← Table of contents
Avondstonden

WEETLUST EN GELOOF

Reading edition

ZINNEBEELD

Ik wandelde alleen met mijne ziel door de naakte velden.

De Winter met zijnen kouden adem had de natuur haar tooisel ontroofd; het geboomte was dor, de bladeren klaterden niet meer,—en alles bracht sombere gedachten in mijn hart op.

Terwijl ik naar het raadselwoord dezer natuurversterving zocht, vertraagden de jagingen mijns boezems onder koude gepeinzen.

Ik voelde, dat ik de rustende natuur gelijk werd; want somber nadenken verdoofde de levenskracht in mijn lichaam.

Het levend raadselwoord stond vóór mij!

Een grijsaard met gebogen rug zat weemoedig bij de baan, op den stam eens booms, door den storm ontworteld.

De wind joeg zijne zilverwitte lokken tegen zijn hoofd op; twee koude tranen rolden door de rimpels zijner wangen; de scherpe winterzon schoot hare schuinsche stralen op zijnen blinkenden schedel. Hij bracht zijne beenige en magere hand aan zijn ooglid, en, terwijl het smartwater op zijne wang droogde, wees hij met zijnen vochtigen vinger vooruit en sprak:

"Zoo naakt als de velden, zoo nevelig als de lucht, zoo dor als het geboomte, zoo koud als het ijs der slapende beek is ook mijn hart.

Want ik heb diep in mijne borst gewroet, en aan den geest, die mij verlevendigt, rekening zijner geheimste aandoeningen gevraagd.

En naar het raadselwoord van alles, naar het onbegrijpelijk grondbeginsel gezocht.

Dit onderzoek was eene godslastering; de straf, die er op volge, was zwaar om te dragen.

Bij ieder antwoord, dat de geest mij gaf, ontviel mij een deel mijner genietingskracht; bij elk gevonden raadselwoord verdroogde het troostend geloof en het steunend betrouwen in mijnen boezem.

Alles werd logen en bedrog in mijn oog: logen en valschheid, tot de dienst Gods zelf.

De bekoorlijke schimmen der jeugd ontgingen mij ontijdig;—mijne wenkbrauwen zonken over mijne oogen;—twee breede rimpels verwisselden elkander steeds op mijn voorhoofd, en koude en drukkende gepeinzen werden mijn aandeel.

Ik bereikte den Winter des levens, zonder de zachte schaduw des Zomers of de vruchten van den Herfst gezien te bebben."

Medelijden drong in mijnen boezem, en ik antwoordde met zachte stem:

"O, vader, indien de nevel des ouderdoms boven uw leven hangt, indien de aarde uw hoofd tot zich trekt.

Kunt gij dan uw treurend hart niet meer door heugenis van betere tijden troosten en voeden? Kan de hoop op een zalig en beter leven u niet verkwikken en ondersteunen,—dat gij weenend ten grave zinkt?"

"Kind!" hernam de grijsaard met eenen galbitteren glimlach, "gij kent des menschens leven niet!"

Eens was ik jong en vermogend, als gij nu zijt; rozen blonken op mijne wangen,—en alles lachte mij toe in de gulle natuur.

Mijn oog verstond hare tooverende kleuren en spelende gedaanten.

En dan bewonderde ik het werk des Scheppers; want dan geloofde ik.—Ik kon bidden en danken.

Maar de dagen der kindsheid gingen voorbij,—als het schitterend dwaallicht, dat bij eenen zoelen zomernacht zich blij en dansend verheft en uitdooft—om nimmer, nimmer weder zoo vroolijk te schijnen.

Ik geloofde alsdan, dat het leven altijd vreugde genoeg geven zou om het lijden te kunnen vergeten.

En blijde trad ik als een nieuweling in de groote wereld.

Mijne gulle hand drukte de hand van allen: ik dacht dat de liefde met de zielen der menschen geschapen was.

Dit geloofde ik, want rijkdom was mijn aandeel.

Eens kwam de armoede mij met hare magere armen omhelzen,—en ik riep mijne vrienden met vertrouwen te hulp. Dan zag ik dat er weinig liefde in 's menschen hart is.

Want zij verlieten mij allen en lachten spottend om mijne wanhoop.

Ik zag hen ieder een deel mijner have wegdragen.

Een eenige bleef bij mij. In ongeluk en rouw droogde hij het zilte water op mijne wangen.

En hij dronk met mij uit den galbeker des rampspoeds.

Ho!—op mijn hart en in mijn hart was zijn verblijf,—mijn boezem klopte zoo dankbaar tegen den zijnen!...

Maar de dood, de nijdige dood wierp hem eenen schicht in de borst;

En het gapend graf ontving zijn lichaam,—en de koude aarde bedekte den eenigen mensch, dien ik beminde op aarde....

En het was voor eeuwig!

Dan zocht ik het geluk in de min.

Rustig en arm leefde ik van het werk mijner handen,—en het arbeidszweet vloeide menigmaal brandend op mijn aanschijn.

Ik kreeg eene teedere vrouw en liefderijke kinderen.

En ik voelde in mijn hart het genoegen en de vreugde herleven.

Aan God dacht ik niet!

Maar dan ging er eene plaag, een schrikkelijke geesel door de wereld.—De zeise des doods liep over de aarde;

En al de hoofden, op welke ik mijne rust en vrede gebouwd had, werden geslagen.

Mijne vrouw, mijne zonen, mijne dochters kwamen beurtelings op mijnen boezem den geest geven. Ik heb hen allen daar op mijne knieën zien liggen en sterven in onuitsprekelijke lichaams en zielsfolteringen.

Toen de oogen mijns eerstgeborenen verdwaalden, en zijne ziel reeds tweemaal op zijne lippen was geweest,

Dan bad ik den Heer om genade;

Doch nu hoorde Hij mijne smeeking niet;—want eene afgrijselijke stuiptrekking wrong de leden mijns zoons te zamen, en dreef den geest, die hem bezielde, uit het zwakke lichaam.

Wanhopig lag ik tusschen hunne koude lijken. Ik riep hen in mijne zinneloosheid.

De dooden hooren niet!...

Dan toog ik de besmette lucht, die hen omringde, met den adem in mijne longen. Hoe zoet ware mij de eeuwige slaap geweest!

Doch ik kon niet sterven: de kelk was nog niet tot den bodem geledigd....

En al wat ik beminde, zonk met hen ten grave.

Een onbeklimbare grenszuil ging tusschen den vader en zijn kroost op.

En ik bleef alleen in de wereld.

Dan liet ik mijnen blik in het verledene gaan, en ik berekende de hoeveelheid mijner pijnen en mijner vreugden.

En ik bevond, dat de oogenblikken van waar genoegen in vergelijking met de droefheidsstonden—waren als 1 tot 1000!

Ik riep spijtig en lasterend tot God:

Is het dan alleenlijk om te lijden en te weenen, dat Gij den mensch hebt gevormd? Waarom hebt Gij de gevoellooze stof niet laten slapen, opdat rust en vrede het deel der ongeschapene natuur bleve?...

En de Heer strafte mij nogmaals om mijne lastering; want mijn hart werd koud:

Geloof ontging mij gansch,—weenen kan ik niet meer, ook niet klagen.

En dan kwam eerst de duistere gevoelloosheid mij den galbeker voor de lippen houden;

En de dagen mijns levens werden voor altijd nevelig en duister!"

De grijsaard stond op, en ik zag hem langzaam heengaan.

Zijn schedel helde zwaar voorover,—hij wandelde moeilijk en ging gebogen onder het gewicht zijner droeve heugenis.

Zijne schrikkelijke voorzegging beneep mijn hart met somber aandenken.

Reeds zag ik in de toekomst de nare spoken van rampspoed en ongeluk mij te gemoet treden.

Doch ik had nog betrouwen in God.

Mijn oog ging smeekend ten hemel.

En een straal van troost en genade dreef de ontijdige overdenking weg.

Ik wendde mijne stappen naar den tempel des Heeren; want verkwikking vroeg mijne ziel.

Mijne voeten liepen dwalend over het wentelende kerkhofpad.

En ik bevond mij op de half doorsletene knielbank van het beenderhuisje.

Dáár ontving ik den grimmenden lach der dooden, en mijn blik viel met angstige vervaardheid in de diepe oogen der slapende schedels.

Ik beefde en eene huiverige koude liep mij over het lichaam,—want eene magere en beenige hand raakte de mijne.

En de grijsaard stond weder nevens mij.

"Kind!" sprak hij, terwijl hij met zijnen vinger eenen witten schedel raakte, "ziet gij daar dit hoofd?—Dit was mijn vader!..."

En een vloed hartbrekende tranen en bittere zuchten verstikten zijne stem.

En de schedel scheen spottend om zijne droefheid te lachen.

Dan de richting zijns vingers veranderende, raakte hij eenen kleineren schedel en sprak:

"Ziet gij daar?—Dit was mijn eerstgeborene!... Jong als gij was hij,—en hij stierf toch.

Dit is het hoofd mijner bekoorlijke vrouw.—Dit mijn vriend!...

Tusschen deze dorre schedels rust mijne hoop, mijn vrede, mijn geluk en mijne zaligheid!

Ziet gij? de stuiptrekkende lach der martelpijnen blijft nog na het leven over.

Daar is ook eene plaats voor u, tusschen dit gebeente, o kind.

En dan zullen uwe oogen ook hol zijn, en het water zal uwen schedel ook wit maken en bederven...."

Terwijl ik met angst in de ziel, des grijsaards woorden als eenen lastigen droom van mij wilde jagen, wachtte de nijdige man op mijn antwoord. Eene vrouw met bleeke wangen sloop zachtjes als eene schaduw voorbij.

Tusschen hare kille tranen zweefde een zalige glimlach, zoo zoet en zoo beminnelijk als de hoop zelve.

Bloemkransen hingen aan hare fijne vingeren; zwart floers dekte haar.

Zij knielde neder op een nieuw gedolven graf en strooide de bloemen op de aarde.

De grijsaard wees nogmaals op de schedels en vroeg:

"O, kind, verstaat gij het leven nu?—Begrijpt gij nu dit raadselwoord van alles—vernietiging?

"Geloof hem niet, o kind!" riep de weenende vrouw, "geloof hem niet!"

Zij hief hand en oog ten hemel en riep als eene profetes, door God verlicht:

"Dáár woont het eeuwige raadselwoord van alles,—van leven, van dood,—van geluk en rouw!...

Ik ben ook door God bezocht geworden,—mij ook is een echtgenoot, een kind ontrukt: De koude aarde dekt ook hunne lijken. En echter heb ik nog troost gevonden in dit eeuwig raadselwoord van alles:—God."

Nu ontviel mij de lastige droom van vertwijfeling.

Met dankbaarheid zoende ik de hand der vrouw, die mij verkwikt en verlicht had; mijn hart verbitterde op den boozen grijsaard.

En ik vroeg stoutelijk naar zijnen naam.

Hij antwoordde: Weetlust!

En de vrouw op deze vraag antwoordde: Geloof!

Zij dekte mij met haren mantel; en geene enkele wanhopige gedachte kon mij onder dat heilige scherm nog raken.

Ik kreeg rust, geluk en vrede ten deel.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings