← Table of contents
Avondstonden

DE SCHOOLMEESTER TEN TIJDE VAN MARIA THERESIA

Reading edition

ZEDENSCHETS

(Eene tamelijk ruime kamer, waarin eenige groote schrijftafels en lange lessenaars geschikt zijn. Aan den wand hangen een zwart bord en eene wereldkaart. Bij de tafels zitten vele schooljongens, meest tusschen acht en twaalf jaar oud. De schoolmeester gaat heen en weer met een ernstig, ja, bijna grammoedig gelaat; hij houdt een pennemes in de hand en is bezig met pennen te vermaken. Het is zichtbaar, dat het meerdere getal der leerlingen zich onledig houdt met spelen, en weinig aandacht op de woorden des meesters geeft; eenigen slapen, anderen vangen vliegen, sommigen schrijven, maar zijn wezenlijk bezig met mannekens te maken of okentrek te doen.)

DE MEESTER, met luider stem en langzaam.—Past op dat gij de buiken van uwe A's wel vol maakt, en dat gij de koppen van uwe B's wel naar omhoog trekt!

GEROEP VAN ALLE KANTEN.—Meester, versnijd mijne pen eens!—Monsieur, ma plume is te slap! De mijne is te stijf! La mienne est trop maigre! De mijne is te vet!

VICTOR, een der leerlingen, aan Karel, die nevens hem zit.—Ik heb gedaan, eh na!

KAREL, met zachte stem.—Ja, ge zult gij wel op uw' kneukelen krijgen. G'hebt weer altemaal hanepooten gemaakt, gelijk gisteren.

VICTOR, zijne stem, zonder het te weten, verheffende.—Dan moeten ze mijn' pen maar vermaken.—Karel, willen we wat pennekepik doen, eh?

DE MEESTER.—Silence daar, met datlawijd![29] Victor, pas op dat uw geschrift niet goed is, gij zult het beklagen, vogel!

EDWARD, die nevens Victor zit.—Mag ik meê pennekepik[30] doen? 'k Zal eene nieuwe pen geven.

VICTOR, bitsig.—Neen, gij moogt niet meedoen, aarzak![31]

EDWARD, schreeuwende.—Dan zal ik het zeggen, zie na! Meester, meester, Victor en Karel doen altijd pennekepik!

DE MEESTER, met gramschap.—Ha, ze zijn weer bezig,—ik had het gelijk in 't oog. Wacht, luierikken, 'k zal u daar komen pennekepikken meteen! (Hij trekt Victor met zijn oor.) 'k Zal u leeren, luie vlegel. Dat ligt daar den heelen dag te spelen, in plaats van te leeren. Zijt ge niet beschaamd, dat gij het geld uwer ouders zoo verkwist, deugniet? Moeten ze mij daarom alle maanden betalen, omdat ge hier pennekepik zoudt doen, bedorvendans?

VICTOR, zoo sterk huilende, dat de meester zijne ooren met de vingers stopt.—Ai mij! ai ai! hi hi! och Heer! mijn oor! 'k zal het aan mijn' moeder zeggen—dan ga ik naar een ander' school, zie na!

DE MEESTER, streelend.—Wees wijs, Victor, wees wijs, jongen. Gij zult het niet meer doen, niet waar? Laat uw geschrift eens zien. Het is beter dan gisteren,—dat verdient eenen Bon[32]. (Hij schrijft eenen bon op het papier van Victor en verwijdert zich.)

VICTOR, mompelende.—Met zijne bons altijd! Wat kan ik daarmee doen? 'k Ben er vet mee, met zijne bons! Ai mij, mijn oor!

EDWARD, tot den meester.—Meester, het is zijn geschrift van gisteren. Hij heeft daar straks eenen grooten Rubbens in zijn cahier[33] gemaakt.

DE MEESTER, tot Edward.—Zwijg! gij weet dat ik geene overdragers kan lijden. (Na eene tusschenpoos tot al de leerlingen.) Geeft acht op het dicté;—neemt uwe cahiers. Zijt gij er altemaal?

AL DE LEERLINGEN TE GELIJK EN VERWARD.—Ja, ja, meester!—ik niet!—ik wel!—ik kan mijn cahier niet vinden,—mijn pen schrijft niet,—ik heb geen papier!

DE MEESTER, dicteerende met slepende stem.—"De wederspannige Absolon ... de we-der-span-ni-ge Ab-so-lon...."

VICTOR, Edward bij zijn haar trekkende.—Daar nu,—ga, zeg nu nog, dat wij pennekepik doen, overdrager. Roep nu, dat ik met uw haar trek, schreeuwbakkes!

DE MEESTER.—"De wederspannige Absolon...." Lawijdmakers, gaat gij er daar wat uitscheiden?

EDWARD, weenende.—Ai, ai! meester, meester, Victor trekt altijd met mijn haar!

DE MEESTER, met ongeduld en tegen den grond stampende.—Zij zullen mij niet laten voortgaan; leert die barbaren dan al! (Dicteerende) "De wederspannige Absolon...." Silence! "Absolon trok op...."

EDWARD, roepende.—Meester, nu nijpt hij weer in mijn' kaak!

DE MEESTER, dicteerende.—"Absolon trok op ... tegen...." Victor, ik zet u meteen van de school, nijdige jongen dat gij daar zijt!... "trok op tegen het leger zijns vaders.... David ..." Waarom beziet gij mij zoo, Piet? Schrijf dan!

PIET.—Frans heeft mijne pen weggenomen, meester.

FRANS.—'t Is niet waar, meester, hij heeft ze verloren met pennekepik te doen.

DE MEESTER, in gramschap.—Hier gij! Op uwe knieën. Geef daar eens twee kassen. Speel nu nog pennekepik, oudersverdriet, dat gij daar zijt! (Hij plaatst Piet op de knieën in het midden der school en doet hem met elke hand eene schrijfkas in de hoogte houden. Piet weent en snikt; doch dit belet hem niet, zijne tong uit de steken en alle soorten van spottende gezichten te trekken.)

Dicteerende: "tegen het leger zijns vaders ... maar de almachtige God ... almachtige God ... strafte de boosheid ... de boosheid van ..." Victor, wat doet gij daar? Ik zie u niet schrijven.

VICTOR.—Gij dicteert te gauw, meester. Ik kan u niet bijhouden.

DE MEESTER, met wanhoop.—Wel, wel, 't is schrikkelijk zeggen, dat hij mij niet kan volgen! Ik geloof waarachtig, dat ze een komplot gemaakt hebben om mij van de school te doen gaan loopen;—maar 't zal niet waar zijn, revolutionairs! Gij zult mij niet verjagen....

EDWARD, schreeuwende.—'t Is niet waar, meester; Victor heeft weer okentrek[34] gedaan, terwijl dat g'aan het dicteeren waart.

DE MEESTER, met ongeduld.—Ha, zijt gij weer okentrek aan 't doen!—en ik schreeuw mij te barsten voor zulke luie ezels.... 't is om iets van te krijgen!

(Hij wendt zich om naar de andere zijde der school.)

VICTOR, eenen luiden kaakslag aan Edward gevende.—Daar nu! zeg het nu nog. Kom straks naar buiten, als de school uit is, dan zal ik u eens in de goot slaan, en ga, roep dan uwen vader en uw' moeder maar, labbekak! (Zij vatten elkander bij het haar en vechten met groot gerucht. De meester springt er naar toe, grijpt hen bij den kraag en trekt ze van elkaar.)

DE MEESTER, met groote woede.—Deugnieten! Schelmen! 't Is erger dan de kinderen van de Vliersteeg of uit den Zwanengang[35]. Gij zult mij weer doen bloedspuwen, slangen dat gij daar zijt. Maar ik zeg het u: zijt zeker, dat de eerste, die zich nog durft verroeren, de school afvliegt.... Past op! (Groote stilte in de school. Victor steekt zijne hand onder de tafel en nijpt in de beenen van Edward; doch deze durft zich niet roeren. De pijn schetst zich in belachelijke uitdrukkingen op zijn gelaat.)

DE MEESTER, bedaard.—Waar waren wij? Ha! (dicteerende) "De boosheid van den ontaarden zoon.... Absolon den veldslag ... Absolon den veldslag ... verloren hebbende ... hebbende, begaf zich op de vlucht...." Frans, gij let er niet op. Gij zijt weer bezig met papier knauwen! Laat eens hooren wat ik het laatst gezegd heb?

FRANS.—Heb!

DE MEESTER, verbitterd en spijtig.—Wat, heb, ezel? Op de vlucht, heb ik gezegd, (dicteerende) "en reed onder eenen boom door ... doch zijn lang haar ... lang haar ... verwarde in de takken ... van...." Frans, doe dat manneken weg en schrijf ... "De takken van den boom ... boom, en Absolon bleef er aan hangen."

(Frans heeft gedurende het dicté eenen bal papier tusschen zijne tanden gekneed, en een uitgesneden manneken er aan gevoegd. Hij werpt het tegen den balk van het verdiep; het blijft er aan hangen.)

VICTOR, blijde.—Ai, ai, daar hangt Absolon met zijn lang haar!

DE MEESTER, vergramd.—Frans, gij zult noenoveral[36] blijven bakken. 'k Zal u leeren papier knauwen! Nu zult gij dezen noen niets te knauwen hebben. (Tot al de leerlingen.) Het dicté is gedaan.—Victor! spel het laatste woord eens.

VICTOR, tot Edward.—Wat is het laatste woord? Gaat gij het zeggen, of ik geef u eenen neep.

EDWARD.—Neen, nu zeg ik het niet, zie na!

VICTOR nijpt hem in den rug.—Zegt ge 't nog niet?

EDWARD, pijnlijk schreeuwende.—Hangen! Hangen!

DE MEESTER, tot Edward.—Het wordt aan u niet gevraagd, schreeuwer. Gij, Victor, spel het laatste woord.

VICTOR, onverstaanbaar en zeer gauw.—Abchg—hang ... chrstgen—gen—hangen.

DE MEESTER, het hoofd schuddende.—Genoeg, genoeg. Wij zullen het namiddag spellen.—De kleine Catechismussen weg.—De eerste les!

(Groot gerucht van kassen en banken. De leerlingen steken hunne cahiers in de laden der lessenaars; de meesten leggen hunne catechismussen open op hunne knieën om beter te kunnen antwoorden. Victor en Karel ziet men niet; zij zitten onder de schrijtafel.)

DE MEESTER.—Attention op de eerste les! Edward, hoevele Goden zijn er?

EDWARD, driftig en gauw.—Drie,—'k wil zeggen twee,—neen, maar één.

DE MEESTER.—Wat! drie? bottekop! Gij, Victor, hoevele Goden zijn er?

VICTOR, zijn hoofd onder de tafel uitstekende.—Zeven: hoovaardigheid, gulzigheid, luiheid, nijd....

De MEESTER.—Houd op, ketter! Dat weet nog niet, hoeveel Goden dat er zijn. Gaat gij van onder de tafel komen? Wat doet gij daar weer?

EDWARD.—Zij spelen met de marbollen in de drie puttekens, meester!

FRANS.—Neen, wel, meester, ze doen klontjen-trek en witbier-zet met krieksteenen![37]

DE MEESTER neemt een reglet en slaat in het wilde onder de tafel.—Schelmen, er uit!—gauw! of ik sla u armen en beenen vaneen....

VICTOR en KAREL, onder de tafel heen- en weer kruipende—Ai mij! 't is in mijn oog!—Ai ai, mijnen kop!—Och God, mijnen neus!

(Zij komen huilend van onder de tafel. Een van Victors oogen is rood en schijnt eenen harden slag ontvangen te hebben.)

DE MEESTER, bij Victor gaande, streelend.—Victor, Victor, nu ziet gij wat er van komt. (Hij neemt hem zoetjes bij de hand.) Kom hier, jongen; zit aan de groote tafel.—Ge moogt in de eerste klasse gaan,—ik zal u een nieuw boek geven.

VICTOR, binnensmonds.—Dief, dief, na.

(Er wordt aan de deur gebeld; de meester doet open.)

VROUW VAN LAER, moeder van Victor.—Goeden dag, meester Verdonck. Ik kom eens zien naar mijnen jongen. Ik ben daar naar de markt geweest, om wat selder en ajuin te koopen, gelijk een mensch zoo al noodig heeft in zijn huishouden; en ik zeide zoo in mij zelve: wacht, zeide ik, ik zal eens naar mijnen Victor gaan zien. Zijt gij er tevreden over?

DE MEESTER, met fleemende stem.—Ten uiterste, madam Van Laer. Victor is wijs,—niet waar, Victor? Het is een mijner beste leerlingen;—hij is daareven nog eene klasse verhoogd, en morgen gaat hij in de Schat der kinderen[38].

VR. VAN LAER.—Maar wat heeft hij aan zijn oog, och arme? Het is zoo rood!

DE MEESTER.—Ik heb daar eenen stouten jongen, die altijd kwaad doet aan Victor,—zeker uit nijd, omdat hij zooveel leert. (Tot Edward) Edward, pas op dat gij Victor nog durft slaan, dan vliegt gij de school af, wees zeker!

EDWARD, morrende.—G'hebt het zelf gedaan. G'hebt Victor met uw reglet in zijn oog geslagen.

DE MEESTER, eenen gloeienden blik op Edward werpende.—Zwijg, franke ezel[39],—want er is toch niets goed van u te maken. Doe gelijk Victor, dan zullen uwe ouders ook blij mogen zijn.

EDWARD, binnensmonds.—Omdat zijne moeder hier is, eh? Dat 's niets, straks krijgt hij toch weer haver.

VR. VAN LAER.—Maar, meester Verdonck, daar is de jongen van madam Laurier,—gij weet wel, die bij meester Huysmans ter schole gaat? Eh wel, die spreekt altijd van Amerika en van alle vreemde landen, gelijk een philosoof. Zou Victor dit ook niet kunnen leeren?

DE MEESTER.—De geographie, wilt gij zeggen, madam? Wel, zie, daar hangt ze! (hij wijst op de landkaart.) Uw Victor is daar al heel ver in,—hij is zelfs een van mijn' besten.

VR. VAN LAER.—Dat wilde ik wel eens zien.

DE MEESTER, tot Victor.—Kom hier voor de kaart, Victor, en laat eens zien aan uwe moeder, wat bol gij in de geographie zijt! (Victor gaat voor de kaart met den meester en met zijne moeder.) Hoevele winden zijn er, Victor?

VICTOR.—Vier.

DE MEESTER.—Ziet gij wel, madam, hij weet het zoo juist, alsof hij gedurende geheel zijn leven op zee gevaren had! Nu zal hij eens wijzen, waar de vier winden zijn.

VR. VAN LAER, in verrukking.—Wel, God, is 't mogelijk? Zoo een kind! Waarachtig, 't is gelijk een kapitein van een schip. Hoe kan hij het onthouden!

DE MEESTER, hij wijst met een stokje boven de kaart.—Victor, waar is het Noorden?

VICTOR, met stoutheid.—Van boven.

DE MEESTER, het stokje onder de kaart plaatsende.—Waar is het Zuiden?

VICTOR.—Van onder.

DE MEESTER, met het stokje de rechterzijde der kaart toonende.—En het Oosten?

VCTOR, met koddigen ernst.—Daar op zijde, waar gij met uw stoksken wijst.

VR. VAN LAER, verwonderd, alsof zij een mirakel geschieden zag.—Hoe kan het toch zijn! Kom hier, Victor, dat ik u eenen kus geef. Gij zult nog minister worden, gij!

DE MEESTER, tot Victor.—Waar wonen wij? In welk land staat deze school?

VICTOR, zeer ernstig.—Op de Paardenmarkt.

DE MEESTER, op zijne lippen bijtende en half beschaamd.—Ja, ja, op de Paardenmarkt, juist!—Maar in welk land zijn wij?—In Spanje, in Turkije, in Lapland of in Belgenland?

VICTOR.—In Belgenland.

DE MEESTER, vergenoegd.—Ik wist wel, dat hij het niet vergeten had. Wijs nu Belgenland op de kaart eens, Victor! (Victor, na lang zoeken, wijst het land der Hottentotten op de kaap de Goede Hoop.) Dat is mis, Victor. Toe jongen, g'hebt Belgenland daar straks wel vijfentwintig keeren gewezen. (Tot vr. Van Laer.) Madam, hij is beschaamd in uwe tegenwoordigheid. Hij kan anders alle landen en steden wijzen met zijne oogen toe. Ho, het is een kind, waar veel insteekt.

KAREL, tot Edward met zachte stem.—Wat leelijke mouwstrijker dat de meester is, eh?

EDWARD.—Wat grooten hoed dat Victors moeder op heeft, eh? Hebt gij geenen bol papier, 'k zal eens roos schieten?

FRANS.—Ik heb er eenen: let op, hij gaat!

DE MEESTER, roepende.—Silence, daar in den hoek!

VR. VAN LAER, tot den meester.—Ik heb het altijd gezegd, dat onze Victor een verstandig kind is. Nochtans, zijn vader wil in zijne koppigheid hebben, dat mijn Victor een ezel is, en dat het beter ware hem eenen stiel te leeren;—maar ik zal wel maken, dat hij ten minste pastoor of advocaat wordt ... want het kind is er zeker toe geboren.

DE MEESTER, zich buigende.—Daarin hebt gij het grootste gelijk van de wereld. Gij kunt er ongetwijfeld eenen pastoor, eenen advocaat of eenen schoolmeester van maken.

(Er wordt met eenen bal papier uit eenen hoek der school geworpen. De bal vliegt met kracht tegen den hoed van vr. Van Laer.)

VR. VAN LAER, verstoord.—Wel wat afgrijselijke dingen!—Een mensch met papier durven werpen in tegenwoordigheid van den meester. Hoe slecht dat sommige kinderen zijn opgevoed!

DE MEESTER, met groote woede.—Wie heeft dit gedaan? Wie durft die achtbare madam Van Laer met papier werpen?

EDWARD, roepende.—Frans heeft het gedaan, meester! Hij heeft gezegd: zie, dat is een' kokarde op haren zomerhoed!

DE MEESTER, Frans bij den kraag naar de deur slepende.—Hier gij, schelm! De deur uit, deugnietenkind! (Hij werpt hem aan de deur.)

FRANS, buiten luidkeels schreeuwende.—Ge meent, dat ik nog zal weerkomen, eh?—maar 't zal niet waar zijn, beer! leelijke beer!... (Stilte.)

VR. VAN LAER.—Ik ben voldaan over mijnen jongen en ik ga al gauw naar huis, want ik moet mijne keuken gaan oppassen; maar ik zou gaarne hebben, dat gij mijnen zoon leerdet pennen vermaken; want hij wil thuis nooit schrijven, omdat zijne pennen altijd te vet of te mager zijn, volgens dat hij zegt.

DE MEESTER.—Is 't anders niets, madam Van Laer? Wel, ik zal het hem op het oogenblik leeren, dat gij het ziet; ik geloof zelfs dat hij het reeds kan.

EDWARD, tot Karel.—Ja, pennekepik kan hij beter, eh?

KAREL, roepende.—Meester, Edward lacht u uit!

EDWARD.—Neen wel, meester, hij is het zelf.—Hij zegt, dat Victor beter pennekepik kan!

DE MEESTER, dreigend.—Silence, daar, zagemannen! of ik zet u de school af.... (Stilte.) Allons, Victor, let wel op, ik zal het u eens voordoen. (Hij vermaakt langzaam eene pen en zegt opvolgend:) Gij neemt eene pen in de rechterhand en laat ze overgaan in de linkerhand; dan legt gij ze op haren rug en snijdt ze den bek met eene groote snee open. Dan legt gij ze op haren buik en geeft ze weer eene snee....

PIET, schreeuwende.—Meester, meester! daar vliegt een meuldener[40] in de school! Pst! Pst!

AL DE LEERLINGEN.—Hoera! Hoera!—Pakt hem!—Hoe na of ik had hem! Hier, daar, pst! pst!

(Zij werpen met klakken en cahiers naar den kever. Alles geraakt het onderste boven in de school. Vr. Van Laer, die voor de kevers schrikt, weet niet, waar zich te bergen. Tot overmaat van ongeluk vliegt de kever haar in het haar.)

VR. VAN LAER, met bange stem.—Och! och! meester, verlos mij van dat ongediert of ik krijg er iets van. Foei, foei, het is venijn! (De meester neemt den kever van haar hoofd.) Ai, mij! daar houd ik eenen schrik van. Het zinkt altemaal in mijn' beenen. Wel, meester, wat beklaag ik u,—wat moet gij al uitstaan van die deugnieten. Dat het de mijne waren, ik zou ze anders leeren dansen.

DE MEESTER, met gramschap rondziende.—Ik zal u straks spreken! (Stilte.) Allons, Victor, vermaak nu eens eene pen. Eerst op haren rug, dan op haren buik ... zooals ik u gezegd heb. (Hij geeft eene pen en een pennemes aan Victor.)

VICTOR, met ongeduld.—Weet ik nu haren buik, eh? Waar is nu haar buik?

DE MEESTER.—Snijd er maar stoutelijk door, Victor.—Geef ze maar eene goede snee.

(Victor snijdt met drift, doch in stede van de pen den bek af te snijden, geeft hij zich zelven eene diepe snede in den vinger en laat zich huilend achterover vallen. Hij bloedt sterk.)

VR. VAN LAER, bleek van schrik en angst. Zij neemt Victor in hare armen.—Och God! och Heer! Mijn arm kind is dood.—Ziet eens wat snee. (Zij beziet den verbaasden meester met woede.) Meester Verdonck, ik weet niet, hoe gij niet beschaamd zijt om dit kind een mes in zijne hand te geven. Daar moet gij toch bot voor zijn.—Dis is uwe schuld....

DE MEESTER, met spijt.—Hij kon toch geene pen vermaken zonder mes, madam.

VR. VAN LAER.—Zonder mes! Zonder mes! Gij zijt nog veel dommer dan al die onbeleefde luieriken, die gij daar hebt zitten ... met uwen rug en uwen buik! Maar ik zal er wel op passen, mijn kind te laten bederven in zoo een nest. Hij zal naar eene andere school gaan. (Zij heeft al sprekende haren zoon een doeksken om den vinger gewonden.) Kom aan, Victor.—Kom naar huis, mijn kind.

DE MEESTER.—Maar, madam, gelief....

(Vr. Van Laer vertrekt. Victor bij de deur zijnde, keert zich nog eens om en steekt zijne tong spottend tot de meester uit.)

DE MEESTER, pijnlijk en met diepe droefheid tot den leerlingen.—Eh bien,serpenten dat gij daar zijt! Schorpioenen! Trêtert[41] mij dood ... toe, spaart mij niet.... Drie bloedspuwingen en eene tering op de long ... dat is nog niet genoeg, niet waar?—Geeft mij nu nog eene geraaktheid,—maakt mij lam aan armen en beenen! Dan zult gij blij zijn, eh, hartvreters? Dan zult gij lachen, eh, monsters? (Hij bedaart een weinig en zegt met neerslachtigheid:) Hoe kunt gij toch zooveel verdriet toebrengen aan dengene, die zijn leven als een slaaf doorbrengt, om u te onderwijzen en u eens waardige en nuttige leden der samenleving te maken?—Hebt gij geen medelijden met uwen armen meester, die zich ziek schreeuwt om u te leeren....

EDWARD, schreeuwende.—Meester! meester! Piet heeft een' vlieg met een strooiken aan heur gat!

DE MEESTER, stampvoetend en met wanhoop.—Ja, ja, ik weet het wel, gij lacht met mijn verdriet ... gij zijt zoo ongevoelig als de steenen van de straat ... ondankbaar, lomp, lui, dom,—een hoop ezels,—zoo bot als visschen. Nagels van mijne doodkist!... (hij hoest twee of driemalen met pijn.) Ja, nagels van mijne doodkist;—want ik gevoel wel, dat gij mij onder den grond zult krijgen, moordenaars! (Hij haalt zijn uurwerk uit den zak. Het wijst tien uren en een half; doch om zijn geweten te voldoen, zet hij het op elf uren!) Het is elf uren.—De school is uit!

(De leerlingen springen over banken en tafels met ongemeen gedruis.)

DE LEERLINGEN, van alle kanten roepende.—Hoera! Hoera! De school is uit!—Wie speelt er mee broekstavast?—Wie doet er mee in d'O? Wie heeft er marbollen? Wie doet er mee Gorie, Gorie?[42]

DE MEESTER, zijne deur toesluitende en het hoofd schuddende.—Aures habent et non audient! Alweer twee leerlingen kwijt! Preek dan al voor dit gespuis!

VOETNOTEN:

Notes in this chapter

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings