VI
Reading edition
De reiziger die te Brussel aan het Zuiderstation in den spoortrein is gestapt, ziet, als hij de boschen van Ghlin heeft verlaten, eene door kanalen doorsneden vlakte zich voor zijne oogen ontrollen, en aan den gezichteinder een toren, op eene hoogte gebouwd, benevens de verwarde massa eener zee van daken, zich uitstrekkende naar alle richtingen. Mons! roepen de conducteurs; en na het station te zijn doorgegaan, ziet hij voor zich eene breede straat, die weldra smaller wordt, en dan ombuigende en kronkelend, door vaak mikroskopische trottoirs omzoomd, eindelijk uitloopt op een ruim plein, waarop het stadhuis verrijst. Deze onregelmatige, smalle, slecht geplaveide straat is toch de voornaamste der stad, waar de meeste drukte en levendigheid heerscht. Hier vindt men de fraaiste winkels en magazijnen, wier bontkleurige, opzichtige uitstallingen u herinneren dat ge in eene provinciestad zijt. Op markt- en feestdagen verdringen zich ook in deze straat de scharen van mannen en vrouwen uit de Borinage, de sombere mijnwerkers, voor wie Mons als het ware de hoofdstad is van dat donker schimmenrijk, waarin zij hun leven slijten.
Tweemaal in het jaar vooral stroomen zij, in dichte scharen naar de stad, om daar pret te maken: ter gelegenheid van de jaarmarkt van Sinte-Barbara en bij de kermis van Trinitatis. De jaarmarkt van Sinte-Barbara, die veertien dagen duurt, is nog in den vollen zin des woords een volksfeest, waaraan niet alleen de bevolking der stad, maar ook de buitenlieden volop deel nemen. De kleine burgerij en de dorpelingen wachten nog steeds op die gelegenheid om allerlei inkoopen te doen aan de kramen, die waalsche, vlaamsche en fransche kooplui op de Grand’ Place hebben opgeslagen; en dat niettegenstaande te Mons, als overal, de goedkoope winkels en “schellingsbazars,” naar men zou zeggen, de jaarmarkt overtollig en onmogelijk hebben gemaakt, door zelven eene soort van altijddurende kermis te organiseeren. En toch: telkens verschijnen ze weer, die zwervende kooplui, die nomaden van den handel, die levende relikwiën van een anderen, lang vervlogen tijd; telkens bouwen zij op het plein een klein en schilderachtig stadje van huizen van zeildoek, planken en geschilderd papier, waar vlaggen, bonte uitstallingen, schilderijen in schreeuwende kleuren, brommende opschriften, verlokkende affiches medewerken om de voorbijgangers te lokken, wier gemoed zoo zelden tegen deze bekoringen bestand blijft. Kramen, tenten, spellen vormen eene dichte massa, waartusschen slechts smalle paden zijn open gelaten voor de bezoekers, die elkander daar dag aan dag verdringen.
Ik zal mij niet ophouden met eene beschrijving van deze kermis, die zich alleen daardoor van de vele andere kermissen in het vroolijke Belgenland onderscheidt, dat hier, vooral op de dagen als de extra-treinen de drommen uit de Borinage naar de stad voeren, de dolle uitgelatenheid alle grenzen en perken overschrijdt. Dan levert de kermis, met name tegen den avond, een schouwspel op, waarvan het maar beter is, niet in bijzonderheden te spreken. Het zij genoeg te zeggen, dat geene fatsoenlijke vrouw zich dan op straat kan vertoonen.
Maar Mons heeft meer dan zijn kermissen: het heeft den Doudou; en evenals Doornik, voor haar kinderen, de stad is van de “Choncq Clochiers”, zoo is Bergen—want laat ons nu ook maar den dietschen naam noemen—de stad van den Doudou, die als de verpersoonlijking mag gelden van haar historie, van haar roem en trots.
Tenzij men geloof wil hechten aan de legende van den befaamden draak van Wasmes, die omstreeks 1133, door Gilles de Chin werd gedood, is het zeer wonderbaarlijke gevecht van Sint-George met den Lumeçon wel niet anders dan eene nog altijd voortlevende herinnering aan eene of andere vertooning der confrerie van Sint-George, die gaandeweg van karakter is veranderd en toch aan den geest der traditie getrouw gebleven.—Den avond voor den grooten dag heeft men op de Grand’ Place het terrein afgebakend, waarop de drakendooder zijn heldendaad volvoeren zal. De heilige wordt doorgaans voorgesteld door een of anderen vroolijken onderofficier van het te Bergen in garnizoen liggende paardevolk, die met de geheimen der rijkunst vertrouwd is, en die, het hoofd gedekt met een gevederden helm en de borst omschanst met een kuras, het monster den doodelijken slag moet toebrengen. Maar die overwinning wordt niet zonder moeite en inspanning behaald: telkens en telkens, met de logge beweging van een om zijn as draaienden toren, wendt en keert zich de draak in den circus en tracht de vlugge bewegingen te verijdelen van den dapperen ruiter, die tegelijk aanvallen en zich verdedigen moet.
Verbeeld u een soort van monsterachtige padde met opgezwollen buik en uitloopende in een langen en dunnen staart, met een huid die aan het schubbig pantser van een krokodil herinnert, wiens geweldige kaken en wiens reuzenkracht ook het eigendom waren van den befaamden draak. Ge kunt u daarvan overtuigen, door op het stadhuis zijn kop te gaan zien, die daar als eene relikwie bewaard wordt. Overigens doet niets u minder aan een wild dier denken dan de verwonderlijke kop van het monster, die met zijn groote oogen en zijn afhangende wangen eenigszins naar een menschelijk aangezicht zweemt. Met dien goedhartigen draak zou de worsteling inderdaad gevaar loopen een kinderachtig spiegelgevecht te worden, want zijn omvang en zijne logheid maken hem bijzonder weinig geschikt voor snelle en beslissende bewegingen; maar hij wordt bijgestaan door een paar lummels met pluimmutsen op het hoofd, die zijne traagheid op allerlei wijzen moeten aansporen, hetzij door zijn staart dreigend in de hoogte te tillen, hetzij door hem in vollen ren over het plein te laten hollen, achtervolgd door den schitterenden Sint-George op zijn paard, die tegen altijd nieuwe gevaren schijnt te strijden, telkens bedreigd door Bladzijde 243de lagen en listen van den zoo goedigen en komischen demon.
Die beiden zijn overigens niet de eenige kampioenen in het heldendrama, dat thans voor de oogen van het verrukte publiek wordt opgevoerd, en dat in dien strijd tusschen een door den hemel uitverkoren heilige en een door de hel uitgebraakte hydra, het eeuwige en onverklaarbare dualisme ten tooneele voert, hetwelk de gansche wereld beheerscht en in alle denkbare gestalten en vormen optreedt. Fabelachtige wezens, zoo als de chins-chins—eene soort van centauren, half mensch, half paard, met iets als het achterlijf van een paard, waaronder slingerende, uitgerafelde broekspijpen te voorschijn komen,—hollen, met onbesuisde sprongen, naast den heiligen ridder. En telkens als de held gevaar loopt door den Doudou te worden verrast, snellen zij toe, springende en steigerende, om hun meester te beveiligen en eene afleiding te bezorgen.
Maar evenmin als de groote Sint-George, die door de chins-chins in dien hardnekkigen kamp wordt geholpen en bijgestaan, is ook de helsche draak aan zijne eigene krachten overgelaten; om de kansen gelijk te doen staan, heeft Satan hem eene schaar toegevoegd van zwarte gehoornde helpers, met stokken gewapend waaraan een blaas is vastgemaakt, en op hun rug geteekend met dreigende duivelskoppen. En vermoedelijk oordeelende dat zelfs deze hulpbende van duivels nog onmachtig zou blijken tegenover den ridderlijken heldenmoed in dienst van eene heilige zaak, heeft Satan daaraan nog andere strijders toegevoegd, wier vreeselijk voorkomen wel geschikt zou zijn de chins-chins op de vlucht te jagen, indien dezen niet bezield waren door dien moed, die tegen alle listen des boozen bestand is. Die geduchte kampioenen zijn de “wildemannen”, van het hoofd tot de voeten met bladeren van papier bekleed en met zware knodsen in de hand, die zij onophoudelijk als molentjes in de rondte doen draaien.
Dat de duivelen van het gewicht hunner taak en het ernstige van het oogenblik doordrongen zijn, blijkt uit de zenuwachtige drift, waarmede zij slagen doen regenen op hoofd en schouders van de goede en hulpvaardige chins-chins; terwijl de wildemannen hun geduchte goedendags zwaaien en telkens fraaie, klassieke standen aannemen, ten bewijze dat de goedkeuring en bewondering der omstanders hun niet onverschillig is. Zonder tusschenpoozen woedt de strijd tusschen de hemelsche en de helsche legioenen, en meer dan eenmaal schijnen de eersten op het punt van te bezwijken; de dienaars van Satan, vlug, handig, alom tegenwoordig, zijn onuitputtelijk in telkens nieuwe listen en lagen; maar steeds weten de chins-chins en hun edele patroon, de ridderlijke Sint-George, aan de strikken des vijands te ontkomen.
Eindelijk begint de strijdlust van den Doudou en van zijne helpers merkelijk te verflauwen; naar de beschikking der eeuwige machten, die de overwinning van den rechtvaardige en de nederlaag van den booze willen, raken de krachten der duivelen langzamerhand uitgeput, terwijl die der hemelsche heerscharen verdubbelen naarmate de homerische kamp zijne ontknooping nadert. Vergeefs wendt en draait en keert de draak zich met hoog opgeheven staart in alle richtingen; de strijder Gods zweeft op zijn gevleugeld ros om hem heen en laat hem geen rust: hij moet vallen, om aan den onverbiddelijken eisch der eeuwige gerechtigheid te voldoen. Daar richt de heilige zich op in de stijgbeugels; het druppelend zweet vloeit onder zijn helm langs voorhoofd en wangen; met gevelde lans zoekt hij de kwetsbare plek in het schubbig pantser, waar de doodelijke stoot kan worden toegebracht. Wel is waar, vloeit er geen bloed: om de eenvoudige reden, dat een bovenaardsch, geestelijk wezen als deze Doudou geen bloed heeft; maar om dergelijke kleinigheden bekommert men zich niet. Iedereen is vast overtuigd dat de Doudou metterdaad dood is: en deze overtuiging weegt tegen iedere andere zekerheid op.
Met ingespannen aandacht en onverflauwde belangstelling heeft het publiek de gansche voorstelling gevolgd, beurtelings geslingerd tusschen vreezen en hopen, naarmate de krijgskans gunstiger scheen voor de duivelen of voor de chins-chins; en wanneer nu eindelijk de Doudou aan de voeten van Sint-George ligt neergeveld, klinkt daar uit duizenden monden een triomfkreet, die de lucht doet trillen. De muziekkorpsen, die onophoudelijk met het geroffel van de turksche trom en het schetteren der trompetten, het wapengekletter en de doffe slagen met de blazen hebben geaccompagneerd, verdubbelen nu hunne pogingen en laten een triomfmarsch weerschallen, waarbij hooren en zien vergaat. En als ware dit oorverdoovend rumoer nog niet voldoende, om waardiglijk de nederlaag van den Lumeçon te vieren, schieten de pompiers—op hunne manier ook deel genomen hebben aan den strijd, door peletonsgewijze elkander te chargeeren en op elkaar te schieten—nu allen te zamen hunne geweren af. Dan wordt Sint-George, met de chins-chins, de duivels en de wildemannen, in statigen optocht teruggeleid naar het Kasteel, van waar hij, eenige uren te voren, op even plechtige wijze is uitgegaan.
Als nauwgezet historieschrijver had ik eigenlijk met dien uittocht moeten beginnen, want die is de noodzakelijke inleiding, het voorspel van de zeer vermaarde en onvergelijkelijke klucht, hoewel die oneerbiedige naam kwalijk voegt aan de gedenkwaardige jaarlijksche ontmoeting van Monseigneur Saint-Georges en zijn vijand, den draak van Wasmes. Nauwelijks is de helm van den held zichtbaar, of met luid gejubel begroet de schare den uitverkoren kampioen; dat gejuich vergezelt hem op zijn tocht naar het aangewezen krijt, terwijl de chins-chins door komische sprongen en allerlei bewegingen schijnen te deelen in de glorie van hun heer; en het wanstaltig monster, met moeite in evenwicht gehouden door twee van zijn kornaks, zich in toorn heen en weer schudt en rondslaat met zijn staart, die de saamgedrongen menigte doet terugwijken en hier en daar een neus aanraakt of een hoed ter aarde werpt.—Op zeker oogenblik wordt het schouwspel werkelijk schilderachtig, Bladzijde 244als, door eene dansende en joelende menigte voorafgegaan en gevolgd, de schitterende maskerade de rue des Clercs afdaalt, en voortgolvende langs de steile helling, eene fantastische processie vormt, terwijl de helm en het borstkuras van Sint-George vonken schieten en de bonte kleuren van de zonderling toegetakelde schare schitteren in het zonlicht. Voorop gaan de duivelen, draaiende en dansende en allerlei bokkesprongen makende; dan volgen de chins-chins met manen en vederen en wuivende dekkleeden, springend en steigerend; vlak achter hen waggelt de Doudou, als eene groote boot, wiegelend op de golven dezer menschenzee; hoog boven de hoofden der woelige menigte vertoont zich eindelijk de kloeke figuur van den toekomstigen overwinnaar, trotsch op zijn krijgsros gezeten, met rustige, vroolijke blikken om zich ziende, en in zijne vuist de lans drillende, die den draak vellen zal. Uit aller monden klinkt het oude populaire lied van den Doudou, dat, gevoegd bij de schelle tonen der muziekkorpsen en hoog in de lucht geaccompagneerd door het klokkenspel, dat de beroemde wijs door de ruimte doet schallen, de gansche stad tot de verste wijken met een gerucht van feestvreugde vervult, dat niet verflauwen zal zoolang de strijd duurt.

Ruïnen van Sautour.
Kort voor de vertooning van den Doudou heeft eene andere, zuiver godsdienstige plechtigheid plaats: de processie van Trinitatis, waarbij de eerwaardige en gezegende relikwiën van Sinte-Waltrudis worden rondgevoerd. Gezegend inderdaad, want, naar luid der overlevering, had Mons, in 1349, aan de wonderkracht dezer heilige relikwiën het ophouden te danken eener vreeselijke epidemie, die de stad teisterde. Telken jare houdt de statige processie de herinnering aan dit feit levendig. Dan verschijnt ook de beroemde gouden kar of wagen, waarop de schitterende relikwiënschrijn is geplaatst. In doorzichtige wierookwolken gehuld, nadert hij, de gouden wagen, langzaam en statig, getrokken door twaalf witte paarden, omstuwd, voorafgegaan en gevolgd door banieren en kruisen, door priesters in vol ornaat, door jonge meisjes in witte kleeding, door de schittering van goud en borduursel en purper en edelgesteenten. De wagen zelf gelijkt een hofrijtuig uit de achttiende eeuw; hij heeft de gedaante van een wit verlakt en verguld vaartuig, met bloemslingers versierd en met engelenbeeldjes, die men bijna voor liefdegoodjes zou aanzien. Deze prachtige wagen is echter maar een van de merkwaardigheden der schitterende processie, waarbij de kathedraal al haar schatten ten toon spreidt en de naburige kersspelen hunne rijk versierde Madonna’s zenden, om aan den ommegang deel te nemen. Als de onafzienbare stoet de Grand’ Place betreedt, met zijn tal van geestelijken in schitterend koorgewaad, met zijn prachtige troonhemels, banieren en tabernakels, met zijn oogverblindende pracht van goud, van edelgesteenten, van zijde en fluweel, dan is de aanblik overweldigend en onvergetelijk; dan begrijpt men, dat het Katholicisme nog in vollen nadruk eene macht is, niet enkel in het vlaamsche, maar wel degelijk ook in het waalsche land.

Ruïnen van Montaigle.
Zulke feestdagen zijn echter natuurlijk uitzonderingen: nauwelijks zijn de tonen der muziekkorpsen verstomd en zwijgt het gejuich, of Mons keert weer terug tot den eentonigen sleur van het leven in eene provinciestad. Maar hoe traag en loom de uren en dagen ook verloopen in de ledigheid van het kleinsteedsche leven, toch weten de inwoners van Bergen zich aan den noodlottigen invloed van dergelijke omstandigheden te onttrekken en wakker te blijven. Hierbij komt hun bovenal hunne opgewektheid van geest, hunne levendige fantasie, en hunne onuitputtelijke vroolijkheid te stade. Vooral onder de volksklasse komt deze eigenaardigheid Bladzijde 246sterk uit: bijna iedere buurt heeft haar eigen grappenmaker of grappenmakers, die in de herbergen steeds een kring van bewonderende toehoorders om zich weten te vergaderen, en wier woorden en daden, wier anekdoten en avonturen, van mond tot mond oververteld, de stof leveren voor eindelooze verhalen en levendige gesprekken, vaak genoeg tintelend van echten, joligen, zij het ook soms ruwen humor.
Mons is tegenwoordig eene mooie, aangename stad, die haar wandelingen, haar parken, haar straten en huizen zeer goed onderhoudt; deze laatsten zien er netjes en zindelijk uit, en hebben bijna zonder uitzondering een zuiver modern voorkomen; oude aanzienlijke hotels zijn hier zeer zeldzaam: zij zijn verdwenen, evenals, voor verreweg het meerendeel, de oude aristokratie, die schitterende henegouwsche adel, wier roem van ridderzin en heldenmoed eenmaal wijd en zijd weerklonk, en wier schoone historische namen toch nog altijd een van de gloriën—en voorzeker niet een van de minste—des lands zijn. Maar toch heeft Mons, ondanks zijne herschepping in de laatste tijden, nog de herinnering bewaard aan vroeger tijd, toen de diligence van Brussel naar Parijs in de stille stad van paarden moest verwisselen. Wie zich van dat oude Mons eene voorstelling wil maken, die verlate de moderne buurten, hier volmaakt even eentonig en karakterloos als overal elders, en richte zijne schreden naar de binnenstad, met haar smalle, bochtige, kromme straten, die zich in zoo schilderachtige wanorde dooreenslingeren, tegen een vrij steilen heuvel, waarop het Kasteel troont, omhoog klauteren, en met haar ouderwetsche geveltjes en haar bijna onmogelijk plaveisel van scherpe keien, die eer voor geiten en muilezels geschikt schijnen, een beeld vertoonen van den ouden tijd. Dit Kasteel—of liever die toren van het kasteel, die met de hoofdkerk van Sinte-Waltrudis het hoogste punt van Mons beslaat, is nog een van de weinige oude monumenten, die aan de hand der sloopers ontkomen zijn. Toch is de ouderdom van dit monument maar zeer betrekkelijk: het is niet meer dan twee eeuwen oud, en onder de vele torens, die in het vlaamsche land hun spits ten hemel beuren, is de Belfroot van Bergen ongetwijfeld de jongste. Van het oude eigenlijke kasteel is niets meer over dan een brok muurs van een der voormalige poorten. De toren onderscheidt zich ook door zijn bouwstijl van de andere stedelijke wachttorens: toen hij na een brand herbouwd werd, gaf de bouwmeester Ledoux aan het monument de tegenwoordige gedaante, die eenigszins vreemd afsteekt bij zijne oorspronkelijke bestemming.
Ook het stadhuis heeft zijn vroeger voorkomen in die mate veranderd, dat er eenige inspanning toe gevorderd wordt om zich het gebouw voor te stellen zoo als het was in de vijftiende en zestiende eeuw, toen het geheel paste in de omgeving der middeleeuwsche woningen, die de Grand’ Place omzoomden. Maar zoo het dak en het torentje, en vooral het ergerlijke balkon, dat de oude pui vervangen heeft, slecht passen bij de rijke en smaakvolle ornamentiek van de vijftiende-eeuwsche architektuur, toch is het raadhuis nog een der sieraden van Mons en maakt het eene niet onwaardige figuur naast de vele gemeentelijke paleizen, die de oude stedelijke aristokratie in België voor zich zelve bouwde.
Men verhaalt, dat, toen ten gevolge van onophoudelijke regens, van hongersnood en pest het werk stilstond en de talrijke arbeidersbevolking gebrek leed, de magistraat van Bergen, ten jare 1440, tot den bouw van een nieuw raadhuis besloot, ten einde op die wijze aan de bevolking werk en brood te verschaffen. Is dit verhaal overeenkomstig de waarheid, dan zou het stadhuis tevens een monument zijn van den wijzen en voorzienigen zin der burgervaderen van Bergen.
Evenwel, de grootste schat van Mons is nog niet hier: beklim de hellingen, die naar de kathedraal leiden, en wanneer gij uwe wandeling om het koor met zijne veelhoekige kapellen hebt volbracht, treed dan door den hoofdingang de statige kerk van Sinte-Waltrudis (Sainte-Waudru) binnen. Reeds dikwijls genoeg hebben wij een dier heerlijke kathedralen bezocht, waaraan België zoo rijk is, een dier onovertroffen gewrochten van de verheven middeleeuwsche kunst, die toch altijd weer een zoo machtigen, zoo overweldigenden indruk maken op het gemoed. Waarin schuilt het geheim van die toovermacht, waarmede deze oude kathedralen ons telkens en telkens weer aantrekken en boeien? Zou het niet voor een goed deel hierin zijn, dat zij in al hare deelen een volkomen harmonisch geheel zijn; wel te verstaan, niet zoozeer uit een technisch, een architektonisch oogpunt, maar veel meer, omdat uit het geheele gebouw en uit elk zijner deelen één zelfde geest spreekt, omdat ééne grootsche gedachte, ééne verhevene, teedere, heilige ziel het indrukwekkende monument doordringt; omdat wij, door deze wondervolle kathedralen omdolende, ons als overgeplaatst gevoelen in het leven en denken en gevoelen dier voorgeslachten, wier gansche leven en streven daarom vooral zoo groot en schoon is, omdat het zelf, door ééne heilige inspiratie gedragen, ook één geheel was. En aangezien nu de mensch door niets meer aangetrokken pleegt te worden, dan door hetgeen hij gevoelt te missen, is het alleszins begrijpelijk en natuurlijk, dat deze indrukwekkende, heerlijke, krachtvolle eenheid van het middeleeuwsche leven, waarin niettemin voor de rijkste verscheidenheid plaats was, ons met weemoedig heimwee vervult. In dien geest, in die stemming van eerbiedige, stil weemoedige piëteit, willen wij ook eenige oogenblikken toeven in de ernstige majestueuse, bijna strenge Sainte-Waudru van Mons, waar het gemis eener rijke dekoratie van schilderijen en standbeelden en allerlei andere kunstwerken, waardoor de vlaamsche kerken vaak op museën gelijken, krachtig medewerkt tot dien machtigen indruk van godsdienstige verheffing, van mystieke extase en ontvluchting aan al het aardsche om op te stijgen tot de bronnen van het eeuwige leven der ziel. Ook doet deze soberheid de grootsche lijnen der architektuur, in haar strengen eenvoud, te beter uitkomen, Bladzijde 247en geeft te beter gelegenheid om de eigenlijke gedachte te doorgronden van den kunstenaar, die het edele monument schiep. Wie was die kunstenaar? Ook hier, als bij zoo menig ander monument, moet de vraag onbeantwoord blijven: deze oude kunstenaars bekommerden zich niet in de eerste plaats om hunne eigene reputatie. Langen tijd heeft men de eer der schepping van dit meesterstuk van majesteit en elegantie toegeschreven aan Jean de Thuin en zijn zoon; maar latere onderzoekingen hebben aan het licht gebracht dat Jean de Thuin slechts het werk van zijnen onbekenden voorganger voortzette. Het doet er trouwens weinig toe, of wij al den naam kennen van den grooten kunstenaar, in wiens brein deze edele conceptie ontkiemde en rijpte: hij liet ons zijn werk en daarmede het beste van wat in hem was achter: aan ons om te leeren verstaan wat hij ons door deze schepping zeggen wil, aan ons om te trachten, ons weder zooveel mogelijk te doordringen van dien geest, te voeden met dat ideale geloof, dat hem en duizenden met hem tot het verrichten hunner groote, de eeuwen trotseerende daden, het scheppen hunner in meer dan een zin onsterfelijke werken in staat stelde.