Note 14 — Hoofdstuk I.
Reading edition
De Adepten die zich in Egypte vestigden vonden daar, niet meer het half wilde ras, maar een zich ontwikkelend ras dat een mengeling was van de oude rassen en Aziatische emigranten, de zoogenaamde Roeta-Atlantiërs. H. P. Blavatsky zegt van deze rassen: “Niettemin schijnt zelfs in de dagen van Plato niemand behalve de priesters en de ingewijden eenigerlei bepaalde herinnering aan de voorafgaande rassen bewaard te hebben. De allereerste Egyptenaren waren gedurende eeuwen en eeuwen van de Atlantiërs gescheiden geweest; zij zelve stamden af van een uitheemsch ras, de Roeta-Atlantiërs, en hadden zich 400.000 jaren vroeger in Egypte gevestigd”14.