← Table of contents
Wandelingen door België

IX

Reading edition

Niet zoodra zijt ge aan het station uit den trein gestapt, of ge bemerkt aan al de drukte en beweging dat ge u op een dier middelpunten van het verkeer bevindt, die als het ware door de natuur zelve zijn aangewezen en van waar, in alle richtingen, de wegen uitgaan over bergen en dalen.

Bijna onophoudelijk zijn de seintoestellen in beweging; de schijven draaien; de hefboomen verplaatsen de rails; de schoorsteenen der lokomotieven blazen met schor geluid hunne rookwolken omhoog; de grond dreunt onder de rollende raderen; de lucht is vervuld van heeten damp en rook en weerklinkt van het onophoudelijk getjingel der elektrische schellen, van het gebrul der machines, het gegil der stoomfluiten, van al de onharmonische geluiden, die u op een station de ooren kunnen verscheuren. Telken male als een nieuwe trein met donderend geraas onder het ijzeren dak komt aanrollen en eensklaps stilstaat in zijn suizende vaart, hoort ge het geluid van raampjes die haastig worden neergelaten, van portieren die worden opengerukt, gevoegd bij het kraken van het kiezelzand onder de voeten der uitstappende reizigers, het geroep der conducteurs, het gewoel en gedrang der passagiers die haastig eene plaats zoeken te veroveren in de half geleegde wagens. Eenige minuten duurt die onbeschrijfelijke mengeling, die schijnbaar onoplosbare verwarring; dan stroomen de nieuw aangekomenen naar buiten; de vertrekkenden zijn in de wagens gezeten; enkele conducteurs rennen nog even heen en weer; dan worden de portieren toegeslagen: het sein wordt gegeven, en zuchtend, zwoegend, stampend rolt het log gevaarte het station uit, en gilt der stad zijn afscheidsgroete toe.

De Roche à Bayard.
De Roche à Bayard.

De Roche à Bayard.

En dat dergelijke tooneelen zich vaak genoeg Bladzijde 258herhalen, zult ge begrijpen, als ik u mededeel, dat dagelijks ongeveer driehonderd treinen, zoo passagiers- als goederentreinen, het station van Namen passeeren, en dat het bedrag der uitgegeven plaatsbiljetten per dag ruim twintigduizend francs bedraagt. Deze buitengewone toevloed van reizigers vindt zijne verklaring in de ligging der stad, die het aangewezen uitgangspunt is voor tochten en uitstapjes in de zoo romantische, aan allerlei schoonheden zoo rijke streek der Ardennen.

De natuur, tot dusverre nog eenigermate aarzelend en onbeslist, neemt hier te Namen het onmiskenbare karakter van het bergland aan. Rotsen en bergen stijgen in fiere beweging tot eene hoogte van vele honderden voeten; tusschen de vaak steile hellingen slingeren zich de diepe dalen, waardoor de rivier de Maas en vele andere rivierkens, die hare wateren eindelijk met die van den hoofdstroom vereenigen, zich een weg banen. Een frissche wind, van de hooge toppen gedaald of uit de verwijderde bergkloven opgestegen, prikkelt de longen en doet het bloed sneller vloeien. Als ge dien wind opsnuift, gevoelt ge het dadelijk dat zoowel de gesteldheid van de atmosfeer als van de aarde anders is geworden; en onwillekeurig bekruipt u de lust tot verre wandelingen, tot zwerftochten over die bergen, die u schijnen te tarten tot bestijging. Overal oprijzende boven de daken der stad, lokt de grijze rotsmassa, waarop de citadel troont, wel in de eerste plaats tot een bezoek uit.

Namen deelt dan ook, onder dat opzicht, in het voorrecht van Dinant, dat het steeds door een groot aantal reizigers gekozen wordt als punt van uitgang voor uitstapjes in het omliggende land, hetzij naar het dal van de Sambre, hetzij naar dat van de Maas. Bovendien biedt de stad, aan het punt waar de beide rivieren samenvloeien tegen haar krijgshaftige rots geleund, allerlei genietingen aan, die het verblijf kunnen veraangenamen: zij heeft haar casino’s, haar sociëteiten en clubs, waarin de toeristen en vreemdelingen zeer gemakkelijk toegang kunnen verkrijgen en gastvrij worden ontvangen. De voornaamste straat, ter wederzijde omzoomd door fraaie, druk bezochte winkels en magazijnen, strekt zich tot aan de overzijde uit en brengt u in het open veld, en terwijl vlak in de nabijheid, hijgende en blazende toeristen bezig zijn, de steile berghellingen te beklimmen, zitten gansche reeksen van kalme visschers langs de kaai en werpen den hengel uit naar de talrijke bewoners der groenachtige wateren, spartelende en zwemmende in de snelvlietende rivier; of wel klieven scherpgepunte gieken den stroom, terwijl de roeiers, in hunne gestreepte tricots en met bloote armen, met rhythmische slagen de riemen op en neer doen gaan.

Visschen en roeien zijn inderdaad de twee voornaamste uitspanningen van de inwoners van Namen, zoowel van den gezeten burger, die er een eigen boot en een kompleet stel vischtuig op nahoudt, als van den werkman, de arbeiders in de fabrieken, die vooral des zondags in geheele scharen zich nederzetten langs de oevers om deel te nemen aan het geliefkoosde vermaak, of, zoo zij er al geen deel aan nemen, dan toch er naar te kijken en te genieten van de vrije lucht en het onbelemmerde uitzicht over de rivier. Trouwens, als in bijna alle steden langs de rivieren, vindt men ook te Namen eene eigenaardige bevolking, die, naar het schijnt, niets anders te doen heeft dan langs den waterkant te drentelen, naar de rivier en naar de lucht te kijken, of uren achtereen, de bewegingen gade te slaan van een dobber, dansende op de golfjes. En in waarheid, het schouwspel, dat zich op de kaaien van Namen, vooral langs de Maas, voor de oogen ontrolt, is schoon genoeg om de aandacht en de belangstelling te wekken; terwijl de drukke beweging van vaartuigen en kleine stoombooten op de rivier aan het prachtige berglandschap, met zijn panorama van groenende heuvelen en donkere rotsen, eene eigenaardige bekoorlijkheid bijzet.

Maar ook de stad zelve ontbreekt het niet aan fraaie gezichtspunten, hetzij men van de omliggende hoogten den blik laat dwalen over haar kerken en huizen, haar tuinen en boomgroepen, in den gordel der oude muren; hetzij men zich waagt in den doolhof van straatjes en steegjes rondom de Sint-Janskerk; hetzij men eindelijk, op de ijzeren brug staande, de nauwe kloof overziet, ter wederzijde door huizen omzoomd, waardoor de Sambre hare wateren voortstuwt. En de gemoderniseerde stad, met haar vroolijk voorkomen, haar met bloemperken versierde pleinen, haar nieuwe boulevards, past geheel bij den lustigen, vroolijken, opgewekten aard harer burgerij, die alle genietingen des levens, die der tafel niet het minst, op hoogen prijs stelt en zich in dit ondermaansche tranendal zoo goed mogelijk tracht te amuseeren.

Des zaterdags vooral is het er druk en levendig: dan stroomen van alle kanten, uit de dorpen langs de rivieren en de gehuchten in het gebergte, de buitenlieden naar de stad: de boerenknechts, de een, een paar kleine magere ossen voor zich uit drijvende; een ander, een kar mennende met gespierde paarden bespannen; een derde gewapend met een zweep, onophoudelijk heen en weer dravende om een troep weerbarstige biggen in bedwang te houden. Dan vervult een ongewoon gerucht de straten: het gehinnik der paarden, het gebalk der ezels, het geblaf der honden, het geloei der runderen, het gekakel van kippen, als ware de geheele stad ééne groote boerderij geworden. De meeste pleinen zijn in markten herschapen, waar ge bergen van groenten en geurige vruchten ziet uitgestald naast stapels eieren en klompen boter, op groene bladeren of witte doeken uitgespreid; terwijl ginds jonge hoenders den eetlust prikkelen, al zijn ze minder vet dan de weldoorvoede hoenders van het vlaamsche land; en uit de houten schuthokken, waarin de varkens en biggen zijn opgesloten, een dof geknor u tegenklinkt, telkens afgewisseld door de snijdende kreten van een der dieren, die op voor hem minder aangename wijze tot verhuizen wordt genoopt.

Vooral bij de boter- en kaashal, verloren te midden van een doolhof van smalle straatjes, waar de eene uitstalling de andere verdringt, en Bladzijde 259bovendien verstopt door een aantal wagens en karretjes;—vooral bij de boter- en kaashal is de drukte bijzonder groot. Daar stroomt voortdurend eene dichte menigte op en neer, gaande naar of komende uit de hal, waar, half in de schemering, op de banken rijen van boeren en boerinnen gezeten zijn, schouder aan schouder, met potjes boter en kaas op den schoot, onbewegelijk en zonder met een enkel woord de klanten te lokken, die naar eigen keuze hun inkoop doen.

Ik heb getracht u even een blik te doen slaan op het hedendaagsche leven der stad, dat, hoe weinig belangrijk ook op zich zelf, ons wel bezig moet houden, waar bijna elke herinnering aan het verleden is uitgewischt. Toch heeft Namen eene geschiedenis van vele eeuwen, eene rijke en dramatische historie achter zich, aanvangende met het oppidum, Attuaticorum van Caesar, zich voortzettende met het pagus Lommensis van Karel den Groote, en eeuwen later, eindigende met de belegeringen der sterke vesting door Lodewijk XIV en Willem III van Engeland. Maar terwijl het verleden elders voortleeft in onsterfelijke monumenten en daardoor van zelf onze belangstelling wekt en onze aandacht vordert, is te Namen niets te vinden dat aan de geschiedenis van vroeger dagen herinnert, geene enkele ruïne, die als een door den tijd bezegelde adelbrief, van de oudheid der stad getuigen kan. Alleen de rots, waarop de citadel troont, staat daar, vast en onwankelbaar, als eene herinnering uit de vervlogen eeuwen.

Ook aan monumenten van anderen aard is Namen arm: haar kerken kunnen in geenen deele wedijveren met de eerwaardige kathedralen, die wij elders hebben bezocht, en waarin nog de geest vertoeft der eeuwenlange aanbidding. Saint-Aubin, met haar koepel versierd met theatrale allegoriën, haar op pilasters rustende gewelven, haar witte muren, haar uitspringende balkons, in den stijl der achttiende eeuw met blad werk versierd; Saint-Aubin maakt veeleer den indruk van een concertzaal dan van een huis der aanbidding. En Saint-Loup, ondanks haar overvloed van rood en zwart marmer en den weelderigen praal en bonten opschik van haar altaren, stemt al even weinig tot ernst en wekt al even weinig in het bewogen gemoed de onweerstaanbare behoefte op om neer te knielen en de overstelpende aandoeningen uit te storten in een vurig gebed. Neen, voorwaar, zoo de herinnering aan de heerlijke kathedralen van Bergen en Doornik, van Yperen, van Brugge en Gent nog in uwe ziele leeft, ga dan liever de kerken van Namen niet zien: zij zouden misschien den ontvangen indruk bederven, en kunnen u in geen geval iets geven wat de vergelijking met België’s beroemde basilieken kan doorstaan.

Wilt ge nu toch van de stad eene andere herinnering medenemen, dan die welke ge overal kunt aantreffen, begeef u dan naar het groote vierkante gebouw aan de samenvloeiing van Maas en Sambre, niet ver van de Waterpoort. Daar, in dat gebouw, waarvan de hoofdingang met twee symbolische beelden is versierd, kunt ge de kostbare collectiën bewonderen van de Sociéte archéologique de Namur: onwaardeerbare schatten van historische en fossiele oudheden, welke het hier niet de plaats is uitvoerig te beschrijven, maar waarvan de aanschouwing u niet alleen zal terugvoeren tot het verleden van Namen, maar ook tot dat andere, door niet te berekenen eeuwenreeksen van ons gescheiden verleden, toen de voorhistorische mensch hier zijn kommervol bestaan leidde.

En nu, laat ons het voorbeeld der andere toeristen volgen, en naar de boorden der Maas trekken.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings