XIII
Reading edition
Buiten de poort van Hoei begint wat men zou kunnen noemen de industrieele Maas, die zich tot Luik uitstrekt. Wij komen hier weer in het duistere rijk der vlammen en rookwolken; als ge des nachts, in een ratelenden trein gezeten, deze akelige streek doorvliegt, dan schijnen de reusachtige, wanstaltige fabrieken met haar helder verlichte vensters en haar wijd geopende poorten, waaruit de roode gloed u tegenstraalt, spookachtige kathedralen, len feest toebereid. En ja, daar wordt een cultus gevierd, waarbij het gesnuif en geloei en geknars der machines de tonen van het orgel vervangt; de priesters, die het zwarte altaar bedienen, zijn half ontkleede, ruw uitziende mannen, in wier Bladzijde 320baard en verwarde hairlokken vonken en roetvlokken schuilen; de reusachtige schoorsteenen, die roode vlammen braken, schijnen monsterachtige kandelabers, ontstoken ter eere van den god dezer eeuw, den god Millioen, den verachtelijksten van alle valsche goden. Corphalie, Flône, Engis kleuren achtereenvolgens den horizon met hun rooden gloed; verder gapen de brandende purperroode muilen van de glasblazerijen en steenkolenmijnen in den Val Saint-Bénoit; eindelijk begroet u Seraing met den ratelenden donder en de vlammende bliksemvuren zijner pletterijen en hoogovens: een gordel van vuur omknelt de rivier; het is u als stondt ge te midden van een vlammen brakenden vulkaan.

Kerkportaal te Hoei.
Evenals in de vreeselijke streek van Marchiennes, Couillet, Marcinelle en Châtelet—dien kring van een hel, waarvan Dante nooit gedroomd heeft—wordt ook hier het merg en bloed der menschen verteerd door den eeuwigdurenden arbeid zonder rust of verademing. Honderden en duizenden doorwroeten de ingewanden der aarde, om de steenkool en het metaal daaruit te voorschijn te brengen, stoken de ovens, waarin die metalen gesmolten worden, zwoegen en werken zonder ophouden in fabrieken en werkplaatsen, arbeidende en worstelende, dag aan dag, jaar aan jaar, tot eindelijk hunne kracht is verteerd en zij neerzinken om te sterven. Noodlottige Sisyphus-arbeid, die ook elders vóór den tijd den rug krommen doet en—erger nog—in het gemoed des volks het duister besef wekt van een onontkoombaar noodlot, een somberen vloek, die op de schare rust en geslachten bij geslachten verplettert.

Te Seraing.
Niet waar, ge zult het mij niet ten kwade duiden, Bladzijde 322dat ik u niet rondvoere door die werkplaatsen en fabrieken, die zeker ook haar aantrekkelijke zijde hebben en waar de menschelijke vindingrijkheid en de menschelijke wetenschap ongetwijfeld schoone triomfen vieren, maar die toch bij sommigen—waaronder ik mij gaarne reken—in de eerste plaats een gevoel van onverwinlijken afkeer, van huivering en schrik verwekken. Wij zullen deze tempels van den afgod Millioen niet bezoeken, noch die in den Val Saint-Lambert, waar de geschonden gebouwen van de oude eerwaardige abdij vernederd en ontwijd zijn tot eene glasblazerij, noch die van Seraing met hun hoogovens en gieterijen en pletterijen en wat niet al meer: een Tartarus, dien ge in een halven dag ter nauwernood vluchtig doorloopen kunt.
Maar van Seraing en den stichter der ontzagwekkende industrieele inrichting aldaar, mogen wij toch niet geheel zwijgen.
Wie van de prins-bisschoppen van Luik, die eeuwenlang, in hun bekoorlijk buitenverblijf te Seraing al de liefelijkheden van het kalme landleven, muziek en weelde en stille droomerij, genoten;—wie hunner had ooit kunnen vermoeden dat de lachende villa, met haar lommerrijke tuinen, haar zorgvuldig geschoren hagen, haar geheimzinnige bosschages, haar grotten en waterwerken, op zekeren dag zou omgeschapen worden in deze duistere, vlammende spelonk, wemelende van eene gansche bevolking van gnomen en kobolden, die zoowel in het volle zonlicht als in de duisternis onophoudelijk het goud te voorschijn halen uit het gloeiende metaal? Voorwaar, hij was meer dan een gewoon man, een soort van Napoleon op industrieel gebied, die John Cockerill, die op zekeren dag van het jaar 1817 te Seraing voet aan wal zette, vergezeld van een staf van ingenieurs, Engelschen als hij. Binnen tien jaren had zich de roep van zijne stichting door geheel Europa verbreid. Telkens werden nieuwe inrichtingen bij de bestaande gevoegd. In 1823 werd de groote smederij met wat daartoe behoort gebouwd; drie jaren later waren de verschillende ovens, de pletterijen en machines van de ijzerfabriek voltooid en in werking gebracht; de kolenmijn Henri-Guillaume volgde met eene exploitatie op tot dusver nog onbekende schaal; eindelijk werd in 1828 de eerste met cokes gestookte hoogoven aangelegd die het vaste land zag verrijzen. Elke nieuwe onderneming was een nieuwe zegepraal. Ongelukkig brak, te midden van al deze werkzaamheid, een hevige crisis, de omwenteling van 1830, uit, die den arbeid tot stilstand doemde; ondanks een zeer aanmerkelijk actief scheen schorsing der betaling onvermijdelijk. John Cockerill stierf te Warschau, misschien gedood door de gedachte dat zijne stichting ten ondergang was gedoemd.
Toch ging zijn werk niet onder: eene naamlooze vennootschap nam, met aanzienlijk kapitaal, de inrichting over en hield haar aan den gang niet slechts, maar breidde haar nog meer uit. Het ontzaggelijke etablissement bezit tegenwoordig vijf hoogovens, eene ijzersmelterij, die in drie hallen is verdeeld; veertig smeltovens; twaalf pletterijen, eene staalgieterij naar het stelsel van Bessemer, met al wat er toebehoort, constructie-werkplaatsen enz.; eindelijk een scheepstimmerwerf met alle daarbij behoorende inrichtingen: deze laatste bevindt zich echter niet aan de oevers van de Maas, maar aan die van de Schelde, te Hoboken, bij Antwerpen.
Deze opsomming, hoe onvolledig ook nog, wekt reeds verbazing; onwillekeurig opent zich voor onze verbeelding eene voorstelling van iets onmetelijks, een industrieel Babylon. Denk een oogenblik aan de honderden bruggen, die hier zijn gemaakt en alom over de rivieren en stroomen gelegd; aan de transatlantische stoomschepen, de booten en lokomotieven, geweldige leviathans, die hier hunne vleugelen en hunne longen kregen en die sedert, naar de vier winden uitgezonden, door den stoom bezield, land en zee doorploegen in ijlende vaart. En die vuurdraken komen niet een voor een uit dezen loeienden Tartarus te voorschijn: neen, bij gansche drommen, bij vloten en karavanen. Binnen den tijd van acht jaren werden vijfhonderd-drie-en-tachtig stoommachines, twee-honderd-zes lokomotieven, negen-en-zeventig stoombooten, twee monitors van honderd-tachtig paardenkrachten elk, met daarbij behoorende torens, affuiten, pompen en al het verdere materieel, ongeveer een dertigtal barges, lichtschepen, loodsvaartuigen en baggermachines alleen aan de russische regeering afgeleverd.
De fabriek verandert zich dan in een arsenaal; de gloeiende adem van den oorlog doet hare ovens vlammen en hare raderen wentelen: al het vernuft en al het genie der moderne industrie stelt zich in de dienst van dood en vernieling. Maar ook de vrede zet de reusachtige inrichting aan het werk: de eerste lokomotief en de eerste spoorstaven werden in 1835 door Seraing afgeleverd; en drie-en-twintig jaren later levert dezelfde fabriek het ontzaggelijke materieel, benoodigd voor het boren van den tunnel door den Mont-Cénis. Maak u nu, zoo ge kunt, eene voorstelling van de drukte en beweging, van het eeuwige rumoer in deze nimmer rustende wereld, waar menschen en machines elkander aanvullen en zich als in elkander verliezen. Denk u het razend en onharmonisch orchest der smidsen, der pletterijen, der smeltovens, brullende, knarsende, loeiende, kloppende, hamerende: een eeuwige donder, vlammen en bliksemstralend schietende naar alle kanten. Het is, als bevondt gij u midden in een fornuis: een stroom van vuur golft, schuimend en sissend, aan alle kanten; uit de gloeiende kaken der wijd gapende ovens vliegt een regen van vonken; en te midden van het oorverdoovend, het verbijsterend geraas klinken, met geregelde tusschenpoozen, de doffe slagen van de monsterachtige plethamers, als de donder van eene batterij. En nu, laat ons uit deze hel naar buiten treden.