordien de groote massa nietdenkende menschen met hen meegaat, niet uit overtuiging, maar uit gemakzucht of onwetendheid.
In de eerste plaats dan zou ik mijnen lezers de vraag willen voorleggen: Berust de eerste beschouwing eigenlijk ook niet op een vooraf opgevat gevoelen omtrent zekere dingen? En dan zou ik hier zeker op antwoorden: ja. Want de geleerde die eene massa feiten, stoffelijke feiten verzameld heeft, en deze louter bijeengezameld heeft met het denkbeeld ze te analyseeren, aaneen te voegen enz., met de bedoeling een geschiedenis dier dingen op te bouwen, heeft behalve zijn denken als geleerde ook zijn gevoel als mensch, welk laatste niet alleen is opgebouwd gedurende zijn omgang in dit leven met verwante denkers, vrienden en bekenden, maar ook door zijn denken en omgang in voorafgaande levens. En het kan niet uitblijven of zelfs geheel tegen zijn willen in, zal ook een geleerde een onderwerp beschouwen door de glazen van zijn gevoelsbril, welke glazen niet in dit éene leven doch reeds ten deele in levens daaraan voorafgaande gevormd zijn.
Nu iets met betrekking tot de feiten zelf volgens welke zij hunne wetenschappelijke beschouwing vormen, bijvoorbeeld omtrent de geschiedenis der oudheid. De tegenwoordige onderzoekers hebben op dit punt zeker niet veel om mede te werken en allerminst op het punt van geschreven verslagen. Tot op een betrekkelijk kort geleden tijdstip was de beschouwing van hetgeen geschreven stond geheel onderworpen aan en beperkt door kerkelijke leerstukken, en was een vrije eigen gedachte over een onderwerp als het onderhavige louter onmogelijk. Wat dus in verschillende richtingen er over gedacht of geschreven is, kon eerst vrij ontwikkelen in de laatste eeuw en in die eeuw zijn juist belangrijke feiten eerst begonnen aan het licht te komen, en een ieder die weet hoe weinig feitenkennis er tot nog toe is, en ook de theorieën kent die door verschillende wetenschappelijke onderzoekers op deze feiten gegrond zijn, zal inzien dat deze theorieën niet door de feiten onaantastbaar worden gelaten. Wanneer, zooals bekende verslagen ons doen zien, de geschiedenis van het menschdom is na te gaan tot op een tijdperk van ettelijke duizenden jaren vóór Chr., en de feiten van het begin dier geschiedenis aantoonen dat er toen hooge beschavingen waren, is het misschien wetenschappelijk, maar zeker niet logisch, te zeggen dat dit de aanvang der menschelijke beschavingsgeschiedenis was, vooral met het oog op een ander wetenschappelijk vaststaand feit, dat de aarde millioenen jaren vóór dat tijdstip bestond. Want wij hebben te kiezen tusschen twee zienswijzen omtrent de dingen vóór dat tijdstip waarvan onze gegevens dagteekenen, namelijk de menschheid verkeerde gedurende duizenden, ja wellicht millioenen jaren in wilden staat, en dan was de ontwikkeling der volgende enkele duizenden jaren daarmede geheel in strijd, òf er bestonden beschavingen lang vóór dat tijdstip. Nu berust eene zienswijze omtrent dit tijdstip, tenminste als men er zich eene zienswijze van vormen wil, bij gebrek aan voldoende feitenkennis, geheel op gevoel en heeft voor dat tijdperk de Theosofische theorie evenveel waarde als de wetenschappelijke. Is dat dan voor een later tijdperk niet even waar, zal men vragen en niet ten onrechte. Ik voor mij vind dat dit zeker het geval is, maar alvorens dit te kunnen staven moet men in staat zijn de bekende feiten overeen te brengen met de theorie, en dit vereischt dus meer dan men van een leek verwachten mag. Hiertoe is noodig een wetenschappelijk man met theosofische theorieën, en deze ontbreekt op verscheidene gebieden van wetenschap nog. Doch wanneer wij, die niet in staat zijn voldoende feitenkennis te verzamelen om onze theorieën wetenschappelijk te staven, slechts volhouden op grond van ons innerlijk weten, zal de drang zoo groot worden dat ook dit overeenbrengen van de feiten en de theorieën welhaast niet meer tot de schoonste droomen zal behooren.
En omdat ik dit voel en weet waar te zijn, durf ik mijn onderwerp hier te behandelen van een standpunt dat berust op gegevens die grootendeels geput zijn uit “onwetenschappelijke” boeken, geschreven door meerendeels “onwetenschappelijke” menschen, maar die voor mijn gevoel meer werkelijke kennis, en daardoor recht van spreken hadden over deze dingen, dan een feitenverzamelaar. Wanneer iemand iets voelt voor een zaak, is dit een bewijs dat er in zijne aura skandha’s zijn van uit een tijd toen hij zeer na betrokken was met die zaak en die zaak kende, en wanneer hij dezen skandha’s den vrijen loop laat, zal hij mijns inziens meer weten van die zaak dan eenig iemand die slechts van buiten af beoordeelt.
Doch reeds te ver dwaalde ik hier af van hetgeen ik wenschte te zeggen, namelijk welke twee groote theorieën wij met betrekking tot de oudheid en de geschiedenis van de menschheid hebben. De wetenschappelijke theorie dan beweert dat alle vooruitgang der menschelijke beschaving op een geleidelijke evolutie van den stoffelijken mensch en zijn stoffelijk hersenstelsel berust, en dat de mensch van het standpunt van den wilde zonder hulp van buiten af gekomen is tot het huidig standpunt van beschaving, dat men thans met den aan onzen tijd eigen zijnden eigenwaan als een zeer hoog, zoo niet het hoogste te bereiken punt van beschaving beschouwt. En wij willen nu hier niet er over uitweiden of er werkelijk eenige grond bestaat om onze hedendaagsche beschaving te beschouwen als een zeer hoogstaande, doch liever opsommen wat de hiertegenoverstaande of Theosofische theorie zegt. Deze dan leert dat de menschheid tot op een betrekkelijk kort geleden tijdperk geheel van buiten af geleid werd, evenals een jeugdig kind leert loopen aan de hand zijner ouders, en dat zij eerst nu begint te trachten alleen te staan. In deze jeugd der menschheid hebben groote beschavingen bestaan, die geheel geleid en opgebouwd werden door de Oudere Broederen der Menschheid, die van andere plaatsen in ons zonnestelsel kwamen om onze evolutie te leiden. Zij waren de Koningen, Ingewijden en Priesters in deze oude beschavingen en hadden alle kennis die binnen ons stelsel bestaat, te Hunner beschikking. Vandaar dat Zij de menschheid eene beschaving konden voorhouden als voorbeeld ter latere navolging. Nu beweer ik niet dat de jonge rassen welke Zij leidden geheel voldeden aan de plannen die deze hoogstaande Wezens met hen vóór hadden. Neen, want wij kunnen maar al te goed weten uit hetgeen ons geleerd wordt, dat Zij de menschen nimmer konden noch mochten dwingen Hunne plannen geheel ten uitvoer te brengen, en al was Hunne enkele tegenwoordigheid voldoende om een ras tot hooge beschaving en hoogen bloei te brengen, zoo verviel het evenzeer nadat Zij zich wederom terugtrokken. Het nut van Hunne tegenwoordigheid kon dan ook niet anders zijn dan de stoot die de machine der menschheid aan het werk bracht, doch thans zijn wij zoover als menschheid ontwikkeld, dat wij uit eigen aandrang tot dezelfde resultaten moeten trachten te komen.
Een duidelijk beeld van zulk een leiding en op de kleinere schaal van een onderdeel der evolutie, vinden wij bijvoorbeeld in de kunst.
In Griekenland hebben in onze bekende oudheid enkele groote ingewijden beeldwerken gewrocht, die niemand van hunne latere navolgers heeft kunnen benaderen, en die ook zelfs nu niet benaderd worden. Toch zijn zij daar als een beeld van hetgeen mogelijk is in die richting, en moet het betrekkelijk einddoel van onze kunstenaars zijn, hen te evenaren om op een toekomstig tijdstip tot hetzelfde standpunt te komen. Ook hier is dus schijnbaar eerst een ongewone en abnormale ontwikkeling en beschaving, vervolgens achteruitgang en een te komen beschaving die tot het eerste punt terugkeert, plus de innerlijke ontwikkeling door die navolging verkregen.
In ieder geval, hetzij wij dit nu kunnen aantoonen en staven door feiten of niet, de Theosofische theorie zegt ons dat de eerste beschavingen van onze menschheid, dus die van vóór het bekende geschiedkundige tijdperk en waarvan de eerst bekende Egyptische beschaving slechts een vervallen overblijfsel was, geleid werden en opgebouwd waren door Adepten of in enkele gevallen zelfs door zeer verheven Wezens van andere bollen in ons zonnestelsel.
Wanneer wij ons aan deze beschouwing houden, kan bij ons geen twijfel bestaan of alle zaken die wij omtrent deze beschavingen en bijvoorbeeld omtrent de ons bekende Egyptische beschaving eveneens gissen of kennen, moeten wij in een geheel ander licht zien dan zulks gedaan kan worden door een wetenschappelijk onderzoeker.
Deze uitspraak moge groot gezag hebben en heeft dit zeer zeker ook voor iedereen die de gewone wetenschappelijke beschouwingswijze toegedaan is, maar even zeker is het dat er velen zijn die, al mogen zij niet behooren tot de “bevoegde gezaghebbenden” over dit onderwerp, het toch stellig niet eens zullen zijn met deze uitspraak, en het nimmer zullen worden, omdat zij andere theorieën huldigen, en ook omdat zij in vele gevallen het gezag van de aangehaalde feiten niet zullen erkennen.
Doch om ons een juist denkbeeld te vormen van enkele der theorieën omtrent de Groote Pyramide, is het in de eerste plaats noodzakelijk te zien welke de theorieën en de gegevens zijn omtrent de bewoners van Egypte gedurende het tijdperk van den bouw der Groote Pyramide.
Zij beschrijft dezen kolonisatietocht zeer uitvoerig. Een nadere beschrijving, wie de Koningen van de voorouders der Egyptenaren waren, geeft zij in de Geheime Leer, deel II, blz. 402, 403.
“In dit tijdperk nu moeten wij zoeken naar het eerste optreden van de voorvaderen dergenen, die wij de oudste volkeren der wereld noemen—thans onderscheidenlijk genaamd de Ârische Hindoes, de Egyptenaren en de eerste Perzen aan de eene en de Chaldeeën en Phoeniciërs aan de andere zijde. Deze werden door de Goddelijke dynastieën bestuurd, d.w.z. Koningen en Heerschers die van den sterfelijken mensch slechts zijn stoffelijk uiterlijk, zooals dat toen was, bezaten, doch wezens waren van Bollen, hooger en hemelscher dan onze Bol nog over vele Manwantara’s zijn zal. Het is natuurlijk nutteloos te trachten het bestaan van dergelijke wezens aan sceptici op te dringen.”
Hoe de Aziatische stammen, namelijk de Oostersche Ethiopiërs—de machtige bouwers—van uit Azië trokken naar hun nieuwe vaderland, Egypte, verhaalt H. P. B. ons eveneens duidelijk in de Geheime Leer, waar zij eene verklaring geeft van de fabel van Io, weergegeven door Prometheus.
Wij hebben thans zeker genoeg stof in deze gegevens van H. P. Blavatsky met betrekking tot de vorming van het nieuwe ras om over te denken en in verband te brengen met andere gegevens omtrent de Egyptenaren, doch om zoo volledig en duidelijk mogelijk op dit punt te zijn, geef ik hier nog iets dat met betrekking tot deze immigratie van Atlantiërs gezegd wordt in het merkwaardige boekje The Story of Atlantis:
“Wij moeten nu verwijzen naar Egypte, en de beschouwing van dit onderwerp moet een zee van licht op zijn vroegste geschiedenis doen vallen. Alhoewel de eerste nederzetting in dat land niet in den volstrekten zin van het woord een kolonie was, werd uit het Toltek-ras daaraanvolgend de eerste groote massa immigranten getrokken, die bedoeld waren zich te vermengen met het wilden-ras en het te overheerschen.
In de eerste plaats was het de overplaatsing van een groote Loge van Ingewijden. Dit vond plaats omstreeks 400.000 jaar geleden. Het gouden tijdperk der Tolteken was lang geleden. De eerste groote aardramp had plaats gehad. De zedelijke verlaging van het volk en de daaropvolgende beoefening van de ‘zwarte kunsten’ werden sterker en meer verspreid. Egypte was afgelegen en dun bevolkt, en daarom werd Egypte uitverkoren. De aldus gestichte nederzetting beantwoordde aan haar doel en onverstoord door tegenwerkende invloeden deed de Loge van Ingewijden gedurende 200.000 jaren haar werk.
Nu valt er met betrekking tot hetgeen in het aangehaalde boek vermeld wordt weinig meer te zeggen dat ons belangrijk kan voorkomen in verband met ons onderwerp. Een ieder die er belang in stelt raad ik aan het geheele werkje te lezen. Maar wel belangrijk is het, te vermelden dat mijns inziens met de twee groote Pyramiden van Gizeh niet de Groote Pyramide bedoeld werd, maar de beide andere die bekend zijn als die van Kephren en Menkaura. De eerste werd, voorzoover ik dat begrijp, gebouwd meer dan 400.000 jaar geleden, hetgeen men zal kunnen nagaan uit hetgeen gezegd wordt in de Geheime Leer, Deel I, blz. 558, en waarop ik zoo dadelijk zal terugkomen.
In de eerste plaats dan brengt een onderzoek naar den oorsprong van de Egyptische beschavingsgeschiedenis ons tot het Atlantisch ras terug. Ongeveer een millioen jaren geleden was dit Atlantische ras het overheerschende ras in nagenoeg alle bewoonbare landen, hoewel de hoofdmassa natuurlijk op het vasteland van Atlantis woonde. Egypte zelf werd bewoond door een volk dat verre beneden deze beschaving stond. Gedurende het verval van Atlantis nu trokken de Adepten, en in het algemeen de meer geestelijk verlichten van het Atlantische ras, weg van het groote vasteland en vestigden zich in afgelegen streken, vaak te midden van half wilde stammen, welker nabijheid echter minder schadelijk was voor het bederf der atmosfeer door booze daden en gedachten, dan die van hunne verbasterde en ontaarde rasgenooten, op wie zij hunnen invloed niet langer konden doen gelden. Van veel meer nut zouden zij kunnen zijn voor de nog onontwikkelde rassen, die echter onbedorven waren. Overal, in verschillende landen, vinden wij teekenen van dat verblijf dezer Adepten in den vorm van nagelaten en thans vervallen bouwwerken, voornamelijk tempels; zoo bijvoorbeeld de Pyramiden in Amerika, Stonehenge in Engeland, de Pyramiden in Indië, en voornamelijk de meest bekende, de oudste Pyramiden van Egypte.
Toen gedurende het verblijf van de later inkomende Adepten het geestelijk zaad wortel schoot bij het opkomende ras, schijnen deze Adepten het bestuur wereldlijk en geestelijk ter hand genomen te hebben. Zij waren de goddelijke Koning-Ingewijden die voorafgingen aan de menschelijke dynastie na Menes, en Egypte brachten tot een stoffelijken en geestelijken bloei, waarvan de ons bekende Egyptische beschaving slechts een flauwe weerspiegeling was.
Maar nu deze okkulte theorie geheel en al tegenover de gezaghebbende en conventioneele graftheorie der pyramiden staat, moeten wij niet uit het oog verliezen dat gedurende het verval van de Egyptische beschaving, dat is gedurende het aan ons bekende geschiedkundige tijdperk, de esoterische kennis natuurlijk verdween met de Adepten, die gedurende een meer en meer materialistisch wordend geslacht zich terugtrokken naar weer andere streken, en dat ten opzichte van de toen volgende mode van pyramidenbouwen voor graftomben de theorie stellig meer waarde heeft en gestaafd wordt door bewijzen. Want zeker bouwden de latere koningen ze niet als plaatsen van inwijding, en er zijn overvloedige bewijzen dat zij ze voor graftomben bedoelden;—het feit dat zij de pyramidale bouworde volgden, vindt zijn reden in het navolgen van de bestaande oudere pyramiden.
Wij moeten dus de waarde der pyramiden uit een okkult oogpunt zoeken in gegevens die niet berusten op feiten die ontdekt zijn in verband met latere pyramiden, doch geheel in die, welke ons verstrekt worden door helderziend okkult onderzoek, zooals A. P. Sinnett ons die verschaft in zijne verhandeling, en waaromtrent wij eveneens voldoende wenken vinden in de Geheime Leer.
Bij het begin van elken cyclus van 4.320.000 dalen de zeven, of zooals enkele volkeren meenden, acht groote Goden neder om de nieuwe orde van zaken te vestigen en den stoot te geven aan den nieuwen cyclus. Die achtste God was de vereenigende Cirkel, of Logos, in het exoterische dogma van zijne schare gescheiden en onderscheiden, evenals de drie goddelijke hypostases der oude Grieken thans in de kerken voor drie onderscheiden personen gehouden worden. Een toelichting zegt:
De Machtigen verrichten hunne groote werken en laten telkenmale wanneer zij binnen onzen mâyâwischen sluier (dampkring) doordringen, eeuwigdurende gedenkteekenen achter tot gedachtenis aan hun bezoek.
Zoo wordt ons geleerd dat de groote pyramiden onder hun onmiddellijk toezicht gebouwd werden, ‘toen Dhruwa (de toenmalige Poolster) in zijn laagste culminatie was, en de Krittikâ’s (Pleiaden) over zijn hoofd heen zagen (op denzelfden meridiaan, maar hooger, stonden) om het werk der reuzen te bewaken.”
Zeker moet het ons de moeite waard zijn om te trachten aan te toonen, dat er gronden zijn om te bewijzen dat de Pyramiden hooger waarde en nut hadden dan die van “praalgraven voor ijdele koningen”, en dit stel ik mij voor te doen. Achtereenvolgens wensch ik te behandelen: de ligging der Pyramide, hare Bouwers en hare astronomische waarde; dan eene beschrijving te geven van het wonderbaarlijk ingewikkeld en belangwekkend gangen- en zuilenstelsel; een overzicht van enkele der vele (ongeveer 40), meer of minder waarde hebbende theorieën; en ten slotte een uitvoerige beschouwing omtrent hetgeen voor de Theosofische theorie pleit; terwijl wij eindelijk zullen trachten, de symboliek van dit wereldwonder te begrijpen.
Moge het mij gelukken mijnen lezers een indruk te geven van de ontzaglijk groote mystieke waarde van dit geschenk der Goden!