← Table of contents
De Groote Pyramide

Nog enkele theorieën over de bestemming en symboliek der Groote Pyramide.

Reading edition

Meer nog dan met eenigerlei andere wetenschappen, is de Groote Pyramide in verband gebracht met de sterrekunde. Niet alleen dat velen beweerden dat zij een sterrekundig observatorium was, maar bovenal dat vele der bekende waarheden uit deze wetenschap symbolisch in haar bouw belichaamd waren, waaruit dan tevens blijken zou dat de Egyptenaren van dien tijd reeds bekend waren met verscheidene astronomische gegevens, die op betrekkelijk jongen datum heeten ontdekt te zijn. Reeds sedert lang werd door enkele schrijvers over dit onderwerp beweerd dat de Groote Pyramide zou gebouwd zijn met het doel de sterren te observeeren, en enkele schrijvers zeggen dat het juist om deze reden was, dat de Pyramide een platform op den top had, waar de sterren-waarnemende priesters hunne instrumenten konden plaatsen; verder wordt beweerd dat de benedenwaarts leidende gang der Groote Pyramide dienst deed als meridiaan-teleskoop. Vandaar de nauwgezette oriëntatie der Pyramide. Afgescheiden van alle mogelijke andere bezwaren, welke wij zullen nagaan wanneer wij den voornaamsten hedendaagschen voorstander van deze theorie, Rich. Proctor, over dit onderwerp zullen aanhalen, zien wij al dadelijk enkele bezwaren die ons aan de waarheid van deze theorie doen twijfelen. In de eerste plaats dan is het onmogelijk geweest om ooit op dit platform te komen wanneer wij aannemen wat ons gezegd wordt, dat het uitwendige der Pyramide geheel met gepolijst marmer bedekt was; en in de tweede plaats is het zeker dat de ingang van de benedenwaartsche gang afgesloten was. Alleen wanneer wij vooropstellen dat dit niet zoo was (en er is meer reden om het tegendeel aan te nemen) kunnen wij de mogelijkheid der theorie erkennen. Maar dan nog rest de vraag waarom er juist een Pyramide en niet een gewone toren werd gebouwd.

Zien wij thans wat Rich. Proctor zegt met betrekking tot deze theorie. In de eerste plaats erkent hij, dat Piazzi Smyth en anderen met recht beweren dat zekere sterrekundige waarheden in het bouwwerk belichaamd zijn; “maar dat zijn louter toevallige overeenkomstigheden”. Wij zeiden echter reeds vroeger bij dit bouwwerk niet te kunnen gelooven aan toevalligheden.

De Groote Galerij is volgens Proctor echter het stelligste bewijs van den astronomischen aard van de bedoeling der bouwers. Deze Groote Galerij toont door hare dubbele geaardheid aan dat zij bedoeld was voor sterrenkundige waarnemingen. Hare muren als geheel zijn hellend, maar elk deel er van is volstrekt vertikaal, zooals ook het geval moet zijn voor nauwkeurige waarnemingen. Om deze waarnemingen mogelijk te maken, zijn in de galerij aan weerszijden steenen, hellende, verhoogde banken aangebracht, waarin op gelijke afstanden gaten zijn om verplaatsbare zetels te plaatsen. Aan het boveneinde der galerij zou de zoogenaamde Voorkamer de plaats geweest zijn waar de tijdopnemer zat. Proctor is verder ten zeerste overtuigd van het nut dat getrokken kan worden uit deze wijze van waarnemen. Hij zegt o.a.:

Deze redeneering van Proctor nu is zeer zeker op zichzelf beschouwd heel fraai, maar weinigen zijn er door overtuigd geworden dat de Groote Pyramide niets dan een sterrenkundig observatorium was. Enkelen erkennen de waarde der aangevoerde bewijsgronden voor het doel, doch slechts als bijkomstig. Proctor zelf doet dit echter ook, want een graf blijft de Koningskamer toch. Blijkbaar is hij bang zijn wetenschappelijken naam afbreuk te doen door een wetenschappelijk gehandhaafde theorie niet als van zelf sprekend aan te nemen; wenscht echter toch een eigen theorie en lapt er de observatoriumtheorie aan vast. Hij ziet echter daarna zelf in dat deze niet geheel en al opgaat, en zegt dan dat de bouwer niet alleen wetenschappelijke bedoelingen had, maar zelfs eene die boven het gebruik als graf staat! Dit doel kan men begrijpen wanneer men het feit erkent dat “de sterrenkunde uit den tijd van Khufu uiteraard astrologie was, en dat de astrologie een belangrijk deel van den godsdienst vormde”. Zijn eindconclusie is dan dat de Groote Pyramide als astrologisch bouwwerk een reuzenhoroskoop in steen van Cheops is. “Aangenomen een volstrekt geloof in astrologie (en wij weten dat er zulk een geloof bestond), was het de moeite waard zelfs een zoodanig gebouw als de Groote Pyramide op te trekken”.

Ik meen dat er, zooals ik reeds zeide, weinigen zijn die Proctor’s theorie ernstig opvatten en wij zullen dan ook niet in bijzonderheden er van afdalen, doch liever nagaan welke astronomische gegevens in het bouwwerk symbolisch vervat zijn. Sommige er van zal ik hier alleen vermelden, slechts enkele verklaren, daar de meeste te technisch zijn om hier aan den algemeenen lezer uiteengezet te worden.

Voor hen die belangstellen in dit gedeelte van het onderwerp is het raadzaam daarover Dufeu, Piazzi Smyth en J. Wilson na te lezen. Vooral de laatste heeft dit punt, het verband tusschen de maten aan de Pyramide en het zonnestelsel, uitvoerig uitgewerkt in zijn boek The Solar System of the Ancients. De groote moeilijkheid echter blijft in de quaestie welke maat men gebruikt heeft, daar de meeningen over de gebruikte elle- en duimmaat nogal uiteenloopen.

Na veel geschrijf over de maten-quaestie, hetgeen een geheele bibliotheek vormt, is er echter op dit punt overeenstemming gekomen en zien wij thans enkele der eigenaardige kenmerken vastgesteld.

De Pyramide dan symboliseert haar breedtegraad (Wild, P. Smyth), haar ouderdom (P. Smyth, Casey, Dufeu), den omtrek der aarde (J. Wilson, P. Smyth, J. Taylor), den vorm der aarde (P. Smyth, Dufeu), de dichtheid der aarde (P. Smyth, Petrie), den afstand van aarde en zon (P. Smyth, Petrie), de dagen van het jaar (Smyth, Tracey, Petrie, Yeates, Adams), de Wet der zwaartekracht (J. Wilson), afstand tot zon en maan (J. Wilson), de planetenafstanden (J. Wilson), de praecessie der equinoxen (Casey, Wilson, P. Smyth.) Tal van andere astronomische en natuurkundige gegevens blijken volgens enkele dezer schrijvers in het bouwwerk belichaamd, doch deze zijn wel de voornaamste.

Om den lezer thans een denkbeeld te geven hoe deze astronomische waarden en verhoudingen in de pyramide-afmetingen belichaamd zijn, zullen wij enkele dezer symbologieën nagaan en trachten duidelijk te maken.

In de eerste plaats dienen wij dan na te gaan de redenen welke er bestaan kunnen hebben voor het feit dat de bouwers deze astronomische waarden in het bouwwerk belichaamden. Zooals wij reeds zagen is de meest voor de hand liggende exoterische reden die, welke van de Groote Pyramide een sterrekundig observatorium en astrologisch gedenkteeken maakt; vervolgens komt die reden in aanmerking, welke o.a. Taylor en Smith aanvoeren, namelijk dat de door God bezielde bouwers het menschengeslacht een grondslag van maten wilden geven en dezen grondslag natuurlijk in verband brachten met heelalsche maten wegens den goddelijken oorsprong van het denkbeeld van den bouw. Deze redenen kunnen natuurlijk dienen als logisch voor hen die het eens zijn met de theorieën der genoemde schrijvers, maar wanneer men een voorstander is van de theorie, dat de Groote Pyramide een tempel, een plaats van godsdienstige ceremoniën, een “berg van Inwijding” is geweest, welke reden kunnen wij dan aanvoeren voor het feit dat wij deze astronomische waarden in het bouwwerk belichaamd vinden? In de eerste plaats kan voor den spoedig bevredigden onderzoeker het antwoord dienen dat Proctor ons pasklaar geeft n.l. “dat de godsdienst der Egyptenaren grootendeels gegrond was op astronomische stellingen” en dat dit dus evenzeer het geval moet geweest zijn met hunne godsdienstige mysteriën. Doch voor hen, die met deze oppervlakkige reden niet geheel voldaan zijn met betrekking tot hun voorstaan van de inwijdingstempeltheorie, als ik het zoo noemen mag, zou ik gaarne de volgende redenen willen aanvoeren.

De groote Pyramide beschouwende als een tempel van inwijding, zie ik in haar beslist den eersten maçonnieken tempel, waarvan wij kennis dragen sinds het bestaan der maçonnieke orde, en schaar ik mij dus in dezen aan de zijde der broeders, welke erkennen dat de vrijmetselarij haar oorsprong vindt in de Egyptische mysteriën en niet in de bouwgilden der middeleeuwen. Voor ieder maçon nu is de Tempel (of moet hij dit zijn) ons zonnestelsel, het lichaam van den Logos van dit stelsel. Dit in verband met hetgeen wij reeds zeiden omtrent de Groote Pyramide leidt ons tot de volgende gevolgtrekking. De stoffelijke Tempel op deze aarde moest in haar bouw alle waarden en vormen, welke in den waren Tempel (het lichaam van den Logos, ons zonnestelsel) gevonden werden, weergeven om symbolisch—en wij weten dat de maçonnerie niets is dan een wijsbegeerte, gehuld in een gewaad van symbolen, om degenen wier ontwikkeling langs de ritueele lijn ligt, te leiden in hunne evolutie—deze waarheden en begrippen uit te drukken.

Hetgeen wij reeds zeiden omtrent de π-symbologie, en dat steunt op wat H. P. Blavatsky zegt in de noot op blz. 468 van de Geheime Leer, Deel I, met betrekking tot deze π-waarde, komt geheel (mijns inziens) met deze denkwijze overeen.

In de Pyramide vinden wij dus verzinnebeeld den vorm en het leven in openbaring, den Logos als . En hoe is dit licht maçonniek in het bouwwerk uitgedrukt? Door dezelfde π-symbologie. Ik kan het niet beter weergeven dan Adams dit doet. Hij schrijft:

Symbool voor Zon.
Symbool voor Zon.

Het Licht zelf geeft ons een antwoord. Want indien wij, zooals op het basrelief te Thebe, den uiteensplitsenden stralenbundel voorgesteld vinden, zooals die zich uitstort op den middag van de zomersolstitie, den aanvangsdag van het Egyptisch jaar, zullen wij één zijvlak van de Pyramide van Licht hebben. Veronderstel nu dat een rechthoekige pyramide wordt opgetrokken met vier zoodanige zijden die elk respectievelijk tegenover de kardinale punten des hemels staat. Dan volgt hieruit dat, daar elke zonne-omwenteling der aarde een vierde aswenteling later voltooid wordt dan de voorafgaande, elk vierde- of groot-jaar hetzelfde zijvlak naar de zon gekeerd zal zijn wanneer de zonne-omwenteling van de aarde voleindigd is; en aldus is de Egyptische Groot-cyclus (van vier jaar) maçonniek uitgedrukt. Juist zulk een vorm vinden wij in de Groote Pyramide, daar de zijden zóó georiënteerd zijn dat zij oorspronkelijk tegenover de kardinale punten stonden, en haar top zoodanig was afgeplat dat de zon één dag in het jaar ‘met al haar stralen’ er op rust, zoodat het bouwwerk ‘zijn eigen schaduw verslindt’.

Laten wij thans nog nagaan op welke wijze wij een eenheid van maat kunnen verkrijgen, die ons de juistheid aantoont van de verzinnebeelding der astronomische verhoudingsgetallen in het bouwwerk. Ook deze maat kunnen wij aan de aarde ontleenen en wel aan de as.

De engelsche duim is 250,250,000 maal in de aardas begrepen; wanneer wij deze duim met een duizendste deel van hare lengte vergrooten, verkrijgen wij eene duimmaat die als Pyramideduim gebezigd wordt en bekend staat. Deze duim is dan in de aardas 250 millioen maal begrepen.

De deksteenen der Pyramide, waarvan er een opgemeten werd door Dixon, zijn 25.025 Eng. duim lang; of 25 van de gemelde duimen. De lengte van den steen is dus 10 millioen maal in de aardas begrepen, en nu wordt door Smyth en Adams deze maat als eenheid aangenomen. Deze maat of liever verhouding staat op zichzelf. Doch wat bleek verder?

De lengte van de onderste deklaag der Pyramide bedraagt juist 1/20 van een geografische mijl. Wanneer wij nu de pyramide-eenheidsmaat hierop afmeten, bevinden wij dat deze 365.25 maal in deze lengte begrepen is en 1461 of 4 maal 365–1/4 maal in den geheelen omtrek van het grondvlak. Blijkbaar is dus hier eene symbolische voorstelling van het aantal dagen van het zonnejaar en van den grooten cyclus van vier jaren.

Adams zegt met betrekking tot deze symbolische voorstelling:

“Het schijnt daarom niet onredelijk te denken dat, alvorens de deksteenen ten slotte het geheim afsloten, de betrekkingen van zon en maan tot den stand van Sothis en de Poolster in overeenstemming zouden gebracht zijn met de trappenreeksen van de Pyramide op de juist beschreven wijze; en aldus is een uitgangspunt voor alle bewegingen der aarde, hetzij in hare betrekking tot de maan, de zon, de equinoxen, of de sterren, onveranderlijk in het maçonnieke licht vastgelegd”.

Ik zou nog tal van voorbeelden kunnen geven van de wijze waarop astronomische waarheden in verband met het bouwwerk der Pyramide symbolisch zijn voorgesteld, doch dan zouden voor een populaire verhandeling als deze te veel technische punten aangevoerd moeten worden. Ik vrees zelfs dat het voorafgaande vele lezers zal doen terugschrikken voor een verder ingaan op deze punten. Aan hen die echter daarin belang stellen, raad ik aan daarover na te slaan Our Inheritance in the Great Pyramid en bovenal Marsham Adams’ House of the Hidden Places; dit laatste werk vooral aan Theosofisch studeerenden. Over de symbologie der Pyramide in verband met de maçonnerie kan men lezen in de navolgende lezenswaardige brochures The Great Pyramid and Freemasonry door John Chapman. P. P. G. D. en A Lecture on the Great Pyramid in Egypt, suggesting an intimate relationship with the Probable Foundation of Freemasonry, door W. Charles Langley.

Hoewel dus over dit punt vrij wat meer te zeggen valt dan ik hier deed, laat ik dit na om de gemelde reden en zal er toe overgaan de mystieke theorieën te behandelen, welke volgens mij van het meeste belang zijn.

Notes in this chapter

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings