← Table of contents
Avondstonden

II

Reading edition

DE ENGELBEWAARDER, DE DUIVEL EN HET MEISJE

DE ENGEL.—Terug, du booze geest, wat koms du hier zoeken?

DE DUIVEL.—Denks du, engel des lichts, dat ik dij eene ziele zonder strijden overlate? Drijf dijne liefde dij tot de bescherming der menschen, mijn haat drijft mij tot hunne vervolging.

DE ENGEL.—Dijn haat! Wat heeft het maagdelijn dij gedaan?

DE DUIVEL.—Is zij geene dochter Eva's?

DE ENGEL.—Zij is het.

DE DUIVEL.—Het maagdelijn is een mensch: zij kan tot God gaan en eene plaats voor Zijn aanschijn vinden. Ik, overwonnen, neergebliksemd en tot den afgrond gedoemd, ik alleen blijf eeuwig gebannen. Den verachtelijken lieveling is mijn ontnomen vaderland geschonken.—En ik zou hem niet haten, niet vervolgen? O, te lang reeds gesproken! De nijd brandt gloeiend in mijnen boezem. Aan mij deze ziele!

DE ENGEL.—Zij is rein, du kans ze niet raken.

DE DUIVEL.—Welaan, wij zullen het beproeven! Du hebs de koude waarheid, ik de verleidende logen. Beginnen wij den strijd om haar? (Een diepe slaap overvalt den broeder; eene nevelwolk omsluit hem; de lucht wordt warm en balsemend; schitterende bloemen ontstaan rond de maagd; vogelen zingen op het geboomte.)

DE ENGEL, met droefheid en stil.—O, du almachtige, verleen aan mijn arm schutskind de krachten om dezen laatste strijd te doorworstelen. Ik kom voor dijnen troon met de beminde ziele door het vuur der beproeving gezuiverd.... Moge ik toch niet eeuwen lang het verlies betreuren van het zoete maagdelijn!

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings