De Bouw.
Reading edition
Het is thans mijne bedoeling, na te gaan wat door verschillende schrijvers der oudheid en der latere tijden geschreven is met betrekking tot de wijze van bouwen der Pyramide. Gaarne had ik gezien dat een bouwkundig theosoof dit in mijne plaats gedaan had, en er zijne beschouwingen aan had vastgeknoopt, maar aangezien mijn wensch in dezen niet vervuld is, hoop ik dat het hier geschrevene den een of anderen bouwkundige zal aanmoedigen zulks nog te doen, en zal zelf volstaan met zoo volledig mogelijk de verschillende verhalen der schrijvers over dit deel van mijn onderwerp op te sommen.
Allereerst dan Herodotus. Hij schrijft:
Vervolgens beschrijft hij de grootschheid van dezen weg, en merkt tevens op hoe gelijktijdig daarmede in den rotsgrond waarop de Pyramiden staan onderaardsche kamers werden uitgehouwen, die bestemd waren voor het begraven van de mummies der Koningen. Daarna komen wij in zijne reisbeschrijving van Egypte aan dat gedeelte, hetwelk de wijze van bouwen der Pyramide beschrijft. Merkwaardig is het, alvorens dit gedeelte aan te halen, nog even te vermelden hoe hij zegt dat “zij [de Pyramide] geheel overdekt is met gepolijste steenen, met de grootste zorg aanéén gevoegd, van welke steenen geen enkele minder dan dertig voet is.”
Verder zegt hij dan nog hoe op een der zijden van de Pyramide in hieroglyfen vermeld werd het loon der arbeiders, en maakt daaruit op den duur van den bouw, waarvan hij dan zegt dat hij “nog al lang heeft moeten duren.”
In ieder geval kunnen mijne lezers hieruit wel zien dat men uit Herodotus niet heel veel wijzer wordt en niemand is dat dan ook ooit geworden. Alleen heeft men mijns inziens te veel geloof gehecht aan hetgeen hij wel zeide, en men heeft vaak in latere boeken zijn beschrijving van den bouw als de ware aangenomen en zich in allerlei gissingen verdiept over de vraag wat die “werktuigen, die van hout gemaakt waren” dan toch wel waren, en bijna elk schrijver vindt dan een ander werktuig uit, of beweert dat de beschrijving die door een ander schrijver gegeven wordt niet deugt. Allen komen echter hierin overeen, dat het een soort van hefboom moet geweest zijn en de verschillen komen dan in een bespiegeling van de wijze waarop zulk een hefboom werkte, want een dergelijk ding moet toch een steunpunt hebben. En wanneer wij dus maar losweg zeggen dat met hefboomen gewerkt werd, volgen wij in dezen een weinig Archimedes na, die zeide dat hij de wereld wel opheffen kon, als hij maar een steunpunt voor zijn hefboom had.
Wij zullen het er dus over eens moeten zijn, dat indien de hefboomlegende als de ware beschrijving van het oplichten der buitenste steenen beschouwd moet worden, er aan Herodotus’ beschrijving toch nog wel iets ontbreekt dat tot beter begrip aanleiding kon geven. Met opzet? Als Herodotus er bij gezegd had dat hij ook wel eens had gehoord van een opheffen van de zwaartekracht, vrees ik dat hij zulk eene uitlating niet goed met zijn geweten overeen had kunnen brengen en haar daarom maar wegliet, ofschoon zijne beschrijving voor het nageslacht er niet duidelijker op geworden is. Tenminste, om steenen van 15 ton met een hefboom op te tillen in een beperkt bestek....!
Ik vrees dat onze volgende schrijvers het er niet beter afbrengen met hunne beschrijving; meestal halen zij Herodotus aan of spreken in het algemeen over hetgeen zij bij overlevering vernamen. Zien wij thans wat Diodorus zegt, hoewel zijne beschrijving nog vager is dan die van Herodotus:
Diodorus is de eerste die van de pyramiden spreekt als wereldwonderen, maar hoe bitter weinig zegt hij ons. Niets dan “men zegt“s en dan zeer uiteenloopende “men zegt“s en in niets overeenstemming met Herodotus dan in den duur van den bouw, de gedane uitgaven en de regeering van den koning. Over het tijdstip van den bouw is hij al bijster in het onzekere, “1000 jaar of 3400 jaar geleden”, en over den bouwer van de derde pyramide brengt hij ons alweer in het onzekere door de fabel van Rhodopis aan te halen, hetgeen Herodotus eveneens doet, alsook Strabo.
Van Plinius kunnen wij nagenoeg hetzelfde zeggen als van Strabo. Hij zegt: “De grootste van de Pyramiden is geheel voortgekomen uit steengroeven in Arabië; men beweert dat 360000 mannen 20 jaren gewerkt hebben om haar saam te stellen.” Uit eene verdere opmerking in zijn verslag kan men echter opmaken dat de gepolijste bekleeding op de buitenzijde der Pyramide nog bestond. Verder haalt hij met betrekking tot de wijze van bouw Diodorus aan. Plinius is echter de eenige schrijver die spreekt van een “put” welke onder de Groote Pyramide zoude zijn: “deze put vangt het water van den stroom op, flumen illo admissum arbitrantur”, op eene diepte van 86 ellen (39,8 M). Deze put is echter, voorzoover uit de door Plinius aangegeven maten is na te gaan, niet de bekende put. Plinius is de eerste schrijver die eenigermate juiste afmetingen aangeeft en het schijnt dat hij deze uit aan hem bekende documenten ontleende, aldus meent M. Jomard in zijn Remarques et Recherches sur les Pyramides d’Egypte.
De overige Latijnsche schrijvers werpen ook geen licht op dit deel van ons onderwerp en ik bepaal mij tot het even aanstippen van enkele merkwaardige uitingen in hun korte en onzaakkundige verslagen. Solinus zegt: “daar zij de maat der schaduwen te boven gaan werpen zij geen schaduw” en Cassiodorus herhaalt deze uitlating in prozaïschen vorm. Aristides zegt dat hij van de priesters gehoord heeft dat de Pyramiden even diep in den grond doordringen als zij er zich boven verheffen.
Bij de Arabische schrijvers vinden wij uitvoerige verhalen en legenden die echter alle eveneens op overlevering berusten, en wel van belang zijn met betrekking tot een geschiedkundig overzicht, maar ons geen belangrijke mededeelingen verschaffen wat aangaat de wijze van bouw. De meest bekende verhalen zijn die van Ebn Abd el Hokm, El Koday, Ibrahim ben Ouessif, Abd-el-latif. Hunne beschrijvingen bepalen zich tot het vermelden van den naam van den bouwer, Saurid geheeten, de reden waarom de Pyramiden gebouwd werden (nl. het opbergen van alle schatten aan kennis en aardsche goederen ter beveiliging tegen komende overstroomingen), hoe zij er uitzagen enz. Wij zien dus dat de andere schrijvers ons niets mededeelen dat ons helpen kan tot een begrijpen van de wijze waarop met “kleine houten werktuigen” de groote steenmassa’s op hunne plaats gebracht werden.
En wanneer men bedenkt dat deze steenmassa’s niet ruw op elkaar gestapeld, maar op wonderbare wijze zoodanig aaneengevoegd waren, dat men eer de steenen zelf kan verbreken dan ze van elkander scheiden, dan kan men begrijpen dat vele der onderzoekers in stomme verwondering betuigden, dat deze bouwkunst tot op heden nog niet geëvenaard is. Trouwens, dat lijkt mij toe met vele kunsten en nijverheden van deze oude beschaving het geval te zijn; doch het zou mij buiten mijn bestek voeren, hier in een lofzang te vervallen op de verschillende kunsten en nijverheden in Egypte die ons treffen als op een hooger peil dan de moderne staande. In verband hiermede is het echter voor een bewonderaar van het oude Egypte een genot, in Isis Unveiled H. P. Blavatsky hierover na te slaan. Met betrekking tot dit onderwerp haalt zij o.a. Kenrich aan:
Enkele Egyptologen zijn op het denkbeeld gekomen dat de steenen op de plaats zelve vervaardigd werden. Door een ingewikkeld werktuig zou water tot op de vereischte hoogte zijn gebracht, daar vermengd zijn geworden met zand enz., om te worden gevormd tot blokken van den juisten vorm en de juiste grootte.
Om terug te keeren tot den bouw zelf. De Fransche savants geven hunne meening niet te kennen doch halen eenvoudig de reeds door mij genoemde oude schrijvers aan. Van de latere schrijvers vermelden wij alleen de gezaghebbenden. Sir Gardner Wilkinson, de welbekende schrijver van Manners and Customs of the Ancient Egyptians, zoowel als Colonel Howard Vyse, (1831 en 1837), waren van meening dat het door Herodotus bedoelde werktuig een “polyspaston” was, of een werktuig dat veel in gebruik was bij de Romeinen, en dat beschreven wordt door Vitruvius. Het is een werktuig van vele takels voorzien. Als bewijs voor het gebruik van deze werktuigen haalt Vyse aan dat “in de blokken van elken omgang gaten zijn van 8 duim middellijn en 4 duim diep, waarschijnlijk om de werktuigen te ondersteunen welke Herodotus beschrijft.”
Perring in zijn werk The Pyramids at Ghizéh zegt dat hij vermeent dat houten steigers gebezigd werden. Met betrekking tot de buitenlagen merkt Wilkinson op dat de uitstekende hoeken van de opgestapelde rechthoekige steenblokken van boven af naar beneden weggekapt werden en aldus het zijvlak glad maakten. Hij grondt deze meening op eene uitlating van Herodotus.
Dr. Lepsius heeft met betrekking tot den bouw eene theorie opgeworpen die vrij algemeen vermeld wordt en bekend is. Deze is als volgt:
“Bij den aanvang van de regeering werd de rotskamer, die voor het graf van den vorst bestemd was, uitgehouwen en één laag metselwerk er op aangebracht. Stierf de koning in het eerste jaar zijner regeering, dan werd een buitenlaag er op aangebracht en eene pyramide gevormd; maar indien de koning niet stierf, werd een andere laag metselwerk er aan toegevoegd en twee van dezelfde hoogte en dikte aan iederen kant; aldus nam in verloop van tijd het gebouw den vorm aan van een reeks regelmatige trappen. Deze werden overdekt met steenen, al de hoeken opgevuld, en steenen als trappen geplaatst. Dan, zooals Herodotus ons reeds lang geleden mededeelde, werd de Pyramide van boven af naar beneden gereed gemaakt doordien al de uitstekende hoeken weggehouwen werden en een volkomen driehoek overbleef.”
Tegen deze theorie heeft Rawlinson bezwaren, want hij merkt terecht op dat dit glad maken van de buitenzijde een werk van jaren moest zijn en dat als een koning stierf, het zeer te betwijfelen viel of zijn opvolger dit werk op zich zou nemen; in ieder geval zou hij aan zijn eigen pyramide hebben moeten beginnen.
Wij hebben nu enkele der voornaamste schrijvers over dit onderwerp aangehaald, en het zal ons niet baten meerdere aan te halen aangezien zij geen nieuw licht werpen op de wijze van werken. Eene aardige samenvatting van de verschillende opvattingen van “de kleine houten werktuigen” en een beschrijving er van met vele platen vinden wij in een belangwekkend werkje van T. M. Barker, geheeten The Mechanical Triumphs of the Ancient Egyptians. Ook vinden wij hierin eene uitvoerige beschouwing van de werkwijze zooals die door Diodorus vermeld werd, namelijk met behulp van hellende vlakken, eene methode die ook in Indië werd gebezigd. Dit hellende vlak zou dan 3000 voet lang en 120 voet hoog zijn geweest en de helling zou 1 voet op de 25 bedragen hebben. Deze steenen helling, met vet besmeerd, zou hebben gediend om met verminderde kracht de zware steenen aan te slepen. Enkele archaeologen beweren dat gedeelten van deze hellingen nog te vinden waren in het begin der achttiende eeuw. De zwaarste steen in de pyramide van ± 60.000 K.G. zou dan getrokken moeten zijn door een bende van 900 man. De weg was 60 voet breed, dus konden er drie tegelijk naar boven.
Wie dit alles gelooven wil, hij kan bewijzen vinden blijkbaar, maar er ontbreekt veel aan om overtuiging te schenken.
Wanneer wij de bekende feiten goed onder het oog zien en overdacht hebben, kunnen wij thans zien, wat ons uit okkulte bron wordt medegedeeld omtrent den bouw. Wij vinden dan in de reeds meer door mij aangehaalde verhandeling The Pyramids and Stonehenge, het volgende:
“De hanteering van de reusachtige steenen, die bij dit bouwwerk gebruikt zijn en ook inderdaad de samenstelling van de groote Pyramide zelf, kan alleen verklaard worden door het toepassen op deze werken van eene kennis aangaande de Natuurkrachten, welke voor de menschheid verloren ging gedurende het verval van de Egyptische beschaving en het barbarisme van de middeleeuwen, en die door de hedendaagsche wetenschap nog niet teruggevonden is.”
En verder:
“Maar hoe kwamen zij de moeilijkheden te boven, deze reusachtige steenmassa’s te hanteeren, waarvan alleen de bovenelkanderplaatsing werktuigkundige hulp vereischt schijnt te hebben, welke wij in verbeelding nauwelijks met eenig ander tijdperk dan het onze kunnen samendenken? Wat dat aangaat, kan in Atlantis zelf gevonden worden, wanneer eindelijk een voller licht op zijn geschiedenis geworpen wordt, dat werktuigkundige hulpmiddelen van zeer vergevorderden aard beschikbaar waren voor elk werk, waarvoor zij noodig waren; maar de bouwers van dien tijd waren niet uitsluitend afhankelijk van middelen van dien aard, als waarvan wij nu gebruik maken, om groote massa’s te hanteeren. In de rijpheid van Atlantische beschaving waren enkele Natuurkrachten, welke nu slechts onder het bestuur van adepten in okkulte wetenschap zijn, in algemeen gebruik. De adepten van dien tijd waren onder geen verplichting het geheim van haar bestaan angstvallig bewaard te houden; en onder hen bestond het vermogen, thans zoo zelden uitgeoefend dat het bestaan zelf er van minachtend ontkend wordt door de alledaagsche massa—het vermogen om die kracht welke wij zwaartekracht noemen, te wijzigen.”
Hierna gaat A. P. Sinnett er toe over, het bestaan van dit vermogen te verdedigen en zegt dat, hoewel de groote massa’s der menschheid natuurlijk lachen om zulk een vermogen, waarvan zij nog nooit iets gehoord of gezien hebben, op dit geval het gezegde van Galilei, e pur si muove, zeer van toepassing is. En zeker is de geheele oplossing van het raadsel van den bouw van die oude bouwwerken in dit vermogen te zoeken. Helderziende waarnemers hebben in de ákashaïsche beelden den bouw gezien en onderzocht, en zij zeggen ons dat deze reusachtige blokken steen op hun plaats gebracht werden met behulp van steigers, zooals wij die zien gebruiken bij den bouw van een klein huis.
En hier vinden wij dus, om tot de Pyramiden terug te keeren, hoe men te werk ging bij den bouw er van. De adepten, die den bouw er van leidden, vergemakkelijkten het werk door de gedeeltelijke opheffing van de te gebruiken steenblokken, en de bouwers die onder hunne leiding werkten, bevonden dat de te gebruiken steenen gemakkelijk gehanteerd konden worden. Misschien viel het hun zelf niet eens op, dat dit vermogen door de adepten werd uitgeoefend. En dit nu is eene eenvoudige, hoewel ongetwijfeld zeer geheimzinnige, verklaring van het feit dat de reusachtige moeilijkheden, die zich voordeden bij den bouw van zulke kolossale bouwwerken, overwonnen konden worden. Hoe vreemd deze verklaring moge schijnen voor een leek, en hoe ongelooflijk zelfs, is niet de door de oudheidkundigen tot dusver aangenomen verklaring even ongelooflijk, wanneer men er over nadenkt? Zij toch zijn tevreden met aan te nemen dat de bouwers van dergelijke reuzenwerken en dus ook van de Groote Pyramide een onbegrensd aantal arbeiders jarenlang lieten arbeiden om de reusachtige steenen langs sleephellingen en door middel van balken, rollen en katrollen op de een of andere wijze op elkaar te stapelen. En wanneer wij nu weten dat bij deze bouwwerken de meeste steenen 2 of 3 honderd ton wegen en dat bijvoorbeeld bij den tempel van Baalber in Syrië steenen gebruikt zijn van 1500 ton, dan vergt deze hypothese der oudheidkundigen meer van ons geloof dan zelfs de okkulte verklaring. Zij willen ons iets laten aannemen wat wij weten dat physisch onmogelijk is, maar omdat zij het zeggen in ons bekende termen, en omdat zij spreken over dingen die wij zien kunnen met betrekking tot kleine gewichten, nemen wij het onnadenkenderwijs al te licht aan. Maar deze reusachtige werken van de oudheid staan voor ons als een blijvend bewijs, dat ten tijde van hun bouw de wereld getuige was van een bouwkunde, welke hare overwinningen niet behaalde door ruwe kracht, maar door de toepassing van een subtieler kennis dan heden ten dage bezeten wordt.
Na den bouw thans zoo ver mogelijk behandeld te hebben, rest mij het inwendige gangen- en zalenstelsel te beschrijven, om dan tevens over te gaan tot het eigenlijke doel dezer verhandeling, namelijk het nagaan van de verschillende theorieën die met betrekking tot de beteekenis van dit bouwwerk ontstaan zijn.