XI
Reading edition
Omstreeks twintig jaren geleden lag er te Dinant over de rivier, eene eerwaardige steenen brug, wier bogen met mos waren begroeid, en die met de bruggen te Jambes en te Luik, tot de oudsten in het waalsche land mocht worden gerekend. Daar men telken jare, bij het wassen der wateren, gevaar liep, dat het oude metselwerk zou worden ontwricht, vernield en medegevoerd, besloot men eene andere brug te bouwen van steviger constructie. Alzoo geschiedde: en daar ligt ze nu—tot uwe ergernis, zoo gij de oude brug hebt gekend—de nieuwe ijzeren brug: een geometrisch monster, afschuwelijk als eene meetkunstige figuur, met haar rechtlijnig bovendek, met haar metalen traliewerk, aan de pijlers vastgeklonken. Stevig is zij, maar leelijk ook, leelijk bovenal; van gratie en bevalligheid, van monumentaal karakter of architektonische majesteit is bij dit moderne gewrocht al even weinig sprake als bij welke machine ook. De geschiedenis der bruggen van Dinant is overigens vrij ingewikkeld; sedert de eerste brug, waarvan de kronieken gewag maken, en die boven haar vijf bogen een toren droeg met twee verdiepingen en een omgang met borstwering; sedert die kolossale, trotsche brug, die niet alleen tot toegang maar ook tot verdediging der stad strekte, vindt men, in den loop van twee eeuwen niet minder dan drie bruggen genoemd, waaronder een houten brug, die in 1573 bij ijsgang werd vernield.
Even als Namen, is ook Dinant een uitgelezen punt voor het doen van grootere en kleinere uitstapjes in den schilderachtigen omtrek. Aan deze zijne ligging dankt het dan ook een druk bezoek van toeristen, die steeds zijne hotels vullen. Een aantal familiën brengen hier den zomer door, hetzij in een logement, hetzij bij particulieren, hetzij in de vriendelijke villa’s en chalets, die de boorden der Maas omzoomen. Vooral de Engelschen komen hier in grooten getale, vooral ook aangelokt Bladzijde 313door de gunstige gelegenheid voor tochten in het gebergte en roeivaarten op de rivier, voor al die lichaamsoefeningen, die voor hen eene uitspanning en eene behoefte zijn. Toch vormen zij geene eigenlijke kolonie; ieder leeft voor zichzelven, zonder, zooals aan het zeestrand, de behoefte te gevoelen om door onderlinge aansluiting en verstrooiing een tegenwicht te zoeken tegen de verveling en vermoeienis, die het eenvormig schouwspel van het strand en de duinen nooit nalaat te verwekken.
In waarheid, hoe groot, hoe reusachtig het gebergte ook moge zijn, toch schijnt het niet buiten onzen maatstaf te liggen, toch past het nog in het kader onzer bevatting, en heft het niet, als de eindelooze horizon der zee, alle denkbeeld van maat en evenredigheid op. Daar komt bij, dat het door zijne oneindige afwisseling, door zijne telkens nieuwe verrassingen, de nieuwsgierigheid prikkelt en de belangstelling levendig houdt. De zee en het effen vlakke strand onzer kusten vermoeien en verdooven den geest, op wien deze grenzenlooze eentonigheid in het eind als een looden wicht gaat drukken. Op het weeke zand wischt zich onze voetstap uit; de grond schijnt onder onzen voet weg te vloeien, evenals het water; met de harde rots, met den granieten bergwand kunnen wij ons meten: hij tart ons als het ware tot den strijd en vol moed en met vroolijken ijver ondernemen wij de beklimming. Ik zwijg van de door de natuur zoo rijk bedeelde landen, waar bergen zee, rots en strand elkander aanvullen en een geheel vormen van schier ongeëvenaarde schoonheid; maar in onze streken, waar het strand bijna nooit iets anders is dan een kale, vlakke zand woestijn, aan de eene zijde door een grijze zee, aan de andere door eene lage reeks van grauwe duinen omzoomd; in onze streken wint een berg- of boschlandschap het zeer verre van de kust.

Panorama van Luik.
Dinant ligt ongeveer in het middelpunt der namensche Ardennen en is door uitmuntende wegen met alle punten in den schilderachtigen omtrek verbonden. Wij kunnen onmogelijk al deze punten bezoeken, ons bestek noopt ons tot beknoptheid; wij moeten dus ons vergenoegen met slechts op enkele punten, die niet altijd tot het toeristen-programma behooren, de aandacht te vestigen.
Wanneer men de voorstad Leffe verlaat en het kronkelende pad volgt, dat langs terrasgewijze aangelegde tuinen opwaarts voert, dan bereikt men weldra de schier eindelooze hoogvlakte, zich uitstrekkende tot aan den schemerenden horizon, waarop de huizen al verder en verder uit elkander staan en de zwijgende eenzaamheid u aan alle kanten omgeeft. Ciney is de hoofdplaats van deze streek, le Condroz, die in den zomer met golvende oogsten van gouden koren is bedekt; maar wie het stille, betrekkelijk welvarende vlek bezoekt, zal niet licht gissen welk een rol dit vergeten stedeke in vroeger eeuw heeft gespeeld. Toch was de zware romaansche toren, waarmede de oude kerk prijkt, getuige van gedenkwaardige gebeurtenissen. Hier toch begon die noodlottige oorlog, de Koeienstrijd genoemd, die twee jaren duurde, aan vijftienduizend menschen het leven kostte en zestig dorpen verwoestte. Bladzijde 314
Een boer van Jollet had eene koe gestolen van Rigaud de Corbion, burger van Ciney, en werd nu door den baljuw dier stad gedagvaard, die hem levensbehoud verzekerde, indien hij het gestolen stuk vee teruggaf. De boer, op die toezegging vertrouwende, bracht de koe naar den stal van den rechtmatigen eigenaar terug, hetgeen niet belette dat hij opgeknoopt werd. De heer van Jollet, verbitterd over deze wraakneming en over de krenking van zijn heerlijk recht, trok naar Ciney dat hij verwoestte, waarop de baljuw Jollet overviel en aan de vlammen prijs gaf.
Nu waren de poppen aan het dansen. De heer van Jollet riep de hulp in van zijne broeders Richard van Falais en Regnier van Beaufort en van de heeren van Celles en van Spontin; de vijf verbonden edellieden brachten hunne mannen van wapenen op de been en liepen, roovende en plunderende, het land af.
Daarop mengden zich de burgers van Hoei en van Luik in den twist; zij kozen partij voor die van Ciney en sloegen het beleg voor Falais, Beaufort, Celles en Spontin. Het bondgenootschap der vijf heeren staat op het punt te bezwijken, toen onverwacht hulp voor hen opdaagt. Gwy van Dampierre, graaf van Namen en Vlaanderen, en de hertog van Brabant nemen het voor hen op. Nu ontbrandt de oorlog heftiger dan ooit; het gansche land wordt afgeloopen door stroopende benden, die overal moorden en plunderen en branden. Ciney wordt van alle kanten ingesloten en de poorters hebben geene andere wijkplaats meer dan de kerk, die door den graaf van Luxemburg in brand wordt gestoken. De maarschalk van Forvies, door de Luikenaars tot ontzet der belegerden gezonden, rukt nu het drostambt van Poilvache binnen, alles vernielende, plunderende en uitmoordende: van dertig dorpen van de Rondache bleven niet meer dan rookende puinhoopen over.
Men zou meenen, dat er thans genoeg bloed vergoten was en dat er een einde aan den strijd zou komen; maar de burgers van Dinant kozen nu op hun beurt partij voor Ciney en tastten Spontin aan. Misschien zou het hun gelukt zijn, den sterken burcht te vermeesteren, indien de heer van Dave niet in allerijl met huurbenden uit Namen was aangerukt om het bedreigde punt te verdedigen. De mannen van Dinant worden teruggedreven en nemen de wijk naar hunne stad, zoo vurig achtervolgd door de soldeniers van den heer van Dave, dat deze laatsten tot binnen de poort doordringen. De valdeur valt achter hen neder en snijdt hun den terugweg af; nu volgt er een vreeselijk bloedbad, terwijl de namensche krijgers, die buiten zijn gebleven, door die van Dinant worden aangetast en het gevecht opnieuw begint. Nadat zoo veel bloed vergoten en zoo schromelijke verwoesting aangericht was, werd het geschil eindelijk voor den rechterstoel gebracht van den Koning van Frankrijk, Filips den Stoute, wiens uitspraak luidde, dat alles weder in denzelfden toestand moest gebracht worden als vóór den oorlog. Eenige duizenden menschen waren dus voor niets vermoord en eene gansche landstreek voor vele eeuwen te gronde gericht.
Heeft men de laatste huizen van Saint-Médard, eene andere voorstad van Dinant, achter zich, dan vertoont zich weldra, tegen een amphitheater van bergen, de prachtige Roche à Bayard (bladz. 257) Menschenhanden hebben de kloof verwijd, die oorspronkelijk het massieve rotsblok verdeelde, en tegenwoordig loopt de weg midden door de bres, ter wederzijde omzoomd door hooge gescheurde rotswanden, waarvan de een loodrecht in het water afdaalt, terwijl de andere samenhangt met de rotsketen, die zich tot aan de gorge van Froideveau uitstrekt. Eensklaps opent zij zich aan onze rechterhand, de met reden aldus genoemde bergkloof, waar zelfs midden op den dag koude nevels zweven en die door geweldige rotswanden wordt ingesloten. Als wij met de oogen het smalle, slingerende pad volgen, dat naar de plateaux voert, dan behoeven wij onze verbeelding niet te zeer in te spannen, om voor onzen geest de gestalten te zien opdagen der oude paladijnen, uitgaande ten oorlog.
Trouwens, wij zijn hier in het land der ridderromans en heldenzangen. Van de zonderling gevormde rots, wier doorluchtige naam langs de geheele rivier is verbreid, sprong, volgens de sage, het beroemde ros Bayard, met de vier Heemskinderen, in den stroom, na met een enkelen sprong over het breede dal van de Leffe te zijn gevlogen, waar Keizer Karel de Groote middelerwijl bezig was met het uithakken van trappen in de rots, om de vluchtelingen te vervolgen. Alles in die oude sagen en ridderzangen is even grootsch en kolossaal: de menschen zijn reuzen, die elkander granietrotsen naar het hoofd slingeren; de paarden zijn gevleugelde griffioenen, voor wie tijd en ruimte niet schijnen te bestaan. De groote Keizer Karel zelf is als het ware een mythisch persoon, de vertegenwoordiger van het rijksgezag tegenover de oproerige vazallen, op hun beurt vertegenwoordigd in die schitterende heldengroep der vier Heemskinderen.
Wilt ge naar Rochefort gaan, volg dan den heerlijken weg, dien ik u aanraad. Op den rug van een ezel van Bastogne gezeten, of wel gewiegeld in eene antieke berline, die ge bij Dizière den vroolijken waard uit de Tête-d’Or huren kunt, klimt ge uit de gorge van Froideveau omhoog naar Boisselles en Celles, om dan naar de diepte van Payemme af te dalen; dan gaat het weer omhoog tegen den heuvel van Custine op, om eindelijk, Ciergnon rechts latende liggen, den steenweg te volgen, die u ter plaatse uwer bestemming brengt. Nu eens op de kam van het plateau, waar de zang der leeuwerikken u tegenklinkt uit de blauwe lucht, dan overspat met het schuim der murmelende beekjes, die dartelend voortspoeden in de stille valleien, baadt ge nu eens in den zonneschijn der bergtoppen, om dan weg te schuilen in de vochtige schaduw der boschrijke hellingen, altijd door volop de schoonheid genietende van het verrukkelijke berglandschap, zoo rijk aan afwisseling, met zijn heidevelden en heuvelen, zijn rotsen, zijn wuivende bosschen, zijn ruischende wateren.
Te Celles troont, in eene woest romantische omgeving, de oude burcht der Beauforts, thans Bladzijde 315aan de familie van Liedekerke behoorende; eenzaam en verlaten staat het daar, het oud-adellijk kasteel (bladz. 252), omhangen met zijn prachtigen toovermantel van eeuwenoude klimop; eenzaam en verlaten, want het leven is uit zijne aderen weggevloeid en overgegaan in het pseudo-gothische kasteel tegenover hem.—Dan beurt Custine, de geliefkoosde verblijfplaats van Leopold II, te midden van een heerlijk plekje, zijn slanke torens omhoog; langs zijn voet stroomt de Lesse, die zich als een zilveren lint door de met bloemen bezaaide weide slingert.—Dan vertoont zich eensklaps Rochefort, rondom door heuvelen omsloten, met zijn hooge rots, waarop de oude feodale burcht verrijst.
Rochefort is in geheel den omtrek beroemd, niet alleen om zijne uitnemend schoone omgeving, maar ook om zijne grotten, die wel een bezoek waard zijn. Trouwens deze geheele streek van de Lesse vertoont overal de sporen van de geweldige worsteling der woedende elementen. Van Furfooz tot Chaleux en van Rochefort tot Han, is het eene bijna onafgebroken reeks van grotten en spelonken, waarvan de wondere aanblik den geest met verbazing en schrik vervult. Overal heeft hier de voorhistorische mensch, de tijdgenoot van de mammouths en de ichthyosauren, de sporen van zijn verblijf achtergelaten, en in de holen der bergen vindt men zijne beenderen, vermengd met die der wilde dieren, wier schedel hij kloofde met zijn steenen bijl en in wier lillend vleesch hij zijne tanden zette.
Men heeft de grotten van Rochefort met die van Han vergeleken en ze dan veel minder merkwaardig genoemd. Deze noodlottige manie van vergelijken is ongelukkig niet anders dan het bewijs van ons onvermogen om verschillende soorten van schoonheid te begrijpen en te waardeeren; of, zoo men wil, van onze neiging om alles met een zelfden maatstaf te meten. Het is echter eigenlijk even dwaas, de groote werken der natuur als de scheppingen der kunst met elkander te vergelijken: beiden maken elke vergelijking onmogelijk door hun eigenaardig, bijzonder karakter, dat aan ieder voor zich eigen is en waarin juist hunne schoonheid bestaat. Zoo zal de grot van Han het steeds van alle anderen winnen door de aangrijpende majesteit en de huiveringwekkende pracht van haar tallooze zalen en gangen en galerijen; eene tooverwereld, die een onuitwischbaren indruk in het gemoed achterlaat, maar waarvan ik zelfs niet beproeven wil eene beschrijving te geven, ’t Is ook niet noodig: de grot van Han is een vast nommer op elk toeristen-programma, zelfs op het programma van de slaven van een rondreisbillet. Velen mijner lezers hebben dit natuurwonder waarschijnlijk met eigen oogen aanschouwd, en zij behoeven dus mijne beschrijving niet. En wie haar niet heeft gezien, die wonderbare onderaardsche tooverwereld, geen beschrijving kan er hem eene eenigszins juiste voorstelling van geven, nog minder den indruk vertolken, dien eene wandeling door deze zalen op den bezoeker maakt.