XII
Reading edition
Een vijftiental jaren geleden bestond er nog een geregelde stoombootdienst tusschen Namen en Luik. Dat was in waarheid een heerlijke vaart, waarbij zich een reeks van grootsche en bevallige tafreelen voor het oog ontrolde, afwisselend bij iedere kromming van de rivier. Achtereenvolgens zag men de groote krijtrots der Grandes Malades, aldus genoemd naar een voormalig leprozenhuis; dan de hermitage van Saint-Hubert, eene landelijke kapel, nu vervangen door een prozaïschen kalkoven; de vallei van Marche-les-Dames, beroemd door de abdij, welke honderd-negen-en-dertig echtgenooten van namensche kruisvaarders hier in de twaalfde eeuw stichtten; verder, tegenover Namêche, de rots van Samson met de ruïne van den ouden feodalen burcht, een van de ontelbare kasteelen, waaraan de overlevering den naam heeft verbonden van de vier Heemskinderen. Tusschen Sclaigneaux en Andenne heerschte de industrie: rookwolken en nevels omhulden de groene heuvelklingen; overal vertoonden de rotswanden de wijd gapende wonden der steengroeven. Maar weldra week het geklop der hamers, het gestamp der machines, het gegons der bezige menigte op den achtergrond. Men stoomde langs Ba-Oha, en plotseling teekenden zich, op den top eener grijze rots, de omtrekken eener citadel tegen de heldere lucht.
“Huy!” klonk eene luide stem van den kant van het roer, en de boot lag voor eenige oogenblikken stil. Dan wentelden de raderen weder om en om in het schuimende water; en langs de beide oevers begon het industrieele rumoer op nieuw. Van Ampsin tot Flemalles was het aan alle kanten een woud van schoorsteenen; roode vlammen stegen opwaarts uit de breede openingen der pletterijen en gieterijen; het nimmer poozend geraas van den arbeid in de ijzerfabrieken verstoorde de stilte van de weinige rustieke landschappen, als oasen verloren te midden van deze woestijn van vuur en smook en roet. De rotsen omlijstten het gansche woelige tooneel, nu eens terugwijkende, dan tot de rivier naderende, en door allerlei grillige, teekenachtige gestalten en vormen het oog verrassend, vermoeid van het staren op den baaiert der industrie. Wie denkt hier niet in de eerste plaats aan de fiere, hooge rots, waarop het kasteel Chokier troont, hoog boven al het geraas en al den vuilen smook der wriemelende menigte aan zijn voet. Van verre groetten en volgden u zijne sierlijke torentjes; met verbazing dwaalde de blik langs de eindelooze treden van een reuzentrap, naar den overigens weinig indrukwekkenden burcht voerende; en de aanblik van de titanische rots deed u den koortsigen arbeid der menschen, het brullen van den stoom, het gefluit en gestamp der afschuwelijke machines, vergeten. Maar te Flémalles begon de hel op nieuw; daar rookten de tallooze schoorsteenen van den Val-Saint-Lambert; de stellages en staketsels der kolenmijnen verhieven zich in de lucht, als de geraamten van voorwereldlijke draken; een vieze, stinkende sneeuw van zwarte vette vlokken daalde onophoudelijk op het dek van de Bladzijde 316boot neder; Seraing, Jemeppe, Ougrée gaapten u des avonds, bij het naderen van Luik, tegen als de open monden eener geheimzinnige, duistere hel, waaruit roode vlammen en rookwolken naar buiten sloegen.

De Markt te Luik
Tegenwoordig varen de booten, de zoogenoemde mouches, niet verder dan van Luik naar Seraing; ook het genot van deze kalme riviervaart, die niet minder dan drie uren duurde en zoo oneindige afwisseling bood, is ons ontzegd. Thans snort de spoortrein, in ijlende vaart, door het wonderschoone land; en in stede van de kalme en rustige beschouwing komt thans het vliegend verbijsterend visioen van allerlei vluchtige beelden, die elkander verdringen, de verwarrende indruk van contrasten en tegenstellingen, waarvan de geleidelijke overgang en de harmonische schakeering u ten eenemale ontsnappen. Ge ziet juist genoeg, om uit den grond van uw hart den fatalen vuurwagen te verwenschen, die u belet iets goed te zien, van iets een blijvenden indruk in u op te nemen. Zie, ik weet het wel, verwenschingen tegen den “vurigen salamander”, die zoo te recht den toorn heeft opgewekt van dichters en kunstenaars, baten tegenwoordig niets meer; geen enkel schoon idyllisch landschap, geen enkel liefelijk, poëtisch, eenzaam plekje, waar men ongestoord droomen en mijmeren kan, is voor deze gruwelijke ontwijding veilig: voor de eischen van het moderne verkeer moet alles zwichten. Maar toch, telkens als ik, in een spoorwaggon gezeten, een schoon landschap doorvlieg, welt de ergernis mij uit het diepst des harten op en kan ik soms den vloek tegen de noodlottige, domme, gevoellooze machine niet weerhouden. Stoort ze u al niet dadelijk in uw genot, de schrille tegenstelling tusschen de kalme vredige rust der natuur om u heen, en de krankzinnige haast, waarmede gij blindelings, in rechte lijn voortholt, als zat u de dood op de hielen?—En daar is nog iets slimmers, dat de spoorwegen op hun geweten hebben. Is er ergens een schoon plekje, een heerlijk natuurwonder, door den Schepper, die in stilte, zonder haast en zonder drift en zonder rumoer werkt, gewrocht, en bleef dat plekje, dat wonder, tot dusver nog voor het oog der menigte verborgen:—niet zoodra heeft een noodlottig toeval deze verborgen, door weinigen gekende en gewaardeerde schoonheid aan het licht gebracht, of alle windselen en omtuiningen worden weggerukt; de spoortrein snort ratelend door de heilige stilte en voert een stroom van toeristen aan, den vulgairen, onuitstaanbaren stroom van gapers en beuzelaars, die kijken en niet zien, niet verstaan en niet gevoelen. Weg is de stilte, weg de heilige verborgenheid, weg de verheven wijding der kuische schoonheid. Daarin ligt voor mijn gevoel—maar Bladzijde 318ik ben op dat punt, als op vele anderen, schromelijk ouderwetsch;—iets zoo onkiesch, iets zoo onuitsprekelijk ploertigs—vergeef het woord—dat dergelijk bedrijf mij bijna eene misdaad wordt. Zulke tentoonstelling en exploitatie van de schoonheid der natuur, zulk brutaal wegrukken van alle sluiers, zulk blootstellen aan aller blikken, is inderdaad profanatie, waarbij de schoonheid zelve voor drie vierden verloren gaat.—Eene kinderachtige, krankzinnige gedachte, niet waar, sporend toerist der negentiende eeuw?

Het kasteel Modave. (Blz. 318.)
Keeren wij nog even naar Hoei terug, zoo schilderachtig tegen zijn heuvel gelegen, waarvan de rotsige kruin door de citadel wordt gekroond, die zelve uit de rots gehouwen schijnt. Even als te Dinant, leunt ook hier eene kerk tegen den rotswand; van verre gezien, schijnen de kerk en de berg een geheel te vormen. Schayes zegt van de Onze-Lieve-Vrouwekerk van Hoei, dat zij de schoonste is van alle kerken uit de tweede periode der gothiek, die België bezit; bovenal bewondert hij het groote roosvenster, het koor met zijn slanke ramen, en de drie schepen, gescheiden door twee rijen van cylindervormige zuilen met ronde voetstukken en met blad werk versierde kapiteelen. Toch, hoe schoon zij ook moge wezen, maakt zij niet dien majestueusen, hartverheffenden indruk als Onze-Lieve-Vrouwe van Dinant; de eenigszins kinderachtige kleurenpracht aan het gewelf doet evenzeer afbreuk aan de heilige stemming als het vulgair karakter van het moderne meubilair. Om zich geheel in het verleden te verplaatsen en een waarlijk religieusen indruk te ontvangen, moet men de kerk verlaten, en nabij het koor een blik werpen op het kleine portaal der Madonna: een juweel uit de dertiende eeuw, een heerlijk kantwerk in steen. De innige teedere vroomheid dier schoone tijden van vurig geloof en heilige geestdrift geurt u tegen uit dit schoone gebouwtje, bestaande uit eene vierkante poort, waarvan de lijst, met blad werk versierd, aan de beide einden en in het midden gedragen wordt door smaakvol bewerkte zuiltjes, waarop de beelden staan van de Heilige-Maagd, van Sint-Domitiaan en van Sint-Lambert. Het door een prachtig versierden spitsboog omlijste veld boven de deur is in drie vakken verdeeld, die in naïef en zielvol beeldwerk de Geboorte des Heeren, de Aanbidding der herders en de Aanbidding der wijzen te aanschouwen geven. Wanneer, van het trottoir aan de overzijde, ge eensklaps te midden van het gewoel en de beweging der straat, de oogen opheft naar deze beelden en groepen, dan gevoelt ge dat ge hier een edel kunstwerk voor u hebt, waaraan de tijd de laatste hand heeft gelegd. De figuren zijn geschonden, het relief is uitgesleten, het fijne beeldwerk half verteerd: en toch beseft ge dat geene restauratie, hoe kunstig ook, zou kunnen opwegen tegen den langzamen arbeid der eeuwen. Zelfs de kleine winkeltjes en herbergen, die het smaakvolle gebouwtje omvatten, dragen er toe bij om zijne geheimzinnige schoonheid te beter te doen uitkomen. Het is inderdaad te hopen, dat men het kunstwerk in zijn tegenwoordigen toestand late en geene pogingen tot herstelling beproeve, die niet anders dan op mislukking zouden kunnen uitloopen.
Liet de tijd het ons toe, hoe gaarne zouden wij met u omdolen door de omstreken van Hoei, en bij voorbeeld den loop volgen van de Hoyoux, die van Modave afkomt en midden door de stad vloeit. Ten deele, tot aan Barse, geeft de vallei van de Hoyoux, zij het ook op kleiner schaal en in bescheidener afmetingen, het woelig en rumoerig tafreel der moderne industrie te aanschouwen. Maar voorbij Barse hervindt ge den weldadigen vrede der stille natuur. Bij Lunet en Bonne neemt de vroolijke, dartele Hoyoux, die zoo straks molenraderen in beweging bracht, met de kiezelsteentjes in haar bedding speelde en bij de stuwen alleraardigste watervalletjes vormde: daar neemt die dartele, jolige Hoyoux eensklaps het deftige voorkomen aan van eene hoogst fatsoenlijke matrone, die de loszinnige grillen der jeugd sinds lang vergeten heeft. In haar kalmen effen waterspiegel weerkaatsen rosachtig grijze rotsen; langs haar met gras begroeiden zoom wuiven wilgen en populieren hunne takken. Misschien ligt op den bodem dezer plotselinge verandering wel een weinig weemoed: rivieren kunnen het dikwijls slecht verdragen dat men haar vrijheid aan banden legt,—daarin den menschen gelijk, al is het voor menschen en rivieren even dringend noodig;—en te Modave heeft een machtig heer de ongebreidelde Hoyoux gedwongen, voor hem alleen hare schoonheid ten beste te geven achter de omheining van een gesloten park. Daar vloeit zij kabbelend tusschen smaragd fluweelige grasperken, onder de schaduw van treurwilgen, omzoomd door dichte, schaduwrijke lanen, waar geen vreemdeling den voet zet. Toch heeft zij nog iets anders te doen dan den dorst te lesschen der herten en reeën, wier bruin gevlekte huid schittert tusschen het groene hout. Zij weerkaatst in haar kristallen spiegel de stoute, duizelingwekkende vlucht van een tweehonderd voet hooge steile rots, die het voetstuk vormt van een in volle waarheid vorstelijk kasteel. De reusachtige, schier loodrechte rotswand is van boven tot onder behangen met een dichten mantel van klimop; en de vierkante torens van het kasteel maken bijna den indruk als waren zij eene voortzetting van den berg.
Maar al troont het kasteel op eene rots, het heeft daarom toch niets tragisch; zijne hooge ligging alleen geeft het eenige overeenkomst met de arendsnesten, waarin weleer de roofridders der legende huisden. Modave is geen ten oorlog toegeruste burcht; veeleer doet het denken aan een weelderig paleis, bestemd om eene vroolijke hofhouding te herbergen. Toen de fransche bouwmeester Jean Groujon het plan voor deze fiere woning ontwierp, poogde hij alle hulpmiddelen der kunst aan te wenden om een paleis te scheppen, dat in overeenstemming zou zijn met de pracht van het omringende landschap; en een prins van den bloede kon niet beter bediend zijn geworden dan de graaf van Marchin, wiens luim en wiens goud de vorstelijke woning op de rots deden verrijzen.
Tot heden toe heeft het kasteel, door een zeldzaam Bladzijde 319gelukkig toeval en door de piëteit der laatste eigenaars, zijn majestueus, vorstelijk voorkomen behouden. Reeds dadelijk bij het binnentreden treft u de pracht van het voorhuis: de geheele genealogie van de Marchins ontrolt zich, aan de zoldering, in schitterende kleuren voor uw oog: schilden van goud en sabel, van keel en azuur, wisselen af met groote zwevende figuren, van wier stalen helmen wuivende pluimen wapperen.—Dan treedt ge in een met gobelins behangen salon: langs de wanden aanschouwt ge eene gansche reeks van wapenfeiten ter zee en te land, en daarboven, aan de gewelfde zoldering, eene rij van bas-reliefs, voorstellende de werken van Herkules.—Men opent eene deur: ge zijt in de slaapkamer der hertogen van Montmorency. Het ledekant, met zijne gebeeldhouwde witte en vergulde kolommen, staat daar nog in den hoek, en daarbij een paar antieke fauteuils, met heerlijk schoone gebloemde stof bekleed; terwijl boven den schoorsteen het portret prijkt van een kardinaal van Fürstenberg, wiens vriendelijk gelaat schijnt neer te blikken op al deze pracht en weelde, en op dat rustbed, waarop thans geen vorst meer zijne vermoeide ledematen uitstrekt.
Eensklaps valt een breede schitterende lichtstreep op de verwelkte rozen van het tapijt: de bediende, die u rondleidt, heeft de deur geopend van een verrukkelijk kabinetje, waarvan de wanden door den schilder Morel met landschappen en bloemen zijn versierd. De tijd heeft de levendige kleuren dezer schilderijen getemperd; maar daarentegen tooit hij telkens weer met eene eeuwige jeugd den gansch niet verschrikkelijken afgrond, die zich onder het balkon van het venster opent, en die toch diep genoeg is om de hooge boomen beneden te doen inkrimpen tot struiken en de rivier tot een smal lint. Een klein gebouwtje, dat ge aan den voet der geweldige rots bespeurt, heeft eene historische vermaardheid: daar bewaart men nog steeds een werktuig, door den luikschen ingenieur Rennekin-Sualem uitgevonden, en dat bestemd was om de vijvers der terrassen van water te voorzien. De laatste der Marchins verspilde zijne gansche fortuin aan deze kostbare waterwerken, waarvan de roem zelfs tot Versailles was doorgedrongen: Lodewijk XIV ontbood den bekwamen ingenieur, die nu voor den grooten koning de beroemde machine van Marly vervaardigde. Terwijl de machtige monarch den kunstenaar, op wiens wenk het water overal klaterde in fonteinen en bruiste in cascaden, met eer en gunstbewijzen overlaadde, moest Ferdinand de Marchin, maarschalk van Frankrijk, zijn kasteel van Modave overdoen aan den vorst-bisschop van Luik, Hendrik Maximiliaan van Beieren.
Nu begint een aardige geschiedenis: de bisschop verkoopt op zijn beurt de bezitting aan den kardinaal van Fürstenberg, en deze vermeerdert het domein, door van zekeren heer Winand de Ville drie hofsteden en Klein-Modave te koopen. Ongelukkig verzuimde hij de kooppenningen te betalen. Deze kleinigheid ontging hem zelfs zoo geheel, dat hij het kasteel met al hetgeen daartoe behoorde edelmoediglijk ten geschenke gaf aan zijn neef, den prins de la Marck. De schuldvordering was inmiddels overgegaan in handen van den zoon van Winand, den ingenieur Arnold, die de kans schoon zag om een slag te slaan. Hij liet beslag leggen op de drie hofsteden en op Klein-Modave, waarvan de koopsom niet betaald was, en daarbij ook op het kasteel zelf, dat hij in bezit nam als vergoeding voor de verschuldigde rente. Daar troonde hij nu als een groot heer, in die vorstelijke huizinge, waaraan de Marchins zestien jaren lang hadden laten bouwen. Het eenige wat aan dit vorstelijk verblijf ontbrak, was een vorstelijke naam, die er bij passen zou; welnu, de naam werd gevonden, en wel geen mindere dan die van een Montmorency, die het kasteel ten huwelijk nam en de dochter op den koop toe. Na het uitbreken der revolutie in Frankrijk, was Modave gedurende eenigen tijd de residentie van den graaf van Artois, den broeder des konings. Schitterende jachtpartijen, diners, feesten en prachtige recepties, waarop de adel uit den ganschen omtrek verscheen, wisselden elkander af. De koning zelf werd te Modave verwacht, toen eensklaps de noodlottige tijding van de aanhouding der koninklijke familie te Varennes en hare terugvoering naar Parijs, aan alle verwachtingen den bodem insloeg en aan de feesten een einde maakte. De verzamelde edellieden verstrooiden zich; de meesten togen naar Coblentz, en toen België door de revolutionnaire legers werd overweldigd en bij Frankrijk ingelijfd, werd Modave, als het eigendom van een uitgewekene, verbeurd verklaard en verkocht. Een gewezen ontvanger der Montmorency’s, een braaf en nobel man, kocht het goed en gaf het later terug aan den rechtmatigen eigenaar, den oudsten zoon van den hertog Anne de Montmorency. En nu, deze grootsche residentie, waaraan zoo doorluchtige namen, zoo trotsche herinneringen verbonden zijn, die eenmaal vorsten en kardinalen, hertogen en bisschoppen heeft geherbergd,—dit in waarheid koninklijk kasteel is thans het eigendom van burgerlieden. Dit moet hun evenwel tot hun eer worden nagegeven, dat zij tot dusver het verleden van dit paleis hebben geëerbiedigd on getoond genoeg verstand te bezitten om te begrijpen dat het kasteel van Modave eigenlijk altijd nog aan de Murchins en de Montmorency’s behoort.