Mystieke Theorieën II.
Reading edition
Aleer ik mij waag aan een verdere uiteenzetting van deze theorieën, wil ik hier nogmaals uitdrukkelijk vermelden dat ik deze hier geheel geef als persoonlijke opvatting, en geenszins beweren wil, of trachten het te bewijzen, dat deze de juiste is. Ik kan dan ook hier slechts een beroep doen op het intuïtief gevoel van mijne lezers bij het maken van gevolgtrekkingen uit de feiten, die ons in ruime mate door verschillende schrijvers verschaft worden. Deze opmerking is te meer noodig aangezien ik, hoewel de theorie van Adams geheel volgende (en hoewel ik het in dezen volkomen met hem eens ben) enkele onderdeelen meer in bijzonderheden kan uitwerken nu de Theosofie ruimere en diepere begrippen over dergelijke zaken heeft verspreid, doch hiermede tevens een zeer gevaarlijk terrein betreed, waar het moeilijk is bewijzen aan te voeren die wetenschappelijke waarde zouden hebben, omdat ik grootendeels persoonlijke opvattingen moet geven en deze moet laten steunen op enkele aanwijzingen, in de Geheime Leer en andere Theosofische werken gegeven; en hoewel deze natuurlijk voor mij en vele anderen grooter waarde hebben dan menig geleerd wetenschappelijk betoog, kan ik hier nochtans niet van een betrouwenswaardige theorie spreken: het is en blijft louter een persoonlijke uitlegging van gegevens.
Thans het Boek der Dooden ter hand nemend wil ik alvorens, over te gaan tot het bespreken van de inwijding in de Groote Pyramide, er nog aan toevoegen dat ik thans dit werk alleen in zooverre wensch te volgen, als noodig is voor het verband met het onderwerp, De Groote Pyramide, en dus niet op een bijzondere beschouwing van den tekst van het werk zelf kan ingaan. Dit zou op zichzelf een te zware taak zijn.
In het Boek der Dooden dan vinden wij allereerst enkele inleidende hymnen, lofzangen op Ra, ontleend aan den papyrus van Ani. Volgens de gewone opvatting werden deze hymnen over de mummie uitgesproken door de priesters, om den doode in staat te stellen zijn “geestelijk lichaam” naar den hemel te doen opstijgen. Mijn gevoelen hieromtrent echter is dat de candidaat door het opzeggen van deze hymnen in een soort trance-toestand kwam, en dat zijn hoogere lichamen hierdoor van het grofstoffelijk lichaam of khat bevrijd werden, daar de hoogere inwijdingen niet plaats vonden in het stoffelijk lichaam, maar in het astraal (ba en ka) en in het oorzakelijk lichaam (Sahu.)
Gedurende deze ceremonie verliet dus Osiris (de ware mensch), in zijn Sahu, de khat, waarna het fysiek lichaam in een mummiekist geplaatst werd in een sarcofaag, in de crypt onder de pyramide. In deze crypt werd het Nijlwater langs ondergrondsche kanalen gevoerd, zoodat de sarcofaag geheel omringd werd door dit water dat tevens diende als beveiliger tegen het indringen van invloeden van buiten in het in trance verkeerende lichaam. De crypt waarin het lichaam geplaatst werd, is waarschijnlijk nog lager gelegen dan de ondergrondsche kamer in de pyramide.
De Sahu wordt gezegd gedurende zijn verblijf buiten het lichaam gehuld te zijn in een lichtgevend doorzichtig lichaam of Khu. Dit Khu schijnt mij toe de zoogenaamde Augoeïdes te zijn, en aangezien dit punt niet van belang ontbloot is, wil ik voor deze meening eenige gronden aanvoeren. In Annie Besant’s Esoterisch Christendom lezen wij:
en Mead zegt:
In deze aanhalingen vinden wij mijns inziens hetzelfde weergegeven als hetgeens Adams met betrekking tot de inwijding in de pyramide uitdrukt in Egyptischen symbolischen zeggingsvorm.
Alvorens de kandidaat echter gekomen is tot het punt in zijn evolutie, waarop wij hem thans denken om hem te kunnen volgen bij zijne inwijding in de Pyramide, moet hij vele eigenschappen verkregen hebben, die hem geschikt maken kandidaat voor deze mysteriën te worden, welke laatste hem in hun derden graad willen maken tot een Christos, en het kan nuttig zijn, alvorens het ritueel van het Boek der Dooden bij de Pyramide-inwijding te volgen, eerst na te gaan wat de weg is, dien de kandidaat tot op dat oogenblik van zijn evolutie moet hebben afgelegd.
En hier nu zou ieder Br.·. Vr.·. mij geheel kunnen volgen indien hij het slechts eens met mij was dat de mysteriën der Vrijmetselarij eene weerspiegeling zijn op dit gebied van de inwijdings-ceremoniën, en dat de kandidaat in het ritueel der symbolische graden op zinnebeeldige wijze de verschillende stadiën der inwijding doorloopt. Want zegt Annie Besant niet:
Hoe dit zij, het is mijn vaste overtuiging dat de vrijmetselarij in dien tijd als bedoeling had door hare symbolische en andere leeringen verdedigers en kenners van den godsdienst te vormen en dat een meester vrijmetselaar in de crypt degene was, die de hoogste inwijding had doorgemaakt en een Christos was geworden.
Echter is het hier niet de plaats op deze dingen in te gaan, doch tot zoover had ik eene vermelding er van noodig, om er op te wijzen dat de vrijmetselarij een verklaring van haar ritueel geheel moet zoeken langs de hier aangegeven lijnen, om ten slotte in het ritueel van het Boek der Dooden haar hoogste uiting te vinden; en hoewel ik, zooals ik reeds schreef, hier niet verder op wensch in te gaan, ben ik gaarne bereid ieder Br.·. die belang stelt in deze theorie, mijn gevoelen nader uiteen te zetten.
Geheel zonder steun van Theosofische zijde is de bewering, dat er eene opeenvolging van mysteriën was in verschillende graden en scholen, aleer eene inwijding in de Pyramide plaats vond, niet. Een goed verstaander moet echter in dezen aan een half woord genoeg hebben, daar eene uitlegging van de woorden licht te veel kan onthullen. Na verschillende deugden en hare wijze van verkrijging beschreven te hebben, schrijft Annie Besant in Esoterisch Christendom, blz. 30.
Deze deugden waren noodig voor de Groote Mysteriën, daar zij betrekking hadden op het louteren van het ijle lichaam, waarin de ziel werkte, wanneer zij buiten het grove lichaam was. De gedrags- of praktische deugden behoorden tot het gewone leven van den mensch en werden tot op zekere hoogte vereischt alvorens hij een kandidaat kon zijn zelfs voor een zoodanige school als hierna beschreven wordt.
In deze aanhaling zien wij de vereischten die noodig waren om als leerling aangenomen te worden. Ook in andere boeken wordt er op gezinspeeld dat in die tijden een der vereischten voor alle inwijdingen was dat men in het astraal lichaam werkzaam kon zijn.
Nu komt iets verder:
...Dan kwamen de zuiverende deugden, waardoor het ijle lichaam, dat van de aandoeningen en het lager denkvermogen, gelouterd werd.
Dit vond plaats gedurende de evolutie van den kandidaat als leerling.
Ten derde de verstandelijke, die behoorden tot den augoeïdes of den lichtvorm van het verstand.
De ontwikkeling van deze eigenschappen kenmerkten den tweeden graad, en ten slotte hebben wij:
Ten vierde de bespiegelende of vóórbeeldige, waardoor vereeniging met God verwezenlijkt werd,—
kenmerkende het doorloopen van de laatste kenbare inwijding, waarbij de volmaakte mensch als Christos wedergeboren wordt. Dat het mogelijk is bij deze laatste inwijdings-ceremonie wederom een verdeeling in drie graden te maken zooals Adams dit doet is mijns inziens volkomen logisch wanneer wij aannemen, dat in een hoogere school eene herhaling plaats vond van wat in de voorgaande scholen was geschied, en dat het nu op een hoogeren trap plaats vond, terwijl dan de hoogste graad verder opwaarts voerde.
Men kan uit deze gegevens tot de gevolgtrekking komen dat het lichaam Khu, waarin Osiris verblijft vóór zijn vereeniging met God-Osiris, hetzelfde lichaam moet zijn als dat hetwelk door de Theosofen Augoëides genoemd wordt.
Thans kunnen wij ons een denkbeeld vormen van den kandidaat en zijn evolutie tot op het oogenblik van zijn inwijding in de Pyramide, en dat deze inwijding daar plaats vond kan (behalve de vele bewijzen die wij vroeger reeds vermeldden) ook in het aangehaalde werk van Annie Besant gevonden worden:
En wanneer wij in verband hiermede lezen hetgeen H. P. Blavatsky in de Geheime Leer vermeldt, (reeds vroeger door ons aangehaald) namelijk:
“En thans, in 1882, schrijft Staniland Wake het volgende: ‘De koningskamer... was waarschijnlijk de plaats waar de in te wijden persoon toegelaten werd nadat hij door de enge opwaartsche gang en de groote galerij met haar laag eindgedeelte was gegaan, hetgeen hem gaandeweg voorbereidde voor het slotbedrijf der Heilige Mysteriën.’
dan zal het duidelijk zijn dat de Christus-Inwijding inderdaad in de Pyramide plaats vond; temeer waar er ook gezegd wordt:
Wij kunnen thans overgaan tot eene beschouwing van het Ritueel van het Boek der Dooden. De in trance verkeerende kandidaat werd geplaatst, zooals wij reeds zeiden, in de kamer onder de Pyramide. Hij werd op een kruis geplaatst, soms van den gewonen kruisvorm, soms van den vorm van de Tau. Zijn handen werden met een touw bevestigd aan het kruis, doch het eind van dit touw werd losgelaten, om aan te duiden dat de kandidaat vrijwillig dezen figuurlijken kruisdood doormaakte. De doode verliet thans in zijn “ba” of astraal lichaam zijn “Khat”, en ging buiten zijn lichaam de verschillende voorbereidende beproevingen doormaken.
Wij moeten om deze na te gaan, opslaan hfdst. XVII van het Boek der Dooden, waarvan de tekst luidt:
(I) Hier begint de lof en verheerlijking van het uittreden en het ingaan tot de heerlijke onderwereld welke is in het schoone amentet, van het uittreden (II) bij dag in alle vormen van bestaan welke hem [“den doode”] behagen, van damspelen en in de zaal zitten en te voorschijn komen (III) als een levende ziel.
Zooals ik reeds zeide is het onmogelijk diep in te gaan op eene volledige uitlegging dezer teksten; slechts de breede beteekenis er van kan hier gegeven worden in verband met het geheel. Hier slaat de tekst op een bekend feit. De kandidaat moest bij zijne inwijding eerst afdalen in de onderwereld: hij “daalde neder ter helle”. Belangrijk is tot een juist begrip, hetgeen C. W. Leadbeater zegt in de Christelijke Geloofsbelijdenis.
“De formule door de beoefenaren van Atlantische Magie in overoude tijden aan de Egyptenaren overgeleverd, luidde aldus:
‘Dan zal de kandidaat op het houten kruis gebonden worden, hij zal sterven, begraven worden en nederdalen in de onderwereld; na den derden dag zal hij teruggebracht worden van de dooden en ten hemel worden opgenomen om de rechterhand te zijn van Hem uit Wien hij kwam, daar hij geleerd heeft de levenden en de dooden te besturen.’
C. W. Leadbeater vermeldt daarna hetgeen wij reeds zeiden omtrent het binden op het kruis, en vermeldt tevens dat het lichaam dan in “een nog lager gelegen gewelf” gebracht werd. Een ieder leze dit gedeelte van het bedoelde werkje dus aandachtig na in verband met deze verhandeling. Vooral ook hetgeen volgt op blz. 81–85. Een kort overzicht van hetgeen daar gezegd wordt moge hier voldoende zijn voor een juist begrijpen van hetgeen wij verder zullen vermelden.
De zoogenaamde “doode” bevond zich dus op het astrale gebied vol leven en bewustzijn. Gedurende zijn verblijf aldaar moest hij vele ondervindingen opdoen om hem tot een nuttig wezen in die wereld te maken. Deze nederdaling in de onderwereld (Amentet) bij een inwijding geschiedt opdat de kandidaat zal trachten aan de vele ongelukkigen op dit lage astrale gebied (Kama Loka) hulp te brengen door hen te wijzen op hunne kansen tot verbetering. Tevens moest volgens Egyptisch gebruik de kandidaat gedurende deze “nederdaling ter helle” de zoogenaamde aard-, water-, lucht- en vuurproeven ondergaan—tenzij hij die reeds in een vroeger stadium zijner ontwikkeling doorstaan had. Hij leerde dus dat geen dezer elementen hem deren kan in zijn astraal bestaan. Ook moest hij om deze reden (en ook thans moet dit nog) de vreeselijkste verschijningen in de afschuwelijkste omgeving ontmoeten om vertrouwd te worden met alle omstandigheden dezer gebieden. Ziedaar het nut van dit oude Egyptische ritueel.
De tekst van hfdst. XVII van het Boek der Dooden zal nu duidelijk zijn in algemeene trekken. Vele der voorafgaande hoofdstukken geven hetzelfde weer, bijv. hfdst. Ib:
(I) Het Hoofdstuk van het doen gaan van de Sahu [het Geestelijk Lichaam] in den Tuat [de Onderwereld] op den dag van de begrafenis, wanneer de volgende woorden moeten opgezegd worden (hier volgt een uitgebreide tekst, dien de lezer wel doet na te slaan in dit verband).
en hfdst. VIII:
(I) Het Hoofdstuk van het gaan door Amentet [en het Tevoorschijntreden] bij dag.
en hfdst. IX:
(I) Het Hoofdstuk van het tevoorschijntreden bij dag na den gang door het graf gedaan te hebben.
terwijl in hfdst. X ook gezinspeeld wordt op den strijd en de moeilijkheden aldaar.
Een moeilijkheid doet zich echter voor, en geen oplossing is daarvoor te vinden. C. W. Leadbeater spreekt van deze inwijding als de Sotapatti-inwijding, terwijl alle andere gegevens er tot dusver op duidden dat de Christus-inwijding zou hebben plaats gevonden in de Pyramide. De Christus-inwijding is dan ook de hoogste kenbare inwijding, niet de Sotapatti-inwijding, welke laatste tot de kleine Mysteriën behoort. Verwondering baart het dus dat C. W. Leadbeater hier de Sotapatti-inwijding noemt de “hoogste” inwijding die in Egypte plaats vond.
Dit laatste kan slechts het geval zijn wanneer wij spreken van Egypte in zijn vervaltijd, doch niet toen het zijn grootsten bloei beleefde en de Groote Mysteriën hun zetel hadden in de Groote Pyramide.
Zeer zeker zou licht gewenscht zijn op dit punt, doch geenszins zie ik kans het dilemma op te lossen.
(I) Nog een Hoofdstuk [dat opgezegd moet worden] door iemand die bij dag te voorschijn treedt tegen zijne vijanden in de Onderwereld.
Hetzelfde wordt weergegeven in de hoofdstukken XI (i), XII (ii), XIII, en ik vermeen dat hfdst. XV een zegezang is na de overwinning en den gelukkigen doorgang door de onderwereld.
Adams meent dat deze hoofdstukken den kandidaat medegedeeld worden aleer hij in het “graf” daalt om hem voor te bereiden op hetgeen hem wacht. Ook deze uitlegging is nu wel te aanvaarden indien men veronderstelt dat al deze hoofdstukken op één persoon in denzelfden tijd betrekking hebben. Doet men dit niet, dan is het eer aan te nemen dat zij hetzelfde feit, namelijk het gaan naar de Onderwereld, op verschillende wijzen beschrijven.
De verdere hoofdstukken van het Boek der Dooden zijn aan geen verschil van opvatting onderhevig. Hfdst. XVII beschrijft het gaan in de Onderwereld zelf met een korte opsomming van de toetsen, vijanden en gevaren, welke den doode wachten, en van hfdst. XVIII af kunnen wij het doormaken der beproevingen volgen. Adams zegt dan ook:
Symbolisch wordt dus het gaan in en het betreden van de benedenwaartsche gang in de Pyramide beschouwd als het betreden van de onderwereld. Wanneer het lichaam dan op de Tau geplaatst is in een trance-toestand, vangt de beproeving op het astraal gebied aan, welke gevolgd moet worden door de beproeving op het verstandsgebied, om te worden bekroond door een geboorte op het Buddhisch gebied, terwijl de lichamen door verschillende transformaties geschikt worden gemaakt om dit schitterend Buddhisch beginsel ten slotte op te nemen. Dit alles zullen wij vinden in het ritueel van het Boek der Dooden en met dezen voortgang der Inwijding gaat eene verplaatsing van het stoffelijk lichaam gepaard langs den symbolischen weg in de Pyramide. Den tekst van hoofdstuk XVII vermeldden wij reeds, als te kennen gevende wat den kandidaat te wachten staat in die onderwereld. Het zal echter niet wel mogelijk zijn het ritueel te volgen door hoofdstuk na hoofdstuk in verband daarmede aan te halen, want evenals dit in onzen Bijbel het geval is, werd door de samenstellers van het Boek der Dooden natuurlijk geenszins deze opvatting van den tekst gehuldigd, en is deze op eene schromelijke manier dooreengeward. In dezen tekst zijn n.l. door elkaar heen te vinden:
(a) het doorloopen van de inwijding volgens het Egyptische ritueel.
(b) de verklaring van den hierofant aan de leerlingen van het ritueel zelf.
(c) de verklaring van de inwijding van den kandidaat als verzinnebeeldende de nederdaling van den Logos in de stof.
(d) de verklaring van verschillende leeringen van den exoterischen godsdienst, als daar zijn reïncarnatie, de drievoudige, zevenvoudige en meervoudige samenstelling van den mensch, zijn verband als mikrokosmos tot den makrokosmos, enz.
Wij zien dus dat het op zichzelf heel wat studie en zeer veel kennis zou vorderen om het Boek der Dooden aldus te ontleden, en het kan dus thans ook niet mogelijk zijn dit te dezer plaatse in een kort bestek te doen in verband met ons onderhavig onderwerp. Ik wenschte er echter alleen op te wijzen, daar anders mijn aanhalingen uit de verschillende hoofdstukken van het Boek der Dooden zonder een bepaalde volgorde eenigszins willekeurig zouden gelijken. Bij een juist denkbeeld van de samenstelling van het werk valt deze willekeurigheid weg.
Tot beter begrip van enkele gebeurtenissen in het ritueel is het niet onnoodig het volgende op te merken. Er wordt in enkele gedeelten van het ritueel veel gesproken over de “krokodil” en veel over het “hart”. Het is natuurlijk steeds in symbolische beteekenis dat deze woorden gebruikt worden. De “krokodil” beteekent in de meeste gevallen Manas, het Denkvermogen en wordt dan gewoonlijk beschouwd als vijand van den werkelijken mensch Osiris, als trachtende hem te bewegen tot afscheiding, de gevaarlijkste eigenschap van den “vijfpuntigen” mensch. De vijfpuntige ster, het symbool van den mensch gereed voor inwijding, gaf aanleiding tot het ontstaan van het krokodil-symbool, namelijk door de vijf uiteinden van voorpooten, achterpooten en staart. Soms is deze krokodil voorgesteld als draak en in enkele gevallen als visch.
Het “hart” is het reïnkarneerende beginsel of het ware Ego, het zoogenaamde “voorouderlijke hart”.
In verband met deze diepgaande symbologie is het voor den studeerende zeer belangrijk, na te gaan hetgeen H. P. Blavatsky in dit verband zegt in de Geheime Leer I, 288, 289. Zooals ik reeds opmerkte vindt men in het Boek der Dooden vele dooreenstrengelen van verschillende leeringen, doch ook de ritueelen van verschillende inwijdingen zijn aan elkander vastgeknoopt of onderling verward. Zoo is bijvoorbeeld het begraven in een mummiekist en het gaan in de onderwereld een eerste inwijding en dit komt overeen met hetgeen thans in symbolischen vorm in den leerlingsgraad der Vr.·. M.·. doorloopen wordt, volgens mijn vroeger reeds vermelde opvatting, namelijk het gaan door den dood en het bekend worden met de werelden aan gene zijde des grafs, het bekend worden met astrale en devachanische toestanden, het bevriend raken met de elementalen dier gebieden, enz. Vandaar bijv. de offers, en het graan dat medegegeven werd in de mummiekist. De astrale tegenhangers daarvan kon hij hun als offers aanbieden. Later werd dit gebruik voortgezet bij de werkelijke dooden, hoewel waarschijnlijk de redenen, die er aanleiding toe gaven, reeds vergeten waren; doch wie weet hoeveel nut de afgestorvenen er aan gene zijde van hadden!
Dit gaan in de onderwereld en deze inwijding is natuurlijk volstrekt niet die waarover wij reeds spraken als de Christus-inwijding, waarbij de kandidaat op de Tau geplaatst werd. Bovendien had deze lagere inwijding veelvuldig en ook in vele andere tempels en pyramiden plaats. De inwijding waarover wij in een volgend hoofdstuk zullen handelen in verband met de groote Pyramide, aan de hand van het Boek der Dooden, is die inwijding welke als eindzege de geboorte van het Buddhisch lichaam had en symbolisch de uitstorting van den Logos verzinnebeeldde in het bouwwerk dat symbolisch zijn veld van werking voorstelde, namelijk ons zonnestelsel.