DE NIEUWE NIOBE
Reading edition
VERHAAL
Wat onder Godes hand niet buygen
wil, dat breekt.
J. CATS.
Voor eenige jaren, en wel in het midden van 1832, leefde te Antwerpen eene rijke weduwe, met name Clotilde Van Valburg. Daar zij uitnemend schoon van aangezicht en van leden was en niet beroofd van dien spelenden geest, dien de Franschen esprit noemen, had zij zich, volgens eene uitheemsche denkwijze, aangezien als uitsluitend geroepen zijnde tot het genieten van allerlei vermaak en wereldsche vreugde. Even gelijk alle vrouwen van dien aard, vreesde zij de ernstige gedachten, de edelmoedige ontroeringen, als de vijanden van een zoet en droomig leven: ook was zij ongevoelig geworden voor alles, wat niet rechtstreeks tot hare wulpschheid behoorde. Een ongelukkige was voor haar een voorwerp van onverschilligheid, zoo niet van afkeer; hare kinderen zelven, alhoewel schoon als engelen, zag zij niet met dit moederlijk gevoel aan, dat wel het allerlaatste uit den boezem eener vrouw vervliegt.... Maar een kleed, dat niet naar haren zin gemaakt was, het breken eener nietswaardige Chineezerij, het zien van een juweel aan den hals eener andere dame, en zulke kinderachtigheden meer, konden haar dermate ontroeren, dat zij somwijlen er om te werk ging, alsof de grootste rampspoed haar overkomen ware.
Deze vrouw bevond zich op zekeren dag in eene kleine zaal harer prachtige woning. Zij lag half uitgestrekt op een rustbed van rood damast en hield de oogen weifelend gevestigd op de bladen van een boek, dat met de schildering van het Parijsche leven niet veel goede zedelessen bevatte. Las zij er in?—Misschien wel; doch wie haar zag en haar niet geleek, zou gezegd hebben, dat de luiheid haar belette de oogen gansch te openen.—Alles in die plaats gaf getuigenis van den rijkdom en van den beuzelachtigen smaak der meesteresse; de schouwplaat en de venstertafelen waren overladen met die brooze voorwerpen, welker gebruik voor eigenaars en aanschouwers een raadsel is, en die van de kinderspeeltuigen veeltijds alleen in prijs verschillen. Het licht, dat met moeite van buiten in dit verblijf der weelde drong, was niet klaar en levendig als het licht der zon; maar het werd hier bij middel der venstergordijnen gedwongen, zich in eene flauwe, roosachtige tint te hervormen, en aan alles eene wellustige en verleidende verf te geven.
Deze zaal nochtans was opgeluisterd door de tegenwoordigheid van zes allerschoonste kinderen, die heel zachtjes en zonder het minste gerucht te durven maken, op het grondtapijt bezig waren met in een groot boek beeldekens te zoeken. Zij durfden niet spreken en drukten elkander hunne blijdschap of verwondering met teekens en gebaren uit; want zij wisten, dat bij de geringste stoornis hunne moeder hen oogenblikkelijk naar een ander vertrek zou verbannen hebben. Het oudste dier lieve kinderen kon twaalf jaar oud zijn terwijl het jongste slechts zijn derde jaar bereikte. Zij waren drie broederkens en drie zusterkens, en schenen elkander vurig te beminnen; want een zoete en lieftallige glimlach zweefde op hunne aangezichten, en hunne handekens ontmoetten elkander zeer dikwijls.... Ik heb menigmaal zulke tafereelen geschilderd gezien, waarop een zestal engelen zinnebeeldigerwijze een zuiver en nog onnoozel vermaak voorstellen.... Ja, het was wel zoo:—die fijne kinderwezens, dit helder gelaat, door achterdocht nog niet gerimpeld,—die blonde haren, door ouderdom nog niet verzwart, door het vuur nog niet gezengd,—die poezelige armkens en losse leden, door arbeid of overdaad nog niet verstramd.... de menschelijke natuur in al hare frischheid, zoo groen en zoo lief als de eerste kruiden, de eerste bloemen der Lente!
En gelooft gij, dat de moeder dezer engelenbeelden haar oog met meer vermaak op hen sloeg dan op het besmettend verhaal der uitheemsche verdorvenheid? Neen, zij bezag hen niet. En toch was haar hart niet gansch ledig van moederliefde; maar het was vervuld met de liefde tot de wereld.
Nadat zij aldus ruim een uur lang op het rustbed was blijven liggen, zonder zich verroerd te hebben, werd er zachtjes aan de deur geklopt, en een knecht trad, na gegeven oorlof, binnen. Hij boog zich en sprak:
"Madame, eene vrouw heeft zich gedurende dezen morgen reeds viermaal aangeboden, om in uwe tegenwoordigheid toegelaten te worden. Ik heb ze altijd afgewezen;—zij schijnt eene gemeene burgerin."
"Gij hebt wel gedaan, Pieter. Men late mij met vrede: ik ben onzichtbaar voor zulke lieden. Maar indien Eugène De Valenge komt, laat hem binnen, en betuig hem veel eerbied. Gij weet wel, de jonge Franschman, die mij gisteren van het concert naar huis geleidde?"
De knecht deed een bevestigend teeken met het hoofd en hernam:
"Ik vergat u te zeggen, madame, dat de vrouw, van wie ik zoo even sprak, in de voorkamer uw antwoord wacht. Zij weent, dat het een hart breken zou, en schijnt van uwe goedheid iets te willen afsmeeken."
Mevrouw Van Valburg stond op van haar rustbed en trapte twee- of driemaal met ongeduld op het tapijt. Dan riep zij:
"Wel, wel! Nooit rust! Nu, zeg op: wat is het voor eene vrouw? Hoe is haar naam?"
"Madame, zij is slecht gekleed en deed zich aanmelden onder den naam van Carolina Soeteveld, zeggende, dat zij uwe schoonzuster is."
Dit laatste woord was des knechts lippen niet zoo haast ontvallen, of eene roode kleur, waarbij ook wel iets purperachtigs was, beklom het aangezicht van mevrouw Van Valburg. Zij bracht haren wijsvinger vooruit en antwoordde met gramschap:
"Pieter, ik verbied u deze vrouw te laten binnenkomen; zeg haar, dat ik niet te huis ben. Ga!"
Maar nauwelijks was de knecht sedert eenige oogenblikken vertrokken, of men hoorde in de voorkamer eenige klagende gillen,—een gerucht als van eene worsteling. De deur der zaal vloog open.—Eene nog jonge vrouw sprong er binnen en viel op hare knieën voor de voeten van mevrouw Van Valburg. Deze was rood van toorn of van schaamte, misschien van beide die gevoelens te gelijk. Zij hief het hoofd met trotschheid op en zag verachtend neder op de ongelukkige, die de handen smeekend tot haar uitstak. Mevrouw Van Valburg wees hare kinderen de zaal uit en sprak, zich tot de geknielde keerende:
"Welnu, wat beteekent dit? Waartoe deze komedie? Zeg op, wat wilt gij?"
De jonge vrouw stuurde eenen blik als een gebed in de oogen van mevrouw Van Valburg, en zuchtte weenend:
"O, mevrouw, spreek toch zoo niet tot mij! Ik ben ongelukkig en totterdood toe bedroefd. Ontferm u over eene rampzalige, die uwe hulp op hare knieën afbidt...."
De ongevoelige dame liet de geknielde zitten en ging eenige treden van haar weg; dan het boek in de hand genomen hebbende, antwoordde zij met eene gemaakte koelheid:
"Ik heb geenen tijd om op al dit gekerm acht te geven. Verlangt gij iets van mij, zoo is de tooneelmatige wijze de rechte niet om tot uw doel te komen; en mits ik wel zie, dat ik het verhaal uwer geschiedenis niet zal ontsnappen, begin dan en maak het zoo kort mogelijk."
Het was gedurende die bitsige woorden zichtbaar op het gelaat der jonge vrouw, dat zij zich diep er door gehoond vond; doch eene geheime oorzaak dwong haar ontgetwijfeld tot het verdragen daarvan: want zij bewoog hare armen met pijnlijk ongeduld, en hare gebaren schenen te zeggen: "O God, o God! ik moet het verkroppen!" Zij stond op en antwoordde, niet zonder zekere fierheid:
"Mevrouw, er moest eene onweerstaanbare reden zijn, om mij tot dit bezoek te brengen; want ik weet, dat de banden des bloeds, die ons vereenigen, in u veeleer eene oorzaak van haat dan van liefde zijn. Maar heb nu toch eens medelijden met ons,—o, red ons van schande en armoede! Laat mijn gebed niet nutteloos zijn.... en ik zal uwen naam zegenen als dien van eenen engel!"
Voor alle antwoord vatte mevrouw eene zilveren bel van de tafel en deed ze twee-of driemaal klinken.
"Pieter," sprak zij tot den knecht, die haar bevel kwam ontvangen, "men spanne mijn rijtuig in. Spoedig!"
En zich tot de weenende vrouw wendende:
"Gij ziet wel, dat, indien gij zoo voortgaat, ik den tijd niet hebben zal om u aan te hooren. Dus nog eens, maak het kort!"
Eene lichte gramschap glom op het gelaat der ongelukkige; doch zij weerhield zich en sprak met haastige woorden:
"Mevrouw en zuster, gij weet het: wij hebben, alhoewel in den nood, nooit uwe hulp gevraagd; mijn man is arbeidzaam, en wij allen met weinig tevreden; doch de hand Gods heeft ons bezocht. Mijn echtgenoot is zijne bediening reeds sedert twee jaren kwijt geraakt, en wij hebben, sinds dit rampspoedig tijdstip, op beloften en hoop geleefd. Vóór maanden hebben wij eenigen handel willen drijven en daartoe eene goede somme gelds ontleend; maar een ontrouw mensch heeft ons bedrogen en wij hebben alles verloren. Mijn man zit in de gevangenis om den vervallen wissel, een mijner twee kinderen ligt in het gasthuis, mijn huisraad wordt Vrijdag door de Wet verkocht, overmorgen word ik uit mijne woning verjaagd. Ik heb geld noch spijze, en lijd voor allen te zamen: voor mijnen man, wiens eer gevaar loopt; voor mijn kind dat in het gasthuis gaat sterven; voor mijn ander kind, dat zijne moeder te vergeefs om eten vraagt en met mij, binnen twee dagen, de straat voor woning en voor bedstede hebben zal. O, mevrouw! zult gij in deze omstandigheid vergeten, dat uwe kinderen en mijne kinderen niet van een geheel verschillend bloed zijn? Zult gij eene vrouw, die moeder en ongelukkig is, van eene andere moeder ongetroost laten weggaan?"
Mevrouw Van Valburg hoorde met tegenzin, dat de smeekende haar van maagschap durfde spreken; zij voelde zich gekwetst en was boos.
"En wat kan ik daaraan doen?" antwoordde zij met barschheid.
"Mevrouw," hernam de klagende moeder, "ziehier mijne bede: heb de goedheid ons eene som van drieduizend franken te leenen. Met dit geld verlos ik mijnen man uit de gevangenis; ik neem mijn arm kind uit het gasthuis en betaal de huur mijner woning.... Denk, wat zegeningen wij over u roepen zullen, daar gij ons uit zulken diepen kolk van ellende en schaamte zult hebben gered."
Zij wachtte eenige oogenblikken met angst op hetgeen mevrouw Van Valburg haar zeggen zou, en kreeg eindelijk tot antwoord:
"Ik ben niet gewoon geld te leenen om ondankbaren te maken. Hadde uw man zoo lang niet ledig geloopen, zoo zoudt gij niet in dezen toestand zijn. Hoop dus niet, dat ik mijn geld besteden zal om de luiaardij aan te moedigen. Gij kunt vertrekken; zie, dat gij u zelve uit de ellende redt, waarin gij u zelve gestort hebt. Indien gij denkt, dat ik u zal onderhouden, zoo bedriegt gij u niet weinig. Hebt gij niet gehoord, dat ik u sprak van vertrekken? Dáár is de deur!"
De arme vrouw begon bij deze harde woorden eenen vloed van tranen te storten. Het scheen, dat zij door het boezemwee, dat haar verkropte, ging verstikken; doch op eens brak zij in woede los, en zich voor mevrouw Van Valburg plaatsende, sprak zij met opgeheven hoofd:
"Ha, mevrouw, het was u niet genoeg eene arme door moeder uwe dienstknechten te doen mishandelen; gij moest zelfs door uwen mond den laster op haar ongeluk werpen en ze ter deure doen uitjagen als eenen hond? Hebt gij uwe eigene geschiedenis vergeten? Weet gij niet meer, dat uw man mijn broeder was, en dat de helft van den rijkdom, dien gij gebruikt, mij onrechtvaardig is ontnomen? Weet gij ook wel, hoovaardige vrouw, dat gij op de wereld niets bezit, en dat gij slechts de inkomsten van een fortuin geniet, waartoe ik meer recht heb dan gij, aangezien gij het nooit erven kunt, maar ik wel?"
Mevrouw Van Valburg, die van razernij op haar rustbed was neergevallen, richtte zich haastig op en riep met bevende stem:
"Onbeschaamde! Wat logentaal durft gij spreken?"
"Logentaal?" hernam de andere. "Logentaal? Stelde het testament van mijnen oom mij en mijnen broeder niet tot zijne erfgenamen in?—En hebt gij, door uwen valschen raad, mijnen broeder niet genoopt om mij mijn erfdeel te ontrooven? Ja, ja: want gedurende de laatste dagen vóór den dood mijns ooms hebt gij en mijn broeder zijne woning in bezit genomen. Gij durfdet mij zeggen, dat hij mij niet zien wilde, en hij is gestorven, mij roepende als zijn dierbaarst kind! Wat kwaad, wat laster hebt gij niet over mijnen goeden naam uitgebraakt, edele dame, om mijnen goeden oom een tweede testament te ontrukken, en mij van alles, wat zijne liefde mij bestemde, te berooven! Ik weet het, want ik heb mijnen broeder op zijn sterfbed vergiffenis en verzoening geschonken. Hij was niet plichtig, maar zwak.... Gij alleen, mevrouw, gij zijt het, die mij verraderlijk hebt bestolen, en dit laat zich nog genoeg merken aan uwen bitteren haat tegen ons...."
Nu klom de woede van mevrouw Van Valburg ten top; het bloed vertoonde zich gloeiend onder hare wangen, en zij borst los in de volgende bedreigingen:
"Wat gestolen?—Ik gestolen? Gij onbeschofte! Maak u uit mijn huis, dolle schreeuwster, of ik doe u waarachtig als eenen hond op de straat werpen. Gij zult hier zonder schaamte mijne woning door uwe lasterlijke beschuldigingen komen onteeren! Gaat gij?... of deze bel zal u welhaast, met of tegen dank, doen verhuizen."
"Laat af!" sprak de jonge vrouw met fiere kalmte, "voeg bij den hoon, dien gij mij reeds hebt aangedaan, die schandelijke gewelddaad niet. En denk niet, dat ik door mijne verwijtingen poog te verkrijgen, wat gij aan mijne ootmoedige bede hebt geweigerd; neen, gij moogt vrij het goud bij hoopen voor mij uitstorten, ik zou mijne hand niet willen besmeuren door het aan te raken. Behoud uw geld en uwe ondeugden! Ik zal lijden; maar in mijne pijnen heb ik toch dit genoegen, dat ik mij zelve grooter en beter acht dan eene onedele dame, die het zich geene misdaad gerekend heeft een gansch huisgezin, door laag bedrog, in ellende te dompelen...."
Mevrouw Van Valburg was niet meer in staat om op de verwijtingen harer beschuldigster te antwoorden; alleen de strakke uitdrukking harer oogen gaf hare beklemde razernij te kennen. Zij dorst echter de bel niet klinken uit vrees van grootere schande, en luisterde op hetgeen de jonge vrouw zeide:
"Vergeet niet, wat het testament mijns ooms daarstelt: al zijne erfgoederen, die nu op de hoofden uwer kinderen staan, zullen op mij en mijne kinderen vervallen, indien de uwe eerder deze wereld verlaten dan de mijne. Ik kan dus, indien het den Heere zoo beliefde, uwen rijkdom ook nog gedurende uw leven bezitten."
Deze woorden verwekten in mevrouw Van Valburg eenen spottenden lach en schenen haar hart van eenen zwaren steen te ontlasten. Zij sprak met klaardere stem:
"Vrouw, gij zijt van uwe zinnen! Het feilt u waarlijk in de hersens;—en nu ik dit merk, vergeef ik u gaarne uwe gekke redenen. Hoopt gij dan in uwe dwaasheid, dat uwe twee magere zonen langer zullen leven dan mijne zes schoone en gezonde kinderen? Gij zijt niet bij uw verstand...."
"Mevrouw," antwoordde de andere, "Hij, die onze harten doorgrondt, kent mijne wenschen, en Hij weet, dat ik het eene onvergeeflijke zonde achten zou, den dood van een uwer lieve en onnoozele kinderen te verlangen. O, neen! de hemel beware u een talrijk kroost!—Maar gij, mevrouw, waarom denkt gij, dat het Gode onmogelijk zijn zou, zijne hand over rijke menschen uit te strekken? Bezoekt Hij dan alleen de noodlijdenden? Gij vreest niets voor uwe kinderen.... Bemint gij ze dan niet?—Ik, arme moeder, ik heb nu reeds zoo dikwijls met tranend oog op mijne twee kranke wichtjes gestaard; want ik vrees voor den geesel des hemels, de plaag, die zich als een onmeetbare lijkdoek over de aarde verspreidt." Meer kalmte was in mevrouw Van Valburg gekomen, sedert de jonge vrouw ook hare beschuldigingen had gestaakt. Zij antwoordde schertsend:
"Wat ligt gij lieden altijd van God te praten? Misschien is dit voor u een gemakkelijke troost; doch dit doet hier niets ter zake. Mijne kinderen zijn niet gereed om te sterven, geloof het vrij."
"Mevrouw! Mevrouw!" riep de nadere; en zich hervattende: "zuster, zuster! laster God niet. Voor weinige maanden leefden er nog talrijke huisgezinnen, waarvan de namen zelve door de plaag zijn uitgewischt!"
De profetische toon dezer woorden maakte diepen indruk op mevrouw Van Valburg; zij verbleekte en vroeg met ontsteltenis:
"Welke plaag? Welke plaag?"
"O, mevrouw," was het antwoord, "uwe kinderen hebben geen groot deel in uwe liefde; want anders zoudt ge ze reeds meer dan eens in uwe armen gesloten hebben, om ze, indien het mogelijk ware, van den schrikkelijken cholera-morbus te bevrijden...."
Eene schielijke huivering rees over het lichaam van mevrouw Van Valburg, en zij gaf zichtbare teekenen van vrees; doch een oogenblik daarna, zich beschaamd gevoelende over eene aandoening, welke hare tegenstreefster voor zwakheid kon aanzien, herstelde zij zich. Dan naar de deur wijzende en de bel klinkende, sprak zij:
"Ik vraag, of gij nu mijne woning wilt verlaten of niet? Ik ben deze lamentatiën moede en verzoek u spoedig te vertrekken, indien gij niet wilt, dat u geweld worde aangedaan. En kom niet meer om mij te spreken, want de deur blijft voor u gesloten."
"Ik ga," antwoordde de jonge vrouw, zich tot de deur keerende. "Vaarwel!"
Mevrouw Van Valburg, zich alleen bevindende, kon, wat moeite zij ook daartoe deed, het lastig aandenken van de cholera niet uit haren geest bannen; de woorden der jonge vrouw klonken één voor één terug in hare ooren, en dwongen haar ditmaal met geweld tot ernstige overweging. Zij belde eene tweede maal; want de knecht, dien zij geroepen had, verscheen niet. Eindelijk, vertoonde hij zich bij den ingang der zaal; maar zijne houding was zoo vreemd, zijn gelaat zoo bleek, en zijne bewegingen zoo vol achterdocht, dat mevrouw Van Valburg, hem ziende, eenen schreeuw liet en riep:
"Och, Pieter, wat is er? Waarom zijt gij zoo bleek?"
"Mevrouw," antwoordde Pieter heel treurig, "ik durf u niet zeggen, wat ongeluk ons nadert."
"Spreek, spreek, Pieter, ik beveel het u!" viel mevrouw in.
"Wel, mevrouw, de cholera-morbus is hiernaast, bij mijnheer Tesseniers; zijn zoon Victor is reeds dood,—en dezen morgen zeide hij mij nog goeden dag!"
Dit schrikkelijk nieuws jaagde de liefde der wereld uit het hart van mevrouw Van Valburg, om het gansch met de ontwaakte moederliefde te vervullen. Zij sloeg hare beide handen aan het hoofd en riep:
"O, God, mijne kinderen! Pieter, gauw, breng mijne kinderen bij mij! Doe de meid en de kamerdienaars hier komen!"
"Mevrouw," antwoordde de knecht nog met meer treurigheid, "uwe kinderen zijn in den hof en schijnen gezond;—ik zal ze gaan halen. Maar wat uwe dienstboden betreft, moet ik u zeggen, dat de keukenmeid hen door haar gekerm zoo verschrikt heeft, dat het onnoodig zou zijn er éénen te zoeken: zij hebben allen uw huis verlaten en zijn gevlucht."
Het is licht te begrijpen, wat droefheid en wat spijt het gemoed van mevrouw Van Valburg beving, daar zij zich nu van alle vrouwelijke hulp ontbloot zag; nochtans ondersteunde haar de hoop, dat hare kinderen niet door de plaag zouden geraakt worden, en zij putte daaruit nog eenigen moed.
De kinderen kwamen huppelend in de zaal, en, blijde zijnde, dat zij door hunne moeder geroepen waren, dreven zij welhaast door hunne liefkoozingen de droefheid van haar gelaat. Zij had evenwel bemerkt, dat haar oudste zoon de laatste tot haar gekomen was en zich niet zoo vlug als naar gewoonte had getoond. Hare zes kinderen dan met eene nog voor haar onbekende liefde in hare armen gesloten hebbende, bezag zij nauwer haar oudste zoontje en bevond, dat eene schielijke bleekheid over zijn gelaat rees. Een angstig voorgevoel deed haar beven.
"Zijt gij ziek, mijn lief kind?" vroeg zij.
"Neen, moeder," was het antwoord, "maar mijne ooren tuiten. Ik zie altemaal lichten voor mijne oogen.... Ai mij! nu krijg ik pijn in mijn lijf."
Mevrouw Van Valburg sprong op als uitzinnig, en riep uit al hare kracht op den knecht, die ook schielijk kwam toegeloopen.
"O, Pieter," huilde zij, "Eugène heeft de cholera. Gauw, loop om dokters en heelmeesters, de eersten de besten. Zend ze altemaal, die gij vindt; en vergeet mijnheer Schippers niet. Zoek mij ook eene vrouw. Och, Pieter, ik smeek u, loop u buiten adem,—ik zal uwe moeite niet onbeloond laten!"
De knecht verdwenen zijnde, keerde mevrouw Van Valburg zich om naar hare kinderen....
Maar hoe pijnlijk was niet de gil, die als eene doodsklacht uit hare borst opsteeg! Dáár lag haar zoon op den rug uitgestrekt, zich rekkende, alsof hij zijne ledematen breken wilde; de teenen zijner voetjes wrongen zich krakend; zijne oogappelen zaten diep in zijn hoofd en gaven hem het voorkomen van een levend lijk.
Ho!—hij, die gezien hadde, hoe deze moeder zich, zoo lang zij was, bij haar kind nederwierp en zijn mismaakt wezen met tranen besproeide,—hoe zij haren mond op zijne blauwe lippen plaatste en geweld deed, om een deel harer ziel in zijn lijdend lichaam over te zenden; hij, die gezien hadde, hoe razend van wanhoop zij opstond en met het kranke kind de zaal rondliep, alsof zij den dood, die het vervolgde, wilde ontvluchten;—en hadde hij daarbij gehoord, hoe zij het vertrek met een wild en akelig gehuil vervulde ... o, hij zou gewis de helft van zijn leven opgeofferd hebben om die vrouw uit eene zoo zieldoodende smart te redden. Maar de liefde eener moeder is geen onfeilbaar schild tegen den dood.—Het kind werd koud op de borst dergene, die bevend hare handen over zijne kromgespannen leden dreef; zijne wangen vielen in, alsof het vleesch onder de huid versmolten ware; zijne vingerkens berimpelden zich, alsof zij in warm water waren geweekt geweest; en, helaas! het vlies zijner oogen verdroogde en werd dor! Nochtans, het kind was niet van gevoel en verstand beroofd; want tusschen al zijne pijnen had het de liefde zijner moeder nog door eene streeling betaald, en nu riep het met eene stem, die klonk als bevend glas:
"Drinken, drinken! ik heb dorst!"
De verdwaalde moeder liep met haar kind naar de keuken en laafde het met het eerste vocht, dat onder hare hand zich aanbood; dan keerde zij met altijd groeiend verdriet in de zaal terug.
In hare geestverwardheid had zij het gekerm harer schreiende kinderen niet gehoord; zij had ze zelfs van zich weggestooten, toen zij haar nageloopen en zich aan hare kleederen vastgehecht hadden. Het scheen haar, dat een spook haar vervolgde en haren zoon grijpen wilde; de aanrakingen harer kinderen hadden haar iedermaal eene ijzing van schrik over haar lichaam gejaagd. Vermoeid, viel zij eindelijk met haar kind tegen den grond, en beiden bleven niet bewusteloos, maar roerloos liggen. Terwijl naderde een harer kleine dochtertjes bij haar hoofd en sprak knielend....
"Och, moeder, mijne ooren tuiten ook ... ik heb ook pijn."
Mevrouw Van Valburg bezag het meisje met eenen smartelijken blik, sloeg den arm om hare lenden, trok ze met geweld aan hare zijde en bleef, bitterlijk weenend, tusschen de twee kranke wichtjes liggen. Hare andere kinderen zaten in de nabijheid hunner moeder, en schreiden met hartverscheurend snikken.
Op dit oogenblik vertoonde zich aan de deur der zaal een persoon, wiens kleeding geheel van zwart laken was; zijne verschijning op dit tooneel geleek sterk aan de komst van den bode des doods;—doch hij, die akelige tooneel aanziende, boog het hoofd en wischte twee blinkende tranen uit zijne oogen.
"Rampzaligen!" zuchtte hij.

Daar lag haar zoon op den rug uitgestrekt.
Op den klank dezer stem ontwaakte mevrouw Van Valburg; zij vloog op van den grond, en tot den geneesheer loopende, viel zij voor hem op de knieën, hief de handen tot hem, en riep tusschen eenen vloed van tranen:
"O, heer Schippers, heb medelijden met mij! Red mijne kinderen om Gods wil, red ze van den dood! Zie, ik kruip voor u,—ik kus het stof uwer voeten als eene slavin! Zult gij mijne kinderen redden?"
De geneesheer hief haar haastig van den grond op, en in zijne ontroering bracht hij zijnen arm om haren hals, alsof hij haar een teeken van liefde wilde geven, maar hij was door hevig medelijden buiten zich zelven. Hij bleef een oogenblik stilzwijgend in hare oogen staren, doch herriep weldra zijnen moed,—en tot de lijdende kinderen gaande, sprak hij:
"Ongelukkige moeder! Gij brengt tranen in mijne oogen, terwijl ik hier al mijne kalmte noodig heb. Wees bedaard, het kwaad is misschien niet zoo erg, als gij het u inbeeldt. Gevaarlijk is deze ziekte, maar niet altijd doodelijk; en hoezeer de toestand uwer beide kinderen ook schrikkelijk zij, blijft mij niettemin nog eenige hoop over."
De knecht kwam op dit oogenblik met nog eenen geneesheer in de zaal. De heer Schippers hernam:
"Pieter, leid uwe meesteresse met hare vier gezonde kinderen in een vertrek, dat aan den anderen kant des huizes gelegen zij. Mevrouw, die maatregel is noodig. Ga, en geef u niet te veel aan uwe droefheid over; zij kan een schadelijken invloed op uwe kinderen hebben."
Zooals de knecht het bevel van den geneesheer wilde uitvoeren en aan zijne meesteresse zeide, dat hij bereid was om haar te vergezellen, liep zij nog eens naar hare kranke kinderen, kuste ze nog eens huilend en riep met verpletterd wee:
"Eugène! Virginia! vaartwel voor eeuwig.... O, God! ik zal u nooit meer zien...."
Zij waggelde op hare beenen en ging ten gronde storten; maar de knecht ontving haar in zijne armen en bracht ze met hare vier kinderen in eene afgelegene kamer. Hier viel zij als zonder gevoel in eenen leunstoel, liet het hoofd slap op de borst hangen, en verroede zich niet meer dan om van tijd tot tijd met de handen eens te tasten, of hare kinderen nog omtrent haar waren.
De knecht had haar verlaten om de geneesheeren te gaan helpen; doch na eenige oogenblikken werd hij door hen teruggezonden naar de kamer, waar mevrouw Van Valburg zich bevond. Hij kwam dan zachtjes omtrent zijne meesteresse en nam het oudste meisje, dat reeds teekens van ziekte gegeven had, van haar weg. Hij ging op de punten zijner voeten als een dief, en deed alle moeite, om niet door de moeder gemerkt te worden;—maar dit was te vergeefsch. Zij opende de oogen met eenen grievenden schreeuw, wierp zich vooruit naar den knecht en rukte hem het kind uit de armen.
"Clotilde!" riep zij, op haar kind met dwaasheid blikkende, "mijne Clotilde, gij, mijn allerliefste telg,—gij, die den naam uwer moeder draagt ... gij zoudt sterven! Ik zou u overleveren in de handen des doods!"
Maar zij gevoelde tegen hare borst de krampachtige trekken der leden van het kind en zag, hoe diep hare oogen reeds in den schedel gezonken waren.
"Clotilde!" zuchtte zij in de uiterste moedeloosheid, "bezie uwe moeder nog eens, mijn arm kind;—gij ook verlaat mij, gij, mijn evenbeeld! Het zij dan zoo! Daar, Pieter, daar is mijn kostelijkste schat.... Vaarwel, vaarwel!"
En zij liep naar den stoel, in welken zij zich als een steen en deerlijk huilend vallen liet.—Na eenigen tijd met starende oogen, misschien in zwijm daar gelegen te hebben, kwam er meer leven in haar, en het was merkbaar, dat schokkende gedachten beurtelings in haren geest opstegen. Eensklaps wierp zij zich op de knieën, met de handen tot God. Het brandend gebed, dat zij den hemel toezond, was onvatbaar; de woorden vergiffenis, genade, hoovaardigheid, zonde lieten alleen met eenige klem zich tusschen hare verzuchtingen hooren. Zij geleek in dien stond de boetende Maria Magdalena, en stortte bloedtranen over haren ganschen levensloop. Dit gebed, die biecht tot God, duurde lang; dan eindelijk stond zij op met niet min hartpijn, doch met een weinig meer kalmte, en riep met luider stemme den knecht, die onmiddellijk verscheen.
"Pieter," vroeg zij, "hoe gaat het met Eugène, met Virginia, met Clotilde? Ho! spreek, mijn vriend, verberg mij de waarheid niet...."
De knecht borst in tranen los; doch antwoordde niet op hare vraag.
"Genoeg! genoeg!" hernam zij met holle stem, "ik versta uwe smart. God wil het! Ik heb sedert weinig tijd geleerd, mij aan Zijnen almachtigen wil te onderwerpen. Kon ik door deze onderwerping Zijne genade, Zijne barmhartigheid winnen! Maar, eilaas, ik voel het wel, de beproeving is nog niet gedaan.—Pieter, mijn vriend, ik verzoek u, dat gij u spoedig naar mijnen zaakwaarnemer begevet: zeg hem, dat hij heden nog den wissel betale van mijnheer Soeteveld, die gevangen zit. Neem ook deze beurs; zij bevat eenige goudstukken. Draag ze tot vrouw Soeteveld, mijne schoonzuster, dezelfde, die hier dezen morgen was, en bid haar, dat zij onmiddellijk gelieve bij mij te komen. Verhaal haar mijn ongeluk en mijn lijden; zij zal niet weigeren. Nu ken ik ze!"
De knecht nam de beurs en verliet haar. Zij, door het gebed merkelijk verlicht, ging tot hare drie overblijvende kinderen en bezag ze beurtelings met gespannen aandacht. Geene verandering op hun gelaat bemerkende, begon zij hen te zoenen en te streelen met eene uitdrukking, die nog genoeg verdwaaldheid verried; want men zou gezegd hebben, dat eene dwaze vreugde op eenmaal de droefheid in haar hart vervangen had.—Maar die blijdschap moest van korten duur zijn. Terwijl zij, in de leunstoel neergezeten, met moederlijken wellust op hare overblijvende kinderen staarde, was de nijdige cholera reeds bezig met zijnen gloed in hunne lichamen te ontsteken. Plotseling viel de jonge Frederik als een looden beeld achterover op den grond, en spartelde met ijselijke grimmingen en met eene ratelende ademing; zijne voetjes sloegen als hamers op den vloer, en al zijne leden kromden onder de trekkingen der akeligste krampen.
U zeggen, hoe het hart der moeder zich scheurde bij dit gezicht, ware onmogelijk; zelfs zou het niet te begrijpen zijn, hoe eene vrouw zonder sterven die onophoudende zielsfolteringen kon doorstaan, indien men niet wist, dat kort opeenvolgende schokken de veerkracht van het zenuwstel verminderen. Dan, mevrouw Van Valburg zag gedurende eenige stonden haar kind voor zich op den grond rollen en met de nagelen het vleesch zijner handen scheuren; zij blikte als in eenen steen veranderd op dit afschuwelijk tooneel, totdat zij eindelijk opsprong, en het kind vattende, er mede naar de zaal liep, waarin de geneesheeren zich bevonden.
Hier ontvloog haar eerst een gil ... en zij stortte machteloos met haar kind op het tapijt.—Arme moeder! Zij had met een vluchtigen blik haren Eugène en hare Virginia gelijkt zien liggen.
Toen zij langen tijd daarna ontwaakte, bevond zij zich in de zaal en in den stoel, dien zij verlaten had. Eene jonge vrouw hield een harer handen en was met teedere zorg bezig, haar tot het leven terug te roepen. Mevrouw Van Valburg zond hare oogen dwalend rond het vertrek, en scheen hare herinneringen bijeen te rapen; hare twee kinderen bij zich ziende, sprak zij tot de jonge vrouw met altijd groeiende kracht:
"Carolina, ik was plichtig aan wreedheid en onrechtvaardigheid jegens u. Uwe woorden zijn als eene voorzegging geweest;—gij ziet het, ik ben rampzalig en verlaten. De Heer heeft mij bezocht en geslagen in alles, wat mij dierbaar is. Ik hoop nochtans, dat Hij mij niet alleen op de wereld zal laten; misschien zal Hij in zijne goedheid mij het leven van een mijner kinderen schenken; maar daartoe heb ik uwe vergiffenis noodig. O, zuster, de blinddoek is mij ontvallen! Zeg mij, vergeeft gij mijne misdaden?"
De jonge vrouw smolt weg in medelijdende tranen en zuchtte:
"O, mevrouw, ik heb God voor u gebeden! Mijne vergiffenis is u lang vergund. Ik versta uwe smart en uw lijden, want ik ben ook moeder, en bemin de kinderen mijns broeders als mijn eigen kroost. Ho, ik wil u niet verlaten, vóórdat wij eenigen uwer kinderen gered hebben; wij zullen te zamen weenen en bidden, en misschien zal de Almogende zijne barmhartigheid over ons laten dalen. Ja, ik voel het, gij zult nog moeder zijn, en u verblijden in den lach dergenen, voor wier leven gij vreest."
"O, Carolina, zeidet gij eene tweede maal de waarheid! Ziet gij niet, hoe bleek mijne Regina reeds is? Maar luister op mijne woorden en onderbreek mij niet.—Ik heb niet eerlijk met u gehandeld, Carolina. Het is waar, ik heb u de erfenis van uwen oom ontroofd: het is waar, ik was eene wulpsche, hoovaardige en wreede vrouw.... De opgeblazenheid had mij blind gemaakt, maar het ongeluk scheurt den sluier met onweerstaanbare kracht: ik ben niet meer, die ik geweest ben, en heden zou het mij eene blijdschap zijn, dat gij mij den naam van zuster gulhartig wildet schenken. Ik versta nu ook de macht van God en den troost van het gebed; maar dit alles is niet voldoende tot mijne verzoening met Hem, die mij straft. Hoor, ik kan u het ontroofde goed niet teruggeven, mits het op de hoofden mijner kinderen staat; maar ik zal ze opvoeden in de kennis van het onrechtvaardig bezit en hun de wedergaaf er van als een punt van hunnen godsdienst doen betrachten. Wat mij aangaat, ik zeg u, dat van heden af, de helft mijner inkomsten u toebehoort...."
"O, ik wil niet," riep de jonge vrouw.
"Ik zweer voor God," hernam mevrouw Van Valburg, "dat ik het deel, dat ik mij onrechtvaardig heb toegeëigend, niet meer aanraken zal! En ik bid u, Carolina, zuster, weiger het niet. Zult gij mijne smart door uwe verwerping verbitteren? Ho, indien ik niet op mijne knieën uwe toestemming afsmeek, is het, omdat ik zwak en tot lamheid toe afgemat ben. Zeg ja, Carolina, o, zeg het! Gij antwoordt niet?—Het kost te veel aan uw edelmoedig hart dit te aanvaarden? Welnu, ik vraag u geen woord,—slechts eenen kus van verzoening en vergiffenis,—en dat de Heer ons zie!"
De twee vrouwen strengelden hare armen om elkanders hoofden en bleven lang in dien kus versmolten.... Iets verhevens, iets hemelsch was er in die verzoening!
Eenige dagen daarna gingen er zeer langzaam twee vrouwen over de Schoenmarkt: eene harer was uitermate bleek en in den rouw gekleed; de andere scheen jonger en min droef. Een klein jongsken stapte tusschen beiden en hield van elk eene hand. De hoofdkerk ingegaan zijnde, drongen zij door tot achter het hoogaltaar, in de kapel van het heilig kruis. Hier deed de bleeke juffrouw het kind op de voetbank voor het kruisbeeld knielen, vouwde zijne handjes te zamen en sprak weemoedig:
"Bid God, Gustaafken ... voor de zieltjes van uwe broederkens en zusterkens, en dank Hem, dat Hij u bij uwe lieve moeder gelaten heeft."
Het kind gehoorzaamde plechtiglijk, boog zijn hoofd in eene godvruchtige houding en zuchtte met fijne, doch roerende stem:
"Onze Vader, die in de hemelen zijt, geheiligd zij Uw naam!"