IV
Reading edition
DE ENGEL, HET MEISJE, TWEE TORTELDUIVEN, EEN JONGELING.
HET MEISJE.—O, ja, de schoonheid der ziel duurt langer; zij behaagt den goeden God zelven,—het lichaam alleen den mensche.... (Er komen twee tortelduiven op een wilgetak zitten.) Gij, lieve tortelkens, ik wil rein en vlekkeloos blijven als gij. Tortelinne, ik bemin mijnen broeder zoo vurig en zoo teeder als du dijnen broeder bemins.
DE DUIVEL, tot de duivinne.—Tot wanneer, o wreede, zals du ongevoelig blijven voor mijne smart? Ik bezwijk van liefde en droefheid, en du blijfs immer onverschillig. Is dijn hart dan van steen?
DE DUIVINNE.—Ik begrijp dij niet, mijn vriend; du treurs en weens om een onbekend wee. Zie ik dij niet gaarne? Heb ik dij verlaten om eenen anderen broeder te volgen? Du blijfs mij altijd dierbaar, du goede, trouwe vriend en beschermer.
DE DUIVEL.—Broeder, broeder! ik wil dijn broeder niet langer zijn; het koude gevoel der vriendschap is weg uit mijnen blakenden boezem; een ander vuur verteert mijn ingewand. (De duiven vliegen weg.)
H*
HET MEISJE.—Zonderling is de taal des vogels! Hij wil vriend noch broeder zijn, en toch bemint hij zoo vurig zijne gezellinne. Zoo sprak ook weleer tot mij die arme Lodewijk, mijn speelgenoot. Ik begreep hem niet;—hij wilde ook mijn broeder niet meer zijn,—en dan is hij heengegaan naar vreemde landen, omdat ik zijn hartewee niet verstond. Wat verlangde hij dan? Ik weet het niet.....
DE ENGEL, tot den duivel.—Mislukt is dijn aanslag op het spiegelrein gemoed der maagd. De Heere zij geloofd!
DE DUIVEL.—Waans du, dat ik ten einde geworsteld zij? Ik wilde slechts in haar eene herinnering opwekken; alleen den grond heb ik bereid, om in het hart der maagd eenen onfeilbaren strik te spannen. Zij heeft daar iets gezegd, dat niet verloren is. Du zals gaan zien! (Hij verwijdert zich en neemt de gedaante van eenen jongeling aan.)
HET MEISJE; zij ziet eenen jongeling naderen.—Wie komt daar? O, hemel, zou het Lodewijk zijn? Ja, ja, het is mijn speelgenoot. O vreugde! Lodewijk, goede Lodewijk!
DE DUIVEL, in de gedaante van Lodewijk, met droef gelaat.—Rosa, hebs du wel éénmaal aan dijnen ongelukkigen vriend gedacht?
HET MEISJE.—O dagelijks! Ik vergeet nimmer mijne kinderlijke vermaken, noch hem, die ze met mij zoo trouwelijk heeft gedeeld.—Maar du Lodewijk, hebs du in de wijde wereld dijne kleine gezellinne niet vergeten?
DE DUIVEL.—Dijne vraag, Rosa, doorboort mijn hart als een degen.
HET MEISJE.—Waarom toch?
DE DUIVEL.—Du zals mij dan nimmer begrijpen? O, Rosa, ik ben van hier vertrokken, den boezem verkropt door wanhoop en vertwijfeling; ik heb gedwaald als een zinnelooze en geleden als een martelaar. In onbekende streken heb ik mijne smart verteld aan de wouden, dijnen naam gezegd aan de velden, dijne schoonheid verkondigd aan het gevogelte, dijne wreedheid aan de harde rotsen. Ik heb mijne tranen langs mijn smartelijk pad gezaaid, dijn beeld heeft mij immer vervolgd; niets kon ik mij herinneren, dan alleen dijne betooverende oogen en dijne wreede gevoelloosheid. Aan dij dacht ik des morgens, des daags, des avonds en des nachts.... En du durfs mij vragen; hebs du dijne gezellinne niet vergeten? O, engellijke maagd, o, medelijden met mij, of ik sterf? (Hij vat hare handen driftig in de zijne.)
HET MEISJE, verschrikt.—Los, los! dijne handen branden als vuur, dijne blikken doorboren mijn hart.... O, beroof mij niet van mijnen zielevrede.
DE DUIVEL.—Altijd even koud! Was hetzelfde vuur in dijnen boezem, du zouds den gloed mijner handen niet voelen. Zie, wreede, daar vergaat mij het leven van pijn; mijne oogen breken.... Du moords dijnen trouwen vriend, en du ziets ongevoelig neer op zijnen dood. O erbarmen, erbarmen! (Hij knielt voor haar.)
HET MEISJE, medelijdend.—Arme Lodewijk! kon ik dijne smarten verlichten, ik deed het gaarne.
DE DUIVEL.—Du kans het, lieve! Zeg, dat du mij toebehooren wils, dat du niemand boven mij bemins.
HET MEISJE.—Lodewijk, ik heb eene moeder: haar bemin ik ook.
DE DUIVEL.—Het zij zoo, bemin dijne moeder.
HET MEISJE.—Ik heb eenen broeder.
DE DUIVEL.—Bemin ook dijnen broeder; maar zeg, dat du de mijne wils zijn, dat du niets anders boven mij bemins.
HET MEISJE.—En zoo ik het zegge, Lodewijk?
DE DUIVEL.—O, lieve Rosa, dan sterf ik niet en leef eeuwig in dijne liefde!
DE ENGEL.—Rosa, Rosa, zals du eenen mensch beminnen boven dijnen God?
HET MEISJE.—O, ik bemin mijnen God. Maar hij sterft, mijn arme vriend; zou ik hem niet troosten?
DE DUIVEL.—Rosa, Rosa! Haast du het zaligend woord te spreken: reeds voel ik den dood in mijnen boezem zinken.
HET MEISJE.—Ik sprake het woord, vreesde ik niet den Heer te vergrammen.
DE DUIVEL.—O, du bemins mij niet, wreede Rosa. Du verblijds dij in mijnen dood. Zie, daar begint mijn hart te bloeden van smart: zie, mijn hoofd zinkt ter aarde.... Haastig, haastig, dijn reddend woord!
DE ENGEL.—Rosa, Rosa, spreek niet, ongelukkig maagdelijn!
HET MEISJE.—Zal hij dan hulpeloos sterven, mijn arme vriend?
DE ENGEL, haastig.—Rosa, beslis over dijn lot; daar vóór u ligt een menschenbeeld, dat lijdt en zegt van minnepijn te sterven.—In den hemel, op den hoogsten troon, zit een Godmensch, die dij zijne liefde geschonken heeft, die zijn bloed op den Golgotha bij stroomen voor dijne zaligheid heeft vergoten....
De DUIVEL.—O medelijden, medelijden met mij!
HET MEISJE.—Ik verdwaal! Wat gedaan! Arme Lodewijk!
DE ENGEL, met wanhoop.—Rosa, dijn uur gaat slaan! O, lieve, zie mijne vlietende tranen! Dáár, daar is de dood.... Haastig, spreek dijn vonnis of dijne verzaliging.—Behoors du den jongeling en der wereld, of dijnen God, dijnen verlosser, den minnaar dijner ziele. Wien, wien zals du behooren, den gekruisten Jezus of den wulpschen jongeling? Spreek!
DE DUIVEL.—Ja, Rosa, spreek.
HET MEISJE.—Lodewijk, Lodewijk, dijn aangezicht is bekoorlijk, dijne liefde vurig en dijn lijden onuitsprekelijk....
DE ENGEL.—Eilaas, zij valt.
DE DUIVEL.—Zege, zege, mij de ziele!
HET MEISJE.—En toch, ik bemin mijnen zoeten Jezus boven alles; mijne liefde en mijne ziele eeuwig aan God!
DE ENGEL.—Heil, heil, zij heeft gezegepraald! Geloofd zij God in den hooge!
DE DUIVEL, in zijne echte gedaante.—Doemenis, doemenis, zij heeft overwonnen! De afgrond zal nu weergalmen van mijn smartgehuil.... Gevloekt, du engel des lichts! (Hij vliegt heen in de ruimte.)