← Table of contents
Vóór vier Eeuwen

HOOFDSTUK XIII.

Reading edition

DE EERSTE REPUBLIEK IN AMERIKA.

De omstandigheid, dat onder de Kolonisten van Noord-Amerika zeer velen waren, die Engeland verlaten hadden om in vrijheid hun’ godsdienst te belijden, heeft in het karakter der Kolonisten eene zeer groote rol gespeeld. Ze hadden waarlijk niet zoo heel veel redenen om een land te beminnen, waar voor hen en hun geloof geene plaats was, en steeds waren ze er op uit om de Regeering van Engeland tegen te streven, wanneer deze hen ook hier het leven bemoeielijkte. Dat ze er prijs op stelden om althans hier God naar de inspraak van hun hart vrijelijk te dienen, is duidelijk, maar even duidelijk is het, dat ze ook prijs stelden op hetgeen ze met zooveel moeite en kosten hadden tot stand gebracht. Veel wilden ze dulden, maar ten opzichte van het geloof en handelszaken waren ze zeer prikkelbaar. Dit bleek helder als de dag in 1642, toen de Engelsche Regeering een algemeen handels-monopolie eischte, waarop de Kolonisten van Virginië eenvoudig antwoordden, dat ze niet genegen waren dat handels-monopolie te erkennen, omdat „vrijheid van handel het bloed en leven is van een’ Staat.” Men ziet uit deze woorden dat de „freetraders”, die heden ten dage nog zoovele pennen in beweging brengen en zoovele hoofden warm maken, niet van vandaag of gisteren zijn.

Met zulk een handelsbeginsel en zulk een Republikeinsch streven kon het den Kolonisten in Noord-Amerika natuurlijk niet welkom zijn, toen in 1664 de verschillende Koloniën meer rechtstreeks onder den invloed der Engelsche Regeering kwamen. Wel toonde deze laatste aanvankelijk het zoo heel kwaad niet te meenen. Zij trachtte door schenkingen en giftbrieven van allerlei aard aan de Koloniën eene soort van staatkundige onafhankelijkheid te verleenen. Aan de eene Kolonie schonk zij dit en aan de andere dat voordeel, en daar vele Koloniën later Staten werden, zoo kwam het, dat er tusschen deze Staten onderling dikwijls tweedracht en twist ontstond. Die twisten wilden de Staten liever onder elkander uitmaken, doch de Engelsche Regeering begreep dit anders, en trad tusschenbeiden door gegeven voorrechten op te heffen, wat natuurlijk van de zijde der Kolonisten tot ontevredenheid aanleiding gaf. Zoo waren de verschillende Koloniën of Staten telkens in botsing met de Regeering, en daar zij zich sterk uitbreidden, kwamen ze ook menigmaal in verzet. Onderwerping was dan meestal het geval, omdat ze te zwak waren om zich tegen Engelands macht te verzetten. Dat men zich slechts noode onderwierp, ligt in den aard der zaak. Om hunne belangen krachtiger te kunnen behartigen, hadden de Kolonisten van Connecticut, Rhode Island, New Hampshire, Vermont en Maine in 1643 een verbond met elkander gesloten, dat den naam kreeg van „Unie der Koloniën van Nieuw-Engeland”. Was het vooral gericht tegen de Nederlanders en Franschen, die zich op hunne kosten wilden uitbreiden, later gebruikte men die Unie toch ook tegenover de onbillijke eischen van Engeland. Na den val van Koning Jacobus II, en de verheffing van Willem van Oranje tot Koning van Groot-Britannië en Ierland in 1688, kon men in de Amerikaansche Koloniën niet veel verbetering in den toestand gewaar worden. Alles bleef bij het oude, ja, het duurde niet lang, of men maakte zich vanwege de Regeering aan handelingen schuldig, welke nieuwe grieven te voorschijn riepen. Handel en nijverheid werden gesteund, ja, maar altijd in het belang van Engeland, nimmer in dat van de Kolonisten.

„Vrijheid van handel is het bloed en leven van een Staat,” hadden de Virginiërs reeds in 1642 gezegd, maar Engeland ging voort met die stelling niet aan te nemen, en beperkte den handel op kleingeestige wijze.

De „Acte van Navigatie”, door Cromwell in het leven geroepen, vooral om den koophandel en de vrachtvaart van Holland te kortwieken, werd ook hier toegepast, want in de verschillende havens mochten geene andere schepen dan Engelsche binnenloopen.

Den handel werkten de Engelsche Regeering en het Koloniaal Bestuur door allerlei hooge belastingen tegen, en het binnenlandsche verkeer kwijnde onder tal van lastige en kleingeestige maatregelen.

Hadden de Kolonisten kleederen, gereedschappen, werktuigen of voorwerpen van huiselijk gebruik noodig, dan mochten ze die uit geen ander land laten komen. In Engeland moesten ze alles koopen en verkoopen.

Dat drukte vooral op den landbouw en de nijverheid, die werktuigen en gereedschappen noodig hadden. De ijzer-industrie mocht, wanneer het ander werk beoogde dan gewoon smidswerk, niet gedreven worden, en schandelijk genoeg maakten de Engelsche ijzer-fabrikanten hiervan gebruik door hun fabrikaat met grove winsten aan de Kolonisten te verkoopen.

Voor het verbouwen van suikerriet was de bodem in vele streken uitnemend geschikt, maar wie dacht er aan om suiker-plantages aan te leggen, waar de Regeering op de suiker-raffinaderijen zulke hooge lasten legde, dat het verbouwen van suikerriet niets anders dan schade opleverde?

Uit alles bleek het duidelijk, dat Engeland de Koloniën alleen beschouwde als zijn’ citroen, dien het met alle recht mochten uitknijpen tot de pitten droog van tusschen de schillen vielen.

Wat Freiligrath van Ierland dichtte, zou met verandering van woorden op de toenmalige Koloniën toegepast kunnen worden:

„De visscher, herder, jager zien Beroofd de landstreek rond; Hier diep moeras, daar weel’gen, maar Nog onontgonnen grond. O, dit gedempt, en dien bebouwd... „Laat af! Gij zult niet!”— Hoe?— Niet aan den Ier hoort de Iersche grond Hij komt den landheer toe.”

en die landheer is dan een Engelschman, waarvan het snijdend scherp heet:

„En dan te Londen of Parijs Er de opbrengst van verspeelt.”

Inmiddels was ook van eene andere zijde de toestand der Kolonisten niet rooskleurig.

Hadden de Spanjaarden, zoo het volgens de overlevering heet, hoog ten Noorden van den Amerikaanschen Archipel een land gevonden, waarvan ze eenparig getuigden: „Aca nada!” dat is: „Hier is niets!” toch had omstreeks 1500 een zekere Italiaan Giovanni Verragani, die in Franschen dienst was, dit land, dat later den naam van „Canada” kreeg, voor Frankrijk in bezit genomen. Frankrijk vond dat goed, doch deed er niets mede, en honderd jaar moest er verloopen eer de eerste Fransche Kolonie zich daar nederzette. Kardinaal De Richelieu was het, die wist door te drijven, dat er zich een handels-genootschap vestigde, hetwelk niet minder dan zestienduizend handwerkslieden en landbouwers derwaarts brengen zou. Deze Fransche Kolonie nu, leverde door landbouw-producten en pelterijen-handel groote voordeelen op, zoodat de Kolonie zich steeds uitbreidde, en ten laatste in aanraking kwam met de Engelsche Kolonisten.

Het was natuurlijk, dat nu de vraag geopperd werd waar de grenzen waren tusschen de Fransche en de Engelsche Koloniën, en dit was maar niet met een paar woorden uit te maken.

Over die grensscheiding ontstond een oorlog tusschen Frankrijk en Engeland, die niet alleen in Europa, maar ook in Amerika gevoerd werd.

Het was voor de Engelsche Kolonisten werkelijk niet alles om goed en bloed in dien strijd te wagen, en toch deden ze het, en wel met zulk een’ goeden uitslag, dat Frankrijk in 1763 Canada aan Engeland afstond, welk Rijk deze veroverde Kolonie als een zelfstandig geheel beschouwde en geheel van de andere Koloniën afscheidde.

De man, die had weten te bewerken, dat de Engelsche Kolonisten zich in dezen oorlog zoo wakker weerden, was William Pitt, de beroemde Staatsman, die echter in de oogen van Koning George III geene genade vinden kon. Te vergeefs was het, dat Pitt zich beijverde om aan de Engelsche Koloniën, ter belooning voor hunne onwaardeerbare diensten in den oorlog tegen Frankrijk, eene eigen Wetgeving en een eigen Bestuur te verleenen. De stijfhoofdige Koning wilde, opgestookt door lieden, die Pitt’s tegenstanders waren, hiervan niets weten. Hij wilde in die Koloniën niets anders zien dan een winstgevend bezit. Ware het daarbij nu nog maar gebleven, wellicht dat men in de Koloniën zou gezwegen hebben. Maar Koning George had nog andere plannen. De oorlog tegen Frankrijk had Engeland een’ schat van geld gekost, en om de rente van de nieuwe staatsschulden te kunnen betalen, besloot hij de belastingen in de Koloniën te verhoogen.

Was het wonder, dat deze Vorstelijke willekeur alle Kolonisten in verzet bracht tegen de Regeering? Toch bleef het verzet lijdelijk, en bepaalde het zich alleen tot gemor. Minder lijdelijk verdroegen ze de verklaring van den Minister, in het Parlement gegeven, dat de Koloniale Staten zich onvoorwaardelijk onderwerpen moesten aan de uitspraken van Kroon en Parlement. In vinnige geschriften en vurige redevoeringen werd dit recht van Kroon en Parlement betwist.

Koning George, die het er inderdaad op scheen toe te leggen om den opstand der Koloniën in het leven te roepen, voerde nu eene zegelwet in, die niemand begeerde, en hij liet ook bekendmaken, dat de Kolonisten verplicht waren aan de Koninklijke troepen huisvesting en verpleging te verschaffen, waar en wanneer de Koning zulks begeerde.

Het was een tijd van gisting in Europa, en de „onschendbare rechten” van den mensch vonden hare predikers in James Otis, John Adams, en vooral in den Franschen wijsgeer Jean Jacques Rousseau.

Met de geschriften en prediking van die mannen bleef men in de Amerikaansche Koloniën niet onbekend. Allerwegen verrezen vereenigingen van „Vrijheidszonen”, die zich ten doel stelden om als Apostelen van de onschendbare rechten van den mensch op te treden. Te midden van dien algemeenen tegenstand verordende de Koning de invoering der zegelwet, doch men moest dit nalaten, omdat de zegels gestempeld moesten worden, en er niemand was, die zich aanbood om de betrekking van stempelaar te aanvaarden.

Met elken dag werd de toestand steeds meer gespannen.

In December 1773 liepen te Boston eenige overmoedige Kolonisten, die zich als Indianen verkleed hadden, een Engelsch schip af. Het was met thee geladen, en de heele lading, die eene waarde had van ruim twee ton, werd in zee geworpen.

Deze handeling was de ouverture van het heele spel.

Boston werd door de Regeering in staat van beleg verklaard, en eenige regimenten werden naar de Kolonie gezonden om de inwoners van Boston te straffen, en de oproerige menigte tot zwijgen te brengen. Een adres aan de Regeering, om het gebeurde niet zoo hoog op te nemen, werd eenvoudig terzijde gelegd. Dit ging den Kolonisten te ver, en in September 1774 kwamen de vertegenwoordigers van twaalf Koloniën of Staten bijeen om den toestand te bespreken en dan onder elkander uit te maken, wat er gedaan moest worden. Het was het eerste Congres der Revolutionnairen.

De besluiten, die genomen waren, konden zeker niet strekken om eene verzoening met het Moederland tot stand te brengen, want ze waren zoo vijandig mogelijk, ja, er werd eenvoudig besloten, dat men, als zelfstandig land in het Koninkrijk, zitting en stem in het Parlement hebben zou, en zoo lang de Regeering weigerde aan dien eisch te voldoen, zoo lang zou men ook alle verkeer met Engeland afbreken.

De teerling was geworpen; de opstand in de Kolonie was uitgebroken.

Men kon in die dagen nog mannen huren, die er het ambacht van soldaat op nahielden, en er waren ook wel enkele Duitsche Vorsten, die hunne soldaten aan een’ vreemden Koning tegen eene billijke vergoeding, die de Vorsten in den zak staken, afstonden.

Koning George wist zoo eenige regimenten van die geoefende vechtersbazen te bekomen en zond ze naar Amerika. In het eerst scheen het, dat de ongeordende troepen „Vrijheidszonen” het op de gehuurde soldaten winnen zouden, doch weldra bleek het, dat orde en tucht onder die „Vrijheidszonen” al te veel ontbraken, zoodat de huurbenden niet zooveel moeite hadden om de overwinning te behalen. De eerste nederlaag van aanbelang leden de opstandelingen bij Bunkershill. Thans was goede raad duur. Wat moest men doen?

In dien dreigenden toestand verscheen een redder in den persoon van den Kwaker, George Washington, die op het tweede Congres, dat de opstandelingen hielden, den tienden Mei 1775, tot Opperbevelhebber over het leger benoemd was geworden. Weinig beroemde mannen zijn er, die zóó de algemeene achting van vriend en vijand genoten hebben, als deze George Washington, eene der beminnelijkste historische figuren uit de achttiende eeuw, de Wilhelm Tell van Amerika. De nederlaag bij Bunkershill had hij niet kunnen beletten, en evenmin kon men hem aansprakelijk stellen voor den noodlottigen winterveldtocht van Montgomery tegen Canada, in November 1775. Zijne heele aandacht was gevestigd op de geduchte toebereidselen, die Engeland maakte om door kracht van wapenen den opstand ineens te onderdrukken. Engeland zond veertigduizend man geoefende troepen, en hiertegen over kon Washington slechts zeventienduizend ongeoefende plaatsen. Washington deed, wat hij kon, maar was aanvankelijk niet gelukkig. Dit belette evenwel niet, dat de opstandelingen minder dan ooit eraan dachten om het hoofd in den schoot te leggen. Integendeel, dertien Staten of Koloniën gingen verder dan ze reeds gegaan waren, en op een nieuw Congres verklaarden ze zich onafhankelijk van Engeland, en namen den naam aan van „Vereenigde Staten van Noord-Amerika.”

Dit gedenkwaardig besluit werd genomen den vierden Juli 1776, en—de eerste Republiek in Amerika was gegrondvest.

Zwaar, ontzaglijk zwaar viel de strijd, maar Washington bezielde alles, zelfs na eene nederlaag, en waar hij in de Koloniën alles deed om de zaak der vrijheid te doen zegevieren, daar was zijn vriend Benjamin Franklin buiten de Koloniën in Europa bezig, om de belangen van de opstandelingen aan het Fransche Hof te bepleiten, en hij deed dit met zulk eene warmte en met zóóveel overleg, dat Koning Lodewijk XVI in 1778 de onafhankelijkheid van de Vereenigde Staten van Noord-Amerika erkende. Spanje volgde met het sluiten van een handelsverdrag met deze Vereenigde Staten, hetwelk vanzelf de erkenning als Mogendheid inhield, het volgende jaar.

Bij deze erkenning van Frankrijk bleef het niet.

Dit mag ons verbazen van een’ Koning van Frankrijk, doch we moeten niet vergeten, dat Koning Lodewijk XVI gedreven werd door den wil van het Fransche volk, dat doortrokken was van Rousseau’s leer over de onschendbare rechten van den mensch. Er heerschte in Frankrijk een zelfde geest van verzet, als in de oproerige Engelsche Koloniën, zoodat Koning Lodewijk genoodzaakt was te doen, wat met zijne beginselen streed.

Den tienden Juli 1780 stapte een Fransch hulpleger van zesduizend man op Rhode Island aan wal, om tegen de Engelschen op te trekken. Generaal Rochambeau, die de Fransche troepen aanvoerde, stelde Washington bovendien nog eene som van zestien millioen livres terhand, welke ten deele door het Fransche volk geschonken, tendeele geleend werden.

Stonden de zaken van Engeland al hopeloos vóór de Franschen hulp zonden, nu zag ieder verstandig mensch terstond in, dat de Koloniën onherroepelijk voor Engeland verloren waren.

Alleen Koning George wilde dat niet zien, en hield met eene hoofdigheid, die het Rijk op millioenen ponden sterling te staan kwam, den strijd nog anderhalf jaar vol, en men ging pas tot onderhandelingen met de opstandelingen over toen een vrijzinnig Ministerie „Rockingham-Shelburne” aan het roer kwam. Den dertigsten November 1782 kwam er een verdrag tot stand, waarbij Engeland voorloopig de onafhankelijkheid van de Vereenigde Staten van Noord-Amerika erkende. Voor goed werd die onafhankelijkheid erkend bij den vrede van Versailles in 1783.

Het was onmogelijk om in een boek van dit bestek waarin zoovele gebeurtenissen moesten opgenomen en geschetst worden, over dezen vrijheidsoorlog breedvoeriger te zijn. Deze oorlog is waard om door ieder uitgebreider gelezen te worden, al ware het alleen om de twee groote en schoone figuren, George Washington en Benjamin Franklin, in hunne volle kracht te leeren kennen.

Geen wonder was het, dat de Vereenigde Staten, nu ze eenmaal, en zelfs door Engeland, erkend waren, de handen ineen sloegen tot het ontwerpen eener Constitutie, en toen volgens de bepalingen dezer Constitutie een President moest gekozen worden, verbaasde niemand zich, dat George Washington de uitverkorene was. Dat men verder de stad, waar de zetel der Regeering gevestigd werd, „Washington” noemde, is verklaarbaar voor iedereen, die gaarne aanneemt, dat dankbaarheid geene vreemdelinge in de Vereenigde Staten is.—

De verschoonbare geest van verzet tegen de Europeesche Souvereinen heerschte evenwel niet uitsluitend in de Engelsche Koloniën van Noord-Amerika. Die geest doorreisde de heele Nieuwe Wereld, en gaandeweg verklaarde, op het voorbeeld der Vereenigde Staten, de eene Spaansche Kolonie na de andere zich onafhankelijk.

De geschiedenis van al die nieuwe Republieken te verhalen is ondoenlijk, en wij willen volstaan met alleen eene opgaaf te doen van de jaren waarin ze ontstonden.

Peru verklaarde zich onafhankelijk en werd eene Republiek in 1824; Chili had zichzelf reeds in 1818 vrijgemaakt en tot Republiek verklaard. Mejico was in 1824 eene Republiek geworden. Wat de andere Republieken betreft, valt dit zeer moeielijk te zeggen, want geene kaart waarop de staatkundige indeeling der landen afgebeeld is, onderging zoovele malen eene verandering, als die van Middel-Amerika.

Van de Republiek Mejico dient evenwel nog wat vermeld.

Keizer Napoleon III, die eenmaal President van de Fransche Republiek was, maar die zich tot Keizer van Frankrijk had weten te verheffen, kon met geene goede oogen eene Republiek aanzien, en trachtte met de verwikkelingen, die voortdurend in Mejico heerschten, zijn voordeel te doen. Zich verbonden hebbende met een deel ontevreden Mejicanen, zond hij, onder Bazaine, een Fransch leger naar het voormalige Azteken-rijk en weldra was een groot deel van dat land veroverd. Nu wist Keizer Napoleon een’ broeder van den Keizer van Oostenrijk te bewegen om, aanvankelijk onder het protectoraat van Frankrijk, Keizer van Mejico te worden. Deze Aartshertog heette Maximiliaan en hij was een innemend, vriendelijk en zachtmoedig man. Als zoodanig was hij reeds ongeschikt om de Mejicaansche Keizerskroon te dragen. Zij werd hem eene smartelijke doornenkroon, en na haar drie jaar gedragen te hebben, kreeg de partij der revolutie de overhand, omdat Frankrijk zijn’ beschermeling zoo goed als aan zijn lot overliet, en de arme Keizer werd den negentienden Juni 1867 gefusilleerd. Na dien tijd is zijne ongelukkige Gemalin, Keizerin Charlotte, eene zuster van Koning Leopold II van België, krankzinnig.

Merkwaardig is het, dat na de ontdekking van de Nieuwe Wereld en den ondergang der oorspronkelijke Monarchale Rijken, in heel Amerika slechts twee Keizerrijken geweest zijn, door Christen-keizers bestuurd. Beiden werden het nog niet eens door vrije keuze, doch door een’ samenloop van omstandigheden.

Het Keizerrijk Mejico onder Maximiliaan hield zich slechts drie jaar stand; vele jaren langer bleef het Keizerrijk Brazilië bestaan.

Nadat de W. I. Compagnie dit land aan Portugal verkocht had, bleef het ook in het bezit van dat Rijk, doch toen Keizer Napoleon I in 1808 het Portugeesche Koningshof tot wijken dwong, verlegde dit den zetel der Portugeesche Regeering van Lissabon naar Rio de Janeiro, de hoofdstad van de Kolonie Brazilië.

De komst van de Vorstelijke familie was voor de Kolonie, die bijna altijd in kwijnenden toestand verkeerd had, van groote beteekenis. Er ontstond een heel nieuw leven, want vele voorname Portugeezen, die in Brazilië bezittingen hadden, maar nimmer, zoo lang ze in Portugal vrij leven konden, er aan gedacht hadden om op die bezittingen te gaan wonen, kwamen nu ook in Brazilië, dat eensklaps van Kolonie in een Koninkrijk Portugal veranderd was, want over het Europeesche Portugal had Koning Johan tijdens de Fransche overheersching natuurlijk niets te zeggen. Toch bleef het land Brazilië heeten, zelfs toen Koning Johan het in 1815 tot een Koninkrijk verhief, dat evenwel afhankelijk zou zijn van het inmiddels herstelde Koninkrijk Portugal. De Brazilianen wilden echter meer, en toen Koning Johan in 1821 naar Lissabon terugkeerde, hield men niet op, of de Kroonprins Dom Pedro moest, als Koning, achterblijven. Koning Johan gaf toe, doch eenmaal weer in Lissabon zijnde, zond hij Dom Pedro bevel om naar Portugal te komen. De Brazilianen echter meldden den Koning, dat men, als dit bevel gehoorzaamd werd, terstond na het vertrek van Dom Pedro, de Republiek zou uitroepen.

Dom Pedro besloot nu te blijven, doch verkeerde in het moeielijke geval van heel dikwijls besluiten te moeten nemen welke lijnrecht indruischten tegen de belangen zijns Vaders. De Cortes-vergadering,—wij zouden zulk eene vergadering „Tweede Kamer” noemen,—ging inmiddels steeds verder, en in 1822 verklaarde zij het Koninkrijk Brazilië onafhankelijk van Portugal onder de regeering van Dom Pedro, die met zijne Gemalin tot Keizer en Keizerin van Brazilië uitgeroepen werd. In 1825 erkende de Koning van Portugal het Keizerrijk Brazilië, doch het geleek er niet naar, dat de Brazilianen nu tevreden waren. In 1831 zag Keizer Dom Pedro zich genoodzaakt afstand van de regeering te doen ten behoeve van zijn’ zoon, die hem onder den naam van Dom Pedro II opvolgde, doch onder voogdijschap, want hij was pas vijf jaar oud. Thans echter is Brazilië ook eene Republiek. Dom Pedro II heeft jaren lang de Braziliaansche Keizerskroon gedragen, en alleen door zijn buitengewoon helder verstand, maar vooral door zijn vriendelijk en innemend karakter, kon hij zich op den troon staande houden. Zijne langdurige regeering was echter een even langdurige strijd van de Monarchale tegen de Republikeinsche beginselen, en het einde was, dat hij in 1889, door een’ opstand, gedwongen werd om afstand van de regeering te doen. Daar zijn eenig kind, de Infante Isabella, gehuwd met Hertog Lodewijk van Orleans, Graaf van Eu, verre van bemind was, zoo dacht hij er niet aan, ten behoeve van haar afstand te doen. Hij verliet, zonder dat iemand hem eenige moeielijkheden in den weg legde, zijn Rijk en vertrok naar Europa, en oogenblikkelijk werd nu in Rio de Janeiro de Braziliaansche Republiek uitgeroepen.

Thans telt heel Amerika van Noord tot Zuid geene enkele Monarchie meer; Amerika is het werelddeel der Republieken.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings