HOOFDSTUK XI.
Reading edition
CORTEZ IN MEJICO.
Met groote schatten aan goud was Don Juan De Gryalva te San-Jago op Cuba teruggekeerd, doch toen hij verslag deed van de landen en volken, die hij ontdekt had, was Velasquez zeer ontevreden, dat De Gryalva de gelegenheid niet waargenomen had om in die landen eene Kolonie aan te leggen, en inplaats van dank voor de schatten, die hij medebracht, ontving hij eene strenge berisping. Dat zijne tochtgenooten vol waren over hetgeen ze gezien hadden en de gewoonte van vele reizigers volgden om waarheid en verdichting met elkander te vermengen, is iets, dat vanzelf spreekt. Men was op Cuba niet uitgesproken over „Nieuw-Spanje”, en van alle kanten ontwaakte een streven om dat land voor de Spaansche Kroon te veroveren. Don Velasquez zag echter wel in, dat hier bedaard en met veel overleg diende gehandeld te worden, wilde men niet alles, wat men nu in de Nieuwe Wereld aan de Spaansche Kroon gebracht had, verloren zien gaan. Het gold hier geene in bezitneming van kuststreken met eene kinderlijk eenvoudige en onbeschaafde bevolking, maar van een groot en beschaafd volk, dat tegenover de Europeesche wapenen eene goed georganiseerde overmacht stellen kon, waartegen diezelfde Europeesche wapenen niet opgewassen waren. Hij, die zich aan het hoofd der onderneming stelde, moest dus iemand zijn, die dapperheid aan beleid, en moed aan list wist te paren. Hij moest iemand zijn in de volle kracht van het leven, gehard tegen alle ongemakken, en tevens gezien en geëerd bij al zijne volgelingen. Wonder genoeg, zichzelven achtte hij niet voor die groote taak berekend, en ten slotte wist hij niemand, die beter aan al de gestelde eischen beantwoordde, dan Hernando Cortez.
Hernando Cortez. (Geb. 1485, overl. 1547.)

Deze Hernando of Ferdinando Cortez werd in 1485 geboren te Medellin in Estramadura, uit een oud en aanzienlijk geslacht. Aanvankelijk studeerde hij aan de beroemde Hoogeschool te Salamanca in de rechten, doch zijn vurige en ridderlijke geest kon in den deftigen tabbaard der Rechtsgeleerden geen behagen vinden; hij haakte naar zwaard en schild. Hij trad derhalve in den krijgsdienst, en na een paar jaren in Spanje zich geoefend te hebben in alles, wat een krijgsman weten moest, vertrok hij naar Hispaniola, om aan Ovando zijne diensten aan te bieden. Op Hispaniola heerschte evenwel rust, en zoo kwam het, dat onze naar krijgsroem dorstende Edelman van 1504 tot 1511 een eerzaam planter was. Toen echter Velasquez naar Cuba overstak om dat eiland te veroveren, sloot Cortez zich bij hem aan, en toonde weldra hoe goed hij hier op zijne plaats was. Met welke onderneming hij belast werd, steeds had hij het geluk te slagen, zoodat Velasquez hem benoemde tot zijn’ Secretaris, want de pen en het zwaard waren hem beide even goed toevertrouwd. Cortez was bovendien, èn door zijn fier voorkomen, èn door zijn vroolijk en geestig karakter, bij allen, niet het minst bij de Donna’s, gezien, en weldra was hij dan ook verloofd met de schoone Catalina, eene bloedverwante van eene vriendin van Velasquez. Cortez was echter als eene bij, die van de eene bloem naar de andere vliegt, en hoe schoon Catalina ook wezen mocht, hij had geene begeerte om haar alleen te behooren. De trouwbelofte werd dus verbroken, en Velasquez nam de partij der beleedigde vriendin op. Hij ontsloeg Cortez als Secretaris en begon hem het leven onaangenaam te maken. Dat was Cortez natuurlijk niet naar den zin, en hij smeedde eene samenzwering tegen het gezag van Velasquez. De samenzwering werd tijdig ontdekt en Cortez terdood veroordeeld. Toen Cortez evenwel geboeid in de gevangenis zat, om na eenige dagen, als een gemeene misdadiger zijn leven aan de galg te eindigen, wist hij te ontvluchten. Hij werd echter spoedig gevat en opnieuw gevangen gezet. Toch wist hij andermaal te ontsnappen, en zijn leven te redden door Velasquez te melden, dat hij bereid was, de schoone Donna Catalina te huwen. Velasquez nam hiermede vrede, en gaf het jonge paar eene uitgestrekte landstreek, als huwelijksgave. Andermaal was de man, die naar krijgsroem dorstte, dus een eerzaam planter, en wel zulk een, die wist hoe men rijk worden kon. Toch zag hij begeerig naar alle kanten uit om als krijgsman op te treden, en toen hij van Nieuw-Spanje hoorde, wist hij een paar zijner vrienden over te halen, hem heel voorzichtig en langs bedekte wegen bij Velasquez aan te bevelen, als de eenige man, die meer dan iemand geschikt was om deze landstreek te veroveren. Meende Velasquez dus dat hijzelf en niemand anders Cortez tot die gewichtige taak riep, dan vergiste hij zich. Zoodra Cortez de opdracht ontvangen had, sloeg hij de handen aan het werk, en wel met zulk een’ ijver, dat het de achterdocht van Velasquez opwekte. Niet alleen offerde hij zijn verbazend groot vermogen, verworven uit de goudmijnen van zijn huwelijksgoed, op, maar hij verpandde zelfs al zijne bezittingen, en kwam daardoor aan het hoofd van eene uitrusting, waarmede hij gemakkelijk geheel Cuba onderwerpen kon aan zijn gezag. Toen de prachtige vloot op de reede van San-Jago gereed lag om, na het innemen van levensvoorraad, uit te zeilen, vernam Cortez, dat Velasquez hem ten slotte verbieden zou om te vertrekken. Dit wilde Cortez voorkomen, en zonder er kennis van te geven liet hij zijne vloot zee kiezen, en wel midden in den nacht. Vooraf echter had hij bij al de slagers den geheelen voorraad van vleesch, dien ze hadden, met geweld afgekocht. De slagers spoedden zich nu naar het paleis van Velasquez en deelden hem mede, wat er gebeurd was. Velasquez liet terstond alarm slaan en rende aan het hoofd der zijnen naar den mond der baai, waaraan San-Jago gelegen is. Toen Cortez hem bij het licht van den aanbrekenden dageraad zag, ging hij in eene welgewapende sloep en liet zich dicht onder den wal roeien om zoogenaamd te vragen, of er wat bijzonders aan de hand was. Velasquez zeide, dat hij het vreemd vond, dat Cortez, zonder van iemand afscheid te nemen, vertrokken was, en dat hij alleen daarom zich hier bevond, waarop Cortez ten antwoord gaf, dat de zaak voortgang eischte, en dat hij derhalve vertrokken was. Hiermede was het onderhoud geëindigd, en spoedig was de vloot, maar half uitgerust, uit het gezicht. Eer Cortez het eiland Cuba voor goed verliet, wist hij evenwel op vele kustplaatsen nog aanzienlijke hoeveelheden levensmiddelen aan boord te nemen, zoodat de driehonderd mannen, die onder zijne bevelen stonden, geen gevaar liepen honger te zullen moeten lijden. Het mag vreemd schijnen, dat ik in een boek, dat uitteraard zeer beknopt moet zijn, tot zulke kleinigheden afdaal, maar het vervolg van Cortez’ geschiedenis zal niemand nu doen vragen, wat toch de reden was, dat Cortez in Velasquez zulk een vijandig tegenstander vond. Eene der laatste plaatsen, die Cortez op Cuba aandeed, was Trinidad, waar Don Verdugo bevel voerde, en deze had door een’ ijlbode van Velasquez in last gekregen om Cortez gevangen te nemen en naar San-Jago te zenden. Verdugo zag evenwel geene kans om dat te doen, en liet den ijlbode naar Havana vertrekken om daar den last van den Stadhouder aan den Gouverneur Don Pedro Barba over te brengen. Cortez wist ook deze te verschalken, en zoo kwam het, dat hij ten slotte Cuba geheel verliet, en aan het hoofd stond van elf schepen met honderdtweeënzestig matrozen bemand. Zijn landingsleger bestond uit vijfhonderd en acht soldaten, waarvan er dertien met musketten en tweeëndertig met armborsten gewapend waren. De overigen hadden zwaarden en lansen. Verder had hij nog veertien kleine kanonnen en zestien paarden, en daar in deze landen het dragen van zware wapenrustingen hinderlijk was, zoo waren allen voorzien van katoenen harnassen met watten gevoerd, sterk genoeg om pijlschoten te weren. Naar het aantal zijner schepen had hij zijn legertje in elf afdeelingen gesplitst, en elke afdeeling kreeg een vaandel met een Kruis, waaronder stond: „In hoc signo vinces”, wat zeggen wil: „In dit teeken zult gij overwinnen.” Hij gaf dus, geheel in den geest van zijn’ tijd, aan zijn’ veroveringstocht het karakter van een’ geloofskrijg, en als een bewijs, dat het hem hiermede ernst was, had hij ook gezorgd twee Geestelijken in zijn gevolg mede te nemen. Als loods had hij een’ zekeren Antonio Alaminos, die reeds driemaal in deze streken geweest was. Op het eiland Cozumel kreeg hij nog een’ Geestelijke aan boord, die acht jaren lang onder de inboorlingen verkeerd had, en niet alleen ingewijd was in de taal van het volk, maar ook in hunne wijze van oorlog voeren. Om zijn leven te behouden, had deze Geestelijke zelfs als krijgsman onder de inboorlingen gediend. Cortez zeilde daarop het geheele schier-eiland Yucatan om, liep de rivier de Tabasco op en nam de stad van dien naam in. De inwoners onderwierpen zich, en beloofden Cortez om aan den Koning van Spanje schatting te zullen betalen. Reeds dadelijk begonnen ze hiermede door goud en slavinnen te leveren. Tot deze slavinnen behoorde eene Prinses, die de bewoners van Tabasco bij een’ oorlog in de binnenlanden gevangengenomen hadden. Zij heette Marina, en was niet alleen jong, maar zóó schoon, dat Cortez, toen hij haar zag, terstond dacht aan Anacaona, wier schoonheid op Hispaniola spreekwoordelijk was. De vereerder van het schoone geslacht gevoelde zich tot haar, die zoo schoon en lieftallig was, buitengewoon aangetrokken, en nog meer wenschte hij haar steeds in zijne nabijheid te hebben toen hij ontdekte, dat ze eene zeer beschaafde en verstandige vrouw was, die de taal der inboorlingen van Nieuw-Spanje sprak, en daarenboven volkomen op de hoogte van de zeden en gewoonten was. Deze Marina was in vele opzichten menigmaal Cortez’ goede geest. Zij nam gaarne het Christendom aan, en daar Cortez wel oppaste om haar te zeggen, dat hij gehuwd was, en dat de Christelijke leer hem verbood eene vrouw buiten wettig huwelijk te hebben, zoo leefde ze met hem als eene gade, die haar echtgenoot grenzenloos liefhad en onbezweken trouw was. Na te Tabasco enkele inboorlingen overgehaald te hebben om zich te laten doopen, trok hij verder en kwam op Witten Donderdag bij een eiland, dat hij den naam van „San-Juan De Ulloa” gaf. Hij wierp hier de ankers uit, en kreeg al aanstonds bezoek van de inwoners der stad, die in de onmiddellijke nabijheid op het vasteland lag. De Geestelijke Aquilar, dien hij op Cozumel aan boord genomen had, kon de menschen niet verstaan, doch thans trad Marina als tolk op. Zij zeide in eene taal, die Aquilar verstond, wat de inboorlingen spraken, en Aquilar vertolkte dat alweer in het Spaansch. Deze gebrekkige manier van zich met het volk te onderhouden was maar van korten duur. De begeerte om te kunnen spreken met hem, dien ze zoo oprecht en innig liefhad, deed Marina in korten tijd de Spaansche taal zoo goed leeren, dat zij haar sprak, alsof ze hare opvoeding in Andalusië ontvangen had.—Uit hetgeen Cortez verteld werd, kwam hij te weten, dat De Gryalva vroeger hier al geweest was, dat het land „Mejico” genoemd en geregeerd werd door een’ Vorst, dien ze een’ titel gaven, welke eenige overeenkomst had met dien van Keizer, en dat hij Montezuma heette. Onbekendheid met het schrift en de taal van dat volk mag wel oorzaak zijn, dat de naam van dezen Vorst zoo verschillend geschreven wordt, en dat we Montezuma, Moctheuzema, Muteczama, Motezuina en Montecuhcuma naast elkander zien staan, als namen voor een’ en denzelfden persoon. Den eenentwintigsten April, juist op Goeden Vrijdag, landde Cortez, en na het hooge feest met de zijnen aan den wal plechtig gevierd te hebben, begon hij terstond met het inrichten van de legerplaats, die een versterkt fort en daarna eene stad moest worden. Daar de stichting er van op Goeden Vrijdag begonnen was, kreeg ze den naam van „Villa Rica de Vera Cruz,” wat „Rijke stad van het Ware Kruis” beteekent. Terwijl men zoo aan het werk was, kwamen twee Kaziken, die aan Montezuma onderworpen waren en Pilpatoe en Teutile heetten, met schatten beladen bij Cortez. Zij boden hem alles, wat ze bij zich hadden, vriendschappelijk ten geschenke aan, doch vroegen hem meteen, wat hij met dat bouwen toch van plan was. Cortez zeide dat hij hier voor den Koning van Spanje eene stad wilde stichten, doch Pilpatoe en Teutile meenden, dat men dit eerst wel eens aan Keizer Montezuma diende te vragen. Zij stuurden daarom boden met brieven naar den Keizer en eenige dagen later kwamen die boden met een Gezantschap terug. Waren de schatten, die de beide Kaziken gebracht hadden, reeds onnoemelijk groot, ze verzonken in het niet bij hetgeen de Gezanten brachten, als een geschenk van den Keizer aan zijne blanke vrienden. Er was evenwel een bevel bij dat ze terstond moesten vertrekken, en deden ze dat niet, dan zouden ze aan de Goden geofferd worden. Dit „aan de Goden geofferd worden” was eene parlementaire uitdrukking voor „opgegeten worden.”
Montezuma, Alleenheerscher van Mejico. (Overl. 30 Juni 1520.)

Eer we verder gaan, dienen we eerst eens in vluchtige trekken den toestand van Mejico te schetsen, zooals die was ten tijde, dat Cortez er landde. Misschien hebben sommige lezers ook reeds vreemd opgekeken, waar ze van „brieven” hoorden spreken en denken ze dat hier eene vergissing plaats greep, of dat er met „brieven” heel wat anders bedoeld werd. Hooren ze nu dat hier wel degelijk sprake is van echte brieven, dan moet de vraag wel rijzen: „Maar welk land was dat Mejico dan toch, dat men er zelfs van brieven sprak?”
Wat Pizarro later in Peru vond, dat vond Cortez in Mejico: een volk met eene hooge en fijne beschaving, die evenwel geheel onafhankelijk van de Europeesche, en in den loop der eeuwen zelfstandig ontstaan was. Ze bewoonden, we zagen dit reeds elders, steenen huizen en droegen prachtig geweven katoenen kleederen, die met kleuren en goud rijk versierd waren. De geschiedenis van het land was beschreven in teekens, die veel overeenkomst hadden met de Egyptische hiëroglyphen, en met deze teekens voerden ze ook onder elkander briefwisseling, zoodat er zelfs een vrij goed ingericht postwezen was. Door het heele rijk heen vond men op bepaalde afstanden huizen, die bewoond werden door ijlboden of hardloopers. De eene hardlooper bracht de brieven bij den anderen, en zoo kwamen ze in handen van hen, aan wie ze gericht waren, en dat wel in een’ onbegrijpelijk korten tijd, want menige hardlooper kon een rennend paard bijhouden. Volgens de weinige historische oorkonden, die onder de Spaansche overheersching niet vernietigd werden, moeten, omstreeks de zevende eeuw van onze jaartelling, beschaafde Indianen, Tolteken geheeten, uit het Noordwesten in deze streken gekomen zijn en daar de stad Tecla gesticht hebben.—De bouwvallen, die men van deze stad, die ook wel Tollan of Toela genoemd wordt, gevonden heeft, bewijzen op welk een’ hoogen trap van beschaving dit volk stond. Later, wellicht in de twaalfde eeuw, kwamen de Azteken, die hunne eigen beschaving aanvulden met die der overgebleven Tolteken en stichtten het machtige rijk, zooals Cortez dat vond. De Vorst van het land, die uit de afstammelingen van de oude, Koninklijke familie gekozen werd door vier der aanzienlijkste Edelen, voerde de heerschappij met bijna onbeperkte macht. Eer hij evenwel als Vorst erkend was, moest hij een’ veldtocht doen en slechts dan, wanneer hij als overwinnaar terugkeerde, werd hij door den Vorst van Tezcuco tot Alleenheerscher gekroond. Die kroon was eene bonte muts of hoofdband, versierd met prachtige vederen en een schat van parelen, edelgesteenten en het fijnste goud. De Vorst bewoonde een verbazend groot en prachtig paleis, dat zich bevond in de hoofdstad van het land, welke stad gelegen was midden in een meer en door de Azteken „Tenochtitlan” genoemd werd. Kunstige dammen en bruggen, welke gemakkelijk konden weggenomen worden om den toegang tot de stad voor vijandelijke stammen af te sluiten, verbonden de residentie met den vasten wal, terwijl tal van sierlijke kano’s het uitgestrekte meer in allerlei richtingen bevoeren. De oevers en de naaste omstreken van het meer waren schilderachtig mooi, en geen ’s-Gravenhage, Utrecht of Arnhem bezit schooner villa’s en buitenplaatsen dan het „Meer van Tenochtitlan” bezat. Eene ongekende welvaart heerschte in het geheele land, waar handel, nijverheid en landbouw bloeiden. In de bewerking der metalen hadden de Azteken eene ongekende hoogte bereikt, en zelfs verstonden ze de kunst om uit een mengsel van koper en tin gereedschappen en wapenen te maken, welke in hardheid voor de stalen niet veel onderdeden. Was de regeering van den Vorst des lands bijna onbeperkt, toch werd ze gevoerd naar geschreven wetten, doch deze werden door hemzelf gemaakt met behulp der aanzienlijkste Edelen, die hij, door hun leengoederen te schenken, aan zijn’ dienst verbond. De Azteken zelven, deden weinig werk, doch ze lieten het verrichten door slaven, en het gevolg hiervan was, dat de slavenhandel in dit rijk op groote schaal gedreven werd. Hun godsdienst was de heidensche en ging gepaard met menschenoffers. Een talrijke Priesterstand zorgde, dat de dienst voor de dertien Hoofdgoden en tweehonderd en tien Ondergoden behoorlijk verricht werd, en wat zeer merkwaardig was, ja, bijna een raadsel mag genoemd worden, de Azteken verbonden aan hun’ godsdienst niet alleen doop, biecht en vasten, maar ze gebruikten zelfs het kruisteeken, en het kloosterleven was er met vaste instellingen aan verbonden. Vanwaar dat alles toch? Ondenkbaar is het aan te nemen, dat men hier met eene toevallige overeenkomst te doen heeft. De Tolteken of Azteken moeten op eene of andere wijze reeds eeuwen vroeger met Christenen in aanraking gekomen zijn, en wanneer we deze Christelijke instellingen voegen bij hunne hiëroglyphen, dan zouden we bijna geneigd zijn om aan te nemen, dat Koptische Christenen de grondvesters zijn geweest van de oude, Mejicaansche beschaving, en onwillekeurig denken we daarbij aan het fabelachtige rijk van den raadselachtigen „Aartspriester Johannes,” van wien we reeds vroeger spraken. Intusschen week de godsdienst toch ook alweer zeer ver van den Christelijken af door de menschenoffers, die vooral aan den Hoofdgod Huitzilopotchli, den God des oorlogs, gebracht werden. Uit de bewaarde oorkonden bleek het, dat men in 1486, bij gelegenheid van de inwijding van een’ nieuwen tempel voor den eeredienst aan den Krijgsgod bestemd, niet minder dan zeventigduizend krijgsgevangenen offerde. Die offers werden ook gegeten, doch wie nu denkt aan een’ Kannibalen-maaltijd, waar het vleesch verslonden wordt, vergist zich. De beschaving had hier koks en keukenmeesters, die het menschenvleesch met allerlei kruiden en vruchtensappen, als een gerecht vol afwisseling, lieten ronddienen op den rijk versierden feestdisch. Het gevolg van deze menschenoffers en afschuwelijke feestmaaltijden was, dat de Azteken een volk waren, dat weinig vatbaar was voor edele aandoeningen.
De schatten, die de Afgezanten van Montezuma bij Cortez brachten, hadden echter eene heel andere uitwerking dan Montezuma gehoopt had. Hij meende dat dit goud en die edelgesteenten de „bleeke zonen van den God der lucht,” zooals hij hen met al de Azteken noemde, zóó blij zou maken, dat ze als kinderen, die wat moois gekregen hadden, terstond naar huis loopen zouden, om daar vol vreugde te laten kijken welke schatten ze hadden ontvangen. Het gezicht van dat goud en die edelgesteenten wekte echter den lust op om de stad en het volk te zien, welke zulke schatten bezaten. Enkelen onder de Spanjaarden waren er evenwel, die al dat schoons en al dien rijkdom ook wel zouden willen zien, doch die zich vrees lieten aanjagen door de bedreiging, dat ze „aan de Goden zouden geofferd”, dus, opgegeten worden. Anderen nog, die het er wel op durfden wagen, vroegen zich af, of ze zich niet blootstelden aan gevangenis of galg, wanneer ze Cortez bleven gehoorzamen. Immers, duidelijk was het gebleken, dat de Gouverneur Velasquez niet wilde hebben, dat Cortez zich aan het hoofd van den veroveringstocht stelde, en zoo zij hem nu bleven gehoorzamen, dan kon Velasquez hen als rebellen beschouwen en als zoodanig behandelen. Cortez zag dat zeer goed in en hij begreep ook wel, dat men hem bij den minsten tegenspoed de gehoorzaamheid ontzeggen zou en dat hij dan het recht niet had om gehoorzaamheid te eischen. Hij was evenwel de man er niet naar om moedeloos het hoofd te laten hangen, en gelukkig voor hem gebeurde er wat, dat hem licht gaf. Terwijl hij nog bezig was met het bouwen van „Vera Cruz” kwam tot hem een Gezantschap van vijf Indianen, die blijkbaar tot een’ anderen stam behoorden dan de Azteken. Ze zeiden dat ze Totonaken waren en in de bergen woonden, doch door Montezuma onderworpen waren en nu schandelijk verdrukt werden, waarom ze Cortez kwamen vragen hen te helpen, waar ze dit dwangjuk wilden afschudden. Verder kwam hij te weten, dat de tegenwoordige Keizer eigenlijk voor een groot deel zijner onderdanen een vreemdeling en bij velen in minachting was. Thans was het voor Cortez zaak, hiervan partij te trekken en hij deed dat op eene wijze, welke den naam van eerlijk niet verdient. Zoodra Montezuma hoorde, dat de Totonaken in Cortez’ legerkamp waren en een verbond met hem gesloten hadden, zond hij eenige Edelen naar Vera Cruz met de boodschap aan de Afgezanten der Totonaken: „Gij hebt zonder mijne voorkennis een verbond met de vreemdelingen gesloten en moet mij nu tot straf twintig van uwe jonge mannen en vrouwen zenden om aan de Goden geofferd te worden.” Reeds wilden de verschrikte Indianen toegeven, toen Cortez de Edelen der Azteken liet boeien en in de gevangenis werpen. Na deze daad konden de Totonaken niet meer terugtreden; ze hadden zich bij Montezuma onmogelijk gemaakt. Des nachts evenwel bevrijdde hij twee der Edelen en liet ze in stilte met vriendelijke groeten aan den Keizer vertrekken. Toen den anderen dag de Totonaken hoorden, dat twee Azteken ontkomen waren, wilden ze de anderen dooden. Cortez sprong evenwel voor hen in de bres en liet ook dezen in vrijheid naar Tenochtitlan vertrekken. Door deze sluwe handelwijze had hij het den Totonaken geheel onmogelijk gemaakt om hem te verlaten, terwijl hij aan den anderen kant Montezuma te vriend hield. In troebel water meende Cortez het best te kunnen visschen. Eindelijk was Vera Cruz in zooverre voltooid dat het, met eene voldoende bezetting, weerstand kon bieden aan een’ aanval, en thans besloot Cortez zijn’ laatsten slag te slaan. Vóór hij zijne plannen nu verder doorzette, moest hij een wettig gezag hebben. Dit zou hij verkrijgen als zijne tochtgenooten zelven hem tot Aanvoerder kozen. Ontstond er dàn verdeeldheid, dan had hij het recht om te zeggen: „Gij zelf hebt mij tot uw’ Bevelhebber gekozen, bijgevolg kan ik van u eischen, dat ge mij gehoorzaamt.” Hij stelde nu een’ Raad over Vera Cruz aan, en den schijn aannemende, dat hij naar Cuba wilde terugkeeren, omdat zijn gezag onwettig was, legde hij zijne waardigheid neder. Nu gebeurde echter, wat hij voorzien had, dat gebeuren zou, en met bijna algemeene stemmen verklaarden de Spanjaarden, dat zij hem tot hun’ Bevelhebber uitriepen en niemand anders begeerden. Zóó door het volk zelf in zijn gezag bevestigd, besloot Cortez naar Tenochtitlan te trekken en daar Montezuma het bezoek te brengen, hetwelk deze beslist geweigerd had te ontvangen. Vooraf echter zond hij twee schepen met eene buitengewoon rijke lading aan goud, edelgesteenten en kostbaarheden rechtstreeks naar Spanje, in de hoop dat Koning Karel hem dan in zijn gezag bevestigen zou. Na dit alles gedaan te hebben, aanvaardde hij, in het volste vertrouwen dat alles hem gelukken zou, den tocht naar de wonderstad, waarvan men hem reeds zooveel verhaald had. Waar hij kon, daar sloot hij met de leenroerige Kaziken een verbond van vriendschap en meteen trachtte hij hen voor het Christendom te winnen. Dit nu deed hij in zijn’ ijver niet altijd met de noodige bezadigdheid, en zelfs zou hij er, door onbekendheid met de taal der Totonaken, eenmaal het leven bij ingeschoten hebben, als men hem niet tijdig gewaarschuwd had. Toch liet Cortez de afgodsbeelden vernietigen en toen de Totonaken zagen, dat de Goden die heiligschennis niet wreekten, gingen velen hunner vrijwillig tot het Christendom over. Op eenmaal echter vernam hij, dat er ook onder de aanhangers van Velasquez eene samenzwering gesmeed was en dat dezen met een der schepen naar Cuba wilden terugkeeren. De Aanvoerders van die samenzwering liet Cortez terdood brengen en de overigen geeselen, en om te voorkomen, dat men op den een’ of anderen dag toch niet met een schip naar Cuba ontvluchten zou, liet hij, na eerst alles, wat van de schepen gehaald kon worden, aan den wal gebracht te hebben, zijne heele vloot vernielen, onder voorwendsel, dat al de schepen zóó door den zeeworm gehavend waren, dat ze niet langer konden gebruikt worden. Lezen we later van onzen Prins Maurits, die op het strand van Nieuwpoort de schepen wegzond, en aan zijn volk de keus gaf om te overwinnen of de zee ledig te drinken, dan zien we hier, dat Salomo’s gezegde: „Er is niets nieuws onder de zon” al weer door Cortez bevestigd werd. Eén, slechts één der kleinste schepen, liet hij ongeschonden, doch toen hij verklaarde, dat dit toch nog te groot was voor de enkele lafaards, die hem niet durfden volgen, was er niet één, die er gebruik van wilde maken om naar Cuba terug te keeren, en vol geestdrift aanvaardde men den avontuurlijken tocht.
Ongetwijfeld was Montezuma een zeer machtig Vorst, maar hoe machtig ook, den vrijstaat Tlascala had hij niet tot onderwerping kunnen brengen. De Tlascalanen waren een moedig en dapper bergvolk, dat Cortez op zijn’ tocht naar de hoofdstad des rijks niet misloopen kon. Hij hoopte evenwel, dat hij met hen ook wel een soort van verbond zou kunnen sluiten, zooals hij met de Totonaken gesloten had, en daar hij op zijn’ moeielijken weg, over bergen en door dalen, van alle Kaziken de vriendelijkste hulp ontvangen had, zoo twijfelde hij er niet aan, of de Tlascalanen zouden zich met hem vereenigen, als ze maar wisten dat de „Zonen van den God der lucht” gekomen waren om hunne erfvijanden, de Azteken, van wie ze overigens in godsdienst, beschaving, zeden en gewoonten niet te onderscheiden waren, te helpen bestrijden. De gesloten verbonden met de Kaziken, die met Montezuma bevriend waren, klopten echter niet met het voorstel, dat Cortez door zijne Afgezanten den Tlascalanen liet doen om de Azteken te bestrijden, en het gevolg was, dat in den Raad der Tlascalanen besloten werd, de vreemdelingen als vijanden te beschouwen. Cortez’ heele leger bedroeg niet meer dan vierhonderd Spaansche voetknechten, vijftien ruiters en dertienhonderd Indiaansche krijgslieden. Verder had hij enkele musketten en zeven kleine kanonnen, doch over deze geringe macht had hij nog niet eens geheel op het slagveld te beschikken, omdat er altijd nog een deel overblijven moest om de bagage te bewaken. Toch trok Cortez moedig voorwaarts en versloeg tot tweemalen, vooral met behulp zijner kanonnen, den overmachtigen vijand. Op eenmaal echter stond hij in eene vlakte tegenover een leger van vijftigduizend Tlascalanen, die blaakten van krijgsmoed en hunkerden om de vreemdelingen aan te vallen. De kans stond hachelijk, want met den moed der wanhoop liepen de dappere verdedigers van hun vaderland tegen het vuur der kanonnen in, en lieten zich bij honderden tegelijk doodschieten. Reeds stond het kleine hoopje Spanjaarden gereed om op de vlucht te slaan, toen Cortez op dat gevaarlijke oogenblik met het zwaard in de vuist, onder het geroep van „Santiago! Santiago!” en gevolgd door de veertien andere ruiters, moedig op den vooruitdringenden vijand toesnelde. Wat de kanonnen niet hadden kunnen doen, dat deden de ruiters. Vol schrik en ontzetting gingen de Tlascalanen nu op de vlucht, achtervolgd door al de Spanjaarden. Verschrikkelijk was de nederlaag, die de Tlascalanen leden en onvoorwaardelijk onderwierpen de overgeblevenen zich thans. Cortez aarzelde geen oogenblik om die onderwerping aan te nemen, en inplaats van zich te wreken, behandelde hij hen vriendschappelijk en prees hun’ weergaloozen moed. Deze handelwijze van Cortez deed hem de trouw en genegenheid van het dappere bergvolk verwerven, en onder het gejuich der menigte werd hij in de hoofdstad van den Vrijstaat ontvangen. Bij de eerste pogingen, die hij aanwendde om zijne nieuwe vrienden tot het Christendom te bekeeren, bemerkte hij echter, dat hij gevaar liep hierdoor hunne genegenheid te verliezen, waarom hij dan ook de zaak der bekeering rusten liet.
Cortez met zijne ruiterij in den slag tegen de Tlascalanen.

Toen nu Montezuma zag, dat het kleine hoopje vreemdelingen een volk overwinnen kon, dat hij niet ten onder had kunnen brengen, hield hij op met Cortez nog langer te verbieden om in de hoofdstad te komen. Hij ging zelfs verder en zond Gezanten om hem uit te noodigen wél te komen, doch dan zijn’ weg te nemen over Cholula. De Tlascalanen, die Montezuma kenden, gaven Cortez den raad om den Keizer niet te vertrouwen en niet over Cholula te gaan, doch hij hoorde er niet naar, en zijn geleide van zesduizend Tlascalanen bevolen hebbende achter te blijven, deed hij zijn’ intocht in Cholula, dat feestelijk versierd was en slechts inwoners scheen te bevatten, die hem met oprecht gemeend gejuich begroetten. De schoone Marina evenwel waakte met Argusoogen voor haar’ beminden vriend, en door zich te houden, alsof ze door de Spanjaarden mishandeld werd, won ze het vertrouwen van de vrouw van een’ Kazike van Cholula en kwam er achter, dat men bij een groot offerfeest de argelooze Spanjaarden overvallen en dooden zou. Zoodra Cortez met dit plan in kennis gesteld was, viel het hem niet moeielijk het in zijn voordeel aan te wenden. Hij bracht zijn volk op de hoogte der zaak en deelde toen op een bezoek, dat eenige voorname ingezetenen hem brachten, zijn voornemen mede om den volgenden dag te vertrekken, en vriendelijk vroeg hij of men wel zoo goed wilde zijn om hem tweeduizend mannen te geven, die zijne bagage naar Tenochtitlan wilden dragen. Omdat dit voorstel zoo geheel in hun plan greep, beloofden ze gaarne om hem die lastdragers te bezorgen, en vol vertrouwen, dat men den volgenden dag vierhonderd vreemdelingen aan den Krijgsgod zou kunnen offeren, gingen de Cholulanen ter ruste.
Nauwelijks was de dag aangebroken of de Kaziken kwamen, zonder eenig kwaad vermoeden, op het ruime plein waarop Cortez zich met de zijnen, gereed om te vertrekken, opgesteld had. De duizenden, die zich voorgenomen hadden om de gehate vreemdelingen aan te vallen, als zij zich op marsch begaven, stonden in dicht opeengepakte hoopen in de nabijheid. Toen trad Cortez vooruit, en de Kaziken aanziende, verweet hij hun het laaghartige plan, dat ze hadden willen volvoeren. De Kaziken stonden verslagen en één hunner riep uit: „Hij is als één van onze Goden; voor hem is niets verborgen.”
Thans vroeg Cortez hun waarom zij zulk een plan gesmeed hadden, en eerlijk bekenden ze, dat Montezuma hun bevolen had zoo te handelen, omdat hij de Spanjaarden liever niet in zijne hoofdstad ontvangen wilde. Cortez nu genoeg wetend, nam een musket en schoot het af. Het was het afgesproken sein, en op hetzelfde oogenblik braakten de kanonnen, in batterij opgesteld, dood en verderf uit te midden der opeengepakte Cholulanen. De musketiers volgden het voorbeeld en daarna vielen al de Spanjaarden op de menigte aan. Het was geen strijd meer; het werd eene algemeene slachting. De achtergebleven Tlascalanen, van alles onderricht, snelden mede toe en in een’ ontzettend korten tijd was Cholula’s val beslist en lagen duizenden bij duizenden gedood op pleinen en straten. Eene week lang bleef Cortez in de uitgemoorde stad om haar te plunderen en trok toen, overladen met schatten, naar Mejico. Telkens kwamen er nu Afgezanten van Montezuma om Cortez te bevelen terug te keeren, doch toen deze hiernaar niet luisterde, verschenen er andere Afgezanten om hem schatten aan te bieden, als hij deze streken verliet. Hoe meer de Spanjaarden de hoofdstad naderden, hoe grooter de voordeelen werden, welke Montezuma hun aanbood, als ze maar niet naar de hoofdstad kwamen. Zelfs de minste trosdrager onder de Spanjaarden begreep, dat alleen vrees de Azteken en hun Keizer zoo deed handelen, en toen Montezuma inzag, dat het gevaar niet te keeren was, besloot hij de Spanjaarden te ontvangen, alsof hij hen tot het houden van een’ triomftocht binnen Tenochtitlan uitgenoodigd had. Het was te laat. De beschaafde Vorst der Azteken mocht slim en geslepen zijn, tegen Cortez was hij niet opgewassen. Den achtsten November 1519 bereikte Cortez met zijne dappere schaar avonturiers eene hoogte bij het Meer van Tenochtitlan. Onbeschrijfelijk was de indruk, dien dit meer met de machtige stad in het midden er van op de Spanjaarden maakte. Het is historisch zeker, dat Tenochtitlan toen meer dan zestigduizend huizen, paleizen en tempels telde. Duizenden inwoners verdrongen zich op de dammen of voeren in kano’s op het meer om de verschrikkelijke mannen met baarden te zien, en onder de Spanjaarden was er op dat oogenblik niet één, die er aan dacht om den man, die hen tot hier gebracht had, ontrouw te worden.
Een schitterende stoet Edelen der Azteken kwam Cortez en de zijnen namens Montezuma begroeten, doch toen de Spanjaarden over eene ophaalbrug de stad binnentraden, sloeg velen de vrees om het hart, dat ze hier in de val liepen. Lang tijd om er over na te denken hadden ze echter niet, want, gezeten in een’ gouden draagstoel, getooid met al de versierselen zijner Keizerlijke waardigheid en omringd door al de Edelen van zijn Hof, op het prachtigst uitgedost, kwam Montezuma hen te gemoet en heette „Malinche,”—met dien naam sprak hij Cortez aan,—en al zijne „Zonen van den God der lucht” welkom in Tenochtitlan. Hij zelf geleidde hen, doch altijd gezeten in zijn’ draagstoel, naar een prachtig paleis, dat aan een groot plein stond, en zoodra ze daar waren wees hij op het paleis, en zeide tot Cortez, die met zijn gevolg van ruiters ook te paard naast den draagstoel reed: „Malinche, zie daar voor u en de uwen eene woning! Eet en drinkt er, verkwikt u en neemt uw vermaak. Ik zal binnen weinige oogenblikken weer bij u terug zijn!”
Montezuma liet zich nu wegdragen, en Cortez betrok het huis. Hij verdeelde de talrijke vertrekken onder de zijnen, doch zorgde dat de kanonnen, steeds geladen en in batterij, voor den ingang van het huis goed bewaakt werden. Schildwachten werden overal uitgezet, en toen dit alles gedaan was, begaf hij zich aan den rijken disch, waarop keur van spijzen en dranken waren.
Nog niet lang was de maaltijd afgeloopen, toen Montezuma binnentrad om zich met „Malinche” te onderhouden. Natuurlijk moest Marina hier als tolk dienst doen, en deze had al heel gauw bemerkt, dat Montezuma maar op een geschikt oogenblik wachtte om al de vreemdelingen met één slag gevangen te nemen, en dan aan Huitzilopotchli te offeren. Cortez zag echter ook zeer goed in, dat al die eerbewijzen, die onderdanigheid en vriendschap slechts gehuicheld waren, en om te maken, dat hij niet in de val liep, had hij zijn plan reeds gemaakt toen Marina hem kwam waarschuwen.
Montezuma, die bij de komst der Spanjaarden ongeveer veertig jaar oud schijnt geweest te zijn, had eene rijzige gestalte en een innemend gelaat vol Vorstelijke waardigheid, doch het wellustig leven, dat hij leidde, had maar al te duidelijk zijn stempel op hem afgedrukt.—
Om duidelijk te maken welk eene machtige en schoone stad Tenochtitlan was, willen wij er even eene kleine wandeling in afleggen. Wij zullen dan nog beter begrijpen welk een merkwaardig land dit Mejico was. We beginnen bij het paleis van Montezuma. Zijn hoofdpaleis had twintig poorten of deuren, en drie voorhoven. Op een’ dezer voorhoven bevond zich eene fontein, die het zuivere water door zeer doelmatige leidingen in al de kamers van het paleis bracht. Het paleis bestond uit verschillende afdeelingen, en elke afdeeling bevatte meer dan honderd kamers, die bijna allen van badtoestellen voorzien waren. De muren waren van marmer, jaspis, porfier en bonte steenen gebouwd. Het timmerwerk was van zeer licht hout, doch stevig in elkander gezet, terwijl de daken en schoorbalken, zoowel als de zolders, van uitnemend en zwaar timmerhout gemaakt waren. Waar dit maar mogelijk was, had men het hout gebeeldhouwd of was het kunstig gesneden. De wanden waren beschilderd, en op de vloeren lagen zware tapijten, die meest gemaakt waren van konijnenhaar. In alle kamers stonden metalen,—meestal gouden,—vuurpannen met reukwerken te branden en de wanden waren versierd met prachtige vogelvederen, zeer bevallig en kunstig gerangschikt. Tafellakens, servetten en handdoeken waren van geweven katoen en hagelwit. Een zeer groot gedeelte van het paleis was ingenomen door het serail, want de Vorst had op zijn minst duizend vrouwen. Verder waren er aan de hofhouding een groot aantal narren, dwergen, mismaakten, kunstenmakers, dansers, muzikanten en andere lieden verbonden, wier taak het was om het leven van den Monarch op te vroolijken. Zijne gebeden verrichtte de Vorst des nachts in eene kapel, die in de nabijheid van zijn slaapvertrek was. Deze kapel was honderdvijftig voet lang en vijftig breed, en de wanden van onder tot boven beladen met goud, edelgesteenten en parelen. Behalve dit paleis in de stad had Montezuma nog verscheidene landhuizen in de prachtige omstreken van het Meer van Tenochtitlan. Het weelderige en wellustige leven, dat de Keizer leidde, werd door alle Hofgrooten nagevolgd, en ieder deed dit naarmate van zijn vermogen, zoodat het oude Capua, waar Hannibal overwinterde, en door de wellustige levenswijze der Capuanen zijn leger geheel liet verderven, nog niet in de schaduw van Tenochtitlan staan kon. De verfijnde zedeloosheid, verbonden aan eene dierlijke wreedheid, een grof bijgeloof en eene zucht om te schitteren, had er haar toppunt bereikt. Daar de stad midden in het meer gebouwd was, waren de beste wegen de waterwegen, en wedijverden de Aanzienlijken alweer onder elkander om de prachtigste kano’s te hebben. Langs die waterwegen liepen evenwel ook straten, die geplaveid waren met eene soort van harde klei. Zoowel die straten als grachten werden buitengewoon zindelijk gehouden, en van vuil of afval in het water of op straat werpen was geene sprake; het was ten strengste verboden. Het water uit het meer werd niet gebruikt om te drinken, want het was brak. Het drinkwater kwam door zeer doelmatige leidingen uit de naburige bergen, en op de markten en pleinen vond men voor den minderen man, die vaak met zes of zeven gezinnen één huis bewoonde, openbare fonteinen. Op die groote en ruime pleinen werden geregeld markten gehouden, want winkelhuizen waren er onbekend. Al wat men noodig had aan eten, drinken, kleederen, opschik, gereedschap, bloemen, vederen of huiselijke godsdienstplechtigheden, werd op die markten verkocht, en steeds onder streng toezicht der Overheid. Naar het verbazend aantal Hoofd- en Ondergoden, dat de Azteken vereerden, was ook het aantal tempels. Een dezer was de Hoofdtempel en heette „Teucalli”, dat zooveel beduidt als „Godshuis”. Het was een vierkant steenen gebouw van verbazende grootte. Een oud schrijver zegt: „Van hoek tot hoek had men een’ afstand van een roerschot ver.” Een roer was een musket, doch die oude musketten droegen niet veel verder dan honderd Meters. Het geheel geleek op eene afgeknotte vierzijdige pyramide, die op twee hoeken zware en vrij hooge torens droeg. Met trappen, aan den buitenkant aangebracht, beklom men het platte dak en kwam men ook in de torens, die eveneens tot godsdienstige doeleinden dienden.
Tenochtitlan of Oud-Mejico, residentie van Montezuma.

Was het wonder, dat de Spanjaarden in zulk eene stad bijna de oogen uit het hoofd keken? Ook Cortez deed dat, maar hij zorgde er voor, zich niet te laten verblinden, en weldra kwam hij er achter, dat het doel van Montezuma en de Azteken was om hem en de zijnen in een’ zorgeloozen roes van wellust en weelderigheid te brengen. Cortez hield zich evenwel, alsof hij het niet zag, en het mag ter eere van de meeste Spanjaarden gezegd worden, dat zij van zulk een leven walgden. De matigheid van Cortez in het gebruik van spijs en drank, en de zucht om het lichaam te harden, had een’ gunstigen invloed op zijn volk. Met afgrijzen zagen ze ook de bloedige offerfeesten aan de Afgoden aan, en het werk der bekeering werd met kracht begonnen, doch zonder veel baat. De godsdienst der Azteken had zich veel te veel vereenzelvigd met het heele maatschappelijke leven om hem dadelijk door het Evangelie te vervangen, dat terstond ook eene omkeering in het dagelijksche doen en laten zou brengen. Toen nu Cortez zag, dat hij niet vorderde met het invoeren van het Christendom, en dat er ook geene sprake was van eenige onderwerping aan den Koning van Spanje, begreep hij niet langer te moeten dralen. Er was meer, dat hem tot handelen dwong. De bezetting van Vera-Cruz was door de Azteken aangevallen, en hoewel de Spanjaarden de overwinning behaald hadden, hadden ze toch één’ man in den strijd verloren. De Azteken hadden dezen Spanjaard onthoofd, en het hoofd naar Montezuma gezonden. Het bijgeloof, dat de „Zonen van den God der lucht” onsterfelijk waren, hield dus op te bestaan, en juist dit bijgeloof was Cortez’ grootste kracht. Hij nam nu met overleg en goedvinden van zijne Onderbevelhebbers Montezuma, toen deze in het paleis van de Spanjaarden op bezoek was, gevangen, en hield hem in zijne onmiddellijke nabijheid. Alle besluiten, die Montezuma nam, en alle bevelen, die hij uitvaardigde, kwamen nu ter kennis van Cortez, die weigerde ze uit te voeren wanneer ze tegen zijn’ zin waren. Aanvankelijk verzette Montezuma zich wel, doch toen de aangeklaagde Stadhouder van Vera-Cruz, die den Spanjaard had laten onthoofden, met zijne onderhoorigen voor Montezuma verscheen, gaf deze hen aan Cortez over om er recht over te spreken. Het was een kort recht, dat gehouden werd, en het vonnis luidde, dat de Gouverneur en de zijnen levend verbrand zouden worden. In de hoop van hun leven te redden, zeiden de veroordeelden nu, dat ze op bevel van den Keizer gehandeld hadden, waarop Cortez den Keizer, die alles ontkende, als verrader in ketenen liet leggen. Het vreeselijke vonnis werd voor het paleis voltrokken, en pas toen de laatste rookwalmen van de brandstapels verdwenen waren, liet Cortez hem de ketenen afnemen. De verwijfde Vorst, die alle ziels- en geestkracht miste, schikte zich nu in alles, wat Cortez wilde, zoodat deze feitelijk het heele rijk regeerde. Montezuma nam den Christelijken godsdienst aan, en erkende Koning Karel als zijn Opperheer, ja, hij ging in zijne lafhartigheid zelfs zóó ver, dat hij zijn volk liet weten, dat hij geheel vrijwillig zich te midden van zijne vrienden, de Spanjaarden, bevond, en meteen gaf hij bevel om een’ der prachtigste tempels van Tenochtitlan aan de vreemdelingen af te staan, opdat dezen daarin hunne godsdienst-plechtigheden zouden kunnen verrichten. Een storm van verontwaardiging stak thans onder de Priesters en het volk op, en de toestand werd zóó dreigend, dat zelfs Montezuma alweer moed begon te krijgen, en Cortez beval om niet alleen de stad Tenochtitlan, maar het heele rijk te verlaten. Om tijd te winnen, zeide Cortez, dat hij dit doen zou, maar dat hij dan eerst schepen moest laten bouwen. Waren deze klaar, dan zou hij vertrekken, maar tegelijk Montezuma als gijzelaar medenemen. Zoodra de Keizer dit hoorde, begon hij alweer heel anders te spreken en was Cortez in alles ter wille. Het scheen dus dat het groote rijk der Azteken al op eene heel gemakkelijke en onbloedige wijze aan de Spaansche Kroon zou komen, doch Cortez had buiten den waard gerekend, en deze waard was zijn onverzoenlijke vijand Velasquez, die, jaloersch op de welgeslaagde onderneming van zijn’ tegenstander, eene vloot van achttien schepen, onder bevel van Don Panfilo De Narvaëz naar Vera-Cruz zond. Aan boord der schepen bevonden zich negenhonderd uitstekend gewapende soldaten, negentien ruiters en twaalf kanonnen met een’ grooten voorraad van kruit en lood. Zoodra Cortez de landing van dit leger vernam, liet hij Don Pedro de Alvarado met honderdvijftig man ter bewaking van Montezuma in Tenochtitlan achter, en met slechts tweehonderdvijftig man trok hij met geforceerde marschen naar Vera-Cruz, overviel Narvaëz, die geen kwaad vermoedde, en versloeg hem. De verwarring was zóó groot, dat er slechts weinigen sneuvelden, en allen gevangengenomen werden. Door list en toegevendheid wist Cortez het nu zoo ver te brengen, dat bijna geheel het leger van Don Narvaëz hem met alles, wat het bij zich had, toeviel, en thans bezat onze stoute avonturier eene macht, waarmede hij naar zijne meening, heel gemakkelijk, desnoods met geweld, het gansche rijk van Montezuma onderwerpen kon. Pas echter was hij bezig met zijn leger te ordenen, toen hij de tijding kreeg, dat er te Tenochtitlan eene gevaarlijke opstand uitgebroken was. Aanvankelijk had De Alvarado, op raad van Cortez, de Azteken met veel toegevendheid behandeld, en stond hij zelfs toe dat de Opperhoofden in den tempel van den Krijgsgod feest mochten vieren, indien men er maar geen menschenoffers bracht, en de Hoofden ongewapend verschenen. Wel zeshonderd Edelen zonder wapenen, doch beladen met goud en juweelen, waren in den tempel, toen De Alvarado van de Tlascalanen vernam, dat er onder die bijeenkomst der feestelingen heel wat anders school dan feestvreugde, en dat het plan er gesmeed werd om de Spanjaarden aan te vallen en Montezuma te bevrijden. Zonder onderzoek te doen naar de waarheid van dit beweren, greep De Alvarado de ongewapenden aan, en richtte met de zijnen een vreeselijk bloedbad aan, waarna de goudgierige Spanjaarden zich op de lijken wierpen om ze te plunderen. Had De Alvarado gedacht met deze handeling de Azteken door vrees te verpletteren, er gebeurde heel wat anders. De geheele stad kwam in opstand en begon het paleis der Spanjaarden te belegeren. De vreeselijke kanonnen mochten er honderden dooden, het hielp niet; voor honderd gevallenen kwamen dubbel zooveel wanhopige strijders in de plaats. Eindelijk verscheen Cortez in de nabijheid van Tenochtitlan, en Montezuma, die vol verlangen zijne terugkomst verbeid had, zond hem Gezanten tegemoet. Cortez evenwel, vernomen hebbende, dat Montezuma niet alleen in stilte met zijn volk onderhandelde, maar zelfs met Narvaëz in betrekking stond, beleedigde de Gezanten, en schold den Keizer uit voor „hond van een’ Koning”. Hoogstwaarschijnlijk was er nu van verraad van Montezuma geene sprake, en dezelfde man, die tot lafhartigheid toe zich aan Cortez onderworpen had, was thans, door de beleediging hem aangedaan, diep verontwaardigd en gegriefd, en wat Cortez, wien aan de genegenheid en onderwerping van den Keizer bijna alles gelegen was om de oude verhouding te herstellen, ook deed, het gelukte hem slechts maar tendeele.
Keizer Montezuma door pijlen en steenen zwaar gewond.

Intusschen werd de toestand der belegerden met ieder oogenblik dreigender, en thans verlangde Cortez, dat Montezuma als bemiddelaar optreden zou, doch deze weigerde dit te doen. Eindelijk echter liet hij zich overhalen; hij kleedde zich, en met al de waardigheden van zijn’ rang versierd, beklom hij den toren boven het paleis der Spanjaarden, en vertoonde zich aan het volk. Dadelijk heerschte onder den hoop, die bijna schouder aan schouder voor het paleis op het plein stond, eene sombere stilte, doch toen Montezuma begon te zeggen, dat hij verlangde dat al zijne onderdanen de wapenen zouden neerleggen, en dat hij een vriend van de Spanjaarden was, steeg er een woest geschreeuw op; pijlen snorden door de lucht, en groote steenen vielen in de richting van het torenplat. Getroffen door steenen en pijlen werd de arme Keizer door de Spanjaarden weggedragen en zorgvuldig verbonden. Cortez wilde hem in het leven behouden, doch in een onbewaakt oogenblik rukte Montezuma de verbanden van de wonden, die nu onherstelbaar waren, en den dertigsten Juni 1520 overleed hij.
Grooter ramp had Cortez op dat oogenblik niet kunnen treffen, en er zat voor hem nu niets anders op dan de stad te verlaten. Dat moest evenwel in alle stilte geschieden. In den nacht tusschen den eersten en tweeden Juli maakte Cortez zich voor den aftocht gereed. De Keizerlijke versierselen en kroon-juweelen, die een’ onnoemlijken schat vertegenwoordigden, liet hij op een paard laden, doch zijn volk verzocht hij zoo weinig goud mogelijk mede te nemen, omdat dit hun op den tocht last veroorzaken kon. Zijne oude soldaten gehoorzaamden hem, doch de soldaten van Narvaëz, die gedroomd hadden van schatten te zullen verzamelen, en die inplaats daarvan wanhopig hadden moeten strijden, luisterden er niet naar, en staken alle zakken vol met goud, juweelen en parelen.
Eindelijk toen de heele stad in duisternis gehuld was, verliet Cortez met de zijnen en met de Tlascalanen zoo stil mogelijk het paleis. Reeds waren ze op een’ der laatste dammen gekomen, en meenden ze in veiligheid te zijn, toen de Aztekische schildwachten den aftocht gewaar werden en alarm maakten. Oogenblikkelijk was de heele stad in beweging. De Priesters hitsten van de daken der tempels het volk tot wraakneming aan. Het meer zag zwart van kano’s, tot zinkens geladen met woeste krijgers.
„Voorwaarts! Voorwaarts!” klonken de bevelen van Cortez en zijne Bevelhebbers.
Maar de orde werd verstoord, want zij, die achteraan kwamen, en dus het meest te lijden hadden van de steenen en de pijlen der Azteken, begonnen te duwen, te dringen en te schreeuwen. Ten deele waren de bruggen, die de dammen met elkander verbonden, weggenomen of afgebroken, en zij, die nu bij zulk eene afgebroken brug kwamen, werden door de opdringende menigte onbarmhartig in het meer geduwd. Er ontstond eene ontzettende verwarring en naar bevelen werd niet meer geluisterd; ieder trachtte zich te redden, zoo goed hij kon. De soldaten van Narvaëz echter, die zich zoo zwaar met goud beladen hadden, werden door het gewicht van hun’ roof verhinderd te zwemmen en moesten verdrinken of werden levend gevangengenomen om als krijgsbuit aan den Oorlogsgod geofferd te worden.
Cortez in den „Nacht der treurigheid” op een’ dam van Tenochtitlan.

Cortez verrichtte wonderen van dapperheid en wendde bijna bovenmenschelijke pogingen aan om de orde te herstellen. Het was echter alles vergeefsch, en pas tegen het aanbreken van den morgen bereikte hij met het overschot van zijn legertje den oever. Het was een treurig overschot, want meer dan de helft zijner soldaten had in het meer een’ akeligen dood gevonden of wachtte in de gevangenis het verschrikkelijke oogenblik af om aan den Krijgsgod geofferd te worden.
„Noche triste!” riep Cortez met tranen in de oogen uit, en thans noemt men nog altijd in Mejico iets, dat vreeselijk treurig is een „Noche triste” of „Nacht der treurigheid.”
Al zijn geschut was verloren gegaan, en slechts enkele paarden waren overgebleven. De heele ruiterij bestond maar uit drieëntwintig man. De musketten waren weggeworpen; kruit en kogels lagen bij de kanonnen op den bodem van het meer.
Hadden de Azteken, inplaats van in dolle vreugde het offerfeest te vieren, zich terstond op Cortez’ bende geworpen, de Spanjaarden zouden dan onherroepelijk verloren zijn geweest. Nu echter hadden Cortez en de zijnen tijd om wat uit te rusten, en zich voor den tocht naar Vera-Cruz gereed te maken. Eer ze evenwel nog halverwegen waren, ontmoetten ze een ontzettend groot leger van Azteken, te wapen geroepen door Cuitlahuac, den broeder en opvolger van Montezuma.
„Overwinnen of sterven, broeders,” sprak Cortez tot de zijnen, en allen beaamden het ten volle, en geloofden dat het „sterven” zijn zou, want zonder kanonnen of musketten konden ze zulk eene verpletterende overmacht niet keeren. Dat „zich overgeven” hetzelfde was, als „aan de Goden geofferd worden,” ieder wist dat, en zoo ving men den ongelijken kamp aan, vast besloten zijn leven zoo duur mogelijk te verkoopen. De aanval werd zelfs door de Spanjaarden en trouwe Tlascalanen gedaan, doch reeds scheen voor Cortez alles verloren te zijn, toen hij den Aanvoerder van het vijandelijke leger in het oog kreeg, die met opgeheven banier den slag bestuurde. Het was eene wanhopige poging, maar het eenige middel tot behoud.
„Santiago! Santiago! Volgt mij!” riep hij, en vergezeld door enkele ruiters rende hij op den Aztekischen Bevelhebber toe, ontrukte hem de banier en doodde hem.
De heilige krijgsbanier in handen van den vreeselijken „Malinche!” Ontzetting greep de Azteken aan, en zij die op het punt stonden om alle Spanjaarden te dooden, sloegen nu op de vlucht, achtervolgd door Spanjaarden en Tlascalanen, die de moordbijl zwaaiden tot vermoeidheid hen dwong ze neer te leggen. Deze schitterende overwinning behaalde Cortez den achtsten Juli 1520 bij Otumba.
Zwaar gekwetst kwam Cortez in de hoofdstad van zijne getrouwe Tlascalanen aan, en verscheidene dagen lag hij daar tusschen leven en dood. Zijn sterk gestel echter zegevierde; hij herstelde. En wat hij in het ijlen der wondkoorts uitgeroepen had: „Ik zàl Mejico onderwerpen!” dat begon hij nu, waar hij weer de oude, veerkrachtige man was, terstond te beproeven. Na den verschrikkelijken slag bij Otumba schenen de Azteken met verlamming geslagen te zijn, want dat dit kleine hoopje Spanjaarden op honderdduizenden de overwinning behalen kon, dat moest iets goddelijks zijn; het kon niet anders. De eene stad na de andere werd dan ook door Cortez ingenomen, en toen Velasquez, niet wetende, dat Narvaëz in boeien lag, andermaal versterkingen zond, lieten de nieuw aangekomen benden, toen ze vernamen hoe de zaken stonden, zich gemakkelijk overhalen om onder Cortez’ vanen dienst te nemen. Bij de eerstvolgende wapenschouwing, die gehouden werd, bleek dat het leger bestond uit zeshonderd voetknechten, gewapend met hellebaarden, lansen en zwaarden, tachtig musketiers, veertig ruiters en ongeveer tweehonderd duizend Tlascalanen en andere Indianen. Verder had hij nu alweer twaalf kanonnen en een’ voldoenden voorraad van kruit, lood en levensbehoeften. Wat belette hem thans om den dood te wreken van hen, die in den „Noche triste” gevallen waren? De vrees en schrik zaten er bij de Azteken in, en Cortez meende, dat hij veilig kon overgaan om Tenochtitlan in te nemen en te plunderen. Was de hoofdstad gevallen, dan zouden daarbij duizenden en duizenden Azteken omgekomen zijn en de verdere verovering van het land zou niet veel moeielijkheden baren.
Thans hield Cortez in dien geest eene toespraak tot het leger en de Spaansche soldaten waren terstond bereid om met hem op te trekken, en toen Marina de toespraak ook vertaald had voor de Tlascalanen en andere bondgenooten, toonden ook dezen zich bereidwillig om den „Malinche” te volgen. Wilde hij echter met hoop op een’ goeden uitslag het beleg van Tenochtitlan ondernemen, dan had hij schepen noodig, welke in den omtrek van het meer zouden gebouwd worden. Gedurende den tijd, dat men aan die schepen werkte, werden er benden uitgezonden, die de steden, daar in den omtrek gelegen, innamen en plunderden. Bijna nergens werd tegenweer geboden. Eindelijk waren de schepen klaar en Cortez liet ze door de Tlascalanen naar het meer dragen en te water brengen, en toen men dit gedaan had, kreeg Narvaëz, ditmaal uit Hispaniola, eene versterking van tweehonderd man, tachtig paarden en een groot aantal kanonnen. Wat voor Narvaëz gekomen was, nam Cortez, en de mannen waren met dien ruil van Bevelhebber zeer tevreden.
Te midden van al deze bedrijven was het inmiddels al Juli van het jaar 1521 geworden. Het volk werd ongeduldig en wilde, nu men eene voldoende macht bijeen had, ook maar aanstonds de verovering van Tenochtitlan beginnen, doch Cortez, die zijn’ vijand maar al te goed kende, en wist hoe alleen voorzichtigheid en beleid hier zegevieren konden, maande tot geduld en kalmte aan. De broeder van Montezuma was, na zijne korte regeering, gestorven, en door zekeren Guatemozin, een verklaard vijand van de Spanjaarden en een geducht krijgsman, opgevolgd. Hiermede diende rekening gehouden te worden, want de Keizer zoowel als zijne onderdanen begrepen, dat het te doen zou zijn om den ondergang der Azteken en van het Mejicaansche rijk, of om den ondergang der Spanjaarden. In een’ krijgsraad werd nu, tegen den zin van Cortez, besloten, om den derden Juli reeds een’ aanval op de heele stad te doen. Wel trachtte Cortez dit tegen te houden, doch men luisterde niet naar hem. Gereed staande om den aanval te beginnen, waarschuwde Cortez nog, om niet te snel voort te trekken, zelfs dan niet, als ze een open terrein voor zich hadden. Hij kende de manier van oorlogvoeren der Azteken en wist, dat ze den schijn zouden aannemen, van te vluchten. Ook deze raad van Cortez werd niet opgevolgd, en vol overmoed kwamen de soldaten over de dammen tot diep in de stad. Op eenmaal echter liet Guatemozin van zijn paleis den krijgshoorn klinken, en de vluchtelingen werden aanvallers. Cortez snelde toe om zijne makkers bij te staan en viel gewond in het meer. „Malinche! Malinche!” joelden de Azteken, en verscheidene handen waren gereed hem gevangen te nemen, toen een der Spaansche soldaten zijn leven opofferde om zijn’ Veldheer te redden. Met zware verliezen waren de Spanjaarden afgeslagen, en aan den oever van het meer gelegerd, zagen ze des nachts, dat hunne gevangengenomen makkers, bij fakkellicht, boven op de daken der tempels, aan de Goden geofferd werden. In zijn’ overmoed liet nu Guatemozin tot ver in het land verkondigen, dat de Krijgsgod door de laatste offers voldaan was, en dat binnen acht dagen geen enkele Spanjaard meer over zou zijn. Door deze profetie verschrikt, verlieten de meeste Bondgenooten, waaronder zelfs vele Tlascalanen waren, de legerplaats van Cortez, die alleen zeide: „Trekt maar niet te ver, want over acht dagen zult gij zien, dat alle Spanjaarden er nog zijn!” Toen nu werkelijk eene week later zelfs niet één Spanjaard gevallen was, kwamen al de Bondgenooten terug en Cortez had gewonnen spel. Gewonnen spel had hij ook door te zeggen, dat de eerste aanval mislukt was, omdat men niet naar zijn’ raad geluisterd had.
„Men moet met behoedzaamheid langzaam voorwaarts dringen,” zeide hij. „Komt men bij een huis, men breke het af en gebruike het puin om de grachten te vullen en de dammen te versterken.”
Zoo deed men meer dan eene maand lang. De prachtigste paleizen lagen in puin en vulden de grachten of het meer. De eene straat na de andere verdween en steeds kleiner werd de plek, waar de verdedigers stand hielden, te midden van den vreeselijksten hongersnood. Den derden Augustus 1521 werd de laatste versterking ingenomen en met den grond gelijk gemaakt, en—het schoone Tenochtitlan was verdwenen van de oppervlakte der Aarde. Guatemozin werd gevangen voor Cortez gebracht en zeide: „Malinche, ik heb alles gedaan, wat een krijgsman doen kon. Het hielp mij niet. Neem nu uw zwaard en dood mij, want het leven is mij eene ergernis.”
„Neen, Guatemozin, vrees niet! Malinche doodt geene helden als gij zijt,” antwoordde Cortez. „Uw leven is veilig!”
Het was te veel gezegd. Waar waren de onbegrijpelijk groote schatten aan goud, edelgesteenten en parelen gebleven? Niemand kon ze vinden, en nu eischte het volk, dat men Guatemozin op de pijnbank leggen zou, opdat hij bekende, waar ergens al die schatten gebleven waren. Cortez wilde er eerst niets van weten, doch toen het volk tot oproer dreigde over te slaan, gaf hij toe. Het pijnigen hielp niet, en welk een moed Guatemozin had, bleek wel hieruit, dat hij een’ klagenden vriend, die ook op de pijnbank gefolderd werd, kalm toevoegde: „Denkt gij dan, mijn vriend, dat ik in een bad lig?” Cortez, dit pijnigen moede, liet beide Vorsten wegvoeren.
Na de verwoesting van Tenochtitlan, waarbij, den eersten aanval uitgezonderd, slechts weinig Spanjaarden gesneuveld waren, had de verovering van het Mejicaansche rijk zooveel moeite niet meer in, zoodat Cortez, na eenigen tijd, aan Koning Karel melden kon, dat hij een land aan Spanjes Kroon gebracht had, veel grooter dan het heele gebied zijns Konings in Europa, en zóó rijk, dat de schatten eenvoudig niet te overzien waren.
Er heerschte in dat bericht geene overdrijving, want Mejico was langs den Stillen Oceaan zevenendertighonderd en vijftig, en langs den Atlantischen Oceaan drieduizend Kilo-meter lang. Nog steeds grooter werd dit wingewest door de ontdekkingen en veroveringen, die enkele Veldheeren van Cortez deden. Zoo veroverde De Alvarado, die onder de Azteken den bijnaam van „Tonatiuk”, dat is „Zoon der Zon”, ontvangen had, in 1523 dát deel van Middel-Amerika, hetwelk wij thans onder den naam van Guatamala kennen, terwijl een ander Veldheer, wiens naam ik niet vermeld vond, in hetzelfde jaar Honduras aan de Kroon van Spanje bracht.
Het bericht van die groote ontdekkingen bewoog in Spanje tal van lieden zich onder Cortez’ vanen te scharen teneinde nieuwe veroveringen te doen. Maar honderden kwamen ook, wien het alleen om goud te doen was, en deze laatsten juist waren het, die alweer onrust en verdeeldheden in de Kolonie brachten. Zoo lang deze lieden maar niet in hunne handelingen gestoord werden, en Cortez hen hielp wanneer ze door hunne hebzucht in moeielijkheden kwamen, ging alles goed, doch wanneer hij ook voor de rechten der Azteken opkwam, en dezen durfde verdedigen, liep het mis, zoodat de positie van Cortez ten slotte al niet veel beter werd dan die van Columbus eenmaal was. Bovendien, De Fonseca leefde nog altijd, en deze was een vriend van Velasquez, zoodat we niet behoeven te vragen, wat gebeurde. Op zijn aanraden werd door Koning Karel een’ zekeren Don Christoval De Tapia naar Nieuw-Spanje gezonden om als Stadhouder op te treden. Toen De Tapia evenwel te Vera-Cruz aangekomen was, zag hij wel in, dat er geene sprake was van Cortez eenvoudig af te zetten, want niemand wilde er naar luisteren. Hij ging dus weer terug naar Spanje en wist daar zelfs voor den grooten held zóó te werken, dat Koning Karel Cortez den vijftienden October 1522 tot Stadhouder, Opperbevelhebber en Opperrechter van „Nieuw-Spanje,” zoo werd Mejico voortaan genoemd, aanstelde.
Drie jaar lang heerschte Cortez als zoodanig, en de Azteken en andere onderworpen volksstammen mochten van geluk spreken, want hij was niet wreed of bloeddorstig en strikt rechtvaardig. Het is waar, hij liet Guatemozin terdood brengen, en Cortez’ vijanden zeiden, dat hij onschuldig terdood veroordeeld werd. De vrienden van Cortez daarentegen beweerden, dat Guatemozin deelgenomen had aan eene samenzwering en dus wel degelijk schuldig was.
Hoewel Cortez nu eene schitterende betrekking bekleedde, dreef zijn onrustig karakter hem aan om telkens nieuwe tochten te doen, welke nu juist niet altijd even voordeelig voor hem afliepen. Zoo deed hij in 1528 eene reis naar Spanje, en zijn onmetelijk vermogen stelde hem in staat om aan het Spaansche Hof te verschijnen met eene ongeëvenaarde pracht. Hij en zijn talrijk gevolg van Aztekische Edelen spreidden een’ luister en een’ rijkdom ten toon, welke noodwendig heel wat anders dan verblinden moest, waar de naijver door zijne heldendaden nog lang niet tot zwijgen gebracht was. Cortez was naar Spanje gekomen met het doel, zich te verdedigen tegen de beschuldigingen, die tegen hem ingebracht waren. Men had hem beticht, dat hij misbruik van zijn gezag maakte, dat hij de Azteken steeds behandelde, alsof hij hun beul was, alleen om zichzelven rijkdommen te verschaffen, dat hij den Godsdienst niet ijverig liet prediken, en zelf voorging in eene onzedelijkheid, die met het Evangelie niet te rijmen was, door zijne Gemalin Donna Catalina schandelijk te verlaten en met Marina te leven.
Nu, veel ervan was waar, want vroom en deugdzaam was Cortez allerminst, doch de beschuldigingen waren toch onbillijk. Cortez was in zijn privaat leven niet beter, maar ook niet slechter dan alle andere Ridders en Edelen, en onwaar was het, dat het hem met de prediking van het Evangelie geen ernst was. Hij had echter aan zijne trouwe Tlascalanen gezien, hoe uiterst voorzichtig hij met de Evangelie-verkondiging moest te werk gaan. Zijne meening was het Christendom zóó te prediken, dat men er toe kwam, het vrijwillig en niet gedwongen aan te nemen. Ongetwijfeld waren er velen, die hem hierin gelijk gaven, doch de ijveraars waren er niet mede tevreden. Dat Cortez zich verrijkte, ten koste der Azteken, was ook waar, doch indien hij dat recht niet had, dan had de Spaansche Kroon het toch ook niet. Mejico was veroverd zonder dat de Azteken van hunne zijde iets gedaan hadden, dat den Spanjaarden daartoe eenig recht gaf.
Intusschen maakte Cortez door den luister, dien hij tentoon spreidde, er zijne zaak niet beter op. Wel wist hij alle beschuldigingen te wederleggen, en werd hij door Koning Karel in het gelijk gesteld, maar hiermede had hij zijn pleit nog niet gewonnen. Koning Karel was een zeer staatkundig Vorst, die, wilde hij zich als Koning van Spanje, Keizer van Duitschland, Heer der Nederlanden en Oppermachtig Gebieder der Nieuwe Wereld handhaven, verplicht was, hier en daar toe te geven waar hij, zoo hij vrij geweest ware, dit stellig niet zou gedaan hebben. Zeer goed zag Koning Karel in, dat hij moest toegeven aan den drang van Cortez’ vijanden. Hij gaf hem daarom den titel van Markies Del Balle, en schonk hem in Nieuw-Spanje de landstreek Oaxaca als Leen. Verder benoemde hij hem tot Opperbevelhebber over het leger en tot Admiraal van den Stillen-Oceaan, doch tot Onder-Koning werd benoemd Don Antonio De Mendoza.
Teleurgesteld keerde Cortez naar Nieuw-Spanje terug, na inmiddels, daar hij weduwnaar geworden was, in zijn Vaderland met eene Gravin in het huwelijk getreden te zijn. Hij vestigde zich in zijn nieuw Leen, dat zeer rijk en vruchtbaar was, en in grootte menig Europeesch Koninkrijk overtrof. Hoewel hij aanvankelijk zich in zijn lot scheen te zullen schikken, en als een machtig Land-edelman leefde, had hij er op den duur geen behagen in, en begon hij zich uit te rusten voor nieuwe ontdekkingen en veroveringen. Dat er ver in het zuiden een „Goudland” was, dat wist hij, en hij had zelfs Pizarro hierin reeds wenken gegeven. Zelf wilde hij daar niet heen, want naar zijne meening lagen er ten Noorden van Nieuw-Spanje ook landen, die nog rijker aan goud waren dan het land der Azteken. Die landen wilde hij ontdekken en veroveren. Met opoffering van het grootste deel van zijn vermogen mocht het hem gelukken om in 1536 Californië te ontdekken, doch zonder voordeel, want de rijke mijnen, die daar aangetroffen werden, zouden pas driehonderd jaar later gevonden worden.
Teleurgesteld in alles keerde hij in 1540 naar Spanje terug, waar men hem zoo goed als links liet liggen. Verdrietig trok hij zich nu uit het openbare leven terug, en de man, wiens naam genoemd zal worden, zoolang het menschdom bestaat, stierf als een vergeten burger op een landgoed in de nabijheid van Sevilla, den tweeden December 1547 aan eene ingewands-ziekte.
Nog altijd wordt Cortez zeer verschillend beoordeeld, doch naar mijne meening begaan zij, die hem veroordeelen, de groote fout, dat zij de onrechtvaardige handelingen van een geheel Volk laden op één’ man, en hem zóó het uitgestrekte veld der Historie injagen, zooals vroeger de Israëlieten den bok, beladen met de zonden des volks, de woestijn injoegen. Trots al zijne ondeugden en gebreken kan ik in Cortez niets anders zien dan een’ man, die in groote daden en zelfs in vele deugden uitblonk boven duizenden zijner tijdgenooten. In alle gevallen plaats ik hem ver boven den man, die Peru aan de Spaansche Kroon bracht.