Note 11 — Mystieke Theorieën.
Reading edition
De ziel, voor een oogenblik verlicht door de volheid van de Godheid, werd van dien tijd af bekwaam tot overeenstemmen met de goddelijke Kracht. De zinnen, wederom onbedorven, werden langzamerhand gevormd tot werktuigen, in staat om het opgaan der ziel in die oneindige kracht weer te geven, voor welke de grenzen van ruimte en tijd niet bestaan, maar voor welke verleden en toekomst gelijkelijk openstaan in een eindeloos heden; die alles te boven gaande vrijheid, waarin Handeling één is met Willen en Willen eenzelvig met Denken. Opdat de zinnen zoodanig belevendigd en verlicht mogen worden dat zij de werking van het Scheppend Denkvermogen in het uiterlijk heelal waar kunnen nemen, moet die vordering door den ‘overledene’ in persoon doorgemaakt worden, welke de bestudeerder der wetenschap, terwijl hij nog niet bevrijd is van onderworpenheid aan de zinnen, vagelijk maakt door het verstand. Want wie het samengestelde bouwwerk van de hemelen zou willen begrijpen, het samenstel van de heilige verblijfplaats van den mensch, moet uitgaan van de poolster, en den horizon trekkende vanuit het punt der Equinoxen, hetwelk een gelijke verdeeling geeft tusschen het licht en de duisternis, moet hij begrijpen hoe de as der aarde voor den mensch de oorspronkelijke ruimtemaat is en de standaardmaat der Diepten. Indien hij het geheim van den levenden vorm zou willen kennen, zal de oceaan zijn leeraar zijn als hij van het strand tot de diepste diepten gaat en de geheime plaatsen van de kokende wateren peilt. De maat van de omloopen aan den hemel zal hem onthuld worden door de maan, daar hij door middel van dien wachter de draaiing en wenteling van onze planeet waarneemt. Om niet louter de beweging maar de ontwikkeling van onzen bol te begrijpen, moet hij de plaats van het centrale vuur der aarde trotseeren, onbevreesd voor de duisternis der grotten van de vlammende afgronden. En daar, terugziende over ontelbare eeuwen, zal hij temidden van aardbevingen en ondenkbare aardrampen den ‘Heer der Wet’ en de ‘Ordewoorden’ vinden; terwijl de reusachtige bergketenen hooger en hooger uit den chaos omhoogrijzen om de oppervlakte der aarde voor te bereiden tot woonplaats van den mensch. Vervolgens strekt zich voor hem de schaduw der aarde uit in dat vaag verlichte en uitgestrekte uitspansel, waar de majesteit der open hemelen in nacht omhuld is; en hij neemt waar hoe de samenstanden der eclipsen te danken zijn aan dezelfde macht als de omloopen van verlichting, en hoe het uur der duisternis afgemeten wordt door den Gever van het Licht. Wanneer hij die schaduw doorgegaan is, treft hem een nog meer ontzag inboezemend gezicht, de vreeselijke pracht van de zonnebron in al hare volheid; en als hij langs den zevenvoudigen opgang van de planetensfeer omhoogstijgt, blikt hij onverblind op de reusachtige lichtbundels en vlammenstralen, die plotseling duizenden en myriaden mijlen hoog te voorschijn schieten. Dan, verre in de oneindige diepten en ruimten, zoeken zijne oogen, thans schitterend ‘als de oogen van Hator’, den veelgeliefden Sothis [Sirius], den brenger van de nieuwe dageraad, het portaal van de onbegrensbare hemelen, ‘dat land van millioenen sterkten’.11