HOOFDSTUK IX.
Reading edition
LAATSTE REIS VAN COLUMBUS.
Het ligt geheel in den aard der zaak om aan te nemen, dat het gerucht van Columbus’ ontdekking ook nog andere volken dan de Portugeezen prikkelen zou om het voorbeeld der Spanjaarden te volgen, wanneer ze maar een land bewoonden, dat aan zee gelegen was. De Italianen hadden er ook wel lust in, vooral de Genueezen, Florentijnen en Venetiërs, maar wanneer dezen uitzeilden om ontdekkingen te gaan doen, dan moesten ze de enge Straat van Gibraltar passeeren en waren daardoor geheel in de macht van Spanje, dat natuurlijk met Argus-oogen uitzag of een ander volk het niet waagde om het voorrecht, door den Paus aan Spanje gegeven, als van geene kracht te beschouwen. Italië zag zich derhalve gedwongen, bedaard toe te zien. Portugal repte zich om zijne ontdekkingen in Afrika voort te zetten, en wij weten reeds met welk een’ gunstigen uitslag. Frankrijk had echter onder de regeering van Koning Lodewijk XII de handen te vol om den verwarden staat van binnenlandsche zaken te ordenen, en een waakzaam oog te houden op de uitbreiding der macht van het Habsburgsche Huis. Hoe gunstig ook voor de zeevaart gelegen, het kon zich niet met ontdekkingstochten inlaten. De Nederlanders dreven in dien tijd wel veel zeehandel, ze waren ook ondernemend en belust genoeg om ontdekkingen te gaan doen, maar, er was iets, dat hun de handen bond. Graaf Filips de Schoone toch, die Heer was over bijna al de Nederlanden, was gehuwd met de Infante Johanna, dochter van Koning Ferdinand en Koningin Isabella. Nu sprak het toch vanzelf, dat de Nederlanders op zee geene mededingers mochten of konden worden van een bevriend en machtig land, en toen later Karel V Koning van Spanje werd, en meteen dus ook Heer der Nieuwe Wereld, waren de handen der Nederlanders nog veel meer gebonden. Dat het hun aan geen’ ondernemingsgeest of moed faalde, bewezen ze bijna op hetzelfde oogenblik, dat ze zich aan de macht van Spanje onttrokken, en veilig kan men aannemen, dat die zucht om op ontdekkingen uit te gaan, en het toch niet te kunnen doen, eene der vele redenen is geweest, dat er tusschen de Nederlanders en Spanjaarden zulk een volkshaat bestond.
Nu we de redenen opgenoemd hebben waarom de Italianen, Franschen en Nederlanders geen deel aan de ontdekkings-tochten namen, rest ons nog om over de Engelschen te spreken, want de Duitschers en Noren rekenden in dien tijd niet mede; hunne scheepvaart bepaalde zich bijna uitsluitend tot de Noordzee en de Oostzee.
Dat de pogingen van Don Bartholomeus in Engeland schipbreuk leden, meldden we reeds. Men vertrouwde den vreemdeling niet genoeg, en Koning Hendrik VII bleef er zelfs vrij koel onder, toen de ontdekking der Nieuwe Wereld, of zooals men meende, de Indiën, ook in Engeland bekend werd.
In die dagen woonde echter te Bristol een vermogend en geleerd Italiaansch koopman. Hij was van Venetië afkomstig, en heette Giovanni Caboto, doch de Engelschen noemden hem eenvoudig John Cabot. Met leede oogen zag deze man het aan, dat de Spanjaarden door hunne ontdekkingen den handel van zijne vaderstad Venetië ten gronde zouden doen gaan, maar zeer goed zag hij in, dat Venetië onmogelijk als mededingster op den Oceaan kon optreden. Nu besloot hij, als Venetiaan, zich te wreken, en trachtte den Koning van Engeland over te halen om aan hem en aan zijne drie zonen volmacht te verleenen om in het Westen op ontdekkingen uit te gaan. De Pauselijke bul was natuurlijk ook in Engeland bekend, doch Hendrik was er de man niet naar om zich aan die bul te storen. Geen recht was heilig bij hem, als hij er maar voor zichzelven voordeel in zag het te verbreken. Toch werd Cabots voorstel op de lange baan geschoven, en eerst in 1495 verleende de Koning hem die volmacht. Het werd evenwel nog 1497 eer Cabot met vier transportschepen en een Koninklijk vaartuig de haven van Bristol verliet. De volmacht was hem verleend op voorwaarde, dat hij een vijfde deel van de behaalde winst aan den Koning zou afstaan, terwijl de Koning, inruil daarvoor, hem het uitsluitend recht waarborgde om met zijne zonen op de ontdekte landen handel te drijven. De Cabots waren beter wiskunstenaars dan Columbus, zoodat ze overtuigd waren dat, op eene hoogere breedte, den weg naar de Indiën nader moest zijn dan op de lagere, die Columbus gekozen had. Vader Cabot hield den koers ook westelijk, en den vier-en-twintigsten Juni 1497 ontdekte hij het vasteland van Noord-Amerika, derhalve veertien maanden vroeger dan Columbus het vasteland van Zuid-Amerika aanschouwde. Amerigo Vespucci’s beweren, dat hij de eerste Europeaan geweest was, die het vasteland van de Nieuwe Wereld gevonden had, vervalt door deze ontdekking natuurlijk geheel. Columbus had het moeielijk kunnen tegenspreken, want het eiland Cuba werd door hem voor het vasteland gehouden, en Paria hield hij voor een groot eiland. Wel twijfelde hij er nu en dan aan, of Paria wel een eiland was, omdat het water eener rivier tot op mijlen afstands buiten den wal, den Oceaan nog zoet maakte, doch op een heel groot eiland konden ook groote rivieren zijn. Zelfs vóór hij zijne vierde reis ondernam, en de ontdekkingen van Zuid-Amerika reeds overal in Spanje bekend waren, hield hij het er voor, dat de ontdekte kusten aan een eiland behoorden, hetwelk ten zuiden van de Indiën lag. Het moest, zoo redeneerde hij verder, slechts door eene zeeëngte van de Indiën en het vasteland van Azië gescheiden zijn. Wanneer we hem op zijn’ vierden tocht volgen, zullen we hem terugvinden, die zeeëngte nog steeds zoekend ten Zuiden van het gewaande „vasteland Cuba.”
Van eene vrij voordeelige reis teruggekeerd, maakte Johns zoon Sebastiaan in 1498 een’ tweeden tocht en bereikte zelfs Kaap Florida, die zich nog zuidelijker bevindt dan het noordelijkste van de Bahama-eilanden, waarvan Columbus zoo ongeveer het middelste ontdekte. Van Sebastiaans broeders vond ik nergens wat vermeld, zoodat het mogelijk zou kunnen zijn, dat ze behoorden tot de Engelsche reizigers, die De Hojeda op zijn’ tocht ontmoette, en waarvan wij met een paar woorden gewaagden. Mogelijk ook is het, dat de voordeelige tocht der Cabots andere Engelschen bewogen heeft om geheel op eigen gelegenheid, en zonder eenige volmacht, eene reis naar de Nieuwe Wereld te maken, doch dat ze schipbreuk leden en zoo in de streek kwamen waar De Hojeda hen ontmoette.
De opvolger van Hendrik VII, was de beruchte Hendrik VIII, die zelf zooveel als Paus wilde zijn, en zich derhalve niets liet gelegen liggen aan Pauselijke bullen. Misschien was dit wel de oorzaak, dat Sebastiaan Cabot Engeland verliet en in Spaanschen dienst trad. Hij deed dat in 1512, doch vijf jaar later was hij weer in Engeland terug. Hij zeilde toen met den Vice-Admiraal Perth uit, om langs Amerika’s Zuidpunt de Oost-Indiën te bereiken. Er blijkt uit deze onderneming, die evenwel mislukte, dat er in de aardrijkskunde in zoo weinige jaren verbazende vorderingen waren gemaakt. Zoowel voor Engeland als voor Spanje was het te bejammeren, dat deze ervaren zeeman zulk een’ wispelturigen aard had, want in 1525 was hij weer in dienst van Spanje, om ten slotte in 1530 opnieuw in Engeland te zijn en aldaar benoemd te worden tot Opper-piloot. In die voorname betrekking was hij de voorlooper van Jacob van Heemskerk en Barendsz., want ook hij geloofde, dat men de Indiën bereiken kon door de Noordelijke IJszee.
Met dezen zwerver langer te volgen, loopen we groot gevaar in de Noordelijke IJszee boven Azië te komen en de Nieuwe Wereld uit het oog te verliezen. Wij laten hem derhalve tot zijn’ dood, die in 1557 voorviel, zwerven en keeren terug naar Spanje om deel te nemen aan andere ontdekkingstochten.
Toen het in Spanje ruchtbaar werd, dat De Fonseca aan Don Alonzo De Hojeda eene volmacht tot eene ontdekkingsreis gegeven had, waren er terstond anderen bij, die De Hojeda’s voorbeeld wilden volgen. Geen echter zoo vlug als Pedro Alonzo Nino, die Columbus op zijne eerste en derde reis vergezeld had. Hij ontving van De Fonseca eene zelfde volmacht, als De Hojeda gekregen had, en in gezelschap van Christoval Guerra stak hij, slechts weinige dagen nadat De Hojeda vertrokken was, van Palos in zee met een klein vaartuig, dat slechts vijftig ton inhoud had. Aan den weg, dien Columbus bij zijne zeereizen genomen had, was genoeg bekendheid gegeven, hoewel tegen den zin van den Admiraal, die vreesde, dat men van de landen en zeeën, die hij gevonden en in kaart gebracht had, gebruik maken zou om hem te benadeelen. De beide moedige gelukzoekers volgden De Hojeda, als het ware, op den voet en kwamen twee weken na hem op dezelfde kust van Paria aan.
Zij zeilden nog westelijker dan De Hojeda gedaan had en kwamen in eene streek waar de menschen woester en dapperder waren dan ergens elders, doch ze hadden het geluk om toch een groot aantal voorwerpen, die in Spanje geene waarde hadden, tegen een’ schat van de kostbaarste parelen te verruilen. Meer dan voldaan over hun’ voordeeligen handel, namen ze den terugtocht naar Spanje aan, hopende daar het loon voor hun streven te ontvangen. De reis was voorspoedig en in het midden van April, nog twee maanden vóór De Hojeda, liepen ze te Bayona in Galicië, binnen. De lust om nog eens zulk een’ tocht te doen, zal hun wel ontnomen zijn, want inplaats van beloond te worden, werden ze beschuldigd van parelen achtergehouden te hebben en in de gevangenis geworpen. Koning Ferdinand, die dit bevolen had, omdat hij meende, dat hem te kort gedaan was, scheen niet alleen „Liguriërs”, maar ook geboren Spanjaarden uit de beurs der ondankbaarheid te betalen.
Nog in hetzelfde jaar dat De Hojeda en Nino eene ontdekkingsreis ondernamen, rustte Vincente Yanez Pinzon, dezelfde, die Kapitein op de Nino was, waarop Columbus van de eerste reis terugkeerde, op eigen kosten vier schepen uit en vertrok hiermede naar de Nieuwe Wereld. Hij hield den koers ook zuidelijk, en toen hij den zesentwintigsten Januari 1500 land ontdekte, ging hij er aan wal en nam het op de voorgeschrevene wijze plechtig in bezit voor den Koning en de Koningin. De kust waar hij landde lag op 28° Zuiderbreedte en was niets anders dan een deel van het tegenwoordige Brazilië, ter hoogte waar Kaap Sint-Augustinus ligt. De tocht naar deze streek was zeer moeielijk geweest en menigmaal hadden de gezellen van Pinzon op het punt gestaan om den moed op te geven. Hij alleen bleef vertrouwen, dat men eindelijk land vinden zou, en toen hem dat gelukte, was het geen wonder, dat hij het den naam van „Santa Maria de la Consolation” gaf. Hij vond de kust verlaten, en welk eene moeite hij zich gaf om de gevluchte inboorlingen tot zich te lokken, het gelukte hem niet. Een weinig verder had hij evenwel eene ontmoeting, zooals hij er wel geene zal gewenscht hebben. Met eenige booten aan den wal gegaan, ontdekten ze een groot aantal inboorlingen, die zich hielden, alsof ze geen kwaad in den zin hadden. De Spanjaarden lieten zich hierdoor misleiden en toen ze zich meer verdeeld hadden, deden de Wilden zulk een’ verwoeden aanval met hunne pijlen, dat acht der Spanjaarden gedood werden, ja, eene der booten viel den Wilden zelfs in handen. Pinzon zag wel in, dat er op eene kust waar de bewoners zoo machtig en tevens zoo vijandig gezind waren, geene kans bestond om eenigen ruilhandel te drijven. Hij zette den tocht nu veertig mijlen in eene noordwestelijke richting voort en kwam toen in een deel van den Oceaan, waar het water niet zout, maar zoet was. Zonder aan den wal te gaan, liet hij de vaten met dat water vullen en stuurde nu dichter onder den wal, waar hij een groot eiland en eenige kleinere ontdekte.
De reizigers stonden verbaasd en Pinzon deed, zoo zegt men, luide de vraag: „Mare an non?” wat beduidt: „Zee of geene zee?”
Spoedig zag hij dat het geene zee, maar een ontzaglijk groote rivier was, welke zij daar voor zich zagen, en ze wisten haar geen’ beteren naam te geven dan „Mare an non,” wat later verbasterd werd tot Maranon, onder welken naam de Amazonen-rivier, de grootste stroom der geheele Aarde, tegenwoordig nog altijd bij de Spanjaarden en Portugeezen bekend staat.
Terwijl de ontdekkers vol verwondering op den breeden mond van dien reuzenstroom staarden, vertoonde zich op eenmaal een zeer vreemd natuurverschijnsel. Eensklaps rees de vloed meer dan vijf vademen; hooge golven dreigden de scheepjes in den grond te slaan, en er werd een vreeselijk geluid vernomen. Gelukkig ontkwamen Pinzon en de zijnen dat dreigende gevaar. Zij hadden kennis gemaakt met de „Pororoca,” of „zeevloed.” Deze, opgehouden door het uitstroomende rivierwater, krijgt eindelijk de overhand, en met een donderend geraas, dat wel anderhalve mijl ver gehoord kan worden, bruist de machtige zeevloed over het rivierwater heen. Niet veel lust bezittende om, òf met de gewapende Wilden, òf met dien hoogen vloed nog eens kennis te maken, zette Pinzon den tocht in dezelfde richting voort, en bereikte op zijne beurt den Orinoco en het land „Paria.” Wie nu een’ blik op de kaart slaat en ziet welk een groote afstand er ligt tusschen Kaap Sint-Augustinus en het eiland Trinidad, dat voor de zoogenaamde Golf van Paria lag, zal moeten erkennen, dat geen der Spaansche ontdekkers nog zulk een aanzienlijk deel van de Nieuwe Wereld gezien had, als Pinzon. Zonder eenige aanmerkelijke voordeelen behaald te hebben, kwam hij eindelijk op Hispaniola aan, doch de thuisreis vervolgende, had hij bij de Bahama-eilanden het ongeluk door een’ vreeselijken storm twee van zijne schepen te verliezen. Dat was voor Pinzon eene ramp te noemen, welke hij nimmer te boven zou komen. Al zijn geld had hij aan deze vier schepen besteed, en om ze voor den tocht doelmatig uitgerust te krijgen, had hij bij de kooplieden van Sevilla alles op krediet moeten koopen. Deze hebzuchtige lieden hadden van Pinzons verlegenheid gebruik gemaakt, en hem de goederen honderd procent boven de waarde aangerekend. Toen hij nu met slechts twee scheepjes, bijna arm en berooid te Palos aangekomen was, legden zijne schuldeischers beslag op beide vaartuigen, zoodra de moedige reiziger naar Granada vertrokken was, om daar den Koning van zijn’ belangrijken tocht verslag te doen. Nog te Granada zijnde, vernam hij dat de schuldeischers de scheepjes met alles wat er op, aan en in was, verkocht hadden om aan hun geld te komen. Hij deed zijn beklag bij den Koning en zeide dat de driehonderdvijftig centenaars verfhout, die hij medegebracht had, alleen zooveel waard waren als zijne heele schuld bedroeg, waarom hij verzocht, dat de kooplieden hem alles, wat ze verkocht hadden, zouden teruggeven. De Koning vond dien eisch billijk en Pinzon ontkwam zoo aan de handen zijner onbarmhartige schuldeischers. Ook hij scheen nu geen’ lust meer te hebben om op ontdekkingstochten uit te gaan en werd graanhandelaar. Later evenwel deed hij nog twee tochten om de zeeëngte op te sporen, welke door Columbus vermoed, gezocht en niet gevonden werd, omdat ze niet bestond. Pinzons tochten waren derhalve ook vergeefsch, maar dat belette niet, dat Keizer Karel V hem en zijne familie, uit erkentelijkheid voor zijne groote verdiensten, tot den Adelstand verhief.
Niet ontmoedigd door de weinig winstgevende tochten, die reeds gemaakt waren, en ook niet afgeschrikt door den ondank waarmede bijna alle landontdekkers betaald werden, zeilde Diego De Lepe, ook een inwoner van Palos, kort na het vertrek van Pinzon met twee karveelen het Westen in om ontdekkingen te doen. Jammer genoeg is van deze reis zoo goed als niets bekend, en toch was het deze De Lepe, die het waagde Kaap Sint-Augustinus om te zeilen en nog veel dieper langs de Braziliaansche kust het Zuiden in te gaan. Het eenige, wat van dezen zeereiziger verder bekend is, is dat hij bij zijne terugkomst in Spanje voor De Fonseca eene kaart van de ontdekte kusten maakte, welke vrij goed was en gedurende eenige jaren dan ook trouw gevolgd werd.
Bijna tegelijk met De Lepe meldde zich om een’ lastbrief Don Rodrigo De Bastides bij den Koning aan en hij verkreeg dien ook. Don De Bastides was een zeer vermogend man en Notaris te Traniana, eene der voorsteden van Sevilla. Het contract, dat hij met den Koning sloot, was voor dezen laatsten, die er geen geld aan ten koste behoefde te leggen, zeer voordeelig, want De Bastides zou het vierde gedeelte van alles, wat hij winnen mocht, aan de Kroon afstaan.
Hij zeilde met twee karveelen, die hij op eigen kosten uitgerust had, uit, doch was zoo wijs geweest om als Stuurman, onzen ouden bekenden Juan De la Cosa mede te nemen, want deze had op de reis met De Hojeda immers de kusten bezocht waar goud en parelen te vinden waren? En daarheen was het doel van den tocht. Niet om ontdekkingen te doen of om krijgsmansroem te verwerven, maar om goede zaken te maken ging de slimme De Bastides naar de Nieuwe Wereld. Dat men meer vliegen vangt met één’ druppel honig dan met een heel vat azijn, scheen hij onvoorwaardelijk aan te nemen, want eenmaal in het rijke land aangekomen, was hij voor de inboorlingen vriendelijker en hartelijker dan nog één Spanjaard geweest was. De goedige inwoners van dat land stelden dit ook zeer op prijs en het gevolg hiervan was, dat De Bastides schitterende zaken deed. Gaarne had hij hier nog langer willen blijven, doch De la Cosa kwam hem wat mededeelen, dat hem dwong om zoo spoedig mogelijk te vertrekken, teneinde Hispaniola te bereiken. Dit was hoognoodig, want de houtwormen, die in deze zeeën buitengewoon talrijk waren, hadden de schepen op verscheidene plaatsen lek geknaagd, wat gemakkelijk geschieden kon, omdat men in die tijden nog van geene gekoperde schepen iets af wist. De terugreis werd derhalve met spoed aanvaard, doch alleen met de grootste moeite waren de schepen vlot te houden. Eindelijk bereikten ze een klein eiland op de kust van Hispaniola waar ze de deerlijk gehavende vaartuigen zoo goed mogelijk herstelden. Vol hoop, dat men nu wel thuis zou komen, zeilde men weer verder, doch tegenwind en stormen hielden de reis tegen en de houtworm kreeg weer de overhand. Zij repten zich nu zooveel zij konden om de parelen en het goud, benevens eenige handelsartikelen op Hispaniola aan den wal te brengen, en pas was dit geschied, of de schepen verdwenen met alles, wat nog aan boord was, in de diepte. Goede raad was thans duur! Wat te doen? De Bastides verdeelde zijn volk in drie hoopen om, langs verschillende wegen, te trachten San-Domingo te bereiken. Iedere afdeeling droeg in eene groote kist de parelen en het goud mede, benevens allerlei snuisterijen om die op hun’ weg bij de inboorlingen tegen spijs en drank te verruilen. Toen deze zonderlinge landreis aanving, was De Bobadilla nog niet afgezet en regeerde hij derhalve nog als Onder-Koning. Weldra werd hem bericht, dat er schepen geland waren en dat de bemanning ruilhandel met de inboorlingen dreef. Hij zond nu gewapende benden uit, en weldra werden De Bastides en de zijnen aangetroffen en voor den Onder-Koning gebracht. We weten het reeds, dat De Bobadilla kort recht kon maken, als hij dat wilde, en als hij meende, dat het in zijn belang was. De zwervers werden dan ook maar zonder verhoord te zijn, gevangengezet en de kisten werden verbeurd verklaard. De Bastides was echter de man niet om zich dat alles maar te laten welgevallen; hij verzette zich, door duidelijk te maken, dat hij geen’ ruilhandel gedreven had. Hij had, na zijne schepen verloren te hebben, met hetgeen hij bij zich had, alleen spijs, drank en gidsen betaald, meer niet, en betalen, wat men tot dat doel noodig had, mocht geen ruilhandel heeten. De verdediging was glashelder, en hoeveel De Bobadilla ook durfde, hij waagde het niet om De Bastides te veroordeelen, maar zeide, dat hij hem met de eerstvolgende gelegenheid naar Spanje zou zenden, dan kon daar de zaak door het Hof onderzocht worden.
Weinig vermoedde De Bobadilla, dat met die eerstvolgende gelegenheid niet alleen De Bastides naar Spanje zou gebracht worden, maar ook hijzelf en zijn vriend Roldan.
Don De Ovando was aangekomen om De Bobadilla van zijn ambt te ontzetten en met Roldan gevankelijk naar Spanje te laten voeren.
De vloot, die hen overbracht, we zullen hierover later nog spreken, werd door een’ vreeselijken orkaan overvallen, en De Bobadilla en Roldan vonden hun graf in de golven. De Bastides echter was zoo gelukkig om met zijne drie ongeschonden kisten in Spanje aan te komen, waar hij natuurlijk terstond buiten alle vervolging gesteld werd. Het vierde gedeelte van de medegebrachte parelen en andere schatten werd eerlijk aan den Koning gegeven, en dat vierde deel was van zulk eene groote waarde, dat Koning Ferdinand opeens een’ aanval van dankbaarheid en mildheid kreeg en hem levenslang een inkomen schonk uit de opbrengsten van het land Uraba, dat hij bezocht had en dat zoo rijk bleek te zijn. Eene zelfde belooning ontving ook de oude De la Cosa, die tot Bestuurder van dat gewest benoemd werd.
Veel merkwaardigs ten opzichte van de aardrijkskundige wetenschap had die reis niet opgeleverd, en toch diende ze genoemd en in het kort beschreven te worden, omdat juist De Bastides getoond had, hoe men doen moest om de reis- en ontdekkingstochten in de Nieuwe Wereld productief te maken. Jammer maar, dat hij met zijn goed voorbeeld bijna alleen bleef staan en zoo goed als geene navolging vond.
Eindelijk was ook met groote moeite, omdat de uitrusting op kosten der Regeering geschiedde en De Fonseca wel zorgde, dat er voor dit doel steeds geld te kort was, een vlootje van vier karveelen klaar gekomen, en stond Columbus op het punt, te vertrekken, in gezelschap van zijn’ zoon Don Ferdinand en zijn’ broeder Don Bartholomeus. Wijl de Monarchen vreesden, dat de komst van Columbus op Hispaniola, dat met groote moeite tot rust gebracht was, aanleiding zou geven tot wanordelijkheden, zoo werd hem verboden om op zijne heenreis de Kolonie aan te doen. Op de terugreis echter zou het hem vergund zijn om eenigen tijd te San-Domingo van de vermoeienissen uit te rusten, en als het noodig was zijne schepen te laten herstellen. Verder beloofden de Monarchen hem, dat hij, als eenmaal op Hispaniola alles tot orde en rust gekomen en hij alweer teruggekeerd was, andermaal in al zijne waardigheden zou hersteld worden. Zij deden dat schriftelijk, doch Columbus, die bij ervaring wist, hoe hij tegengewerkt werd en hoe weinig men zich stoorde aan alles, wat beloofd was, liet van alle beloften en brieven afschriften maken, door de Alcaldes van Sevilla behoorlijk legaliseeren, en stelde een der duplicaten in handen van een vertrouwd vriend, terwijl hij het andere bezorgde bij den Gezant van Genua, die aan het Spaansche Hof vertoefde. Later zou het blijken, dat hij zeer verstandig gedaan had met deze maatregelen te nemen. Nu hij alles verricht had, wat er te doen viel, nam hij afscheid van zijn’ zoon Don Diego, die op verzoek van Koning Ferdinand in Spanje achterbleef om de belangen zijns Vaders te behartigen, en den negenden Maart 1502 aanvaardde hij de reis, wijzer dan vroeger, zoo meende hij, omdat hij zich overtuigd hield, dat tusschen Cuba en Paria, welks kusten in den laatsten tijd zoo ver bezocht waren, de zeeëngte moest zijn, waardoor hij in de echte Indiën komen kon.
De heenreis was voorspoedig, doch toen hij het kleine eiland Martinique aangedaan had, kon hij de begeerte niet wederstaan, om, trots het verbod, toch te San-Domingo binnen te loopen. De groote man toonde zich hier wel wat klein; hij stelde er prijs op om allen, die hem, in boeien geklonken, hadden zien vertrekken, te toonen dat hij in zijne eer hersteld was. Als voorwendsel om de haven van San-Domingo binnen te loopen, gebruikte hij de kleine averij, die eene zijner karveelen bekomen had, doch De Ovando, die zijne instructies omtrent Columbus reeds ontvangen had, nam het voorwendsel niet aan en verbood, hoewel in zeer beleefde termen, het binnenloopen der haven. Aangenaam was dit voor onzen Admiraal niet, doch hij had zich door eigen schuld die beleediging, als het er eene was, op den hals gehaald.
Toen Columbus te San-Domingo aankwam, lagen er niet minder dan achtentwintig schepen gereed om met eene rijke lading aan goud, parelen en katoen naar Spanje uit te zeilen, wel een bewijs, dat de toestand der Kolonie eene heel andere was dan onder zijn bestuur. Aan boord der schepen bevonden zich, zooals we vroeger opmerkten, zijne vijanden De Bobadilla en Roldan, benevens De Bastides. De ervaringen, die Columbus als zeeman en als reiziger in deze streken opgedaan had, deden onzen Admiraal aan alle verschijnselen zien, dat er een zware storm op handen was. Hij gaf dus den welgemeenden raad om het uitzeilen nog eenige dagen uit te stellen. Men hield het er evenwel voor, dat Columbus dit alleen zeide, omdat hij jaloersch was, dat er zóó spoedig onder het bestuur van een’ anderen Onder-Koning zulk eene rijk geladen vloot naar Spanje vertrekken kon, en dat hij daarom alleen de afvaart wenschte te vertragen. Men hoorde dus niet naar zijn’ raad en—twintig vaartuigen verdwenen met kostbare lading en manschappen, tengevolge van een’ verschrikkelijken storm in de diepte, en slechts acht kwamen in ontredderden toestand in Spanje aan. Over De Bobadilla en Roldan zou derhalve geen vonnis uitgesproken worden; de dood belette dat, maar in het voordeel van Columbus was dit niet, want veel, waarover de Admiraal terecht geklaagd had, kwam nu niet aan het licht.
Zoo spoedig hem dit mogelijk was, had Columbus eene veilige ligplaats voor zijne schepen gezocht en doorstond daar, zonder eenige schade te lijden, den storm.
Toen het noodweer bedaard was, richtte Columbus den steven naar Cuba en van daar voer hij in zuidwestelijke richting naar de Baai van Honduras. Op dien tocht had hij eene ontmoeting, die hem bewees, dat hij in eene streek gekomen was, waar het volk vrij goed beschaafd was. Op een eiland, dat hij om de dennen, die er groeiden, „Isla de Pinos” noemde, aan wal gegaan zijnde, vond hij er bewoners met een zeer laag voorhoofd, die in beschaving echter boven andere eilanders stonden. Daar hun voorhoofdsvorm juist het tegendeel zou doen vermoeden, moesten er redenen voor die betere ontwikkeling zijn, en naar die redenen behoefde men niet lang te zoeken, want terwijl Don Bartholomeus op zekeren dag aan het strand vertoefde, zag hij eene verbazend groote kano, die uit één’ boomstam gemaakt was, naderen. In het midden van die kano was eene hut van palmbladen gebouwd, en in deze hut bevond zich een Kazike met zijne vrouw en kinderen. De kano werd geroeid door meer dan twintig Indianen, die niet naakt, maar evenals de Kazike en zijne vrouw en kinderen gekleed waren.
Zonder eenige vrees of verbazing te toonen, kwamen ze bij Columbus aan boord, en nu vernam deze, dat de kano eene lading van cacaoboonen en vele andere handels-artikelen in had. Zij waren ook in het bezit van allerlei keukengereedschap, ja, zelfs van bijlen, die van koper gemaakt waren. Verder hadden ze katoenen doeken en mantels, kroezen om metalen te smelten, kortom alles, wat duidelijk bewees, dat ze uit eene zeer beschaafde streek afkomstig waren. Ongelukkig kon Columbus niets van hunne taal verstaan, en de Arabische tolken, die hij mede genomen had om hem van dienst te zijn, als hij in de eigenlijke Indiën aangekomen was, konden hen natuurlijk ook niet verstaan. Na een’ zeer voordeeligen ruilhandel gedreven te hebben, namen ze vriendelijk afscheid en vertrokken in eene richting, die ons thans met eenige zekerheid kan doen zeggen, dat ze uit Yucatan afkomstig waren. Had Columbus maar niet voorgenomen om de zeeëngte, die niet bestond, te vinden, en ware hij deze kano gevolgd, dan zou zijne vierde ontdekkingsreis de beste en rijkste geweest zijn, welke hij of eenig ander nog gemaakt had. Maar die zeeëngte wilde en zou hij vinden, en daarom ging het alweer, en nu in zuidoostelijke richting, verder. Weldra had hij de kusten van Middel-Amerika bereikt. Dewijl zijn doel niet daar lag, zoo deed hij slechts nu en dan eene landing, en telkens zag hij bij zulk eene gelegenheid, dat hij meer en meer het goudland naderen moest, want de bewoners droegen allerlei gouden versierselen, die ze gaarne, vooral tegen valkenbellen, inruilden. Het goud kwam uit een land, zoo berichtte men hem door teekenen, dat bewoond werd door een zeer beschaafd volk, dat in het bezit was van lastdieren en in huizen woonde, half van goud gebouwd. Hij meende verder te verstaan, dat dit land „Ciguare” heette en negen dagreizen over land verder lag in westelijke richting en—aan de zee.
Thans liet de Admiraal zijne verbeelding weer spelevaren op de wateren der valsche voorstelling en meende hij verzekerd te zijn, dat hij zich op slechts negen of tien dagreizen afstands bevond van de beroemde Indische rivier de Ganges. Vol moed stevende hij nu verder, doch toen hij eindelijk kwam, waar de Landengte van Panama het smalst is, werd hij overvallen door een’ storm, die negen dagen aanhield. De regen viel al dien tijd bij stroomen neer, en de bemanning der karveelen verkeerde in de grootste gevaren en in de bitterste ellende. Het voedsel was door de hitte en de overslaande zeeën zóó bedorven en zóó vol maden en wormen, dat het volk de duisternis te baat nam om het maal te doen, ten einde dan niet te zien, wat er gegeten moest worden.
Toen de storm ten slotte bedaard, en de zee weer kalm geworden was, bevond men door waarnemingen, dat de schepen ver naar het Noorden teruggeslagen waren. Nog eens denzelfden weg afleggen, er was geen denken aan, want de houtworm had ook deze schepen aangetast. Gelukkig vond men kort daarop land, en kon het volk zich aan den wal van de doorgestane ellende herstellen. Het was een land, rijk aan goud, en bewoond door vriendelijke menschen, die veel beschaafder waren dan al de inboorlingen, die hij nog ontmoet had, en geregeerd werden door een’ Kazike, die den titel van „Quibian” droeg. De Vorst van dit land, dat „Veragua” genoemd werd, ontving Don Bartholomeus en de zijnen, die hem bezochten, bij uitstek vriendelijk, en de ruilhandel in goud was nog nergens zoo voordeelig geweest. Blijkbaar was deze streek bijzonder rijk aan dit metaal, en daarom drong Columbus er op aan, dat zijn broeder bij den Kazike onderzoek zou doen waar die mijnen zich bevonden. De Quibian, die werkelijk geen kwaad in den zin had, gaf Don Bartholomeus twee gidsen mede, die hem bij de mijnen bracht, en wat men daar vond, was zulk een rijkdom in edel metaal, dat Columbus besloot om hier eene volkplanting te stichten, welke onder het opperbevel van zijn’ broeder zou staan. Aanvankelijk scheen het dat de streek niet alleen gezond en vruchtbaar, maar ook bewoond was door menschen, die zeer vredelievend en gastvrij van aard waren. De soort van sterkte, waarin de Kolonisten leven zouden, was reeds bijna voltooid, toen Don Bartholomeus vernam, dat de Quibian zijn volk te wapen geroepen had. Waarom dat gedaan was? Om oorlog te voeren met een’ naburigen stam, bij welke gelegenheid de Quibian zelf gewond werd. Don Bartholomeus legde het evenwel anders uit en meende, dat de Quibian zijne sterkte wilde aantasten. Om dit te voorkomen vormde hij het plan den Vorst op te lichten, en door een aantal gewapende manschappen vergezeld, begaf hij zich naar het dorp waar de Quibian zijn verblijf hield. De Vorst ontving zijne bezoekers vriendelijk, en toonde hun de wonden, die hij in den strijd bekomen had. Op een gegeven teeken echter werd de Vorst op den grond gesmeten, gekneveld en weggevoerd. In de nabijheid van het Admiraalsschip waagde de ongelukkige het, zijn leven te redden. Hij sprong in zee, zwom naar den oever, en was van dat oogenblik af de verbitterdste vijand der Spanjaarden. Hij viel met de zijnen de sterkte aan, doch werd teruggeslagen. Bij een’ tweeden aanval echter, werd eene heele afdeeling Spanjaarden, die uitgegaan was om voedsel, water en hout te halen, op één’ man na, door de inboorlingen gedood, en Columbus zag nu wel in dat er geene mogelijkheid bestond om hier eene Kolonie achter te laten. Het plan werd dus opgegeven, en de ellendige toestand waarin de schepen verkeerden dwong den Admiraal tot den terugtocht.
Wat zal hij dien vol teleurstelling aanvaard hebben! Tijd om in treurige gedachten verzonken te blijven was er echter niet. Eene der karveelen liep op de riffen vast; men moest manschap en lading overbrengen op de drie andere schepen, die door dag en nacht pompen slechts vlot konden blijven. Een van deze drie schepen kon, wat men ook beproefde, de reis weldra niet meer voortzetten, en ook dat moest men, na het ontladen te hebben, aan de golven prijsgeven. De twee overgebleven karveelen werden met den dag steeds lekker. Het volk matte zich vruchteloos aan de pompen af, en toen men het geluk had om Jamaïca te bereiken, was er geen ander middel tot behoud over dan de beide bodems op strand te laten loopen. Het ruim stroomde terstond vol water, en Columbus, die vreesde dat zijne mannen aan den wal, de vriendelijke bevolking slecht behandelen zou, liet daarom de twee scheepsdekken tot verblijf inrichten.
Wilde de Admiraal hier met zijn volk niet omkomen, dan moest hij eene bede om hulp naar Hispaniola zenden. Diego Mendez en Bartholomeus Fiesco boden zich aan om in twee kano’s naar San-Domingo over te steken, ten einde De Ovando in kennis te stellen met den treurigen staat waarin de expeditie van den Admiraal zich op Jamaïca bevond. De twee moedige mannen kwamen behouden te San-Domingo aan in hunne kano’s, die met zes Spanjaarden en tien Indianen bemand waren, en dadelijk deed Diego Mendez den Onder-Koning verslag van den ellendigen toestand van Columbus en de zijnen, en vroeg hij hem een schip om de schipbreukelingen af te halen. De Ovando zag hierin evenwel eene list van Columbus om in de Kolonie aan wal te komen, en draalde om hulp te verleenen. Eerst zeven maanden later gaf hij zijne toestemming om een schip te huren, doch hiermede was Diego Mendez nog niet verder, want om een schip te huren moest er een schip zijn, en er was nergens eenig vaartuig tot dat doel beschikbaar. Die tusschentijd was door De Ovando gebruikt geworden om een’ zijner gunstelingen naar Jamaïca te zenden, teneinde zich te overtuigen of de Admiraal werkelijk in zulk een’ ellendigen toestand verkeerde. Escobar, zoo heette de man, die den dienst van spion moest verrichten, kwam op Jamaïca, en vond daar niet alleen alles zooals Diego Mendez het geschetst had, maar nog veel erger. De bemanning der karveelen was in opstand tegen Columbus gekomen, en gaf op het eiland zich aan allerlei ongebondenheden over, nadat zij vruchteloos beproefd had om in kano’s het eiland te verlaten. Met welk eene vreugde had Columbus, die ziek was, het schip zien komen, hopende dat het zijne getrouwen zijn zouden, die hem kwamen afhalen! Hoe groot moet zijne teleurstelling geweest zijn, toen hij in Escobar een’ zijner vijanden en een’ aanhanger van Roldan herkende, die hem uit naam van den Onder-Koning een stuk spek, een vaatje wijn en een’ brief gaf. De Ovando beloofde in dien brief hulp te zullen zenden en verwachtte van den Admiraal bericht of hij ze nog begeerde. Het grensde aan spotternij, zoo niet erger. Toch schreef Columbus den brief, en toen Escobar dezen had, vertrok hij, Columbus achterlatende in een’ toestand, te ellendig om ze in woorden te schetsen. Inmiddels gingen de opstandelingen met hun ongebonden leven voort, en het gevolg was dat de inboorlingen weigerden, Columbus en de zijnen den noodigen levensvoorraad te verschaffen. De hongerdood scheen allen beschoren, toen Columbus gelukkig berekende dat er eene maansverduistering zou plaats hebben. Hiervan maakte hij terstond gebruik en liet aan de inwoners weten, dat de maan diep bedroefd was, dat men aan de kinderen der zon geene spijzen bracht, en dat zij daarom dien avond zich verbergen zou. De inboorlingen lachten er wat mede, doch toen des avonds de maan totaal verduisterd werd, dreef hun bijgeloof hen aan om Columbus en de zijnen een’ grooten voorraad van levensmiddelen te zenden. Hierdoor waren de arme schipbreukelingen aanvankelijk geholpen, doch hoe lang zou het duren? Gelukkig, eindelijk kwam er uitkomst, want de trouwe Diego Mendez en Bartholomeus Fiesco hadden niet gerust voor ze een schip hadden, en dit schip kwam aan en bracht de arme lijders naar Hispaniola over.
Columbus werd daar met alle bewijzen van eerbied ontvangen, maar—het was te laat. Zijne kracht was geknakt; zijne hoop verdwenen.
Met welbehagen toonde De Ovando hem den bloeienden toestand waarin de Kolonie verkeerde, en somde de schatten op, die hij gedurende zijn bestuur reeds naar Spanje gezonden had en nog zenden zou.
De Ovando verstond de kunst om de Kolonie productief te maken en zoo bij den geldzuchtigen Koning Ferdinand in hooge gunst te komen. Geen Spanjaard moest een’ slag werk doen; in de Kolonie was elke Spanjaard een Hidalgo, die alleen toezicht hield op den arbeid der arme inboorlingen, en als beul optrad, wanneer de lieden niet hard genoeg werkten of zich verzett’en. Gewoon aan een matig leven, hadden die inboorlingen zich nimmer met zwaren arbeid bezig gehouden; ze konden dien ook niet verrichten, want het warme en vochtige klimaat verbood hun dit. Nu moesten ze het zwaarste werk en nog zonder eenig loon doen. Mishandelingen hadden ze dag aan dag te verduren, en dat van mannen, die ze bij hunne komst vriendelijk en met open armen als hemelsche wezens ontvangen hadden, terwijl het hun geene moeite zou gekost hebben om te beletten, dat zij zich in hun Paradijs vestigden! Is het wonder, dat ze bij duizenden onder dien zwaren arbeid op het veld, bij de goudwasscherijen of in de mijnen bezweken? Is het wonder, dat zij zich menigmaal verzett’en met de overtuiging, dat het verzet hun het leven kosten zou? Maar ze wilden liever sterven dan zóó leven, en hoevelen door zelfmoord een einde aan hun leven maakten, valt niet te zeggen. Een geschiedschrijver, die alle vertrouwen verdient, meldt dat al het volk van eene plantage zich door ophanging van het leven wilde berooven. De opzichter snelde er heen en trachtte hen te weerhouden, doch te vergeefs. Niet wetende, wat hem te doen stond, als zijne heele plantage zonder werkkrachten was, riep hij uit: „Dan hang ik mij ook op!” Verschrikt wierpen de Indianen hunne stroppen weg, omdat ze geloofden, dat hij hen dan toch ook na den dood zou vergezellen om hen te mishandelen. Hoe diep moet de vrees in die eenvoudige zielen post gevat hebben om zóó te handelen!
En het waren niet enkel de opzichters of soldaten, die zoo beestachtig te werk gingen.
Wie herinnert zich de schoone en zachtzinnige Anacaona niet? Na den dood haars broeders regeerde zij als vrouwelijke Kazike haar schoon land met zijne zachtzinnige inwoners. Trouw betaalde ze met elken termijn de schatting in katoen, trouw bleef ze den Spanjaard, onverschillig wie te San-Domingo zetelde: Columbus, De Bobadilla of De Ovando. Maar een Spanjaard klaagde haar bij De Ovando aan, dat zij en haar volk aan eene samenzwering tegen de Spanjaarden deelgenomen hadden. Zonder te onderzoeken of die aanklacht gegrond was, ging De Ovando met eene afdeeling soldaten naar Xaragua. Op de gewone wijze werden de Spanjaarden door de Kazike en hare onderdanen met eerbewijzen en vriendelijk ontvangen, en weer gaf Anacaona ter eere van hare gasten een spiegelgevecht. Toen dit afgeloopen was zeide De Ovando, dat hij zijne soldaten ook eens een spiegelgevecht zou laten houden. Anacaona betrok nu met tachtig van hare volgelingen eene woning waaruit ze die vertooning goed kon zien. De soldaten keken De Ovando aan. Hij zou een teeken geven, als ze beginnen moesten. Dat teeken was: met den vinger zijne halsketen aanraken. Het werd gegeven, en inplaats van een spiegelgevecht te gaan houden, vielen ze de woning van Anacaona aan, vermoordden haar gevolg, en sleurden haar als gevangene mede. De arme vrouw! Het loon voor al hare trouw was een strop, waaraan ze opgehangen of waarmede ze geworgd werd!
En als de Geestelijkheid, zooals later vaak gebeurde, zich tegen dergelijke gruwelen verzette, dan eischten de gouddorstige Spanjaarden straf voor den moedigen man, die de Kolonie in gevaar bracht.
Dat Koningin Isabella zich met zulk eene wreede dwinglandij en zulk eene verdrukking niet vereenigen kon, bleek, want zij schreef De Ovando, dat zij hem verbood langer zoo voort te gaan. De Ovando antwoordde haar evenwel, dat bij eene andere handelwijze de heele Kolonie te gronde zou gaan, en de Koningin was gedwongen zich bij al die gruwelen neer te leggen.
Wat Columbus, die vier weken te San-Domingo vertoefde, gedacht heeft, toen hij zag hoe De Ovando de teugels van bewind voerde, en welke middelen hij te baat nam om rijke ladingen naar Spanje te sturen, wij weten het niet, want de historie-schrijver teekent geene gedachten aan. Het ligt echter voor de hand om aan te nemen dat zijne hoop, om andermaal als Onder-Koning te San-Domingo te komen grooter was. Als hij aan het Hof maar eenmaal Koningin Isabella gesproken had, dan zou deze stellig wel vergelijkingen maken tusschen hem en De Ovando, en de balans zou dan in zijn voordeel doorslaan. Met die hoop bezield verliet hij San-Domingo, en kwam na eene moeielijke en gevaarlijke reis den zevenden November 1504 ziek in Spanje aan, en terwijl hij te Sevilla in eenige dagen rust herstel zocht, ontving hij het bericht dat zijne hooge beschermster, op wie hij al zijne hoop gevestigd had, overleden was. Zij stierf den zesentwintigsten November van hetzelfde jaar.
Toen Columbus eenigszins hersteld was, schreef hij een’ brief aan Koning Ferdinand, om De Ovando te willen gelasten hem uitbetaling te doen van hetgeen deze zich wederrechtelijk had toegeëigend toen hij De Bobadilla in het opperbestuur verving. Hij was wel gedwongen om dat geld te vragen, want al zijne middelen waren met de laatste reis uitgeput, en toch hield men het er in Spanje voor, dat hij onnoemelijk rijk was.
Dat Columbus bij veel, wat hij deed, zijn eigen belang op het oog had, valt niet tegen te spreken, doch dat eigenbelang gold meer zijne eer dan zijne geldmiddelen. Zoo had hij op den laatsten tocht allerlei omwegen gemaakt om de zoogenaamde „Zeeëngte” te vinden, en kon hij daarom aan den Koning schrijven: „Niemand is bij machte om van dezen tocht een nauwkeurig verslag te geven. De kusten van het vasteland heb ik wel met het kompas opgenomen, maar niemand van het volk weet op welke breedte die kust ligt. De Stuurlieden mogen zeggen, als ze het kunnen, waar Veragua ligt. Het eenige, wat ze kunnen mededeelen is, dat ze aan eene kust geweest zijn, waar schatten van goud te vinden waren, doch als ze er weer heen wilden varen, zouden ze den weg aan de visschen moeten vragen.”
Had Columbus goud boven de eer gesteld, wat zijne manschappen graag gezien hadden, dan zouden ze inplaats van te zoeken hetgeen er niet was, hebben kunnen nemen, wat er in overvloed was. En wie het kleingeestig vindt, dat Columbus den afgelegden weg zoo geheim hield, die vergeet, dat de Admiraal maar al te veel de bittere ervaring opgedaan had, dat zijne benijders de voordeelen trokken van hetgeen hij gevonden had. Hij had, om het uit te drukken zooals het is, tegen eene onedele concurrentie te strijden. Ongaarne zou ik dan ook het oordeel van den Duitschen historie-schrijver, Adolf Streckfuss, als het mijne willen aannemen, waar deze in eene noot van zijne Algemeene Geschiedenis zoo maar klakkeloos neerschrijft: „Het was, helaas, den hooggeprezen, beroemden ontdekker van Amerika nooit te doen om der wetenschap en der menschheid een’ dienst te bewijzen, maar alleen om zijn’ eigenen, dikwijls hoogst bekrompen eigenbaat te bevredigen.”
Dat geheim houden van den koers van den laatsten tocht noemt Streckfuss een sprekend bewijs voor zijn veroordeelend woord.
In de berooide geldmiddelen van Columbus bracht Koning Ferdinand behoorlijk orde, maar toen de Admiraal bij hem aandrong om in al zijne waardigheden, ook in die van Onder-Koning van Hispaniola en de heele Nieuwe Wereld, hersteld te worden, volhardde de Koning, en dit was niet meer dan natuurlijk, bij zijn vroeger besluit. Columbus bezat nu eenmaal geen tact om te regeeren, en hem weer Onder-Koning maken, zou ongetwijfeld oorzaak geworden zijn van rampen en verliezen van allerlei aard.
Columbus, die zichzelven blijkbaar niet genoeg kende om in te zien, dat hem de eigenschappen van een goed Regent ontbraken, zag in des Konings weigering niets anders dan eene schending van beschreven beloften, en was niet tevreden te stellen met het behouden van zijn’ titel „Admiraal van den Oceaan”, zijn aandeel in de inkomsten, die Spanje uit de Nieuwe Wereld trok, en het aanbieden van een Graafschap in Castilië. Hij trok zich die zaken zeer aan, en daar hij door zijne gevaarvolle reizen, waarop hij, met den minste uit de bemanning, hetzelfde geleden had, oud, zwak en ziekelijk geworden was, zoo gaf die teleurstelling nieuw voedsel aan zijne ziekte. Zijn toestand werd met den dag bedenkelijker, en eindelijk overleed hij den twintigsten Mei 1506 te Valladolid, in den ouderdom van ongeveer zestig jaar.
Dat „ongeveer” wordt bijna bij alle schrijvers gevonden, doch daar dit woord, vooral hier, eene zeer rekbare beteekenis heeft, is het niet mogelijk door hem „ongeveer zestig jaar oud” te geven, daardoor met juistheid zijn geboortejaar te bepalen.
Hij werd begraven in het klooster San-Francisco te Valladolid, doch zeven jaar later werd zijn lijk overgevoerd naar het Carthuizer-klooster van Las Cuevas te Sevilla. In 1536 werd het lijk alweer overgebracht naar Hispaniola, om eene rustplaats te vinden in de Hoofdkerk van San-Domingo. Toen evenwel het eiland Hispaniola in 1795 aan de Franschen werd afgestaan, bracht men met zeer veel plechtigheid de laatste overblijfselen van Columbus, van zijn’ zoon Diego en van zijn’ broeder Don Bartholomeus naar de Hoofdkerk te Havana op het eiland Cuba.
Gedenkteeken van Columbus te Genua.

Zijn zoon Diego bekwam, èn door zijn proces tegen de Kroon, waarbij de gelegaliseerde papieren van zijn’ Vader uitnemend dienst deden, èn door zijn huwelijk met Maria van Toledo, eene dochter van een’ der voornaamste Spaansche Edelen, al de waardigheden, welke zijn Vader bekleed had, en werd derhalve ook Onder-Koning van de Nieuwe Wereld. Met een’ kleinzoon van dezen Diego stierf het geslacht van Christophorus Columbus in de mannelijke linie uit. Don Bartholomeus overleed in 1564 op hoogen leeftijd, als Directeur van de mijnen op Cuba. Waar en wanneer Don Diego, de broeder van Columbus stierf, vond ik nergens vermeld, en eveneens bewaart de geschiedenis het stilzwijgen over Columbus’ zoon Ferdinand, en is alleen van hem bekend, dat hij eene levensbeschrijving van zijn’ Vader gaf, en dat hij in 1546 op zijn kasteel aan een’ der oevers van den Guadalquivir overleed, eene bibliotheek van twaalfduizend boeken nalatende, welke hij aan een klooster te Sevilla vermaakte.
Te Genua, waar Christophorus Columbus waarschijnlijk geboren is, heeft men ter eere van den grooten ontdekker een prachtig gedenkteeken opgericht.