STRIATA FORMOSISSIMA OF DE DAHLIA'S-KOORTS
Reading edition
ZEDENSCHETS
Gij, mijn goede lezer, ziet ongetwijfeld gaarne eene schoone Dahlia bloem; misschien zijt gij insgelijks niet verwijderd van haar, in de plaats der poëtische en verleidende Roos, op den troon van het bloemenrijk te willen plaatsen; maar bedenk u toch driemaal, eer gij u zelven eenen Dahlia's-liefhebber noemt. Gewis gelooft gij, in uwe redekundige eenvoudigheid, dat men, om Dahlia's-liefhebber te zijn, alleenlijk de Dahlia's moet liefhebben. Laat mij toe u te zeggen, dat gij u leelijk vergrijpt! Hoe stout dit gezegde ook moge schijnen, het zal bij u zijne verschooning vinden, wanneer ik u een echt Dahlia's-minnaar zal hebben voorgeschetst.
Er zijn drie soorten van liefhebbers, namelijk: rijke lieden, burgers en arme menschen. Onder dezen is de welhebbende burgerklasse met de meeste razernij op de Dahlia's verslingerd, en zal mij uitsluitend een toets dienen in deze beschrijving.
Dan, weet het wel, een Dahlia's-liefhebber is, gedurende het grootste gedeelte des jaars, een man, die zijn vaderland, zijn huisgezin, zijne vrienden verloochent, en als een menschenhater zich van iedereen verwijderd houdt. Des nachts vlucht de zoete slaap van zijne bedstede, vervolgd als hij is door honderd Dahlia's, die hem in het hoofd wentelen en hem wakker houden. Kon hij, als een andere Josué, de schepping in hare beweging stuiten, zoo werd het gewis nimmer nacht, dan in den Winter, als de Dahlia's verdwenen zijn. Hij verlaat het bed, vóórdat de zon hem roept. Nat van den vallenden dauw en rillend van de morgenkoude, staat hij als een steenen beeld voor eene Dahlia-bloem geplant; hij telt hare bladeren, drukt hare kleuren en tinten in zijnen geest, spreekt haar aan, gaat weg, komt terug en begint opnieuw zijne bespiegeling. Roept men hem om te eten, zoo komt hij, wanneer alles koud is, en slokt de spijzen binnen, zonder te weten wat hij doet. Hij spreekt niet, beziet ternauwernood zijne vrouw en kinderen, en springt even gauw als een gejaagde den hof in. Dan krabt hij hier den grond rondom den wortel van eene Dahlia op, steekt daar een stoksken om de bloem te steunen, hangt wat verder een blad papier om er eene te overlommeren, en brengt zoo den dag door, totdat hij, tegen de verdwijnende zon mompelende, zich verplicht ziet in huis te gaan. Gij denkt dat hij nu ten minste met zijne huisgenooten zal spreken? Ja wel, van Dahlia's, maar van anders niet; en, daar zijne vrouw dit eeuwig gesprek van overlang moede is, gedraagt zij zich, alsof haar man niet op de wereld ware. Hij doorsnuffelt in tusschentijd voor de honderdste maal eene Dahlia's-lijst of kataloog, dien hij reeds sedert eenige maanden van buiten kent,—en gaat eindelijk zeer vroeg te bed; niet om te slapen, maar om in vrijheid over zijne Dahlia's te kunnen mijmeren.
Des anderen daags al weder hetzelfde leven. Komt gij om met hem over gewichtige zaken te spreken, hij luistert niet op uwe woorden en brengt u bij zijne Dahlia's. Hier begint hij zijn gewoon liedeken: "Eene schoone bloem, eh? Zie eens, hoe fijn van vorm! Zuiver van tint, niet waar? Is er toch iets schooners op de wereld dan de Dahlia?"—Vruchteloos doet gij pogingen om hem op een ander onderwerp te brengen: zeg hem, dat de vierentwintig artikelen[45] zijn aangenomen, hij beziet u als een inwoner der maan, die van geene artikels weet. Zeg hem, dat het huis van zijnen besten vriend is afgebrand, hij zal u antwoorden: "Die had schoone Dahlia's. Men zal ze zeker onder den voet geloopen hebben:—dit zou spijt zijn!"—Spreek hem van een meesterstuk, door de hand van Wappers voltooid, hij zal met kleinachting uitroepen: "Wie kan er een Dahlia schilderen? Onmogelijk! onmogelijk!"
—Verhaal hem, hoe zijn oudste zoon een buitensporig leven leidt, hij zal beweeren, dat dit alleenlijk daaruit voorkomt, dat de jongeling meer liefde gevoelt voor meisjes en herbergen dan voor Dahlia's.
—En ditmaal zal hij toch eens gelijk hebben. Vraag hem verder naar den ouderdom zijner kinderen; hij ligt er mee in de war en geeft de jaren van Sophia aan Jozef: alles, wat hem aangaat, heeft hij vergeten. Integendeel kent hij de geschiedenis van de Dahlia van buiten en zal op een rolleken zeggen dat de Dahlia oorspronkelijk is uit Mexico, in Amerika, waar zij in het wilde groeit en slechts enkele bloemen als starren geeft,—dat zij haren naam ontleent van Andries Dahl, eenen Zweedschen kruidkundige, wien zij uit achting werd opgedragen,—dat deze plant in het jaar 1789 eerst uit Mexico naar Spanje werd overgezonden door Vicente Cervantes, bestierder van den Mexicaanschen kruidenhof,—dat de groote Plantenhof van Parijs haar eerst in 1802 verkreeg, enz.
Ik zou u niet raden, in zulk een oogenblik de dwaze drift van den liefhebber te berispen en hierdoor te toonen, dat gij iets boven de Dahlia's schat; want hij zou u een bloedvijand worden, en u zelfs, gedurende zijn gansche leven, het goeden dag weigeren.—Hij, die anders zoo zachtmoedig is, dat hij zijne duiven en konijnen bij zijnen gebuur moet laten dooden, durft wel vechten en slaan, wanneer het op de eer van eene Dahlia uitkomt. En, ziet gij hem ooit met een blauw oog te voorschijn komen, beschuldig zijne goede vrouw toch niet: het is de eene of andere Dahlia's-liefhebber, die hem dus heeft toegesteld.—Gij moogt ook niet gelooven, dat deze man andere bloemen onder zijn gezicht lijden kan; de Roos is niets voor hem; de geurrijke Anjelier[46] vertrapt hij met voeten; de overvloedige bloemende Wolroos[47] geeft hij aan zijne geit; zijn mesthoop bestaat uit de ontwortelde planten van Okulei, —Pioen, —Tuiltje, —Vingerhoed, —Violier, —Beverken, —Veldklok, —Knaptand, —Lelie, —Brikel[48] en uit andere lieve, zonderlinge of glansrijke bloemen, zoozeer door onze vaderen bemind en nu door den Dahlia's-liefhebber als onkruid gehaat.
Tot het grootste ongeluk van den Dahlia's-zot heeft de Schepper in zijne alwijsheid goed gevonden, dat de Zomer geene twaalf maanden lang zou duren. Dit verkort schrikkelijk het leven van onzen liefhebber. Gij weet, goede lezers, dat de Marmot een dier is, dat gedurende vier wintermaanden zonder beweging en zonder gevoel ligt te slapen, en niet ontwaakt vóórdat de zon de aarde met kruiden komt begroenen. De Dahlia's-liefhebber gelijkt wonderwel aan dit dier: zoodra de naderende vorst hem verplicht heeft zijne Dahlia-wortelen in den kelder te brengen, vergaat in eens al het schoone van zijn leven; zijn hart wordt koud, zijne oogen weifelend, zijne bewegingen langzaam, en hij vervalt inderdaad in eenen slaap des geestes, tot bij het aanbreken der Lente. Deze mijmering, dit levensverdriet is hinderloos; zelfs ziet hij dan nog wel eens zijne lang vergetene vrienden; hij betoont eene stille genegenheid voor vrouw en kinderen, slaat eene slepende aandacht op zijne veronachtzaamde huiszaken en verdient alleszins den naam van een goed mensch. Men mag zeggen, dat niemand zoo onmiddellijk onder den invloed des hemels geplaatst is als hij; niet zoo haast is de eerste maand van het Nieuwjaar verloopen, of hij werpt iederen dag eenen langen blik in de hoogte; is de hemel blauw, dan glinsteren zijne oogen den verkwikkenden azuurkolk tegen; is de hemel grijs en nevelig, dan zakt er een floers van droefheid over zijn versomberd gezicht. Na eene lange en pijnlijke afwachting komt eindelijk die trage en luie maand Maart het sneeuwgezinde Februari verjagen. De Dahlia's-liefhebber staat eens des morgens vroeg op: hij voelt reeds van in zijne slaapkamer, dat er gedurende den nacht eene natuurverandering is geschied; zijn hart klopt, zijn bloed stroomt; hij kleedt zich bevend en ontsteld. Gelijk Noach in dergelijken toestand deed, opent hij het venster zijner arke, maar in stede van eene duive uit te zenden, loopt hij zelf de trap af, opent de deur en springt den hof in.
Zie, wat schoone uitdrukking van zaligheid verheldert zijn gelaat; hij meet de hemeldiepte met zijn aanbiddend oog, en als de losgelatene duive van Noach slaat hij met zijne armen, om zich de verstramde leden los te maken. Indien gij opmerkzaam zijt op de bewegingen der wonderbare natuur, zult gij reeds geraden hebben, wat de Dahlia's-liefhebber gevoelt. Gedurende den nacht heeft God zijnen weldoenden adem, den zoelen zuiderwind, over de aarde gezonden; deze, gehoorzaam aan haren Schepper, heeft haren schoot ontsloten en de lucht met balsemgeuren bezwangerd. Er hangt boven den gistenden grond iets tooverachtigs, een onzichtbare wasem, die ons de blijde overtuiging indrukt, dat het niet meer vriezen zal, en dat de plantenslaap geëindigd is. De Dahlia's-liefhebber blijft eenige oogenblikken getroffen staan; hij zuigt met lange longspanningen de lentezucht in en voelt zijn leven verdubbelen; dan spoedt hij zich met jonge stappen vooruit door de paden van zijnen hof, en doorloopt ze huppelend en zoo blijde als een visch, die in zijn geboortewater spartelt. Eensklaps blijft hij staan; hij glimlacht zoo zoet! zijne lippen stamelen een bevallig welkom. Dáár, voor hem, staat het lieve Sneeuwzotteken[49] met zes zilveren bellekens te pralen. Hij heeft, als de duive van Noach, zijnen olijftak gevonden; het pand, dat de natuur hem van hare ontwaking geeft! met fluweelen handen plukt hij de tengere bloemkens, en loopt er mede naar zijn huis:
"Vrouw, vrouw!" roept hij in geestdrift uit, "hier is de Zomer! Nu gaan wij weer leven!"
De vrouw is bezig met hare huiselijke zaken; ternauwernood slaat zij een oog ter zijde, en zegt onverschillig tot een klein kind, dat zich te barsten schreeuwt: "Ha, bloemen voor ons Leopolleken!" De vader geeft de bloemkens voorzichtiglijk aan het kind; maar de kleine guit steekt ze in den mond, eet er de helft van op en verplettert de andere. Ik weet niet juist wat gevoel er in het hart des vaders zinkt; maar hij haalt de schouders op, nijpt de lippen samen en gaat in een ander vertrek, zonder nog te spreken.
De persoon, dien ik tot deze beschrijving gekozen heb, heet mijnheer Fruyts en woont in een der voorgeborchten van Antwerpen; hij is een middelhebbende burger van omtrent de vijftig jaren, eenvoudig en vreedzaam van zeden en goed van inborst; zijn eenig gebrek is de razernij der Dahlia's.
U daareven zeggende, dat hij zijne onverschillige huisgenooten met spijt verliet en zich in eene andere kamer begaf, hadde ik er moeten bijvoegen, dat dit gebeurde op den eersten Maart van het jaar 1839.
M. Fruyts had zich bij eene tafel nedergezet; daarop lagen eenige kleine boekskens van beschreven papier en wat smalle stukskens lood, benevens alles wat er tot schrijven behoeft. De boekskens doorbladerende, sprak hij van tijd tot tijd tot zich zelven als volgt:
"Anna Maria plant ik in de eerste rij; het is eene schoone bloem, met muizenoorkens en met purperen punten. Buonaparte, met haren stijven steel en hare kastanjekleur, zet ik daarachter, nevens Waterloo met hare fijngeplooide oranjebladeren. Zou ik Défiance nog planten? Die Dahlia doet het bijna nooit[50]. Het is anders nog al eene aardige: chocolade met melk.—Ik zal haar in het midden zetten met Englands pride, don Carlos, Formosa en Hortense Knyff. Maar waar plant ik de koningin mijner verzameling? Waar zet ik mijne Striata Formosissima?[51] Ik mag daar niet losselijk over beslissen. Laat zien, alles eens wel overwogen. Zet ik haar vooraan in de eerste rij, dan zullen de liefhebbers al mijne andere bloemen slecht vinden; zet ik haar in de laatste rij, dan zijn de liefhebbers moede gezien, eer zij aan mijne Striata Formosissima komen. Dit mag ook niet zijn. Zet ik haar in het midden, dan kan men haar van verre niet zien. Maar waar zal ik haar dan zetten?"
Bij deze vraag sloeg M. Fruyts zijne platte hand aan het voorhoofd, dat het kletste! hij liet zijn lichaam in diepe bedenking over de tafel hellen en bleef zoolang met hardnekkigheid aan zijn onoplosbaar vraagpunkt denken, dat hij eindelijk verwonderd uit zijne mijmering opschoot en zijne oogen begon te wrijven als iemand, die geslapen heeft.
"Welnu!" riep hij overluid, "waar zal ik mijne Striata Formosissima planten?"
Dan, de muren bleven stom en de uitroeping van M. Fruyts zonder antwoord. Gelijk hij bezig was met zich opnieuw, doch met meer wanhoop, voor het hoofd te slaan, deed een ander Dahlia's-liefhebber, de heer Bielens, de deur open en stak zijn hoofd in de kamer vooruit, zeggende:
"Dat zijn weerkens, eh?[52]"
M. Fruyts liep hem te gemoet, trek hem bij de hand tot in het midden van het vertrek, plantte zich vóór hem, zag hem strak in de oogen en herhaalde als met gramschap zijne vraag:
"Waar zal ik mijne Striata Formosissima toch planten?"
M. Bielens staarde zijnen vriend met verbaasdheid aan en scheen genegen om te lachen; doch hij hield zich in en begon het volgende gesprek:
BIELENS.—Hoor, Fruyts, dit is iets, waarover gij op éénen dag niet moogt besluiten. Het zal misschien nog zes weken aanloopen, eer wij onze Dahlia's zullen kunnen planten. Denk gij er nog eens wel op; ik zal het van mijnen kant ook doen, en binnen acht dagen zullen wij dit met rijp oordeel beslissen.
FRUYTS, blijmoedig.—Verstandig gesproken. Ik hoor, dat gij weet wat bloemken mijne Striata Formosissima is. Niemand heeft haar in honderd uren in het ronde; ik win er dit jaar nog vijf of zes medailles mede. Ik zal de liefhebbers van Merxem[53] ditmaal eens kloppen, dat zij uit hunne oogen niet meer zullen zien.
BIELENS.—Maar hebt gij haar wel goed bewaard? Hebt gij haar in droge zemelen gelegd, gelijk ik u geraden heb?
FRUYTS.—Ja, ja, en er is dezen Winter geen water in mijnen kelder geweest.
BIELENS, invallende.—Maar, Fruyts, ik ben hier gekomen om u nu eens beslissend over de zaak te spreken: zullen wij onze kinderen nu niet na den Paaschtijd laten trouwen? Zij kennen elkander nu lang genoeg, en aangezien er niets in den weg is, waarom zouden wij ze dan nog meer met uitstel plagen?
FRUYTS, hij heeft een zijner boekskens van de tafel genomen.—Zie, Bielens, gij moest mij dit eens in het Vlaamsch zeggen. Met hunne Fransche lijsten altijd! Anders niet dan van deze ééne Dahlia.
BIELENS, in het boeksken lezende.—"N° 756, British Queen, Well's.—Schoon van vorm, bladeren als muizenooren, witte grond, overgaande tot purper en geboord met violet. Welgemaakt; stijve steel. Blijft het huwelijk van uwe dochter met mijnen zoon nu vastgesteld na Paschen.
FRUYTS, in gedachte dwalende.—Dit moet eene schoone bloem zijn, eh? Wit met violette boorden; muizenooren? Daar hang ik tien franken aan! Raadt gij mij hem te koopen?
BIELENS, met ongeduld.—Zie, Mijnheer Fruyts, ik spreek van geen Dahlia's meer, vóórdat gij mij bescheid gegeven hebt. Trouwen onze kinderen na Paschen, ja of neen?
FRUYTS, hij schudt het hoofd met spijt.—Wel ja, ja zeker. Zijt gij nu tevreden? Daar is mijne hand en mijn woord. Zal ik de British Queen nu koopen, zeg?
BIELENS.—Ja, maar zóó trouwen is de regel niet, dat weet gij ook wel; wij moeten eens goed over de zaak raadplegen. Gij zult zeker uwe dochter wel een rond sommeken medegeven?
FRUYTS.—Hoor, om het kort te maken: ja, op alles! en hoe eerder hoe liever. Dit huwelijk mocht anders nog wel in den Dahlia's tijd vallen. Bezorg gij alles; mijne toestemming is u op voorhand gegeven.—Maar zeg, hebt gij uwe Dahlia's reeds uit den kelder gehaald, Bielens?
BIELENS.—Ja, gisterenmorgen heb ik ze onder glas te broeien gelegd.—Ik ga boeturen[54].
FRUYTS.—De mijne moeten vandaag ook uit den kelder. Als gij weg zijt, zal ik ze eens gaan bezoeken.
BIELENS. Ja, ik heb hier al te veel tijd versleten. Geef mij de hand op het huwelijk onzer kinderen. Ik zal alles bezorgen. En om te doen, gelijk het behoort, zal ik dezen morgen mijnen zoon zenden, om aan u zelf uwe toestemming te vragen. Gij moogt hem niet beschamen, zullen?
FRUYTS.—Wees daar niet bang voor; ik zal hem anders niet antwoorden dan ja. Gij kunt wel denken, als ik mijne wortelen eens gezien heb, dat ik dan niet veel tijd zal hebben om met uwen zoon te kouten. Dus, wees gerust. Tot namiddag.
Zoo haast M. Bielens vertrokken was, ging er eene blijde uitdrukking over het gelaat van M. Fruyts. Als iemand, die met ongeduldige haastigheid zich tot iets klaarmaakt, stapte hij heen en weder door de kamer, nam uit deze kas een mes, uit dien bak eenen hamer, van de schouwplaat een stel stempelletters, van den grond een draagbord, daarbij een potlood en een geheel boek papier. Aldus, met zakken en handen vol en een draagbord onder den arm, ging hij bij zijne vrouw en vroeg den sleutel van den kelder. Maar zijne teedere echtgenoote bezag hem met een paar oogen, die meer spotternij dan verwondering deden gissen.
"Wat, sleutel!" riep zij. "Komen de Dahlia's nu reeds voor den dag? Dan zal het weer een huis gaan worden gelijk eene hel. Gij zijt nu nog al eenigen tijd bij uwe zinnen geweest; maar het gezaag en het zottenspel gaan beginnen, eh? Dat staat daar als een uitverkochte kramer. Ik zou beschaamd zijn!"
De gefolterde liefhebber stond van ongeduld te trappelen; hij sprak met bevende stem:
"Den sleutel, zeg ik!"
"Nu, nu," antwoordde hierop de vrouw lachend, "bijt mij maar niet. Dáár is de sleutel."
M. Fruyts rukte den sleutel met bitsigheid uit de handen zijner vrouw, doch gevoelde zijnen toorn geheel wegzinken, naarmate hij zelf in zijnen kelder zonk en zijne teerbeminde Dahlia's naderde. Ha! zijn oog mag met wellust dwalen langs de planken, waarop zijne wortelen geschikt zijn. Zie, zij dragen elk een getalmerk, op een looden plaatje gestempeld; maar dit is niet voor den liefhebber gedaan; hij kent de wortelen beter dan zijne kinderen; hij weet hunne namen en voornamen, hunne geboorteplaats, hunne hoedanigheden, hunnen ouderdom.
Weldra komt een weldoende droom een bedrieglijk floers over zijne verbeelding werpen: zijn verrukte geest toovert vóór hem, in zijnen halfduisteren kelder, de gansche verzameling, staande in vollen bloei, in hoogste praal! Daar staat Miss Colt, de satijnen roos, daar Conqueror, het fijn geplooid bruin fluweel; hier Fireball, de gloeiende vuurbol, en de tweekleurige Nonpareil; verder de gulden Topaas, de zilveren Virgin Queen en de zwarte Sambo. Duizende andere Dahlia's vertoonen zich in het verschiet; hunne veelkleurige bloemen, als in een onmeetbaar dambord dooreengeschikt, doen het oog van den ontheven liefhebber verdwalen. Het schijnt hem, dat de zon eenen overvloed van hare rijkste stralen in zijnen vochtigen kelder gestort heeft; hij voelt zich door eene streelende lucht omvangen, door eenen verleidenden geur bewierooken. In één woord, een Paradijs van ongekend zielsgenoegen is hem geschonken. O, Dahlia, hoe mildelijk toch beloont gij uwen dienaar!
De droomende heer Fruyts bleef langen tijd onder deze verleidende begoocheling. Eindelijk verging toch het toovertooneel; dan wierp hij eenen fieren blik op een houten baksken, dat in eenen hoek van den kelder, op de hoogste schab stond,—en sprak mompelend:
"Dáár, in dat houten baksken, ligt mijne Striata Formosissima zoo gerust op een bed van zemelen te slapen. Striata Formosissima! edele bloem! Zij hebben gezegd, dat gij de Striped perfection niet zult overwinnen; maar zij kennen u niet. Zij weten niet, hoe uwe bruine purperstrepen uit uw wit hart glinsterend stralen. Ja, zij durven de doffe vlekken van Striped perfection bij uwe anjelierische bestreping vergelijken[55]. O, zij dwalen: de nijd verblindt hen; maar gij zult u wreken, gij zult de medailles overal wegrukken...."
Wij zullen M. Fruyts in zijnen kelder met zijne teergeliefde wortelen laten, om eens bij zijne vrouw in de keuken te gaan. De jonge verloofde van Bielens zoon was juist uit de stad te huis gekomen. Daar zij voorbij de woning van haren toekomenden man gegaan was, twijfelen wij niet, of hij had haar ter vlucht eenige woorden van zijne komst getoetst; want niet zoodra had zij hare moeder gegroet, of zij voegde er haastig bij:
"Moeder, Frans zal meteen komen, om aan vader nu bescheid te vragen. Zult gij hem wat helpen?"
De goede vrouw bracht de hand streelend op het voorhoofd harer dochter en antwoordde:
"Ja, ja, kind, laat mij maar doen. Als het vandaag niet gelukt, dan komt het er nooit van. Uw vader is in eene goede luim: hij is bezig met zijne Dahlia's uit den kelder te halen."
Dit nieuws scheen de dochter te verheugen.
"Ha!" riep zij uit, "dan mag ik trouwen na Paschen, eh, moeder?"
"Wel, kind, gij moogt zoo haastig niet zijn," merkte de vrouw glimlachend op. "Gij zult lang genoeg getrouwd blijven,—wees daar niet bang voor. Ik zeg toch niet, dat gij ongelijk hebt. Frans is een eerlijk burgerskind; hij past op en heeft al eenen goeden trek op zijn kantoor.—Gij hebt u beiden altijd braaf gedragen. Ja, ja, na Paschen."
Een oogslag van dankbaarheid was 's meisjes antwoord. Zij zette zich stil en overdenkend bij het venster neder; hare moeder ging voort eenig klein huiswerk te verrichten. Weinig tijds daarna verscheen Frans Bielens, gekleed als een jong heerken, tamelijk fraai van gestalte en aangezicht en van een wakker voorkomen. Ternauwernood kon men in hem eene lichte ontsteltenis bemerken; ja, het was met eenen lossen zwier, dat hij de beide vrouwen groette en tot de moeder zeide:
"Moeder Fruyts, gij weet wel, waarom ik hier kom. Mijne ouders zijn tevreden; gij wilt mij ook wel met den naam van zoon vereeren: het hangt dus van M. Fruyts alleen af, ons blijde en gelukkig te maken. Heb de goedheid hem voor mij een oogenblik gehoor te verzoeken; ik zou hem gaarne alleen spreken."
"Maar hoe haastig zijt gij beiden vandaag!" riep de moeder schertsend. "Ik zie wel, dat gij het ijzer niet koud wilt laten worden. Gij hebt gelijk, het is dat gij elkander bemint. Wacht een weinig, ik zal M. Fruyts uit den kelder gaan roepen."
Zij naderde de kelderdeur en riep:
"Jan, gij moest eens boven komen: er is iemand om u te spreken!"
Een gemor, dat wel op een ja geleek, antwoordde op haren roep. Zij verstond het zoo en kwam terug bij hare kinderen, zeggende:
"Hij zal terstond komen."
Zij wachtten alle drie tamelijk lang, en niet zonder angst, op de verschijning van den heer Fruyts. Eindelijk hooren zij in den kelder een groot gerucht: het schijnt, dat men een paar ledige flesschen tegen den muur aan stukken slaat; de schabben worden krakend van den muur gerukt, en van den eenen kant naar den anderen geworpen. Het is er in den kelder als eene hel in het klein, uit welke de stem van M. Fruyts zich als de klagende stem eener gedoemde ziel doet hooren; in grievende galmen klinkt de naam van Striata Formosissima herhaalde malen de keldertrap op, en komt als eene verwensching in de ooren der bevende gelieven klinken.
Vrouw Fruyts wordt rood van toorn en springt vooruit, om haren man over zijn breken in het haar te vliegen; doch hij verschijnt, en hetgeen zij ziet, belet haar te spreken.
Eene schrikkelijke wanorde heerscht in den ganschen persoon van Fruyts. Zijn haar staat in verwarring te berge op zijn hoofd; zijn half hemd is uit zijn ondervest gerukt, waaraan men beseffen kan, hoe hij in zijne borst moet gewroet hebben; zijne broek is bedekt met slijkachtige aarde, en aan zijne zwarte klompen kleven nog de stukken der Dahliawortelen, die hij in zijne woede vertrapt heeft. In de eene hand houdt hij een houten baksken, uit welks holte hij spottend de zemelen op den vloer stort; in de andere hand houdt hij met nijpende kracht een stuk wortel, dat gebroken schijnt. Zijn gelaat! o, zijn gelaat getuigt van de uiterste wanhoop:—de wenkbrauwen over de ogen gezonken, de hoeken van den mond stuiptrekkend naar achter, en de bloote tanden opeengesloten als van iemand, die bijten zal.... Met schokkende stappen, als een treurspeler, komt hij vooruit en stuurt zijn gezicht in het wilde rond.—De vrouwen staan verbaasd en sprakeloos; het meisje met de handen tot den vader gericht; de moeder met de handen dreigend in de lenden. Wat den jongeling betreft, deze is verbitterd over den gekken toestand, in welken hij zich nu geplaatst ziet. Gewis kan hij de oorzaak er van raden, want een grimlach van ongeloof zweeft op zijn aangezicht. De vrouw begint de verklaring van het voorgevallen ongeluk met deze snauw:
"Welnu, wat zal het worden, zot getrek! Zijt gij van zin ons op te slokken?"
De vader werpt een doodenden blik op zijne vrouw, doch antwoordt niet.
DE MOEDER.—Wel, hebt gij het van uw leven gezien met al uwe dwaze grillen! Dat trekt een gezicht gelijk de kwade moordenaar. (Zij verzacht hare stem spottend.) Daar is zeker een Dahlia'sken uit uwe hand gevallen? Och arme!—Moet gij daar zoo een leven om maken? Voor zulke vodden?
DE DOCHTER; zij wil den arm haars vaders vatten.—Och, vader, wat is er gebeurd? Zeg het aan mij.
DE VADER; hij stoot ze weg.—Laat mij gerust! Spreek mij niet aan! Uit mijne oogen! (Hij ziet de kat bij de stoof liggen, en geeft haar zulken geweldigen stamp, dat zij huilend de deur uitvliegt.) Lomp, lui beest! Gij tooverheks, ik zal u vermoorden! Nog geene twee dagen of gij krijgt eenen steen aan uwen nek. Moet ik u daarom den kost geven?
DE MOEDER, met gramschap.—Maar wat gaat u over, Dahlia's-zot? Denkt gij hier in mijn huis alles overhoop te zetten en baldadigheden te doen? (Zij komt met de handen op de heupen voor hem staan en snauwt hem toe.) Zijt gij van zin er uit te scheiden met die belachelijke komedie, of ik zal u eens aan de deur zetten, hoort gij het?
Deze bedreiging stilde den heer Fruyts een weinig, want hij vreesde zijne vrouw uitermate. Met dezelfde kunstmatige stappen wandelde hij sprakeloos door de kamer, terwijl de twee vrouwen en de jongeling het oogenblik zijner verkoeling afwachtten. De ongelukkige liefhebber sloeg zich van tijd tot tijd met de hand voor het hoofd, en scheen aan de bitterste zielsfolteringen te zijn overgeleverd. Dan, hij kon echter zijne woede en zijn lijden niet langer in zijnen boezem besloten houden, en, den jongen Bielens dreigend beziende, viel hij uit:
"En wat komt gij in mijn huis doen, pennelikker? Gij komt zeker vermaak scheppen in het leed dat uw vader mij aangedaan heeft? Maar ik zal uwen lekkeren vader wel vinden. Hij zal geenen enkelen Dahlia in zijn hof houden, al moest ik dieven betalen om ze te gaan aan stukken stampen."
DE JONGELING, met spijtige kalmte.—Ik weet niet, Mijnheer Fruyts, dat mijn vader u ooit misdaan hebbe: gij waart gisteren nog goede vrienden!
DE VADER, bitsig.—Vrienden? Ja, ik dank je voor zulke verraderlijke vrienden, die een mensch alle soorten van verdriet aandoen.
DE JONGELING.—Maar wat groot kwaad heeft mijn vader u gedaan, Mijnheer Fruyts?
DE VADER.—Wat? wat? Heeft hij verleden jaar al mijne beste Dahlia's niet doen sterven—uit nijd, uit afgunst? En heeft hij de medaille, die hij won, niet van mij gestolen, zeg?
DE JONGELING, verwonderd.—Mijn vader heeft uwe Dahlia's doen sterven? Dit wist ik niet.
DE VADER, met klimmende woede.—Ja: heeft hij mij niet gezegd, dat ik mijne beste Dahlia's op paardenmest moest planten?—En is het zijne schuld niet, dat de veenmollen ze hebben afgebeten?[56]
DE JONGELING.—Als gij het zoo hebben wilt, dan zal ik ja zeggen; maar gij weet het, mijn vader is gevaren gelijk gij: de veenmollen hebben zijne Dahlia's ook afgebeten.
DE VADER, bulderend.—Treken! Treken! Met welke Dahlia's heeft hij dan de medaille gewonnen, zeg?—Valschheid en bedrog, ja! Maar dit was al lang vergeten. Hetgeen mij heden is overgekomen, dat zal hij mij duur betalen. En zeg hem maar:—van nu af aan geene vriendschap meer; en gij, die den stille en den fijne zoo uithangt, kunt ook maar uit mijn huis blijven.—Als mijne dochter u nog durft aanspreken, steek ik ze voor haar leven lang in een klooster. (De dochter begint te weenen.)
DE MOEDER, met spotternij.—Maar hoe kan een mensch van vijfenveertig jaar toch zoo zagen!—Wanneer zullen wij nu eens weten, wie er dood is?
DE VADER.—Ja, gij venijnig wijf, gij spot altijd met mijn verdriet. Dat weet ik, wat er gebeurd is, en ik zal het niet gauw vergeten. Tien jaren verkorting van mijn leven!
DE JONGELING.—Nu, Mijnheer Fruyts, zeg mij toch eens, wat nieuw ongeluk mijn vader u veroorzaakt heeft?
DE VADER, in den uiterste toorn. Er komt een traan in zijne oogen.—Ja, uw valsche vader wist, dat ik eene Dahlia had, gelijk er geene in honderd uren in het rond is. Dit benijdde hij weer, omdat hij wel kon denken, dat ik dit jaar de medaille zou winnen.... Maar, o schelmerij! (Hij geeft aan zijne stem een fleemenden toon.) Jan, zegt hij met eenen loozen treek, Jan, leg uwe Striata Formosissima in eenen bak met zemelen; dan zal zij goed droog blijven.—En wat is er geschied?—Zie, ik kan mijne gramschap niet bedwingen....
DE VROUW.—Welnu, wat is er geschied, zageman?
DE MAN, met droefheid.—Wat er geschied is! Luister, wat verraderij! De ratten zijn naar de zemelen gekomen, en als die meest opgegeten waren, hebben zij mijne Striata Formosissima ook opgeknabbeld. Weet gij het nu?
DE VROUW, hem uitlachende.—Wel, wel, is het anders niet? Blijven er geene dooden? Geene armen of beenen gebroken? Moet gij daarom zoo te werk gaan en de geburen doen zeggen dat de ratten het huwelijk uwer dochter overgebeten hebben?
DE VADER.—Anders niet, anders niet! (Tot den jongeling.) Mijn huis uit, flierefluiter.—Gauw!
DE DOCHTER, weenend.—Och, vader lief, jaag hem niet weg! Gij hebt beloofd, dat wij mochten trouwen.
DE VADER.—Trouwen? Met den zoon van mijnen grootsten vijand,—met den valschaard, die mijne Striata Formosissima aan de ratten overgeleverd heeft? Trouwen? Nooit! Dan geef ik u nog liever aan den bult van Okeren.
DE MOEDER.—Hoor, het heeft nu lang genoeg geduurd. Ik zal er eens kort spel mede maken. (Zij vat haren man bij den schouder en zet hem ten huize uit. Zij sluit de deur toe.)
M. Fruyts bleef eenige oogenblikken vóór de deur staan; doch ziende, dat ze voor goed gesloten was, begaf hij zich met wankelende stappen naar de plek gronds, waarop hij zijne Dahlia's voornemens was te planten. Hij hield nog altijd het stuk wortel van zijne Striata Formosissima in de hand, en wrong het stuiptrekkend tusschen zijne gespannen vingeren. Zijn hoofd hing krachteloos op zijnen schouder; zware zuchten ontsnapten zijner borst. Bij de Dahlia's-plek gekomen, overstaarde hij nog eens dien grond en sprak tot het stuk wortel, dat hij onder zijn gezicht bracht:
"Striata Formosissima! bloem der bloemen, ik ben u kwijt! Ik zie mijne vijanden lachen en met spotternij in de handen klappen. Geene medaille zal ik hebben; al mijne hoop is met u vergaan. O, hadden de ratten geweten, dat iedere beet, dien zij u toebrachten, een beet in mijn hart was! Hadde ik het kunnen voorzien, ik hadde mijnen kelder opgevuld met kaas en vleesch om de verslindende dieren te verzadigen. Maar te laat is dit beklaagd,—gij zijt voor mij verloren. O ramp!"
En met eene hoekige beweging wierp hij, als eene maledictie, het stuk wortel over het wijde veld.
Den ganschen dag wandelde de heer Fruyts, zonder hoop en lijdend, door de paden van zijnen hof; ja, zoover verdwaalde hij, dat hij dien dag weigerde te eten, iets, wat hem nog nooit was geschied. Al de gebeden zijner dochter, al de berispingen zijner vrouw hadden geene macht genoeg om hem in huis en bij het vuur te doen komen.
Tegen het vallen van den avond zat M. Fruyts op eene houten bank te midden van zijnen hof. De koude deed zijne ledematen beven en zijne tanden klapperen. In deze gesteltenis begon hij eenig naberouw te gevoelen over de barschheid, met welke hij zijne dochter en den jongen Bielens behandeld had; doch de gedachte, dat men hem onder de Dahlia's-liefhebbers zou uitlachen, kwam hem telkens opnieuw bedroeven. Zijne woede ontvlamde met nieuwe kracht, toen hij, het hoofd opheffende, den jongen Bielens met een paksken onder den arm tot zich zag komen.
Hij bracht de hand snokkend vooruit als iemand, die wil zeggen:—de deur uit, gauw!—maar de jongeling naderde stoutelijk en rijkte hem een gevouwen briefje toe. Ongeduldig nam de heer Fruyts dit van hem aan en ontvouwde de plooien met eenen spottenden grimlach.
Maar, hemel! wat straal van licht verlevendigt het gelaat van M. Fruyts? Wat roode kleur verft zijne wangen? Waarom die blijde zucht, die zijne borst ontvliegt? Gewis, dit briefje behelst eene vroolijke tijding.—Hij leest:
"Ik ondergeteekende, Bloemenkweeker bij Antwerpen, verklaar dat ik heden aan den heer Frans Bielens eenen wortel geleverd heb van de echte Striata Formosissima."
Het handteeken was van den vermaardsten en geloofwaardigsten bloemenkweeker.
"Gij bezit eenen wortel van de Striata Formosissima!" riep M. Fruyts in verrukking uit. "Bedriegt gij mij niet? Neen, neen, het is waarheid! Laat zien dien wortel!"
Hij nam het paksken uit de handen van den jongeling, rukte het papier en het mos er af en betastte den wortel aan alle zijden met eenen zoo zoeten glimlach, dat het genoeg te zien was, wat vermaak hij in deze betasting vond.
"O, het is een wortel," mompelde hij, "ja, eene Striata Formosissima."
Eene invallende gedachte versomberde zijn gelaat.
"Welnu," zuchtte hij, "gij zijt gelukkig, Frans, dat gij die Dahlia hebt, gij kunt er zoovele medailles mede winnen als gij begeert."
"Ik?" sprak de jongeling. "Neen, Mijnheer Fruyts. Ik wist dat de heer V—— sedert vier dagen een wortel van de Striata Formosissima gekregen had. Daar hij mijn vriend is, heb ik niet over den goeden uitslag mijner pogingen gewanhoopt. En gij ziet hoe gelukkig ik was. De heer V—— heeft mij zijnen eenigen wortel afgestaan. Niemand bezit hem nu in de omstreken, misschien niet in België, dan ik alleen. Zoudt gij hem van mij willen aanvaarden, als een bewijs mijner mededeeling in uwe droefheid?"
Een zeldzame gil bonsde uit den lang benepen boezem van M. Fruyts; hij deed eenen stap vooruit, greep den wortel aan en hield hem met de eene hand tegen zijn hart, terwijl hij met de andere den jongen Bielens naar het huis voorttrok. Hier zat de dochter bij de stoof te weenen, dat de tranen van hare wangen biggelden. Vrouw Fruyts rustte met het hoofd op de hand; haar aangezicht was verre van aantrekkelijk te zijn en scheen tot haren man te willen zeggen:—"Zijt gij daar, flauw bescheid?" Maar hij, in zijne vreugde daarop geene acht gevende, hief den wortel boven zijn hoofd en riep zegepralend:
"Hoera! Hoera! Ik heb mijne Striata Formosissima weer! Toe, vrouw! laat ons alles vergeten, en zie toch zoo zuur niet meer. Haal al gauw eene goede flesch uit den kelder,—van het patersvaatje! En gij, mijne lieve Trees," sprak hij, zijne dochter bij de hand vattende, "vergeef mij ook, mijn kind, dat ik zoo boos ben geweest.—Kom hier, Frans, mijn zoon!"
Hij legde de hand zijner dochter in die van Frans en riep:
"Vivat Striata Formosissima! Leeft lang en trouwt na Paschen!"