← Table of contents
De Groote Pyramide

Mystieke Theorieën.

Reading edition

Onder de schrijvers van jongeren datum over ons onderwerp bekleedt Marsham Adams eene plaats, welke geheel afgescheiden is van die der ouderen. De meeste theorieën, welke wij tot dusver nagingen, vertoonden een punt van overeenstemming met elkander en berustten vaak op een gemeenschappelijk uitgangspunt. Marsham Adams echter heeft ons in zijn beide werken The Book of the Master en The House of the Hidden Places een geheel nieuwe richting van denken aangeduid, welke ik thans beschrijven zal. De godsdienstige denkbeelden der Egyptenaren zijn in hoofdzaak weergegeven in Het Boek der Dooden en de Egyptenaren, wel wetende dat de papyrus, waarop de denkbeelden neergeschreven zijn, vergankelijk is, wenschten deze denkbeelden aan de latere geslachten bekend te maken en na te laten. Vandaar hun onvermoeide ijver om in schoonen kunstvorm op de muren van de tempels en van hunne andere bouwwerken hunne godsdienstige denkbeelden en geschiedenis weer te geven. Doch ook hiermede was de vergankelijkheid dezer mededeelingen aan het nageslacht niet overwonnen.

Eén middel was nog mogelijk, en wel een dat bij dit volk van groote bouwwerken zeer voor de hand lag, namelijk het in een bouwwerk in symbolischen vorm weergeven van deze leeringen. Een tweede doel werd hiermede gediend, want een belangrijk kenmerk van den godsdienst van dit volk was, dat de profanen, zoowel als de trapsgewijze opklimmende graden van priesters, de zedeleer en wijsheid van hun godsdienst leerden door symbolen en ritueel. Het bouwwerk kon dan tevens dienst doen als een tempel van inwijding in de mysteriën van den godsdienst.

Met betrekking tot deze zeer uiteenloopende wijzen om hun godsdienstige begrippen voor het nageslacht te bewaren, merkt Adams op:

In beide genoemde werken handelt Adams eveneens over andere aanzichten van het vraagstuk der Pyramide, doch deze aanzichten zijn meerendeels verkorte overzichten van de sterrengodsdiensttheorie, terwijl zijn opvattingen van enkele verzinnebeeldingen van natuurfeiten in het bouwwerk zeer oppervlakkig en geenszins te bewijzen zijn. Dit is jammer, daar het natuurlijk afbreuk moet doen aan de waarde van het geheel zijner theorieën. Nochtans is het hoofddenkbeeld van zijne uiteenzetting van groote waarde voor Theosofen, omdat zij in verband met andere gegevens uit hunne literatuur hier steun vinden voor hunne bewering dat de Groote Pyramide een tempel van inwijding was. Waarschijnlijk is het dan ook om deze reden, dat zijne werken den Theosofischen studeerende van bevoegde zijde steeds ter bestudeering aanbevolen werden. Stellig kunnen wij veel schoons vinden in zijne theorie, en om deze reden wil ik ze hier dan ook uitvoerig vermelden. Tot een beter begrip van hetgeen wij zullen aanhalen, dienen wij ons in de eerste plaats echter een denkbeeld te vormen van wat het Boek der Dooden is.

en verder

terwijl wij lezen:

In het Boek der Ademhalingen (een deel van het Boek der Dooden) lezen wij:

Thôth, de machtigste god, de heer van Khemenna, komt tot u en hij schrijft voor u het Boek der Ademhalingen met zijn eigen vingers.

Adams dacht reeds in deze zelfde richting, hoewel niet zoo ver gaande, doch hij merkt op dat de titel van het werk zeer ongelukkig gekozen is,

Wij kunnen thans, nu wij weten wat bedoeld wordt met het Boek der Dooden, en geholpen door de kennis die wij bijeenverzameld hebben omtrent de Groote Pyramide, overgaan tot het opbouwen van eene theorie waarin deze beide gegevens de hoofdfactoren zijn tot het in overeenstemming brengen van hetgeen Adams ons mededeelt in zijn werken, hetgeen maçonnieke schrijvers (voorstanders van het beginsel dat de Vrijmetselarij haar oorsprong vindt in de Mysteriën) ons verkondigen als hunne meening, en hetgeen door Theosofische schrijvers is beweerd. Het komt mij voor, dat ik deze theorieën niet afzonderlijk kan behandelen, daar zij te veel gemeen hebben en de een de andere steunt. Ik zal mij dus in dezen er toe bepalen aan de hand van hetgeen Adams mededeelt als zijn opvatting, de maçonnieke en Theosofische lezingen op dit punt te beschrijven.

In zijn Boek of the Master zegt Adams:

Het is wellicht noodzakelijk, op te merken dat Adams hier in beeldrijke spraak en volgens eigen opvatting andere dan de gebruikelijke benamingen bezigt. Zijn boek van den Meester van het verborgen Huis is het Boek der Dooden, zijn verborgen Huis is de Groote Pyramide, de zaal van gebeeldhouwde Pracht is de Groote Galerij.

Wij zien uit het zooeven aangehaalde wel in, dat Adams denkt dat de godsdienstige leeringen der Egyptenaren vervat waren in het Boek der Dooden, en dat de Pyramide de Tempel is waarin de leeringen in steen verzinnebeeld zijn, maar dat deze tevens de plaats was waarin deze leeringen werden medegedeeld. De wijze van mededeeling is dan in hoofdzaak de volgende. De kandidaat ziet zekere begrippen verzinnebeeld of doorloopt in zinnebeeldigen vorm enkele dezer. Daarna wordt hem de beteekenis medegedeeld van hetgeen hij zag en van hetgeen hij doormaakte. Dit is in hoofdzaak waar, en komt geheel overeen met de nog bestaande maçonnieke inwijdingsgebruiken, waarbij de leerling de reizen in de Loge aflegt, en de Achtbare Meester hem daarna de beteekenis van dezen symbolischen omgang uitlegt. Het verschil tusschen de opvatting van Adams en die der vrijmetselaren omtrent het doormaken van deze reizen moet noodzakelijkerwijze bij eenig nadenken een ieder duidelijk zijn. Bij de reizen van den kandidaat voor inwijding in de Pyramide doorliep hij symbolisch de gebieden aan gene zijde des doods en hem werden bij de uitlegging dezer reizen vele belangrijke dingen onthuld omtrent die gebieden. Dit was natuurlijk bij de lagere inwijdingen het geval. Bij verdere inwijdingen werd hij onderricht omtrent de verschillende lichamen van den mensch, hun ontstaan en werking en ten slotte hun verband tot den Logos van dit stelsel. Voor den ernstigen bestudeerder is dit alles na te gaan in het Boek der Dooden, zooals wij zouden kunnen aantoonen.

En nu is het mijn gevoelen, dat de reizen bij de inwijding van den kandidaat voor Vrijmetselarij oorspronkelijk hetzelfde beteekenden, doch dat met het verdwijnen van de kennis omtrent de waarde en beteekenis der symbolen bij de leden dier orde, ook het juiste begrip hieromtrent verdwenen is. Het is mijne ernstige overtuiging, dat indien een vrijmetselaar, die grondig bekend is met de verschillende symbolen en oude gebruiken der Orde, het Boek der Dooden ernstig bestudeerde in verband met deze, hij de analogie zou vinden en een hoeksteen zou hebben bijgebracht tot het bewijs van een verband dier orde met de oude Priesterkasten in Egypte. Want hoewel het mijn en veler anderen persoonlijk gevoelen is, dat de vrijmetselarij in verband staat met de oude Egyptische mysteriën, is mijns inziens het bewijs nog nimmer volkomen geleverd en is er dus nog steeds een ruim veld van arbeid voor de voorstanders dezer bewering. G. Oliver zegt in zijn werk Geschiedenis der Inwijdingen: “Zonder twijfel zijn de pyramiden kort na de verstrooiing daargesteld als afbeeldingen van den grooten toren in de vlakte van Shinar, en evenals de laatste diende om de inwijdingen te verrichten zoo dienden daartoe ook de eersten.” Nu is Broeder Oliver een man van gezag onder de Broederen; de lezing van zijn werk echter is wel bevredigend voor wie zijn gevoelen deelt, doch levert geen bewijs voor een tegenstander der theorie. Evenmin kan men als bewijs aanhalen hetgeen Clavel zegt omtrent inwijdingen in de Pyramide in zijn werk Geschiedenis der Vrijmetselarij. Het denkbeeld is aan velen gemeen, doch het bewijs moet nog geleverd worden.

Van een Theosofisch standpunt zou ik zoowel tegen de theorie van Adams als tegen die der vrijmetselaars willen opmerken dat ik het niet eens kan zijn met hunne opvatting dat deze inwijding doorgemaakt werd in het stoffelijk lichaam. Ik meen te mogen opmaken dat alle ons gedane mededeelingen van Theosofische gezaghebbenden er op duiden dat deze inwijdingen doorgemaakt werden in het astrale of in hoogere lichamen. Het fysieke lichaam werd wel uit den tempel langs ondergrondschen weg naar de Pyramide geleid en daar in trance bewaard tot na afloop der ceremonie, doch de inwijding werd van A tot Z doorgemaakt in het astraallichaam. Is dit zoo, dan begrijpen wij eveneens waarom er geen bezwaar aan verbonden was dat de ingang der Pyramide afgesloten was door de marmeren deklaag. De eerste proef was of de entiteit zoodanig bewust was in zijn astraallichaam dat hij wist dat hierin geen hinderpaal van zijn voortgang bestond. Dit feit is in overeenstemming met hetgeen ons ook medegedeeld wordt door andere schrijvers over dit onderwerp.

Hierin vinden wij ook de oplossing voor de tegenwerping dat er geen licht zoude zijn. Astraal licht was er toch, en zouden de aura’s der hierofanten niet voldoende licht geven voor den kandidaat? Bij eene stoffelijke inwijding zou dit bezwaar zeker bestaan, tenzij kunstlicht in voldoende mate bekend was, hetgeen naar enkele schrijvers beweren, wel het geval was.

Hebben wij eenigszins uitvoerig hierbij stilgestaan, het was noodig tot een juist begrip van veel dat volgen zal. Gaan wij thans verder met het eigenlijke punt van behandeling, namelijk het doorloopen van het inwijdingsceremoniëel in de groote Pyramide volgens het Boek der Dooden.

In de Juni- en Juli-aflevering van The South African Theosophist heeft Br. G. D. Stonestreet in een verhandeling over The Origin of Freemasonry gezegd dat hij het onnoodig vond, voor vrijmetselaars de overeenkomsten aan te toonen die er bestaan tusschen hetgeen Adams schrijft en hetgeen de Vrijmetselarij leert. Dit is zeer zeker waar; en voor hen die niet met de symbolen en gebruiken der Vrijmetselarij bekend zijn, is het verband niet aan te toonen. Het is derhalve voldoende uitvoerig te vermelden hetgeen Adams schrijft.

Adams verdeelt de inwijdingsceremonie in die van drie graden, namelijk:

Eerste graad: De Inwijding van den Kandidaat, welke graad verzinnebeeld werd door een scarabee—het symbool van den “Eeuwige”, het zelfgeschapen wezen dat geen Begin, en geen Einde kent.

Tweede graad: De verlichting in Waarheid, welke graad voorgesteld werd door een figuur, staande voor “Amen”, de verborgen godheid.

Derde graad: De Meester van het geheim, welke graad voorgesteld werd door een grafsteen.

Voordat wij thans overgaan tot de beschrijving van het ceremoniëel van De Inwijding van den Kandidaat volgens het Boek der Dooden, willen wij eerst iets mededeelen over enkele Egyptische begrippen in verband met deze dingen.

Volgens de leer der Egyptenaren werd de vereeniging van den innerlijken mensch met de Godheid op zeer langzame wijze voorbereid om ten slotte door een daad van groot ceremoniëel plotseling tot stand te komen in haar uiterste instantie. De Mensch-God Osiris werd met den God Osiris vereend in bewustzijn, doordien die innerlijke mensch tot de gestalte van Osiris wies. Vandaar dat wij in het ritueel steeds goed moeten letten op het onderscheid tusschen den ingewijden Osiris of den waren mensch en de Godheid Osiris. Zoodra de Mensch-God Osiris deze gestalte verkregen had, deelde hij in het bewustzijn van de Godheid. Met deze vereeniging ging gepaard een verkrijgen van hoogere kennis omtrent den mikrokosmos en den makrokosmos.

Adams geeft in wonderschoone bewoordingen weer hoe dit verkrijgen van kennis geschiedt, en voor degenen die geen Engelsch lezen, is het zeker de moeite waard dit stuk hier in zijn geheel aan te halen:

Uit het hier aangehaalde blijkt wel, dat Adams meent dat de kennis van het zonnestelsel en het heelal een deel vormde van de wijsheid, die den kandidaat voor kennis medegedeeld werd in de Groote Pyramide, en wel voornamelijk door aanschouwing.

Alvorens nu echter verder te gaan, kan het goed zijn dat wij ons eerst een denkbeeld trachten te vormen van hetgeen onder die Mysteriën begrepen kan worden. Van de hoogere mysteriën, al weten wij niet wat zij geven, kunnen wij toch zeggen, dat zij eene inwijding zijn in de hoogste kennis aangaande den mikrokosmos en den makrokosmos en het verband tusschen beide. Hoe hoog die kennis gaan kan, kunnen wij met ons lagere verstand niet bevatten. Maar alleen zou ik denken dat veel, wat nu als geopenbaarde kennis aan de wereld gegeven is, in die tijden der oudheid behoorde tot de mysteriën. Wij zijn rijp geworden voor kennis, waarvoor de menschen van dien tijd niet rijp waren. Ik grond deze meening op een feit, dat ook vermeld wordt in de Geheime Leer. Enkele ingewijden of dichters, die aan deze kennis kwamen door hunne intuïtie, wisten van de werkelijke bewegingen der aarde, zon en in het algemeen van de ware inrichting van het zonnestelsel, toen de massa nog niet beter wist, dan dat de aarde het middelpunt der schepping was en alles om haar wentelde. Zoodra zij (de ingewijden of de dichters) dit feit onbedacht aan de wereld mededeelden, volgde daarop de straf: dood of verbanning. Thans zijn deze dingen niet meer geheim of verborgen. In het algemeen kunnen wij ons voorstellen dat de leer van den bouw des heelals en de wetten van de regeling er van een deel der mysteriën uitmaakten, en wel een zeer voornaam deel. Waarschijnlijk werden de eenvoudigste wetten en waarheden in symbolischen vorm den volke verkondigd in de tempels, en dan zien wij dus dat de sterrenleer der ouden, n.l. de sterrenwichelarij, de sterrenvergoding enzoovoorts, de exoterische vormen waren, waarin de machtige wetten van den makrokosmos verzinnebeeld werden. De sterrenleer was schoon en waar maar de kern was nog schooner en machtiger.

Zoo kan ik mij dus denken, dat in de mysteriën verklaringen gegeven werden van deze uiterlijke symbolen en sterrenleer en meer dan dat, dat ook de leer der cyclussen, als de groote wet van de regeling van den makrokosmos, daar werd geleerd en verklaard.

Als dit zoo is, zien wij in waarom de siderische cyclus zulk een groote rol speelt in de theorieën over de Pyramide, en tevens waarom zulk een nauw verband gezocht wordt tusschen de Pyramide en de sterrenkunde, sterrenwichelarij en sterrengodsdienst in het algemeen.

H. P. Blavatsky zegt: “De slangen van wijsheid hebben hunne verslagen goed bewaard, en de geschiedenis van de menschelijke evolutie staat opgeteekend aan de Hemelen zoowel als op ondergrondsche muren. De menschheid en de sterren zijn onverbreekbaar verbonden, vanwege de Verstandswezens, die de laatste besturen.”

Zouden deze ondergrondsche muren niet op muren van de Pyramidekamers doelen? Ik denk van wel, want verder zegt H. P. Blavatsky dat Staniland Wake gelijk heeft met te zeggen: “Het is onbetwistbaar dat de Zondvloed in de legenden van Oostersche volkeren verbonden geweest is, niet alleen met de Pyramiden, maar ook met de sterreteekens.” Dit schijnt rechtstreeks op het voorgaande te doelen.

Het is ook niet onnoodig op te merken, dat het volgens de Egyptische denkwijze niet voldoende was de grondkrachten van het heelal te kennen, benevens al de verschijnselen des hemels en de samenstelling van de meest verwijderde zonnen. Ook was het niet mogelijk de wetenschappelijke kennis zoodanig uit te breiden dat men door den wil een bewerktuigde wereld scheppen kan uit de atomen van de peillooze diepte, enkel en alleen door uitbreiding van het aanzicht van kennis van het bewustzijn. Neen, niet alleen deze uitbreiding van het verstand was voldoende tot inwijdingen in de mysteriën, en de afmetingen en verhoudingen van het verborgen Huis werden niet verklaard zonder dat hij die ingewijd wenschte te worden, wijsheid had, de leeringen van Thoth (den God der wijsheid) in zich had opgenomen.

Geen mensch kan de Godheid aanschouwen wanneer hij niet in de waarheid onderricht is, ook kan niemand de inwijding ontvangen tenzij hij dood voor het vleesch is.

Notes in this chapter

Note 1 · M. Adams, The Book of the Master, blz. 105.Note 2 · Uitgegeven door M. Naville.Note 3 · De Heliopolische verzameling van het Boek der Dooden (vijfde en zesde dynastie) zijnde de oudste aan ons bekende vorm van dit werk, is met eNote 4 · E. Budge, The Book of the Dead, blz. XLV.Note 5 · t.a.p. blz. XLVI.Note 6 · t.a.p. blz. LXXV.Note 7 · The Book of the Master, blz. 96.Note 8 · Men leze hierover Hermes, the Thrice-Greatest, door Mead.Note 9 · Book of the Master, blz. 97.Note 10 · t.a.p. blz. 123, 124.Note 11 · House of the Hidden Places, blz. 192–195.Note 12 · Het is moeilijk een grooter tegenstelling te bedenken dan die welke geboden wordt door de beide vormen, waarin het verslag der Egyptische leNote 13 · De algemeene wetenschappelijke verklaring is deze. Het Boek der Dooden bestaat uit een groot aantal bijeenverzamelde hoofdstukken, waarvan dNote 14 · Noch onderzoekingen, noch ontdekkingen hebben ons tot nog toe eenigerlei inlichting verschaft aangaande het tehuis, den oorsprong en de vroeNote 15 · Waar en door wien de teksten van het Boek der Dooden werden samen gesteld, is eveneens onbekend.5Note 16 · Sinds onheuglijke tijden werd de God Thoth, die zoowel het goddelijke verstandswezen, dat bij de schepping de woorden uitte welke ten uitvoeNote 17 · Van een Theosofisch standpunt zouden wij gaarne een andere opvatting willen aanvoeren over dit Boek der Dooden. Adams denkt eveneens anders Note 18 · Thôth toch is mijns gevoelens de groote leeraar Hermes,8 die als onderrichter in de mysteriën van het oude Egypte optrad, en uit bovengenoemNote 19 · want hij geeft het denkbeeld, de heilige afgestorvenen te beschouwen als dood, terwijl de geheele opvatting van de leer de onderrichting in Note 20 · Alleen wanneer wij het Geheime Huis vergelijken met het Geheime Boek van zijn Meester, begrijpen wij de beteekenis van zijn geheime plaatsenNote 21 · De ziel, voor een oogenblik verlicht door de volheid van de Godheid, werd van dien tijd af bekwaam tot overeenstemmen met de goddelijke Krac
Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings