← Table of contents
Avondstonden

V

Reading edition

DE ENGEL, HET MEISJE, DE BROEDER

(De hof verkrijgt zijne vorige gedaante; de broeder ontwaakt en staat op.)

DE ENGEL.—Rosa, dijn oogenblik is gekomen; leg dij neder met dijn hoofdeken in mijnen arm.

HET MEISJE, zij ontwaakt als uit eenen droom.—Broeder, broeder!

DE BROEDER.—Wat verlangs du, Rosa?

HET MEISJE.—Haast dij; neem op mijne wangen eenen afscheidskus voor dij, en eenen voor moeder.

DE BROEDER.—O, Rosa, du zals ons toch heden niet verlaten?

HET MEISJE.—Zie, daar staat de engelbewaarder; mijn hoofd rust in zijnen arm; hij ontsluit mij in zijne gouden vleugelen.... Hoor, het hemelkoor zingt mij tegen. Ha, ik vaar op naar het hoog vaderland!

DE BROEDER.—Lief zusterken, daar hebs du de twee zoenen.

DE ZUSTER.—Vaarwel, broeder; zeg moeder, dat zij spoedig kome, en kom du insgelijks; vader zal ik in den hemel vinden en als gij beiden zult gekomen zijn, zullen wij te zamen zingen voor des Heeren troon. Vaarwel, daar slaat de engel zijne vlerken uit,—ik stijg op met hem langs de baan des lichts!

DE BROEDER.—Dood!

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings