← Table of contents
Wandelingen door België

XIV

Reading edition

Elk uur vaart eene boot van Soraing naar Luik: er is geen beter gelegenheid denkbaar om het prachtige Bladzijde 323panorama te overzien, dat zich voor onzen blik ontrolt. De ranke, lichte boot klieft de groenachtige wateren; eene verkwikkende koelte stijgt op uit den schoot der rivier; telkens wijken en naderen de bergen langs de schilderachtige oevers. Ter rechterzijde duikt Seraing weg in een nevel van wemelende rookwolken; ter linkerzijde vertoont zich Jemeppe, tegen de helling eens heuvels gebouwd; de fabrieken, de werkplaatsen, de kolenmijnen, de heuvels van slakken en sintels volgen elkander in onafgebroken rij op, den horizon verbergende achter hunne wanstaltige vormen.

De groote smidse van dit land van ijzer en kool is hier in volle werking en zal ons eerst aan de andere zijde van Luik verlaten. Telkens en telkens verrijst aan den horizon een groot zwart gebouw, te midden van vlammen en rook; het weerkaatst zijn plompe smakelooze gestalte in de Maas, verscheurt het groene kleed van het landschap met zijn stellages en getimmerten of met zijn vierkante steenmassa, door tal van hooge vensters doorbroken. Maar daaromheen bloeien en geuren de tuinen, ontrollen de weilanden hun met bloemen gestikt smaragden tapeet, en wuiven boomen tot sierlijke groepen vereenigd hunne lommerrijke takken. En laat ge uw blik rusten op de deels rijk begroeide en bebouwde, deels kale berghellingen op den achtergrond, dan verzoent ge u bijna met deze samenvoeging van natuur en industrie, en boeit u de eigenaardige schoonheid van het in zijne soort schier eenige landschap.

Telkens vaart de kleine boot langs de pijlers van eene brug, ligt stil aan een steiger, buigt zich om eilandjes, oprijzende uit de wateren. Ougrée, Sclessin, de herbergen en kroegjes van Petit-Bourgogne, de bosschen van Kinkempois gaan langs uw oog voorbij. Uit de priëelen klinkt u een vroolijk gelach tegen; een reuk van gebakken visch waait u tegemoet uit de keukens; eene gansche vloot van gieken, bootjes en vaartuigjes van allerlei vorm en naam omringt u, bestuurd en voortbewogen door mannen en jongelieden in roode, blauwe of witte jakken, met ontbloote gespierde armen de riemen voerende. De fabrieken en werkplaatsen hebben niet langer het rijk alleen: ge bemerkt dat ge eene groote stad nadert; ge stoomt langs Angleur; en eensklaps ligt Luik voor u, als een amphitheater tegen de heuvelen gebouwd. Dit schouwspel is een van die, welke men nooit vergeet. Toch overziet ge van het dek der boot slechts een stuk van de groote en woelige schilderij, die zich van de hoogte van Cointe in haar geheelen omvang voor uw oog ontvouwt: de reeks van bruggen met haar grijze bogen; de verwarde massa der daken die tegen de heuvelen opklauteren; de hooge tinnen der kerken, als reuzenschepen zich opbeurende uit die zee, wier lijnen aan den horizon wegsmelten.

De boot vervolgt inmiddels haar vaart langs breede kaaien, met groote kosten gebouwd; de nieuwe wijk van het Ile du Commerce ontrolt ter linkerzijde haar squares, haar fonteinen, haar standbeelden, haar hotels in ietwat overladen, bombastischen stijl; de huizen naderen dichter en dichter tot elkander; de rechteroever verdwijnt half in rookwolken; alles geeft u den indruk dat ge het hart eener groote stad nadert. Achter u verzinken, in de schemerende verte, de Jardin d’Acclimatation en zijne kiosk, de twee bogen van de brug du Commerce, het openbare park met zijn dicht geboomte; maar voor u openen zich nieuwe vergezichten: daar beurt Sint-Maarten, halverwege op den heuvel, haar zwaren vierkanten toren ten hooge; de fijne spits van Sinte-Walburge rijst een oogenblik in de blauwe lucht; Sint-Jacob vertoont een stuk van zijn steenen kantwerk. Dan vaart ge langs de gebouwen van het bisschoppelijk paleis en het seminarie, half wegschuilende tusschen het groen; de brug de la Boverie spant over het snelvlietende water haar vijf bogen als zoovele poorten. Kort daarop vertoont zich de Pont des Arches met haar machtige pijlers, met allegorische standbeelden versierd; dan schijnt de rivier zich nog te verbreeden; een kreet van bewondering ontsnapt u: rechts en links ontplooien zich twee prachtige kaden, hier de quai des Tanneurs; daar, de vermaarde quai de la Batte, met haar doolhof van cafés-concerts, matrozenkroegen, gemeene huizen en winkeltjes.

Hier bevindt ge u in het hart van het oude Luik; op marktdagen wemelt het langs deze geheele quai de la Batte van karren en wagens, van groente- en fruitverkoopers, sjouwers en pakkedragers, van handelaars in vogels, in honden, in lorren, van wonderdokters en kwakzalvers en kunstenmakers, schreeuwende, joelende, roepende te midden van een baaiert van kraampjes, tafeltjes, uitstallingen van groenten en fruit, van tenten en parapluies. Ga bij de geschutgieterij aan land, wandel de woelige kaai weder af, sla een der smalle bochtige straatjes in, die deze karakteristieke, volkrijke buurt doorsnijden; en weldra betreedt ge de Groote Markt, het forum der stad, een fraai langwerpig plein, omzoomd door de antieke puntgevels van de voormalige gildenhuizen, en dat voornamelijk zijne vermaardheid dankt aan eene hooge zuil, waarop eene groep der Gratiën prijkt. De zuil zelve rust op een voetstuk, dat door vier leeuwen gedragen wordt; en deze vier leeuwen worden zelven weder door een onderbouw gedragen, die tot fontein is ingericht. Dit is de Perron: een naam, die op elke bladzijde der geschiedenis van Luik wederkeert. In de vijftiende eeuw stond op dezelfde plek een hooge paal of zuil, voor welke de keuren der stad werden afgekondigd; Karel de Stoute, die Luik zoo zwaar tuchtigde, liet die zuil wegnemen; onder Maria van Bourgondië werd zij weder hersteld, maar later door storm vernield. Eindelijk gaf men haar den meer antieken vorm, dien zij nog heden heeft. Delcour, die de fraaie groep beitelde, dacht er zeker niet aan, in zijn werk eene bepaalde politieke gedachte uit te drukken of daarin de herinnering aan het verleden te bewaren; toch is voor iederen Luikenaar de Perron als het ware het onsterfelijk symbool van de historie zijner vaderstad.

Eene straat, die ge bij het station der Guillemins inslaat, buigt zich rechts, voert u over eene brug en Bladzijde 324langzamerhand, al stijgende, naar een breeden weg, onlangs tegen den heuvel aangelegd. Naarmate ge hooger klimt, breidt het panorama zich voor u uit; de heuvelen wijken of laten tusschenruimten open, die u kijkjes gunnen in het verschiet; soms bespeurt ge geheele stukken van de stad: eene opeenhooping van daken en puntgevels, waarboven de hooge schoorsteenen der fabrieken uitsteken. De rivier wijkt ter linkerzijde, en laat slechts een gedeelte van haar groene watervlakte zien; een plateau ontrolt zich voor u, van welks rand eensklaps een der schoonste panorama’s van Luik zich voor uwen blik ontrolt. Dit is de hoogte van Cointe (bladz. 313), zeker het meest geschikte punt om met een enkelen blik bijna geheel Luik te overzien.

Daar ligt zij voor u, langs de beide oevers van de rivier, elk een zoo eigen karakter vertoonend. Als een breed zilver lint, van metaalglans overspeeld, slingert zich de Maas door de uitgestrekte woestijn van daken en steenen muren, die zij in twee gedeelten splitst. Vier bruggen, de pont de l’Acclimatation, de pont Neuf, de Passerelle, de pont Léopold, spannen over de wateren haar reeks van bogen, slinkende met den afstand, tusschen de schier onafzienbare lijn der kaaien. Op den achtergrond, waar de rivier eene kromming maakt, vertoonen zich de dicht opeengepakte huisjes van de quai de la Batte; dan verliest zich de stralende, als met diamanten bezaaide rivier tusschen de bergen, die haar oevers omzoomen en wier toppen ons uit de schemerende verte groeten.

Aan onze rechterhand ontvouwt zich de dichte, saamgepakte massa van de wijken aan gene zijde der rivier. Een streep van donkere zware rook—een nevel, die nimmer door de zon wordt opgelost, wijst den loop van de rumoerige rue Grétry, wier naam een zonderling contrast vormt met het oorverdoovend geraas der smederijen, pletterijen en andere werkplaatsen, dat hier bijna dag en nacht de lucht vervult. De industrie blijft hier toch niet voor de poorten staan: als door een onweerstaanbaren, alles overweldigenden drang medegesleept en voortgedreven, trekt zij de stad binnen, overstroomt hare wijken, vervult hare straten met het gebrul en gefluit harer machines, en bouwt in het hart der stad hare allesbeheerschende, vlammen en rookbrakende burchten op.—Maar aan den linkeroever hervinden wij althans eenige kalmte en rust. Op den voorgrond wenken de weelderige hotels en woningen van het Ile du Commerce, waar allerlei bouwstijlen elkander broederlijk ontmoeten en de architektuur zich fantastische spelingen veroorlooft, waarvan de groote oude meesters nooit hebben gedroomd. Deze schitterende wijk breidt zich uit aan den voet van den heuvel, die van onder tot boven geheel met huizen is bedekt, waarvan de grauwe leien daken, tegen den groenen achtergrond der bergen, ondanks hun grijzen toon, geen kwaad effect maken. Boven de huizenmassa rijzen tal van torens en spitsen, tinnen en daken van kerken en kapellen omhoog: Sint-Jacob en, meer links, Sint-Paulus en verder, half in den nevel wegduikende, Sint-Maarten, de steenen reus, die overal de blikken tot zich trekt. Op zeker punt breekt het groen de eentonigheid der huizenmassa: de huizen beginnen wijder uit elkander te staan; daar beginnen de voorsteden en buitenwijken, aan den gezichteinder begrensd door de grillig geteekende, groene hellingen van den berg Vivegnis.

Dit alles geldt slechts de buitenzijde en de oppervlakte der dingen. Heeft men dit panorama genoten, dan moet men in de stad zelve doordringen, in dat warnet van smalle, bochtige straten en stegen, sommigen zigzagswijze de heuvelhellingen beklimmende en alleen voor voetgangers toegankelijk; anderen, minder steil, opstijgende dwars door de oude buurten; bijna allen buigende met scherpe hoeken, vaak onderling door trappen verbonden en somwijlen zoo nauw, dat de overburen in de overhangende huizen elkander welhaast een kus op de lippen zouden kunnen drukken. Ook te Luik vindt men eene oude en eene nieuwe stad: deze laatste heeft breede rechte straten, benevens boulevards, squares, fonteinen, kiosken, terrassen: de geheele moderne decoratie van eene provinciale hoofdstad, die op vertooning en opschik is gesteld en geld genoeg heeft om zich die weelde te veroorloven. Sedert de laatste vijftien of twintig jaren hebben de kaaien en haar onmiddellijke omgeving eene geheele herschepping ondergaan, heeft men den loop der rivier gewijzigd en verlaten terreinen in bezit genomen ten behoeve van het toenemend verkeer. Op een paar schreden van de Guillemins is, als door den slag eener tooverroede, eene nieuwe prachtige stad uit den grond verrezen, eene staalkaart van weelderige overladen bouwstijlen, een architektonische pot-pourri, waarvan de minarets, de koepels, de loggia’s, de kolonnaden en frontons eene bonte fantasmagorie vormen van oostersche en westersche architektuur. Daal eenige trappen af: daar stuwt de Maas haar schitterende wateren voort aan den voet der kaaimuren, en een andere trap aan de overzijde brengt u naar fraaie perken, met verschillende soorten van boomen beplant en waar het geruisch van springende fonteinen uw oor verkwikt. Weldra begint eene dubbele allee van groote boomen, wier takken boven uw hoofd een dicht loofgewelf vormen: het is u bijna als wandeldet ge door een bosch. Aan dezen prachtigen boulevard van Avroy sluiten zich de dreven van de Sauvenière; de huizen sluiten zich nauwer aan een; rechts ziet ge een plein, met een standbeeld, dat van Grétry, versierd en daarachter een zeer ordinair gebouw met pilasters, den schouwburg; onmiddellijk daarna brengt eene breede straat ons op het grootsche plein Saint-Lambert, grootsch en merkwaardig vooral door de herinneringen van het verleden, meer nog dan door zijne buitengewone afmetingen.

Quai de la Batte te Luik.
Quai de la Batte te Luik.

Quai de la Batte te Luik.

Daar verrees, tot in de laatste jaren der vorige eeuw, een wondervol gebouw, de kathedraal uit de twaalfde eeuw, met haar zware vierkante torens, de veertien massieve zuilen die haar schip droegen, haar kapittelzalen, haar sakristie, haar archief, de woningen der kanunniken, al de bijgebouwen en toevoegsels behoorende bij het alles Bladzijde 326beheerschende heiligdom. Dit heiligdom zelf, de aan Sint-Lambert gewijde kathedraal, was niet het eerste, dat op deze pleek verrees. Sint-Hubertus, bisschop van Luik, had in den aanvang der achtste eeuw eene kerk toegevoegd aan de reeds bestaande kapel: in welke kerk ten jare 720 de overblijfselen werden bijgezet van Sint-Lambertus, den heiligen prelaat, die op deze zelfde plek door de handen van moordenaars was gevallen. Notger, die van 971 tot 1008 den bisschoppelijken stoel bekleedde, herbouwde de kerk van Sint-Hubert en liet er woningen voor zestig kanunniken aan toevoegen. In dezen tweeden tempel weerklonk de machtige stem van Peter de Kluizenaar, de geloovigen oproepende ten heiligen krijg ter bevrijding van het graf van Christus; hier predikte de heilige Bernard van Clairvaux; in de twaalfde eeuw verhief Lambert le Bègue hier zijne waarschuwende stem tegen de simonie en het ergerlijke leven der geestelijken, en dreigde met de naderende gerichten Gods, indien bekeering achterwege bleef. Deze woorden bleken eene profetie: den 11 April 1183 werd de kerk door het vuur aangetast. Drie dagen lang woedden de vlammen: bijna niets kon worden gered dan de relikwieën van Saint-Lambert. De herbouw van de kerk vorderde niet minder dan zeven-en-zestig jaren.

Ettelijke afbeeldingen, de herinnering van enkele grijsaards, die het tegenwoordige plein Saint-Lambert nog met puin bedekt hebben gezien, eindelijk de vrij onvolledige beschrijving van Saumery, die met medelijdend schouderophalen spreekt over den slechten smaak der middeleeuwsche architekten:—ziedaar alles wat ons ten dienste staat als wij ons eene voorstelling willen maken van de nobele kathedraal, voor zij in 1794 door het luiksch gepeupel en de fransche revolutionnaire horden werd verwoest. De kerk met al hare bijgebouwen besloeg de gansche ruimte tusschen de Place Verte en de Markt. De kathedraal zelve verhief zich trots boven al deze toevoegsels, die het effect van het monument des te meer bedierven, omdat het onmogelijk was de kerk op een behoorlijken afstand te zien. Twee zware vierkante torens, in oud-gothischen stijl, omlijstten aan de westzijde het oude koor, de aan de heiligen Cosmas en Damianus gewijde kapel. Het nieuwe koor, aan de tegenovergestelde zijde, zag op de Markt uit; tusschen die beiden lag de hoofdbeuk, uitmuntende door haar hoogte. Tegen het zuidelijke dwarsschip was een hooge toren aangebouwd, waarvan de eerste steen in 1392 werd gelegd, en waarvan de rijk versierde achtkantige houten spits met verguld lood was bekleed.

Tien zijdeuren, waarvan slechts twee voor het publiek geopend waren, gaven toegang tot het inwendige der kerk. De hoofdingang op de Place Verte voerde niet rechtstreeks in de kathedraal, maar naar een klein kerkhof, dat het voorportaal van de eigenlijke kerk scheidde. Deze poort werd alleen geopend wanneer een nieuwe prins-bisschop zijn intocht hield; de oude deuren ontsloten zich voor de laatste maal op den 17 Februari 1791, toen de bisschop Van Hoensbroeck uit de ballingschap terugkeerde. Naar de eenstemmige verklaring van deskundigen, was dit portaal uit de dertiende eeuw een juweel van kunst. Vier deuren van verguld brons voerden naar het oude koor, waarvan het altaar omgeven was door acht zware korte zuilen, door rondbogen verbonden: het eenige wat van den oorspronkelijken bouw was overgebleven.

Langs vier treden daalde men nu af in het groote schip, waarvan het gewelf door veertien reusachtige zuilen gedragen werd. Het eerste wat hier de aandacht trok was de kroon van Saint-Lambert: een kolossale lichtkroon van meer dan dertig el in omtrek, waaraan zich de herinnering hechtte van eene allerzonderlingste gewoonte, bekend onder den naam van Creux d’Vervi. Telken jare, des dinsdags na Pinksteren, werd eene deputatie van notabelen uit Verviers, vergezeld van een of twee kortelings gehuwde paren uit deze stad, door den opper-burgemeester van Luik aan de poort van Amercoeur ontvangen, waar hun vergunning werd verleend om zich te gaan kwijten van de verplichtingen, door hunne voorvaderen aangegaan. Nu werd eene soort van processie gevormd; over den geheelen weg tot aan de pont des Arches dansten de jonggehuwden op de maat van fluiten en tamboerijns, gevolgd door eene ontelbare menigte. Den volgenden morgen vormde de stoet zich opnieuw en trok naar de kathedraal van Saint-Lambert. Daar schaarden zich de afgevaardigden uit Verviers in een kring onder de groote lichtkroon en begonnen, op een gegeven teeken, als razenden te springen en te dansen, daarbij den duim van de linkerhand in de hoogte stekende. Gelukte het een der dansers de kroon aan te raken, dan werd zij zijn eigendom: maar daarop bestond niet veel kans, want de kroon hing omstreeks twintig voet boven den grond! De plechtigheid in de kerk werd besloten met de aanbieding van eene gevulde beurs aan den deken; daarna keerde men, steeds dansende, terug, en ten slotte bood de laatst gehuwde vrouw aan de stads-gerechtsboden een oud mud aan, dat zij dadelijk stuk sloegen en van de pont des Arches in de Maas wierpen.

Wij zullen ons niet ophouden bij de zijkapellen, met kunstschatten en graftomben opgevuld. Voor ons verrijst een prachtig oxaal, door welks driedubbele bogen wij een blik kunnen werpen in het bovenkoor. In het midden staat een soort van gothisch gebouwtje met een rood fluweelen, met goud geborduurden en met hermelijn gevoerden mantel omplooid, dat de relikwiënschrijn van. Sint-Lambertus bevat. Op reusachtige kandelaars met zeven en met negen armen branden voortdurend reine kaarsen; boven alles hangt een kolossaal crucifix. Ter wederzijde van het oxaal een orgel en eene galerij voor de kapel, die zelfs tot in Italië beroemd was. Op hooge feestdagen werden hier de standaarden der twee-en-dertig gilden opgehangen.

Maar wij kunnen niet alle schatten opnoemen, die de eerwaardige kathedraal bevatte; wij maken dus slechts met een enkel woord gewag van den lezenaar, een meesterstuk van geelgietersarbeid, en van de heerlijke graftombe van Everard de la Marck, insgelijks Bladzijde 327van verguld koper. Het boven- of priesterkoor ligt zes trappen hooger dan de vloer van het schip; het hoogaltaar is eene navolging op kleine schaal van dat in de Sint-Pieter te Rome en staat ook geheel op zich zelf; boven den tabernakel ziet men het half liggende beeld van den heiligen patroon van Luik. Nog hooger, onder een wijden troonhemel met een groot kruis versierd, ontplooit zich op hooge feestdagen de eerwaardige standaard van Sint-Lambert, waarvan de bewaring aan het kapittel der kathedraal is toevertrouwd. Het is een banier (gonfanon) van roode zijde met gouden franje, aan een lans of langen stok bevestigd. In het kruis onder aan de banier is een schelletje verborgen. Wanneer de zware stem van de banklok de burgers van Luik onder de wapenen roept, dan weerklinkt ook het schelletje, en de hooge voogd van Hesbaye, de heer van Aigremont, nadert in eerbiedige houding, om uit handen van den opper-burgemeester de heilige en roemrijke vaan te ontvangen. De oude banier, volgens de kroniekschrijvers een geschenk van Karel den Groote, werd in den veldslag van Brusthem (1467) vernield. Men maakte nu eene nieuwe, in alles aan de oude gelijk; bisschop Hoensbroeck nam die in 1789 mede naar Duitschland. De luiksche magistraat eischte te vergeefs het gewijde vaandel terug, en daar de luiksche troepen onder geene andere vlag wilden uittrekken, was men genoodzaakt nogmaals eene nieuwe banier te maken.

Rechts van het altaar stonden de bidstoel en de troon van den bisschop; links de zetel van den wijbisschop en nog een derde troon voor den gezant des Keizers bestemd, die bij de verkiezing van een nieuwen kerkvoogd moest tegenwoordig zijn. Kostbaar marmer van allerlei kleur, prachtige tapijten, verguldsel, goud en edelgesteenten schitterden daar alom in rijken overvloed en hulden het groote koor, wanneer het licht door de zes beschilderde ramen en het in de heerlijkste kleurenpracht stralende groote roosvenster op den achtergrond naar binnen viel, in een wonderbaren glans, die aan een visioen uit hooger sfeer, eene verschijning uit een paradijs van licht en kleuren, denken deed. Welk een aanblik leverde deze indrukwekkende kathedraal op, wanneer, op hooge feestdagen, de heilige dienst in het hooge koor werd gevierd, met al die majestueuse heerlijkheid, al die statige overweldigende pracht, die geheimzinnige betoovering, waarvan de katholieke eeredienst het wonderbaar geheim bezit.

Van de eerwaardige kathedraal, met haar kloosterhoven, haar kapittelzalen, haar charterkamer, en alle verdere bijgebouwen is niets meer over. De beestachtige baldadigheid en fanatieke woede van de fransche sans-culottes en hunne luiksche geestverwanten liet van het heiligdom geen steen op den anderen. Eerst in 1808 werd het puin weggeruimd, dat het plein bedekte, waar eens de hoofdkerk der bisschopsstad stond.

Maar naast de glorierijke kathedraal verrees een prachtig paleis, waarvan de bouw, ter vervanging van eene vroegere door brand vernielde bisschoppelijke woning, werd begonnen door den prachtlievenden Everard de la Marck, wiens tombe in de kathedraal prijkte. Dit paleis althans is voor het grootste gedeelte gespaard gebleven. In Maart 1735 werd onder anderen ook de voorgevel van het paleis door brand vernield. Het behoorde toen tot den goeden smaak om met verachting neer te zien op de gothische middeleeuwsche barbaarschheid; en de brusselsche architekt Jean André Anneesens, aan wien de regeerende prins-bisschop Georges Louis de Berghes den bouw van een nieuwen voorgevel opdroeg, meende dan ook zeker iets zeer voortreffelijks te doen, toen hij zijne koude symmetrische, zoogenoemd klassieke façade optrok. Daar men van het plein Saint-Lambert niets van het inwendige van het gebouw kan zien, valt het onpassende van dien gevel niet zoo dadelijk in het oog.

Het voormalige paleis der vorstelijke bisschoppen beslaat eene oppervlakte van ongeveer anderhalven bunder en omvat drie vierkante binnenplaatsen, waarvan de laatste thans een verwaarloosde tuin is. Betreden wij den eersten binnenhof. Welk eene verrassing! Waar zijn wij? In een of ander reusachtig patio van eene andalusische Alhambra; in eene indische pagode; in een fantastische schepping van romaansche architektuur, herlevende in de zestiende eeuw; in een italiaanschen kloosterhof? Vermoei u niet met vragen: gij zijt hier in eene tooverwereld, waarin de fantasie haar schepter zwaait. Een enkel man heeft dit wonder geschapen, waarin gij de hand van velen zoudt meenen te herkennen; maar welk een kunstenaar en welk een ziener! Die François Borset, van het Overmaassche, behoorde tot het geslacht der machtige, geweldige geesten, die alle vormen en alle gestalten in zich omdragen en het nooit geziene te voorschijn brengen. Hij beitelde de zestig kolommen van de galerij, die de binnenplaats omgeeft, een wonderbaar fantastisch, grotesk poëem, dat bijwijlen aan oostersche feëriën denken doet. Elke zuil getuigt voor de onuitputtelijke vindingrijkheid van den kunstenaar; allen hebben iets eigenaardigs, geen enkele kolom is volkomen aan de anderen gelijk; sommigen zwellen als een bloembol, anderen bootsen de kelk eener tulp na, weer anderen gelijken op kandelabers. En welk eene oneindige verscheidenheid in de voetstukken en kapiteelen met hun onmogelijke bladeren en bloemen uit eene fantastische plantenwereld, hun fabelachtige dieren, hun grijnzende en glimlachende maskers.... Eene beschrijving van dit alles te geven is onmogelijk; alleen eigen aanschouwing kan van deze architektonische fantasmagorie een denkbeeld geven. En boven de portiek, waarvan de bogen door deze pilaren gedragen woorden, verheffen zich de smaakvolle gevels, met zuilen en kolommetjes, met pinnakels en loofwerk en balustraden rijk versierd: en toch schijnt die weelde en overlading van de late gothiek bijkans sober en streng, vergeleken met de buitensporige fantastische spelingen van den zonderlingen meester Borset.

Gezicht op Spa.
Gezicht op Spa.

Gezicht op Spa.

Als wij nu de tweede binnenplaats betreden, valt zij ons aanvankelijk tegen, ondanks hare schoonheid: wij moeten eerst de tooverachtige verschijning van zoo even vergeten. Toch is de geweldige Bladzijde 328Borset ook hier aan het werk geweest, en al zijn de schachten en de kapiteelen der verschillend gecanneleerde minder fantastisch, toch verraden zij in hun teekening en versiering de hand van dien zonderling begaafden kunstenaar. Op deze binnenplaats loopt de portiek slechts langs de zuid- en de noordzijde; de muren der beide andere zijden zijn met gevulde bogen versierd, waarvan de staanders tot op den grond reiken. In het midden van deze meer eenvoudige, maar zeker niet minder schilderachtige, rustige binnenplaats bevindt zich een waterkom, waaruit eertijds eene monumentale fontein oprees, met den dubbelen rijksarend versierd. Rondom dien kleinen vijver bloeit en groent een kleine tuin, waar heesters en struiken in het wild groeien en waar ge in het gras overal oude steenen, stukken van wapenborden en van standbeelden, gebroken zuilen, grafzerken, in wanorde door elkander ziet liggen. En als ge opziet naar de muurpaneelen, dan ontwaart ge daar de wapenschilden van verschillende bisschoppen, met name dat van Everard de la Marck, dat vele malen wederkeert. Door welk wonder zijn deze aristokratische zinnebeelden ontsnapt aan de aandacht van het revolutionnaire gepeupel, dat zoo ijverig alles vernielde wat van de vroegere tijden getuigde? Maar de aanschouwing van die relikwieën verplaatst u van zelf in andere tijden, en een beeld der vervlogen heerlijkheid rijst voor uwe verbeelding. De binnenplaatsen en de galerijen vullen zich met de eerwaardige gestalten van geestelijken van allerlei rang, van edelen en burgers, van pages en officieren; uit de wijd geopende vensters klinken liefelijke tonen van muziek en zang of het gegons van stemmen in druk en vroolijk gesprek; door de deuren en de half opgelichte tapijten kunt ge de pracht onderscheiden van rijk versierde, vorstelijk gemeubelde vertrekken, van standbeelden en vazen en marmeren trappen en eikenhouten lambriseeringen. En in een dier vorstelijke zalen staat, door een schare van prelaten en edellieden omringd, de prins-bisschop, de opvolger van Sint-Lambertus en Sint-Hubertus, meestal zelf iemand van vorstelijke of althans hoog adellijke familie, een vorst van het heilige roomsche rijk, met geestelijk en wereldlijk gezag bekleed, al werd de uitoefening vooral van dit laatste hem dikwijls moeilijk genoeg gemaakte door de weerspannigheid zijner onrustige, woelige onderdanen.... Doch als wij weder onze oogen opslaan naar de vensters, verdwijnt de illusie: overal zien wij klerken gebogen over hun lessenaar, ijverig de pen latende krassen over het papier: dat gedeelte van het oude bisschoppelijke paleis in bezit genomen door het bureau van registratie! Hoe hebben de termiten Bladzijde 330zich in het hol van den leeuw gewaagd!

Binnenplaats van het oude bisschoppelijke paleis te Luik.
Binnenplaats van het oude bisschoppelijke paleis te Luik.

Binnenplaats van het oude bisschoppelijke paleis te Luik.

En niet alleen hier, maar overal zijn de beelden en gestalten van het roemrijk verleden weggevaagd. De in het zwart gekleede mannen, die ge onder de portieken van François Borset ziet wandelen, zijn geen monniken of prelaten, maar rechters, advokaten of procureurs; deurwaarders, beklaagden, aanklagers, getuigen hebben de plaats ingenomen van de behoeftige schare, die op bepaalde dagen hier samenkwam om de vorstelijke aalmoezen van den bisschop te ontvangen. Want in dit gedeelte van de voormalige residentie der vorsten van Luik zetelen thans de gerechtshoven.

Deze manier om van oude monumenten partij te trekken, bewijst zeker voor den praktischen zin van het volk. De voormalige stallen van het paleis werden verbouwd en tot bureaux van het provinciaal gouvernement ingericht. Het geheele westelijk gedeelte van het paleis is tegenwoordig voor dien dienst bestemd, en een kunstenaar van meer dan gewoon talent, de heer Delsaux, heeft zich op voortreffelijke wijze gekweten van de taak om dit deel van de oude residentie te restaureeren en voor de nieuwe bestemming geschikt te maken. Het gouvernementsgebouw, dat tevens de vergaderzalen der staten en van gedeputeerde staten, alsmede de woning van den gouverneur bevat, mag in volle waarheid een vorstelijk hotel worden genoemd, waarvan de voorgevel op het plein Notger, in den stijl van het paleis van Everard de la Marck ontworpen, inderdaad een monumentaal karakter draagt. En dit zal nog meer het geval zijn, wanneer de beeldwerken zullen zijn voltooid, wanneer de twintig bas-reliefs zullen zijn geplaatst, die de belangrijkste monumenten uit de geschiedenis van Luik moeten voorstellen, en wanneer in de zes-en-veertig nissen de standbeelden zullen prijken van de beroemdste bisschoppen, van veld-oversten, geleerden en kunstenaars, die den roem der oude stad hebben verbreid. De portiek in het midden van het gebouw herhaalt de schoone bevallige motieven van de pilaren en bogen van de eerste binnenplaats, waaraan ook de geheele stijl van den gevel met zijne uitspringende vleugels denken doet. Ook de inwendige inrichting van het hotel munt door smaakvolle pracht uit; men vindt hier een rijkdom van antieke meubelen, tapijten, kostbare kunstvoorwerpen van allerlei aard, schilder- en beeldhouwwerk.

Dit geheele gebouw met zijne rijke, smaakvolle versiering komt vooral goed uit, wanneer men het ziet van de breede dubbele trappen, die van het plein Saint-Pierre naar het plein Notger afdalen en een met bloemen beplant square omvatten, waar fonteinen en watervallen de lucht vervullen met muziek en frissche koelte.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings