← Table of contents
Avondstonden

DE KWADE HAND

Reading edition

VERHAAL

Inderdaad, gebuur, het is waar: er gebeuren niet zelden dingen, die het menschelijk verstand te boven gaan,—voorvallen, die alle wetenschappelijke kennis beloochenen, en ons tegen onzen wil doen droomen van onzichtbare geesten en van eene geheime en onbekende macht. Zoo wil ik u iets verhalen, waarvan ik ooggetuige was, en dat op mijne verbeelding eenen onvergankelijken indruk gelaten heeft.

In het jaar 1834 woonde te Borgerhout[43] eene weeze van omtrent achttien jaar, Theresia genaamd. Zij was zoet en stil van aard, won het dagelijksch brood met kleermaken en woonde alleen op eene gehuurde kamer. Haar fijn gelaat droeg al de kenmerken van gezondheid en van levensvreugd; haar eerbaar gedrag en blijde inborst deden haar van iedereen beminnen; en daar zij zeer arbeidzaam was en dus eenen schoonen stuiver won, achtte zij zich met recht onder de gelukkigsten der aarde.

Een ongeloofelijk voorval kwam eensklaps van dit jeugdig en vroolijk meisje een beklaaglijk en rampzalig schepsel maken. Dit vertelde zij bijna in dezer voege. Zij was op zekeren dag naar Berchem[44] gegaan, om er in dagloon vrouwenkleederen te maken en ander naaiwerk te doen. Tegen den avond, tusschen licht en donker, was zij op de baan, om langs de binnenwegen huiswaarts te keeren. Zij spoedde zich zeer; want de lucht betrok met zwarte wolken, en de duisternis scheen onverwachts haar te zullen overvallen. Het was dien dag stikkend heet geweest, en alles deed nu vreezen, dat een schrikkelijk onweder ging losbarsten; des te meer, daar eenige walmende bliksems reeds bij poozen de verte verlichtten. Theresia was niet van de stoutsten; de doodsche stilte, die over de velden heerschte, dit akelig oogenblik, dat als de verstomdheid der bange natuur het nakend onweder voorafgaat, al deze schrikverwekkende teekens deden haar het hart angstig jagen en zij verdubbelde hare stappen.

Op eens sprong een zuchtende bliksem de wolken uit, en een bulderende donder schokte den grond. Theresia bleef staan en sloeg zich in de uiterste benauwdheid de handen voor de oogen; maar zij verschrikte nog meer, toen zij dicht bij zich eene zonderlinge stem hoorde, die haar vroeg wat uur het was. Het bange meisje liet hare handen vallen en blikte met afgrijzen op een leelijk oud wijf, dat lachend voor haar stond en weder vroeg:

"Welnu, dochter, wat uur is het?"

Zonder overdenken en gansch verdwaald, antwoordde Theresia:

"Acht uren."

Eene uitdrukking van gramschap kwam het berimpeld gelaat van het oude wijf betrekken, en zij riep als met booze spotternij:

"Zoo, gij zijt ook van die, welke de oude, grijze menschen voor den zot houden! Gij doet niet wel, dochter, met na de negen uren langs deze baan te gaan. Gij weet niet wat u kan overkomen!"

Dit zeggende, klopte zij driemaal op den rechterschouder van Theresia en ging haren weg—Onder de aanraking van het oude wijf werd het ontstelde meisje ijskoud: zij voelde eene onbegrijpelijke huivering over haar lichaam rijzen en haar hart als tusschen eenen band klemmen.

Bevend en roerloos stond zij reeds eenige oogenblikken als verstomd op dezelfde plaats, vóórdat haar de gedachte inviel het oude wijf op het hoofd te slaan, om de kwade hand, die zij vreesde, te breken; maar nu was het wijf reeds zooverre in een duister pad gevorderd, dat Theresia haar niet dorst te volgen, te min daar een nieuwe donderslag de wolken openscheurde, en de regen in stroomen over de velden stortte.

Doornat en bijna stervend van schrik, geraakte Theresia eindelijk in hare woning, ontkleedde zich en ging te bed liggen.

Des anderen daags, op den middag, kwam iemand der huisgenooten om haar tot den maaltijd te roepen; maar niet zoodra had hij eenen voet in het vertrek geplaatst, of hij deinsde met eenen naren schreeuw achteruit, liep de trappen af en viel te midden van het huisgezin, roepende:

"Theresia is dood!"

Op dit zeggen stonden twee mannen en drie of vier vrouwen van de tafel op en klommen naar boven. Bij het eerste gezicht duchten zij insgelijks een lijk te zien; doch bij het bed genaderd zijnde, begonnen zij aan dit ongeluk te twijfelen. Theresia lag, wel is waar, roerloos; hare eene hand scheen wel zoo slap als een koord nevens de bedsponde neer te hangen; haar gelaat was wel doorschijnend als glas en van gele kleur; maar hare oogen waren open en, alhoewel afgrijselijk glinsterend, toch levend en niet gebroken. Een der bijzijnde mannen wilde den neerhangenden arm op het bed leggen; dan, hij verschrikte niet weinig daar hij dezen arm zoo stijf en zoo onbuigbaar als ijzer vond. Niettegenstaande het lichaam van Theresia al de kenteekenen des doods droeg, was er nochtans een onuitlegbaar gevoel in de harten der omstanders: geen enkele achtte zich verzekerd, dat het jonge meisje uit de wereld gescheiden was; integendeel, allen hielden voor vast, dat zij nog leefde, alhoewel zij doof bleef voor alle geroep en gevoelloos voor nijpen en schudden.

Ondanks alle pogingen der geneesheeren, bleef Theresia in dien staat gedurende twee dagen en twee nachten. Op den slag van het achtenveertigste uur ontwaakte zij vanzelve. Wreef eene wijl aan hare oogen, als iemand, die geslapen heeft, bezag als verbaasd hare kamer en de omstaande personen, en bogen dan in eens zoo overvloedig tranen te storten, dat al degenen, die het zagen, met haar uit medelijden weenden.

Iedereen sprak haar aan met troostende woorden en vroeg, hoe haar die onbegrijpelijke kwaal overkomen was; maar zij begon telkens nog bitterder te weenen en antwoordde niet. Na lange ondervragingen van den dokter, riep zij eindelijk met eenen snijdenden zucht:

"O, bid voor mij: ik ben betooverd!"

Weinigen geloofden aan dit gezegde. Ik zelf, die het hoorde, achtte deze woorden eene ijdele dwaling van eenen zieken geest. Maar het verhaal harer ontmoeting met het oude wijf gaf ten minste aan alle bijzijnde personen, behalve aan den dokter en aan mij, de overtuiging, dat zij inderdaad betooverd was.

Wat hier ook van zij, het vervolg scheen hare schrikkelijke gedachte te bevestigen. Gedurende vijf jaren bleven hare oogen even glinsterend, hare wangen even geel en glasachtig. Geene andere verandering bemerkte men in haar dan eene altijd toenemende vermagering des lichaams, en al vroeg begon elkeen te zien, dat de dood het betooverde meisje met een rood kruis geteekend had en welhaast om zijn slachtoffer zou komen. Alle jaren, op den dag en het uur harer ontmoeting met het oude wijf, overviel haar plotseling eene slaapziekte, die, als de eerste, telkens achtenveertig uren duurde. In deze zonderlinge kwaal moest zij ijselijke dingen hooren, zien en lijden; dit kon men genoeg uit eenige afgebrokene klachten en woorden vermoeden; maar noch beloften noch bedreigingen konden haar doen zeggen, wat zij dan voelde of zag. Een geheim en voor haar schrikkelijk geweld dwong haar tot stilzwijgen over dit punt. Zij vertelde echter aan wie het hooren wilde, dat zij alle nachten, op slag van twaalf uren, hare deur hoorde opengaan en de oude tooverheks zag verschijnen; dat deze booze vrouw, bij het bed genaderd zijnde, op haar lichaam klom en haar tot één uur met de knieën de borst te pletten duwde, dat leven en gevoel haar van pijn ontgingen, zonder dat zij schreeuwen kon of opstaan.

Eens hadden twee vrouwen, die aan deze verschijning niet geloofden, de stoutmoedigheid genomen, om bij haar bed te waken, terwijl zij sliep. Zij zagen de tooverheks niet: maar op slag van twaalf uren ontsloot de slapende hare blinkende oogen en begon zweetend en met een schrikkelijk gorgelgeluid tegen een onzichtbaar voorwerp, dat op hare borst liggen moest, te worstelen en te vechten, en een zoo akelig gelaat te krijgen, dat de twee vrouwen van benauwdheid de kamer waren ontvlucht.

Het gedurig en onuitsprekelijk lijden belette Theresia niet haar gewoon handwerk te doen. Dezen toestand zag zij aan als haar onwederroepelijk lot, en alhoewel zij de geburen liet begaan met geneesheeren en middelen voor hare kwaal te zoeken, scheen zij zelve onverschillig aan deze pogingen te blijven. Men begrijpt wel, dat alle kwakzalvers en alle bezitters van geheimen tegen tooverij hier waren geraadpleegd geweest. Men had alle soorten van woorden, in bekende en onbekende talen, over de zieke dochter gesproken; zij was met eene levende padde in hare hand gaan slapen; zij had twee doodsbeenderen over kruis aan haar voeteneinde gelegd; onder haar hoofdkussen had eene huif, waarmede de kinderen somtijds geboren worden, een halfjaar lang gelegen, en nu nog droeg zij op hare borst een stuk galgekoord, waaraan een moordenaar gehangen had. Dit alles hielp echter niets:—de tooverheks ging voort met alle nachten het ongelukkige meisje onder hare knieën te pletten en te martelen.

Op het einde van 1839 was Theresia reeds zoozeer vermagerd en uitgeput, dat zij met moeite nog staan kon en dat elke dag haar laatste dag scheen te zullen zijn. Zij had nu geheel het voorkomen van een gekleed geraamte gekregen; hare wangen waren hol, hare glinsterende oogen achteruitgezonken en hare lange vingeren geleken zoovele ratelende beentjes.

Omtrent dien tijd hoorden de geburen door eene boerin zeggen, dat er tusschen Zoersel en Schilde, te midden der heide, een stokoud manneke woonde, dat macht had over alle tooverij en van alle kwade handen en verwenschingen kon verlossen. Zij verhaalde, hoe hij hare koeien onttooverd had; hoe hij de kwade hand van het kind haars broeders had gelicht, en meer andere wonderlijke feiten, die de gebuurte deden besluiten nog eens te beproeven, of deze man de zieke Theresia niet helpen kon.

Men zond iemand naar Schilde, om den grijsaard te halen, en deze kwam, na lang praten en smeeken, met den bode naar Borgerhout. Hij was, gelijk alle zeventigjarige menschen, kromgebogen, met wit haar, ingevallen wangen en diep gezonken oogen. Nochtans, er blonk ene zekere edelheid op zijn gelaat, en iets slims was er op te lezen. Zijn gang was traag, zijne stappen gemeten en zijn gezicht onophoudend ten gronde gevestigd.

Wanneer hij in de kamer der zieke Theresia stapte, bevonden zich daarin eenige oude vrouwen en ik zelf. Het kwijnende meisje ontstelde zich niet bij de komst van den nieuwen wonderdoener en bezag hem met onverschilligheid en ongeloof. Hij, zonder op haar te letten, ging beurtelings in elken hoek der kamer eenige onverstaanbare woorden mompelen, nam twee brandende stukken hout uit den haard, legde ze over kruis voor de deur en ging dan eerst voor het meisje staan. Haar eene wijl in de oogen gestaard hebbende, begon hij de volgende ondervragingen met zonderlinge stem:

"Dochter, er is eene kwade hand aan u?"

"Ik weet het wel, man."

"Hebt gij niets op uwe conscientie?"

"Och neen, ik ga alle maanden te biechten."

"Hebt gij u zelve nooit verwenscht of vermaledijd?"

"Nog veel minder."

"Weet gij niet, of uw vader of uwe moeder u ooit verwenscht of vermaledijd hebben?"

"Ik weet het niet; zij beminden mij zeer en zijn heel vroeg gestorven."

"Hebt gij nooit eene zwarte kat gestreeld?"

"Neen."

"Hebt gij nooit te middernacht op eenen kruisweg gestaan?"

"Nooit."

"Dan zult gij waarschijnlijk gelijk hebben met te denken, dat het oude wijf u betooverd heeft."

"O, daar ben ik zeker van."

"Wilt gij verlost zijn?"

"Moet gij dit vragen?"

"Antwoord mij!"

"Ja, ik wil verlost zijn."

De grijsaard ging hierop stilzwijgend bij het vuur op zijne hurken zitten, en blikte stijf in de dansende vlammen, terwijl hij met eenen onzichtbaren geest scheen te spreken.

Onnoodig zal het zijn, u den angst en de benauwdheid der bijzijnde vrouwen af te schetsen: allen waren bleek en bevend, en zij bezagen elkander met ondervragend en verstomd gelaat. De vreesachtigsten zouden wel gaarne de kamer verlaten hebben; maar geene zou het hebben durven wagen, over de brandende kruishouten te stappen, vermits zij wisten, dat eene tooverheks daarover onfeilbaar den hals breekt. Ondertusschen was de kamer vol rook geraakt; de arme wijven verstikten, het zweet brak hun uit van het geweld, dat zij deden, om niet te hoesten.

Eindelijk, na een vierendeel uurs, stond de oude man op: en weder voor het meisje komende, begon hij dit gesprek:

"Dochter, nu ken ik uwe kwaal en degene, die de kwade hand op u gelegd heeft."

"Is het de oude tooverheks, of niet?"

"Het is de oude tooverheks."

"O, ik weet het wel."

"Ik kan u verlossen, maar alleen door een gevecht om leven en dood. Zeg mij, indien gij stierft, terwijl ik pogingen doe om de kwade hand van u te lichten, zoudt gij mij dit in het laatste oordeel verwijten? Zoudt gij dit op mijne ziel leggen?"

"Och, neen, ik moet toch sterven, als gij mij niet verlost."

"Is dit uw goed woord?"

"Ja."

De oude man keerde zich dan naar de benauwde vrouwen en sprak:

"Wenscht gij allen, dat deze dochter verlost worde? Welnu, ik kan dit werk volbrengen; maar om het uit te voeren, heb ik iets noodig, dat ik niet vinden kan, dan op het kerkhof van een dorp in het land van Waas, over de Schelde. Ik zou de reis wel uit mijnen eigen zak kunnen doen, maar zij moet geschieden met geld, dat er opzettelijk voor gegeven wordt."

"Maar," vroeg hierop een zeer oud wijf, dat misschien ook al met zwarte kunsten had pogen om te gaan, "maar mogen wij niet weten, wat gij hebben moet? Wij zouden het u misschien wel kunnen bezorgen."

"Onmogelijk!" viel de grijsaard in. "Ik moet mos hebben, dat gegroeid zij op een honderdjarig doodshoofd. Waar zoudt gij dit halen? Ik weet in het Waasland een dorp, waar een zeer oud beenderhuis staat, en waar honderdjarige bekkeneelen in den kerkmuur gemetseld zijn. Daar moet ik, 's nachts te twaalf uren, met een nieuw mes het mos gaan afkrabben, onder het uitspreken van zekere woorden. Aldus, wilt gij een goed werk doen, zoo geeft mij twee of drie guldens om mijne reis te betalen."

Het gevraagde geld werd door de vrouwen bijeengelegd en den oude man gegeven. Hij hernam:

"Vrienden, ik mag niet op reis gaan zonder de verzekering te hebben, dat drie onversaagde kerels in deze kamer waken zullen. Want, zoo zulks de tooverheks niet belet wordt, zal zij het arme meisje uit wraakzucht zoodanig martelen en pijnigen, dat onze pogingen misschien voor altijd nutteloos zouden zijn. Belooft mij dan op goeder trouwe, dat gij drie mannen zult zoeken. En ziet hier wat zij moeten doen: een hunner zal eene handvol erwten hebben; wanneer te middernacht de deur opengaat, moet hij met de erwten in het wilde rondwerpen. Indien er eene erwt de tooverheks raakt, zal zij zichtbaar worden en huilend ten venster uitvliegen.—Men behoort dat daarom open te laten. Er is niets te vreezen, want zij heeft op de wakers geene macht."

Men beloofde de begeerte van den ouden man te volbrengen. Deze nam zijnen gaanstok en sprak tot de zieke:

"Nu, wees nu maar getroost en gerust, dochter. Overmorgen, zal de kwade hand gelicht zijn, en dan zult gij genezen en weder gezond worden."

Bij deze woorden raapte hij de kruishouten op, wierp ze in den haard en verliet de kamer.

In den loop van den dag kwam de commissaris van politie twee-of driemaal naar den ouden man vernemen; doch men zeide hem telkens dat hij vertrokken was en dat men niet wist, of hij naar Schilde of naar elders zich begeven had.

Niet zonder groote moeite vond men drie mannen, die stout genoeg waren om in de kamer van Theresia te waken. Na veel gaan en komen had men er twee aangetroffen, die het op zich namen de gevaarlijke wacht te doen, maar op voorwaarde dat ik zelf de derde man zijn zou.

Ik had in de gebuurte den naam van stoutmoedig te zijn, alhoewel ik inderdaad geen groot liefhebber van tooverij of geesten ben. Dan, ik zag mij hier gedwongen den last mijner goede faam te dragen.

Omtrent elf uren des nachts klommen wij, met kloppend hart en ontsteld door eene diepe benauwdheid, de trappen op en traden stil en omzichtelijk, als drie spoken, de kamer in. Daar gingen wij bij eene tafel op stoelen nederzitten, zonder spreken. Allengskens nochtans kwam de moed in ons terug; wij begonnen met stille stem elkander het een en ander in het oor te fluisteren. Eene flesch brandewijn werd ontstopt, elk van ons ontstak zijne pijp en zond eenige walmen rook het open venster uit. Theresia lag daar voor ons te bed; zij sliep met gesloten oogen, en ware het niet hare geraamtemagerheid geweest, zoo zouden wij niets vreemds aan haar gezien hebben. Op eene zonderlinge wijze stonden onze gemoederen onder den invloed van den tijd: van elf uren tot half twaalf klom onze vrijheid van geest en werd onze stem luider en vroolijker; maar van half twaalf tot middernacht vergingen ons allengskens de moed en de spraak tot zooverre, dat wij bij het naderen van het plechtig uur met onbeschrijfelijken angst bevangen waren. Geene enkele pijp rookte nog, geen woord ontviel onzen mond; alleen onze oogen bewogen zich met snelle blikken en wandelden met vervaardheid van de deur op Theresia. De eenige lamp, die ons verlichtte, scheen insgelijks de komst der tooverheks te gevoelen, want zij begon onregelmatig en op eene vreemde wijze te branden: nu lichtte zij hevig, dan weder bijna niet; dan sprongen krakende sprankels als vuurwerk uit het midden der vlam....

Alzoo wij nu, bleek en bevend, elkander bezagen, kwam een helle klokslag onze ooren treffen; wij sprongen op van schrik; de erwten ontvielen de hand van dien, welke ze werpen moest, en vermeerderden onzen angst door het gerucht, dat zij in het vallen maakten. Gelukkiglijk hadden wij een geheel pak daarvan vóór ons staan. Met opengespalkte oogen blikten wij naar de deur, niet twijfelende, of de tooverheks zou ze gaan openen. Maar nu werd onze aandacht eensklaps op Theresia getrokken. Deze lag met open oogen en ontwaakt; eene ijselijke uitdrukking lijk, als om van onder een pletterend voorwerp los te geraken, en zuchtte met ratelenden gorgel. Het was dan, dat wij behoorden te werpen, want wij waren verzekerd, dat de tooverheks bezig was met Theresia te pijnigen. Nog meer werden wij daarvan overtuigd, toen het ongelukkige meisje met zwakke, doch grievende stem deze woorden tot hare onzichtbare vijandin sprak:

"O, laat mij ademhalen. Genade! genade!—O, neen, neen, scheur mijn hart niet met uwe nagelen.—Geef mij den slag van gratie, dat ik sterve!"

Dan zweeg zij eene poos en hernam, alsof iemand tot haar gesproken had:

"Gij bedriegt u: ik ben het niet, die den man geroepen heb. O, laat mij los, trek dien brandenden priem uit mijne borst, ik zal zeggen, dat ik niet wil, —ik zal den ouden man verjagen...."

Lichtelijk zult gij begrijpen, wat schrik deze woorden ons inboezemden; wij waren verdwaald en bijna van ons zelven. Nochtans had een van ons genoeg tegenwoordigheid van geest om zich te herinneren, wat hij doen moest; hij vatte eene handvol erwten en wierp deze uit al zijne macht op het bed. Het scheen ons nu, dat een zucht als een wind voorbij ons aangezicht vloog. Theresia sloot hare oogen, haar gelaat kreeg plotseling eene kalme uitdrukking: zij sliep als te voren. Deze overwinning gaf ons moed en kracht terug; wij achtten onzen last volbracht en waren blij genoeg, dat wij nu de kamer zonder schaamte mochten verlaten. Maar eene nieuwe verschijning moest ons nog het bloed in de aderen doen stollen. Alzoo wij ons omkeerden, zagen wij op den vensterdorpel eene zwarte kat zitten, die met vlammende oogen ons aanstaarde en ons scheen te bedreigen over hetgeen wij gedaan hadden. Wij blikten met glimmende benauwdheid op het dier, of liever op den geest; maar het liet zich van den dorpel in de kamer glijden en kwam langzaam op ons aan.

Één onzer deed de kamerdeur open en liet zich van al de trappen nedervallen, om zooveel eerder op de straat te zijn; ik durf het u wel zeggen, wij volgden hem op de hielen en ontvluchtten het insgelijks. Op de straat zijnde, bekenden wij elkander, dat geen van ons durfde gaan slapen; wij klopten den baas eener herberg op, en bleven in zijn huis wakend zitten tot den morgen.

Dan vernamen wij in de woning van Theresia, dat zij in slechten staat was en met moeite nog kracht genoeg had om hoofd of handen te verroeren.

Omtrent den middag kwam de oude man terug van zijne reis en kondigde ons aan, dat hij dien nacht te twaalf uren de tooverheks zou treffen en Theresia verlossen. Maar hem moesten eenige voorwerpen gegeven worden, namelijk: het ongekookte hart van een schaap, een levende hond, een groote, nieuwe breipriem en een koperen ketel, waarin nooit rog of vloot gekookt was geworden.

Het schapenhart was spoedig gevonden, vermits de beenhouwers dien dag juist hun wekelijksch vee geslacht hadden; den breipriem kocht men in den winkel, den ketel leende iemand; maar wat den hond betreft, die kostte meer moeite. Er was niemand, die zijnen hond wilde geven, vermits men wist, dat de kwade hand van Theresia op het dier moest gelegd worden. Men vond geenen enkelen gebuur, die er trek naar had om eenen betooverden hond in huis te hebben. Eindelijk vernam men, dat er een boer van Deurne voornemens was zijnen hond te verdrinken. Een man begaf zich er heen en kwam in den namiddag terug met eenen zwarten Spits, die van ouderdom bijna niet meer voort kon.

Te elf uren des avonds bevonden zich talrijke mannen en oude wijven in het huis van eenen schoenmaker, niet verre van Theresia's woning. Daar de plechtige verlossing niet mocht bewerkt worden onder het dak der betooverde, had de schoenmaker eene kamer in zijn huis geleend. Gij begrijpt wel, dat ik niet verzuimd had, mij daar insgelijks te laten vinden.

Zeldzaam was het opzicht dezer kamer. Eene nieuwe blikken lamp brandde op eene kleine tafel bij het vuur; nevens de lamp lagen een bloedend hart en eene zware breinaald; in den schoorsteen, over een groot vuur, hing een koperen ketel met ziedend water; daarnevens, in eenen hoek van den haard, zat de oude man op zijne hurken, sprekende tegen de vlammen; niet ver van hem lag de zwarte Spits, aan een touw gebonden, op wat stroo te slapen.

De geburen en nieuwsgierigen zaten aan het andere einde van het vertrek, in de halve duisternis, met jagenden boezem en bevende ledematen.

Zoodra het in de kamer hangend uurwerk met eenen enkelen slag half twaalf aankondigde, stond de oude man uit de assche op en naderde bij de lamp. Dan haalde hij eene kleine lederen beurze uit zijnen zak, deed die open en stortte zekere groene stof er uit op een stuk papier. Zonder twijfel was dit het mos, dat hij van een honderdjarig doodshoofd gekrabt had. Hij smeet onder het uitspreken van zekere woorden een weinig er van in de vlam der lamp, die met eenen spookachtigen, flauwen schijn de kamer begon te verlichten; het overige wierp hij in den ziedenden ketel.

Zich nu naar de geburen wendende, sprak hij:

"Wat gij hooren of zien moogt, zijt niet bevreesd! Dit hart, dat daar ligt, is het hart der tooverheks geworden: op den slag van twaalf uren zal ik het met den breipriem doorboren; zij zal mij smeeken en bidden, den priem uit haar hart te trekken, maar ik zal het niet doen, dan nadat zij de kwade hand van Theresia op dezen hond zal hebben gelegd. Ik herhaal het u: zijt niet bevreesd, wat gij hooren of zien moogt!"

De plechtige waarschuwing van den ouden man had een verkeerd uitwerksel: nu begon men eerst voor goed te beven en onder eene doodsche stilte dicht bij elkander te dringen. Eene oude vrouw viel in onmacht en gaf aan vier of vijf der vreesachtigsten de gelegenheid om, onder voorwendsel van haar weg te dragen, de tooverkamer met eere te verlaten. Intusschen waren aller oogen op de naald van het uurwerk gevestigd.

Nog vijf minuten!

In een gesloten graf kon het niet stiller en akeliger zijn. Maar nu begon de arme hond op eenmaal te beven; met zijnen muil in de hoogte, borst hij los in een klagend gehuil, alsof er iemand in de buurt op sterven lag. De schrikverwekkende galmen brachten de verwarring onder de vrouwen ten top; men hoorde eenige stoelen kraken en eenige wijven ten gronde vallen, doch dan werd het opnieuw zoo stil als te voren; de hond alleen bleef de kamer met weeklachten vervullen.

Nog twee minuten!

De oude man stond op en nam het bloedend hart in de eene hand en den breipriem in de andere. Met het oog op de naald van het uurwerk gevestigd, stond hij gereed om te steken....

Eensklaps hoorde men aan de voordeur een gerucht en zware stappen, als van iemand, die met eenen stok gaat.

"Daar is zij! daar is zij!" huilden de bange vrouwen, terwijl zij elkander met hevigheid vastklitsten en te gaar in eenen hoek overhoop nedervielen.

De deur ging open.—Tot groote verbazing der vrouwen en zelfs van den toovenaar, was het geheel iets anders dan de heks.... Twee gendarmes en de commissaris van politie! Met eene wonderlijke gezwindheid klampten de gendarmes den ouden vent bij den kraag, trokken hem met geweld van de tafel en rukten hem insgelijks den breipriem uit de hand.

Nog ééne minuut!

"Man, gij moet ons volgen!" sprak de commissaris.

"Wat kwaad doe ik?" vroeg de grijsaard bevend.

"Dat raakt mij niet," was het antwoord, "gij oefent onwettelijk de geneeskunde uit. Dit is verboden."

De oude man wierp eenen blik op het uurwerk en zag, dat het twaalf uren ging slaan.

"Oh," riep hij in de uiterste wanhoop, "nog één oogenblik, één kort oogenblik slechts! Ik smeek u, o! nog eene halve minuut! Doet het, of gij doodt iemand met uwe handen!"

"Neen, neen!" sprak een der gendarmes, "gij moet ons op staanden voet volgen, of wij doen u de duimkens aan! Gij zijt oud, het zou u groote pijn veroorzaken.... Zoo, kom aan!"

Eene onbegrijpelijke woede kwam den stokouden grijsaard vervoeren; hij worstelde met geweld tegen de gendarmes en wilde zich vooruitwerpen naar de tafel; maar nu zonk het gewicht van het uurwerk nederwaarts, en de eerste slag van twaalf uur ging af!...

Alsof de donder den ouden man getroffen had, liet hij zich machteloos in de armen der gendarmes vallen moeten breken: "Ramp! ramp! zij is dood!"

Ternauwernood was de schreeuw hem ontvlogen, of er kwam iemand de deur ingeloopen, roepende:

"Ho, doet geene moeite meer! Theresia is daar juist gestorven, en ditmaal is zij waarlijk dood. Zij is zoo koud als ijs!"

De gendarmes lieten zich door niets verschrikken en namen den ouden man mede naar het tuchthuis in afwachting, dat hij veroordeeld wierd, als hebbende de geneeskunde onwettelijk uitgeoefend. Hij werd later tot eenige maanden gevangenis verwezen.

—Welnu, gebuur, wat zegt gij van deze geschiedenis? Dat het alles tot louter verbeeldig van Theresia was en dat zij de ziekte had, dien het volk de Hypo noemt? Ik wil dit insgelijks wel gelooven; maar hoe legt men dan het nauwgepast uitvallen van al hare voorgevoelens uit? Hoe vindt men den knoop van de voorzeggingen des ouden mans, die onmiddellijk door den dood van Theresia bewaarheid werd? Wat mij aangaat, ik zie er weinig dag door en wil er niet meer aan denken; want het doet mij droomen en bang zijn in de duisternis. In alle geval, indien het waar is, dat de verbeelding en de wezenlijkheid een zelfde uitwerksel hebben, waarin bestaat dan het verschil tusschen beiden, en wat zal men dan wezenlijkheid of inbeelding noemen? En wat onderscheid bestaat er dan tusschen eene ware en eene ingebeelde betoovering?

VOETNOTEN:

Notes in this chapter

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings