VII
Reading edition
De fraaie rotsige landschappen in de vallei van de Sambre geven reeds hier en daar, door de plotselinge verheffingen van den grond, een voorsmaak van de naburige Ardennen. Thuin, Lobbes, met hunne groene of krijtachtige heuvelen, die zich in de wateren spiegelen, zijn als het ware een beeld in het klein van de meer forsche en ruwe bekoorlijkheden der valleien van de Lesse, de Hermeton, de Bocq: en dit karakter treedt steeds duidelijker in het licht, naarmate men Chimay, Mariembourg en Couvin nadert. Maar om de volle eigenaardigheid van eene bijna woeste natuur te begrijpen, moet men de streek tusschen Sambre en Maas, het nog min of meer twijfelachtige landschap van overgang, verlaten en tot de boorden van laatstgenoemde rivier naderen. Eerst daar vertoont de natuur die eigenaardige physionomie, die nog de sporen draagt van worsteling en wanorde en strijd, dien trek van toorn en smart en woede, waarover thans, nadat de rust is weergekeerd, de glimlach der tevredenheid zweeft.
Reeds even voorbij Chimay, in die uitgestrekte heide, die zelfs de stalen vlijt en onuitputtelijke volharding der Trappisten nog maar voor een deel heeft kunnen ontginnen, maakt het landschap een anderen indruk, dan dien ge tot dusver ondervonden hebt. Reeds daar teekenen zich de eerste trekken van die kosmische weeën, die op geheel deze natuur haar onuitwischbaren stempel hebben gedrukt. Eensklaps ontrollen zich de Fagnes van Chimay, door struikgewas en moerassen afgebroken, die in den zomer zijn uitgedroogd en waarover in het najaar lage en vochtige nevels zweven: en het landschap maakt op u den indruk van eene opeenvolging van ruwe en snijdende tonen, die de toehoorders moeten voorbereiden op de schokkende tafreelen van het eigenlijke drama.
Hier begint inderdaad het voorspel: ge bevindt u in eene woestijn, waarin zich de mensch toch woningen en dorpen heeft gebouwd en die langzaam en onwillig terugwijkt voor de vereenigde pogingen van den landbouwer en den os, te zamen gebogen onder hetzelfde juk, trekkende aan denzelfden ploeg. Voert uw verdere weg u in de gevaarlijke moerassen en hooge veenen, die zich van Spa tot Malmedy uitstrekken, waar nergens een dak te bespeuren is om u te beschermen tegen het brandend steken van de zon, nergens een groepje boomen om uw oogen te verpoozen van het staren in de strakke gloeiende lucht, nergens eene bron of beek om uw folterenden dorst te lesschen; als ge door deze wildernis dwalen zult, aan alle martelingen ten prooi, dan zal de gewaarwording, welke ge daar ondervindt, toch maar alleen in graad verschillen van hetgeen ge hier gevoelt, in dezen voorhof van het woeste land.
Maar ditmaal is die indruk niet meer dan voorbijgaande: op de wildernis volgt nu al spoedig een paradijs van ruischende wateren en lommerrijk geboomte, van schilderachtige heuvelen en vreedzame dalen, die u reeds een denkbeeld geven van de zoo karakteristieke valleien, waardoor de Semais, de Ourthe, de Amblève en de Lesse haar kristalheldere wateren stuwen: zij, de meer bekende zusteren van die nederiger najaden, zich verbergende onder den naam van Eau-Noire, Eau-Blanche, Eau-d’Heure, Brouve, Viroin, Hermeton en Acoz.
Tegelijkertijd bevolkt zich het land: de dorpen vermenigvuldigen zich; de bergen worden hooger, de rotsen kantiger en grilliger van lijnen; scherpgeteekende profielen trekken telkens uw oog bij iedere kromming van den weg, die rijst en daalt en in breede slingeringen de hoogten bestijgt. De horizon verwijdt zich; de plateaux ontrollen zich voor uw oog; de frissche berglucht zet uwe longen uit; de onwederstaanbare betoovering van de hooge plaatsen der aarde doortintelt uwe aderen.
Zoo is de landstreek tusschen de Sambre en de Maas, l’Entre-Sambre-et-Meuse, als eene voorbereiding voor de eigenlijke Ardennen: het is nog niet de oneindige uitgestrektheid der bergplateaux, nog niet de majesteit van de boorden der Maas, nog niet de tooverachtige idylle der valleien van de Lesse en de Bocq; maar haar bosschen, haar heidevlakten, wat nog over is van de Marlagne, het geheimzinnige donkere woud, dat ten tijde der revolutie nog eene oppervlakte besloeg van twintig vierkante mijlen, vertoonen toch reeds een beeld in het klein van dat betooverende land, waarvan ieder die het ooit mocht betreden, eene onuitwischbare herinnering mede draagt.—Drie groote valleiën, van de Hermeton, de Molignée en de Viroin, doorsnijden met haar diepe ravijnen het land, en aan dezen sluiten zich andere kleinere valleïen, die van de Heure en de Acoz, als vertakkingen van een reuzenboom, die het gansche land met zijne armen omstrengelt. Bladzijde 248
Later, in de eenzame omgeving van de baraque Michel, op het hoogste punt van de Ardennen, als in eene koude zwijgende woestijn verloren, zullen wij den grond, in wilde sprongen, zich zien opheffen tot zeshonderd el boven de zee; maar hier bereiken de hoogste bergen nog niet een derde van deze hoogte. Maar hoe nederig en bescheiden zij vergelijkenderwijze ook mogen zijn, toch geven de rotsen van de Entre-Sambre-et-Meuse ons reeds een beeld te aanschouwen van de verscheuringen dezer gefolterde, als het ware stuiptrekkende natuur, op welke inderdaad de zoo vaak misbruikte vergelijking met de golven eener versteende zee van toepassing is. Wilde men het beeld voltooien, dan zou men de hooge plateaux, die daarboven hunne effen vlakten ontrollen, kunnen vergelijken bij de stranden, zich opheffende boven het onstuimig gewoel der wateren.

Ruïne van Haute-Roche.
Doch beneden, nu eens stil den voet der rotsen lekkende, die zij op andere tijden als woedende draken bespringen, dartelt en stoeit en zingt het vroolijke koor der rivierkens. Hier wellustig de hellingen omarmend der bergen, wier rotsachtige krijtwanden en dichte boomgroepen zij in haar kristallen wateren weerspiegelen; elders zich een weg banende door de trillende treurwilligen, waaronder de azuren insekten zweven en dansen;—overal ziet gij ze, tallooze slingeringen beschrijvende, zich verliezende in het malsche groen der weiden, om dan weer nieuwsgierig voort te dartelen langs den grooten weg, in zijn bochtigen gang vaak niet minder grillig dan zij zelven.
Haar aantal is legio: daar hebt ge, behalve de Molignée, de Hermeton en de Viroin, die haar naam gegeven hebben aan de valleien welke zij besproeien, de Yves, de Biert, de Flavion, de Bladzijde 249Acoz, de Brouve, en al die andere beekjes met haar welluidende namen, die als de dochters van eene zelfde familie, allen den gemeenschappelijken naam dragen van Eau. Overal hoort ge ze babbelen en neuriën, als de nooit zwijgende muziek, de zilveren lach van het landschap: aan het suizen van den wind in het ritselend gebladerte paren zij het zoet gekweel der fluitspelende sylfen in het riet langs haar boorden; en de rotsen, die eenzame reuzen, op wier schedel de donkere kroon van den nooit stervenden ouderdom rust en die eeuw in eeuw uit in zwijgenden ernst de jaren over zich heen voelen glijden, zij zien neder op de vroolijke kinderen, uit hun somberen schoot geboren, die aan hun voet huppelen en dartelen, en in hun blijde sprongen met milde hand parelen en diamanten strooien om zich heen.

Dinant.
Volg ze op haar baan, deze wandelaarsters: zie hoe zij den zilveren draad van haar heldere wateren al verder en verder ontspinnen te midden van de stille landschappen, van al de zoete liefelijkheden der natuur: schaduwrijke kreekjes, nestjes van groen, fluweelige weiden met bloemen bestikt, amphitheaters van bosschen tegen de berghellingen gebouwd, woeste ravijnen in de rots uitgesneden, telkens afwisselende panorama’s en vergezichten, ongedachte verrassingen bij iedere kromming; eene opeenvolging van dissolving views in eindelooze verscheidenheid elkander verdringende, maar zoo als de onuitputtelijke natuur alleen ze voor de oogen tooveren kan. Volg ze op haar baan, die dichterlijke zwerfsters, die van niets meer gruwen dan van de rechte lijn; volg ze met vreugdevol vertrouwen, zij zullen u—’t is waar, niet langs den kortsten weg, maar langs ongebaande, nauw vermoede paden, dolend en dwalend als de knaap die onwillig naar de school gaat en ieder voorwendsel aangrijpt om zich op te houden;—ja, zij zullen u brengen naar stille plekjes, waar ge droomend nederzit en het u zijn zal, als hoordet ge duidelijk het loflied, dat bergen en rotsen, wouden en velden, vlakten en dalen, rivieren en beken, onverpoosd opzenden naar den hoogen hemel, die zich zegenend uitbreidt over de bloeiende aarde.
Als ge Chimay verlaten hebt,—Chimay, waar verval en verlatenheid hunne tenten hebben opgeslagen sedert de vroolijke hofhouding der prinsen verdween; Chimay, waar op het kleine plein het standbeeld verrijst van den genialen verteller, den onnavolgbaren kroniekschrijver Jean Froissart, die in het koor der kerk den eeuwigen slaap slaapt;—en als ge achter u de bosschen laat liggen, waarin nog de echo’s zweven van al deze gloriën van een grootsch verleden, en de reusachtige vijvers, waarop weleer vergulde gondels Bladzijde 250dreven en waarlangs nu de eenzame reigers starend uitzien naar hunne prooi;—dan ontmoet ge weldra op uw pad een zingend en murmelend beekje, waaraan men zeker ter wille van de zilveren helderheid van zijn water, den naam gegeven heeft van Eau-Blanche. Dit is de eerste dier levende idyllen, wier zoete zang u van alle zijden in de ooren dringt, de eerste althans die ge ontmoet als ge uit Henegouwen komt, en als ge, om uw tocht door de Ardennen te beginnen en de provincie Namen te bezoeken, al aanstonds uwe schreden richt naar den doolhof der valleien, en langzaam, zonder eenige overhaasting, uwe voetreis vervolgt, om u, zooals het behoort, gaandeweg vertrouwd te maken met de schoonheden van het landschap, met het eigenaardig karakter der natuur om u heen. Ge zijt er immers met mij van overtuigd, dat een reiziger, die inderdaad het land dat hij bezoekt, wil zien en leeren kennen, geen hooger en duurder plicht heeft dan dezen: dat hij zich ten strengste onthoude van ooit een voet te zetten in een spoorwagen of wat daarop gelijkt?
Kom aan, laat ons deze moderne inrichtingen vergeten: wij gaan wandelen. Al voortgaande, keuvelende, rondziende, luisterende, zijn wij een weinig het spoor bijster geworden: wij zullen hier even stilhouden bij deze schaapskooi en de deur een weinig openstooten. Maar niet te snel en niet te ruw: laat ons den jeugdigen zanger niet storen, die uit volle borst een lied zingt van de bergen, op die eigenaardige, half weemoedige, slepende wijze, die, vooral op zekeren afstand, zoo liefelijk klinkt en zoo aangenaam het oor streelt, als eene muziek, zwevende op den adem van het koeltje en altijd door ruischende als een nooit eindigend lied. In den warmen gouden nevel, die de schemerende ruimte vervult, ontdekt ge het blozende gelaat van den knaap, die naar u toekomt en op wiens gebruinde wangen, in wiens donkere oogen ge kracht en gezondheid leest. Misschien begrijpt ge zijne aanwijzing niet volkomen: geen nood, hij is aanstonds bereid, u te vergezellen en u weer op den rechten weg te helpen. Wij treden dan uit de van gloed doortintelde schemering naar buiten in het volle zonlicht; en terwijl de rotsen zich in statigen ernst ter wederzijde van den weg scharen, terwijl de meerlen fluiten in het lage hout en de klaprozen gloeien in het schrale gras, begint de vroolijke, levenslustige knaap u allerlei geschiedenissen te vertellen. Hij verhaalt u van Jean, den molenaar, wiens rad ge daar ginds achter de treurwilgen knarrend wentelen hoort, en die, oud vrijer, sedert vijftien jaren vergeefs uitziet naar eene bruid zijner keuze; van Martinette, de dochter van den herbergier van het dorp, die de preutsche uithing en die toch ten vorigen jare zich vergat met een mijnheer uit de stad; van het ongeluk dat den postbode van een naburig dorp overkwam, die door zijn eigen karretje overreden werd; eene ramp, waarvan de herinnering nog wordt bewaard door den met mos begroeiden steen, dien hij u wijzen zal; maar hij weet ook te verhalen van geheimzinnige verschijningen en geesten, die, in sommige nachten, rondzwerven om de oude gebroken muren, die ge hoog boven uw hoofd, op den top der rotsen, tegen den blauwen hemel hunne grillige lijnen ziet teekenen. Ja, zoo ge eenigszins zijn vertrouwen weet te winnen, zal de flinke knaap u ook zijne eigene geschiedenis vertellen en u deelgenoot van zijne zoete geheimen, zijne wenschen en verwachtingen maken. Onbeduidend gebabbel, waaraan het niet de moeite waard is, eenige aandacht te schenken. Het zij zoo: maar toch altijd belangwekkender en aangenamer om te hooren, dan het oorverdoovend ratelen der wielen over de rails of het demonisch fluiten van de stoompijp.
Zoo is het met de Eau-Blanche en met al die andere beekjes, wier leven—want hebben zij geen eigen leven, dat geheimzinnige leven, dat de ouden, die de natuur zooveel beter verstonden en gevoelden dan wij, verzinnelijkten in hun nimfen, hun sylfen en najaden?—zoo innig gemengd is met het nederig en eenvoudig bestaan dezer landbewoners. Midden door de dorpen, van deur tot deur, stuwen zij haar heldere wateren voort, waarin de huismoeders haar groenten en haar linnengoed wasschen, waarin de runderen hun dorst lesschen, als zij den kop opheffende, van den breeden muil sprankelende diamanten laten droppelen. In die murmelende beekjes plassen en dartelen de eenden met haar jongen, zoo pas aan het broedende nest ontsnapt; in dien kristallen spiegel weerspiegelt zich het rimpelig gelaat van het oude grootje, nevens het rozige kopje van haar kleinkind, dat het eene handje uitstrekt om de vlugge vischjes te vangen en met het andere zich vastklemt aan grootmoeders boezelaar. En wanneer ge, de dorpen achter u latende, het vrije veld ingaat, dan zullen de beekjes, dartelend langs den voet der heuvelen, u heenvoeren naar de eenzame hoeve, verloren te midden der velden, naar de grot, die ginds den donkeren muil openspert, naar den ontmantelden en ontkroonden burcht, die als met ijzeren klauwen in de rots geworteld staat.
Met de Eau-Blanche wandelt ge door vlakke velden, langs heuvelen en rotsen, bespiedt ge in de vroege morgenuren het ontwaken der sluimerende dorpen: hier Aublain, Vaux, Lompret, ginds Boussu-en-Fanges, verder Mariëmbourg, een oude vesting, wier wallen zijn gesloopt en wier grachten zijn gedempt, zelfs geene ruïne meer, niets dan een groepje kleine lage huizen, waartusschen de koeien haar weg zoeken, als zij des morgens naar de weide gaan. Richt uwe schreden oostwaarts: daar troont Fagnolles, de zeshonderdjarige ruïne, die met hooghartigen weedom schijnt neer te blikken op het diepe verval der stad van Maria van Hongarije, nu niets meer dan een doodsch gehucht. Zij zelve, de eerwaardige ruïne, zij mag met fieren trots haar wonden en bressen vertoonen, en haar gebroken torens en geschonden muren ten hemel beuren, als de nog onverwoeste herinneringen aan haar roemrijk verleden.
Overal, op dezen alouden historischen bodem, vindt ge de sporen van den voortijd: de talrijke adellijke burchten zijn niet meer dan steenhoopen, Bladzijde 251en op de plek, waar weleer zoo menige kleine krijgshaftige vesting stond, drijft de landman thans den ploeg door den grond. Van Sautour, de stad met de zestien torens, zoo als de kronieken haar noemen, is niets meer over dan enkele brokken muurs. Maar al is de oude burcht verdwenen, soms, als te Couvin, van welks rots het eens zoo geduchte kasteel broksgewijze naar beneden is gestort, soms hebben de huizen en de straten nog iets van het oude karakter behouden. Eene zuster van de Eau-Blanche, aan wie men om haar van de vele andere beken te onderscheiden, den overigens geheel onverdienden naam van Eau-Noire heeft gegeven, deelt het stedeke in twee helften, en weerkaatst in haar heldere wateren menig aardig, ouderwetsch, overhangend geveltje. Dan klauteren de smalle steegjes tegen de rots omhoog en brengen u eindelijk boven op de kruin van de donkere steenmassa, waar eene herberg de plaats vervangt van den ouden feodalen burcht.
Eene niet onaardige anekdote knoopt zich aan de verwoesting van deze sterkte. De geweldige jager, die toen over Chimay regeerde, Jean de Croy, ontzag zich niet, naar het schijnt, om met zijne honden te gaan jagen in de bosschen van Couvin en zich alzoo meester te maken van wild, waarop hij geen recht had. Deze minachting van hun recht ergerde en verbitterde de poorters der stad, die eindelijk besloten, den roover in eene hinderlaag te vangen; en te oordeelen naar een onlangs ontdekt dokument, gingen zij daarbij al even ongegeneerd te werk als de adellijke strooper zelf. Op zekeren dag dan, toen de graaf weer in de bosschen van Couvin jaagde en, door zijn ijver medegesleept, in vollen ren voortdraafde, zoodat hij geheel van zijn lieden gescheiden was, schoten die van Couvin gemaskerd op hem toe, grepen de teugels van zijn paard, hielden hem tegen, knevelden hem en bonden hem een doek voor de oogen. Zoo trokken zij met hem heen en weder door het bosch tot omstreeks het vallen van den avond, zoodat het scheen als hadden zij hem ver weg gevoerd, en brachten hem eindelijk, buiten medeweten van de andere burgers, op het kasteel van Couvin, waar zij hem in een donker hok in een der torens opsloten. Daar wierp men den gevangene een weinig water en brood toe, om hem alzoo langzamerhand van gebrek te doen sterven. In dien kerker bracht de graaf zeven jaren door, zonder dat zijne echtgenoote of iemand anders van zijn gezin eenige tijding ontving, daar ieder meende dat hij door roovers was vermoord of door wilde dieren verscheurd; hij zelf wist ook niet, waar hij gevangen werd gehouden, noch om welke reden, zich verbeeldende dat hij zich op grooten afstand van Chimay bevond, waarvan hij toch ter nauwernood drie mijlen verwijderd was.
Eindelijk erbarmde de hemel zich over den martelaar. In zijn kerker, die in de rots was uitgehouwen, bevond zich eene nauwe spleet, waardoor hij eenig licht ontving; en aan den voet dier spleet lag eene kleine vlakte, waar een knaap de schapen hoedde. Deze knaap vond er vermaak in, met zijn handboog te schieten en aan te leggen op die kleine opening in de rots: na verschillende vruchtelooze pogingen gelukte het hem eindelijk, een pijl door het gat te schieten. Toen hij nu naderbij kwam en zijn arm in het gat stak om zijn pijl te halen, greep de graaf hem bij de hand vast; de jongen huilde en schreeuwde, maar de graaf bracht hem tot bedaren, sprak vriendelijk met hem en vroeg hem waar hij was; en van den knaap vernomen hebbende, dat hij te Couvin was, verzocht hij den jongen, zijn vader te roepen.
Wat nu volgt is min of meer raadselachtig. Bij het weinige licht, dat door de opening in de rots drong, schreef Jean de Croy een brief aan zijne echtgenoote, haar dringend verzoekende, dat men hem nu aanstonds zou komen verlossen. Hoe en waarmede schreef hij dien brief? Het oude verhaal meldt daaromtrent niets; en met reden: immers wat zou er van de legende terecht komen, als er niet iets geheimzinnigs in deze jammerlijke geschiedenis overbleef? Kortom, de herdersjongen belastte zich met de bezorging van den brief en ontmoette de gravin, juist toen zij over de ophaalbrug van het kasteel ging om zich naar de mis te begeven. Op het zien van het schrift van haar echtgenoot verbleekte de dame en zonk in de armen harer vrouwen; maar weldra kwam zij weder tot zich zelve en zond dadelijk het bevel naar de zeventien dorpen der heerlijkheid van Chimay, dat alle gewapende mannen moesten opkomen om hun heer te verlossen. Spoedig wemelt het op de wegen van gewapenden, de pieken blinken in den zonneschijn; twee kanonnen rollen zwaar dreunend over den weg, en de geheele drom slaat het beleg voor Couvin, welks burgers niets van dien onverwachten aanval begrijpen. Wat willen die lieden toch? “Onze heer is daar opgesloten, en kwijnt sedert zeven jaren weg in een afschuwelijk hol!” roepen die van Chimay, de vuist dreigend opgeheven tegen den burcht. De verbaasde poorters, die nog altijd niets wisten van de vangst, door eenigen hunner in de bosschen gemaakt, en niet vermoedden welke vorstelijke prooi daar in de rots gevangen zat, beklimmen in vliegende haast de trappen die naar het kasteel leiden, openen de deur van den kerker en geven de vrijheid weder aan den hoogen baron, die haastig uitgaat en nu op zijne beurt niet rust, voor hij het kasteel tot gruis geschoten heeft. Na dit voorval herbouwden de poorters van Couvin hunne rotsvesting niet meer.