← Table of contents
Vóór vier Eeuwen

HOOFDSTUK VIII.

Reading edition

AMERIGO VESPUCCI.—COLUMBUS IN KETENEN.

Welk een verschil den dertigsten Mei 1498 op de reede van San Lucar de Barrameda aan den mond van den Guadalquivir, of den vijfentwintigsten September 1493 voor de haven van Cadiz. Nu een armzalig uitgerust vlootje, bemand met Spanjes uitschot, toen eene prachtige vloot, rijk van alles voorzien met eene bemanning, samengesteld uit Spanjes aanzienlijkste Edelen. Nu nergens geestdrift, toen alles vol opgewekt en vurig leven. Nu een Admiraal die schoppen uitdeelt en zijne oogen mismoedig over de zee laat waren, toen een Admiraal wiens mond niet stilstond met het vertellen van de heerlijkheden, die men zien, den roem, dien men behalen, den rijkdom, dien men zich verwerven zou, een Admiraal wiens vurige oogen reeds, aan gindsche zijde van den Oceaan, de schatrijke Indiën, die hij gevonden had, zagen.

Behalve de gewone matrozen en manschappen had Columbus nu slechts tweehonderd man geleide hij zich. Op de hoogte van Ferro zond hij drie zijner schepen onmiddellijk naar Hispaniola, want hij begreep dat zijne broeders in de Kolonie met reikhalzend verlangen naar toevoer van levens- en krijgsvoorraad zouden uitzien, al waren er ook in Januari reeds twee schepen heen gezonden.

Met de drie andere schepen zeilde hij naar de Kaap-Verdische Eilanden. Hij wilde ditmaal den tocht in eene richting maken, die veel zuidelijker liep, om het vasteland, dat in zijn oog het ware „goudland” was, op eene heel andere plaats te bereiken dan op den tweeden tocht. Hij verkeerde in de meening dat alle menschen daar zwart waren evenals de negers in Afrika.

Die zuidelijke koers bracht Columbus en de zijnen echter onder de Linie en in de gevaarlijke streek van windstilte en vreeselijke hitte. Deze laatste was werkelijk ondragelijk. Op het dek was er zelfs des nachts geen koeltje te voelen en beneden in het scheepsruim was de hitte zoo groot, dat de hoepels van de wijn- en watervaten sprongen. Te sterven aan dorst en aan hitte scheen ieders toekomst te zijn, en wanneer we nu in aanmerking nemen, dat de bemanning voor een groot deel uit moordenaars en dieven bestond, dan moeten we verbaasd staan, dat de Admiraal onder zooveel tegenspoed het hoofd niet verloor en den moed niet opgaf. Gelukkig kwam er een klein koeltje opzetten en de Admiraal hiervan gebruik makende, kwam nu onder den invloed van den passaat. Hij zag zelf wel in dat zijne schepen door eene hitte, die het pek uit de naden deed smelten, te ontredderd waren om nog zuidelijker te varen. Bovendien bevond men dat er den eenenderdigsten Juli op elk schip maar één vat water meer over was. Hij moest dus trachten zoo spoedig mogelijk land te bezeilen en een zucht van verlichting steeg uit aller borst toen de uitkijk des middags van denzelfden dag luide hooren deed: „Land vooruit!” Men kreeg eerst drie hooge bergtoppen in het gezicht, en het land, dat later bleek een eiland te zijn, ontving naar deze drie bergtoppen, den naam van „La Trinidad,” d. i. „De Drie-eenheid.” Pas den volgenden dag vond hij een’ geschikten ankergrond en zond nu sloepen aan wal om water in te nemen en eene plaats te zoeken waar de schepen konden gekalefaat worden. Water vond men, en de vreugde hierover deed vergeten, dat men genoodzaakt was met de ontredderde schepen verder te trekken, omdat er geene goede haven gevonden werd. Columbus stond verbaasd over den weelderigen plantengroei, dien hij hier aantrof, want hij had stellig verwacht eene landstreek te vinden, waar alles door de hitte verschroeid was. Dat viel hem tegen, want hij was het vreemde geloof toegedaan, dat het fijnste goud, de zuiverste edelgesteenten en de schoonste parelen alleen in zulk eene streek konden voorkomen. Zuidelijk van La Trinidad was nog eene kust zichtbaar en aanvankelijk hield Columbus dit voor een ander eiland. Hij vergiste zich echter zeer, want de kuststreek, die hij zag, behoorde wel degelijk tot het vasteland van Zuid-Amerika. Hij was hier aan de breede monding van den Orinoco, wiens melkwitte wateren tot op grooten afstand in den Oceaan nog zichtbaar zijn. De oevers van dezen machtigen stroom, wiens monding slechts honderdzestig uur van zijn’ oorsprong verwijderd is, doch welke zulk een’ bochtigen loop heeft, dat zijne heele lengte vierhonderd vijftig uur bedraagt, zijn schilderachtig schoon. Ook toen vertoonde de natuur er zich in volle pracht. Columbus was echter ziekelijk en behalve dat hij veel aan ontstoken oogen leed, werd hij ook erg gekweld door de jicht, zoodat de lust bij hem niet groot was om lang in deze streken te vertoeven. Hij wilde naar Hispaniola om daar, door eenige weken rust, tot herstel te komen om dan, als de jicht hem niet meer kwelde en de oogen weer hersteld waren, van Hispaniola uit, naar deze streken op ontdekkingen uit te gaan. Dat men in de kolonie behoefte aan krijgs- en levensvoorraad hebben zou, geloofde hij niet, want de drie schepen, die hij er van Ferro rechtstreeks heengezonden had, zouden nu reeds te Isabella aangekomen zijn. Maar de levensvoorraad, die hij met zijne schepen ook voor de Kolonie aan boord had, had door de hitte verbazend geleden en zou misschien geheel onbruikbaar worden, als hij den tocht in deze streken te lang voortzette.

Een Indianen-dorp ten tijde van Columbus.

Een Indianen-dorp ten tijde van Columbus.
Een Indianen-dorp ten tijde van Columbus.

Er werd dus besloten om slechts een deel van de kust langs te zeilen om de overtuiging op te doen, dat een nader bezoek aan deze streek de moeite loonen zou.

Het was een heerlijk, schoon land, dat Columbus en zijne reisgenooten te zien kregen, en op onzen Admiraal, die zoo gaarne aan zijne dichterlijke gedachten de vrije vlucht gaf en dan voor waarheid hield, wat toch eigenlijk niets anders was dan eene poëetische vinding, maakte dit land zulk een’ indruk, dat hij waande in de nabijheid van het Paradijs te zijn.

Over de plaats waar dit Paradijs eenmaal lag, werd in die dagen zeer veel getwist, zelfs door geleerden. Dat evenwel hunne uitspraken kant noch wal raakten, is duidelijk, omdat hunne kennis van de gedaante en oppervlakte der aarde zeer gebrekkig was. Eene algemeen aangenomen meening in Columbus’ tijd was, dat het Paradijs op de Oostkust van Azië gelegen had, en er eigenlijk nog lag. Bij den Zondvloed was het door zijne eigenaardig hooge ligging gespaard gebleven van de overstrooming.

Toen nu bij het aanschouwen van die schoone kust, waar zoo menig vriendelijk gelegen Indianen-dorp zich vertoonde de dichterlijke verbeelding des Admiraals opgewekt werd, begon hij ook naar den berg of de hoogte uit te zien waarop het Paradijs lag. Hij schreef zijne meening hierover aan de Monarchen, en om dezen duidelijk te maken, dat hij zich maar niet iets ongerijmds voorstelde, deelde hij hun de kersversche wetenschap mede: „De Aarde heeft den vorm eener peer en verlaat den bolvorm op de plek waar bij eene peer de steel zit, en in de nabijheid van de Linie, in den Indischen Oceaan, is het hoogste gedeelte en nadert de Aarde het meest den Hemel.”

Tot den vijftienden Augustus bleef Columbus zijn’ tocht langs de heerlijke kust voortzetten, en had hij gelegenheid om te zien, dat de inwoners hier veel beschaafder waren dan de inboorlingen van Hispaniola. Aanvankelijk ontweken ze bij het naderen der schepen hunne kustdorpen en namen de vlucht in de bosschen. Zij hadden nimmer zeilschepen gezien, en later bleek het, dat ze de schepen voor reusachtige waterdieren hielden, die niet alleen zwemmen, maar ook vliegen konden. De zeilen waren dan hunne vleugels, en in dat geloof moesten ze wel versterkt worden, als ze zagen hoe die „zeedieren”, als ze ophielden met zich voort te bewegen, de vleugels sloten. Elke beweging van de zeilen beschouwden ze als eene vrijwillige beweging met de vleugels. Om met de bewoners, die zich niet zien lieten, in aanraking te komen, liet Columbus den zesden Augustus op een deel der kust, waar zich sporen van landbouw vertoonden, eenige sloepen landden. De matrozen zagen uit alles duidelijk, dat kort geleden hier menschen moesten vertoefd hebben, want ze vonden zelfs vuren, die nog niet uitgedoofd waren. Eindelijk wierpen de schepen de ankers in de monding eener rivier uit, en thans zag men eene kano waarin een viertal mannen zaten, de karveel naderen, welke het dichtst bij den wal lag. Een zonderling middel om de kennismaking met deze menschen aan te knoopen, bracht de Kapitein van de karveel in practijk. Hij sprong van zijn schip in de kleine kano, die daardoor omkantelde. De Wilden trachtten zwemmende den oever te bereiken, doch werden door de Spaansche matrozen achterhaald en gevangengenomen. Sidderend en bevend verschenen ze voor Columbus, die hen vriendelijk toelachte, en na hun eenige valkenbelletjes, koralen en wat suiker gegeven te hebben, weer naar den wal liet brengen. Die geschenken hadden de gewenschte uitwerking, want de gevangengenomen Wilden hielden, toen ze alweer bij de hunnen waren, de geschenken, die ze gekregen hadden, niet verborgen, wat ze ook bezwaarlijk konden doen, daar ze geene kleederen droegen en de gordel om het middel geene zakken had om de valkenbellen te verbergen. Hun hoofd was gedekt met een voorwerp, dat van katoen gemaakt was. Nu eenmaal de vrees voor de vreemde dieren en de vreemde menschen overwonnen was, kwamen de Indianen van alle kanten opdagen, en met hunne kano’s, die soms heel aardig versierd waren, aan boord van de schepen. Ze maakten op Columbus en de zijnen een’ zeer gunstigen indruk. Hunne lichaams-gestalte, hoewel niet boven het middelmatige, was kloek en krachtig en tot groote verbazing van den Admiraal, die gedacht had hier, zoo dicht onder de Linie een verschroeid land en zwarte menschen, met wol in plaats van haar op het hoofd, te vinden, had hij al sinds eenige dagen gezien dat er van een verschroeid land in de verste verte geene spraak was. Hij zag daarenboven niet alleen menschen, die lang zwart haar hadden, maar die tevens eene huidkleur bezaten, welke al heel weinig verschilde met de gebruinde kleur zijner manschappen. Ja, er waren meisjes, zóó bevallig en schoon, en zóó blank, dat ze menige beroemde Andalusische schoone evenaardden, zelfs overtroffen. In het schieten met den boog waren ze zeer ervaren, en om hunne naakte lichamen tegen de pijlen der vijanden te beschermen, gebruikten ze een klein soort van houten schilden. Heel eigenaardig was ook het gebruik, dat ze van den neus maakten. Het zintuig van den reuk scheen, evenals alle andere zintuigen, sterk ontwikkeld te zijn, wat nog het geval is bij volken, die bijna in den natuurstaat leven. In plaats van, zooals wij zouden doen, de voorwerpen en menschen, die ons vreemd zijn, te betasten, begonnen zij alles te beruiken. Op de vraag, natuurlijk door teekenen gedaan, hoe hun land heette, gaven ze ten antwoord: „Paria!” en ze deelden meteen ook mede dat het land in het Westen veel sterker bevolkt was. Zij gaven Columbus wegwijzers mede om dat land op te zoeken, en toen hij en zijn volk er aankwamen, stonden ze letterlijk verbaasd op het gezicht van zooveel natuurschoon als hier heerschte. Natuurlijk was Columbus’ eerste werk om, nu hij aan wal gekomen was, het land voor zijne Monarchen in bezit te nemen, en dit geschiedde op dezelfde wijze, als bij gelegenheid, dat hij den eersten voet op het gebied der Nieuwe-Wereld zette. In de keuze der woorden was hij wel eenigszins vrij, omdat er omstandigheden konden zijn, die wijziging in eene voorgeschreven formule noodzakelijk maakten, doch de plechtigheden, die er mede gepaard gingen, waren wel degelijk voorgeschreven door het Hof waar eene zeer strenge etiquette heerschte. De toespraak van Columbus was steeds kort, en eindigde met een’ nieuwen eed van trouw door hem en zijne manschappen afgelegd. Later kwam het onder Don Alonzo De Hojeda in gebruik om eene ellenlange toespraak te houden in het bijzijn van de inboorlingen. De plechtige toespraak geschiedde in het Spaansch, waarvan de arme menschen natuurlijk geen woord verstonden, en als we dan lezen hoe de inboorlingen hunne plichten voorgeschreven werden tot in de kleinste bijzonderheden, dan klinkt het al zeer naïef, als het ten slotte luidt: „Indien gij het niet doet, of voorbedachtelijk en listig uitstelt, het te doen, verzeker ik u, dat ik met Gods hulp, u met geweld zal aanvallen, en u overal en op alle wijzen zal beoorlogen. Ik zal u onderwerpen aan de macht en aan de gehoorzaamheid der Kerk en van Zijne Majesteit. Uwe vrouwen en kinderen zal ik als slaven wegvoeren, en zoodanig over hen beschikken als Zijne Majesteit zal bevelen. Ik zal uwe bezittingen wegnemen en u al het leed en verdriet aandoen, dat in mijne macht is, omdat gij vasallen zijt, die hun’ Souverein niet willen gehoorzamen of erkennen, maar die zich tegen hem verzetten en hem tegenstand bieden. Ik verklaar bij deze, dat gij de ellende en jammeren, die ge langs dezen weg uzelven veroorzaakt, eenig en alleen aan uzelven en niet aan Zijne Majesteit, aan mij of aan deze krijgslieden, die mij vergezellen, zult te wijten hebben.”

Spanjaarden in de Nieuwe-Wereld, die den huldigings-eed zweren.

Spanjaarden in de Nieuwe-Wereld, die den huldigings-eed zweren.
Spanjaarden in de Nieuwe-Wereld, die den huldigings-eed zweren.

Het was gesproken, en of de inboorlingen er nu ook geen enkel woord van verstaan hadden, dat hinderde niet. Wanneer ze nu niet in alles naar den zin en wil van de Spanjaarden handelden, dan meenden deze laatsten in hun volle recht te zijn om hen, als oproerlingen te behandelen, want „met luider stem waren hunne verplichtingen afgekondigd.” Waarlijk, indien deze voorgeschreven toespraak niet in de archieven bewaard was gebleven, dan zou men niet kunnen gelooven, dat ze gehouden werd.

Ja, dat de heele toespraak van het begin tot het einde volgens de voorgestelde formaliteiten gehouden wàs, werd telkens door een’ Notaris verzekerd, en deze was dan verplicht hiervan een schriftelijk bewijs aan den Spaanschen Bevelhebber, die de toespraak hield, over te reiken. Men zou anders, wanneer men las, dat deze of gene ontdekkings-reiziger een’ Notaris bij zich had, lichtelijk kunnen vragen: „Wat doet nu toch zulk een Ambtenaar hier?” Thans weet men het. Er waren Notarissen bij elken ontdekkings-tocht om de rechten van de Spaansche Kroon op de gevonden landen tegenover alle vreemde Mogendheden vast te stellen. Dat de inboorlingen er niets van begrepen, leverde geen bezwaar op; er was aan den vorm voldaan en die vorm redde alles.

Nadat de plechtigheid van de huldiging afgeloopen was begon Columbus zich met de inboorlingen bezig te houden. Zij waren blijkbaar nog beschaafder dan die, welke hij reeds ontmoet had en tot zijne vreugde zag hij, dat ze ook heel andere versiersels bezigden. Om den blanken en sierlijken hals droegen de jonge vrouwen en meisjes snoeren van kostbare parelen, en de mannen hadden om hals, armen en beenen banden van een zeker soort van goud, dat ze „gaunin” noemden, en dat, zooals ze zeiden, afkomstig was uit een land, dat niet zoo heel ver af lag. Ook de parelen kwamen er vandaan, maar de bewoners van dat land waren menscheneters. Indien dit laatste waar was, wat nauwelijks te veronderstellen is, dan moeten het bijna wetenschappelijk ontwikkelde menscheneters geweest zijn, want later bleek dat „gaunin” een mengsel was van goud, zilver en koper, dat zelfs kunstig bearbeid was. Dat „gaunin” uit die bestanddeelen bestond, wist Columbus niet, maar dat belette hem niet te twijfelen aan de waarheid van hun beweren. Hij hield het ervoor dat ze hem niet zeggen wilden waar het „gaunin” en de parelen gevonden werden, omdat ze vreesden dat de vreemdelingen er hen van berooven zouden. Nu, de Spanjaarden gaven tot zulk een valsch beweren dan zelf ook aanleiding, want hunne begeerte om parelen en „gaunin” tegen allerlei snuisterijen te verruilen was te groot om zelfs de inboorlingen niet terstond te laten begrijpen, dat ze alles wegnemen zouden, als ze de plaats maar wisten, waar het te vinden was.

Columbus, die met het „gaunin” niet zooveel ophad, sloeg een begeeriger oog op de parelen, en hij hield zich overtuigd, dat deze kostbare voorwerpen hier in de nabijheid moesten gevonden worden. Immers, een geleerd Romein, Plinius, had eeuwen geleden reeds geschreven, dat parelen ontstonden door dauwdruppels, die tusschen geopende oesterschelpen vielen. Oesters vond men hier in menigte, en de dauw viel er sterker dan hij ergens elders gezien had. Hij zeilde daarom langs de kust verder in de hoop dat hij hier op „Paria”, dat hij steeds voor een eiland bleef houden, de plek vinden zou, waar de pareloesters leefden, en in de stellige meening dat hij hier in het land der parelen was, noemde hij eene der vele golven, die hij op dien tocht vond: „Parelgolf.”

Zijn zoeken was echter vergeefsch, en daar zijne oogen bovendien zoo ontstoken werden, dat hij bijna blind werd en hij genoodzaakt was om alles aan zijn’ Stuurman over te laten, wat zeer gevaarlijk was, omdat de zee op vele plaatsen buitengewoon ondiep werd, zoo besloot hij de verdere onderzoekingen voorloopig te staken en de reis naar Hispaniola aan te nemen. Was hij eenmaal dáár, dan zou hij tot volkomen herstel van zijne geschokte gezondheid en van zijne zieke oogen, rust nemen, en inmiddels zijn’ broeder Don Bartholomeus met karveelen, die niet zoo diep gingen als zijn Admiraalsschip, op verdere ontdekking van dit heerlijke land uitzenden.

Veel leed Columbus, maar de zieke oogen straalden van vreugde, als hij er aan dacht, welke schatten hij aan de Spaansche kroon brengen, en hoe hij dan een kostelijk loon op al zijn streven vinden zou.

Dat land der parelen deed hem denken aan de schriftelijke beloften, die hij bij de ontdekking der Nieuwe Wereld aan zijne Monarchen gedaan had, namelijk om te zorgen dat hij binnen zeven jaar uit de voordeelen, welke zijne ontdekkingen hem zouden aanbrengen, een leger van vijftigduizend man voetvolk en vijfduizend ruiters zou kunnen uitzenden om een’ nieuwen Kruistocht tegen de Ongeloovigen te doen, en het Heilige Land te heroveren.

De belofte was gedaan, en hij stond aan de grens van de zeven jaar, nu, zoo hij meende, verzekerd dat hij die belofte met ladingen parelen zou kunnen inlossen.

Arme man, hoe zou hij bedrogen uitkomen! Maar hoe blijkt het alweer uit deze onvoorzichtige belofte, dat hij bij al zijne kennis, al zijn’ moed, al zijne ervarenheid, in vele opzichten een onpraktisch man was, die zich aan allerlei dichterlijke droomen overgaf. Zulk een man, het kon niet anders, was niet berekend om de gewichtige en moeielijke betrekking van Onder-Koning te bekleeden. Hij moest al zijn wenschen en hopen, meestal door eigen schuld, zien mislukken; want wie niet, als hij, zulk eene dichterlijke verbeelding had, diende hem wel voor een’ grootspreker of bedrieger te houden. De tegenstand, dien hij vond, ging werkelijk niet altijd van kwaadwillige en hebzuchtige menschen uit.

Aan dat alles dacht echter onze gelukkige Admiraal, vooral op dit oogenblik, niet.

Den negentienden Augustus kwam hij, door sterke stroomen en door eene miswijzing van het kompas, of mogelijk wel, omdat hij zelf, zoo goed als blind, den koers niet bepalen kon, op een zeer afgelegen deel van Hispaniola aan, en terstond zond hij een scheepje af naar Isabella om Don Bartholomeus bericht te geven van de aankomst van hem, den Admiraal.

Reeds vóór zijn broeder bij hem kwam, zag Columbus een’ inlander, die met een’ Spaanschen kruisboog gewapend was, en terstond rees de bange gedachte bij hem op: „Zou ik wellicht te Isabella een tweede La Navidad vinden?”

Die gedachte was niet zoo ongegrond. Hoe kwam die inlander aan een’ kruisboog? Het zou immers al te groote dwaasheid geweest zijn om de Indianen, die reeds overvloedige bewijzen gegeven hadden van hunne vijandelijke gezindheid, te oefenen in den handel met wapenen, die dienen moesten om hen in bedwang te houden. Had die Indiaan evenwel een’ Spanjaard gedood om zich van zijn’ boog meester te maken, dan was het nog erger, want dan leverde immers hij het bewijs, dat de Kolonisten gedood of onmachtig waren om den overmoed der Indianen met afdoende middelen te keer te gaan.

Tot den dertigsten van die maand bleef Columbus, die slechts langzaam verder zeilde, in eene pijnlijke onzekerheid. Op dien dag echter kwam Don Bartholomeus bij hem aanboord en vernam hij van dezen dat de toestand der Kolonie hachelijk stond.

Wat was er dan toch gebeurd?

Heel veel.

Twee ijverige Monniken hadden op het eiland het Christendom gepredikt en het geluk gehad, een gezin van zestien personen te bekeeren. Nu wendden zij zich met hunne pogingen tot den machtigen Kazike Guarionex. Deze hield zich aanvankelijk, alsof hij wel ooren had naar de Leer van het Kruis, en leerde het Pater noster, het Ave Maria en het Credo. Hij gaf zijne huisgenooten niet alleen bevel dit ook te leeren, maar beval tevens, dat men het elken dag driemaal moest opzeggen. De ijverige Monniken waren vol hoop, doch zagen weldra zich deerlijk teleurgesteld. De een zegt, dat de naburige Kaziken hem er toe kregen om niet meer naar de Monniken te luisteren, terwijl een ander beweert, dat een Spanjaard de lievelingsvrouw van den Kazike beleedigd had. Het laatste schijnt het meest de waarheid nabij te komen. Zooveel is echter zeker, dat de Monniken hunne pogingen opgaven en elders heentrokken. Zij namen het hoofd van het bekeerde gezin mede, doch lieten vooraf voor de vijftien achterblijvenden eene kleine kapel oprichten. Nauwelijks echter waren de Spanjaarden vertrokken of de inlanders vernielden het gebouwtje en begroeven het altaar, het crucifix en een paar Heiligen-beeldjes in den grond.

Deze daad moest streng gestraft worden. De plunderaars werden opgezocht, en toen men hen gevonden en gevangengenomen had, werden ze veroordeeld, levend verbrand te worden, welk vonnis ook aan hen voltrokken werd.

De Indianen besloten nu den dood hunner broeders te wreken. Zij vereenigden onder hunne Kaziken de verschillende benden en bedreigden de fortjes, die Don Bartholomeus had laten aanleggen. Toen de Adelantado hiervan bericht kreeg, besloot hij, omdat de Kolonisten door gebrek aan goed voedsel misschien niet bestand zouden zijn om de opstandelingen te bestrijden, de Kaziken door list gevangen te nemen. Die list gelukte, en de opstand werd daardoor den kop ingedrukt.

Nu liet de Adelantado het bevel zijns broeders ten uitvoer leggen en bouwde aan den mond der rivier Ozema, in de nabijheid der goudmijnen, de stad San-Domingo, en toen deze voltooid was, besloot hij met een groot gevolg eene reis te maken naar het machtige rijk Xaragua, dat ten Westen van Hispaniola lag en nog nimmer door Spanjaarden bezocht was. Wat zou men er ook doen? Schoon moest het er zijn, onvergelijkelijk schoon en vruchtbaar. Wat men eenmaal onder de beschaafde Grieken en Romeinen de „Elyseesche Velden” noemde, dat was Xaragua voor Hispaniola. Maar, men vond er geen goud en slechts katoen, bloemen, heerlijke vruchten en visch.—Over Xaragua regeerden de Kazike Behechio en zijne zuster, de beeldschoone Anacaona, weduwe van den bekenden Caonabo. In Xaragua aangekomen, werden Don Bartholomeus en de zijnen ingehaald door een groot aantal jonge meisjes van buitengewone schoonheid, en de ontvangst was zoo hartelijk, als men maar wenschen kon. Na daar te midden van zooveel schoons eenigen tijd doorgebracht te hebben, kwam de Adelantado onzen Behechio mededeelen, dat hij hem voortaan ook schatting in katoen moest opbrengen. Behechio had hierin niet veel lust, doch Anacaona, die wist hoe haar echtgenoot door zijn’ opstand tegen de Spanjaarden zichzelven slechts schade berokkend had, gaf haar broeder den raad om de schatting te voldoen. De Kazike luisterde er naar en zeide, dat hij bericht zenden zou als de schatting bijeen was. Thans vervolgde de Adelantado zijne reis, doch toen hij eenigen tijd daarna te Isabella aankwam, vond hij er een treurig tooneel. Wel driehonderd der Kolonisten waren aan koortsen bezweken of leidden een treurig leven tengevolge van gebrek aan het noodige voedsel. Gelukkig brachten de drie schepen onder bevel van Nino eenige verademing, doch weldra was de aangebrachte voorraad verteerd. Nu nam het gebrek alweer onrustbarende verhoudingen aan. Men begon te morren en te klagen, dat Columbus te midden van de feesten aan het Spaansche Hof, de Kolonie geheel vergat. Dat hij-zelf daar in Spanje leed onder allerlei tegenwerking en teleurstelling, bevroedde niemand. Dat bevroedde zelfs Ridder Francisco Roldan niet, en deze had toch zeer goed kunnen weten dat de oorzaak van al de ellende onmogelijk bij Columbus gezocht moest worden.

Toen Columbus nog bij zijne tweede reis op Hispaniola vertoefde, was Roldan dagelijks met hem in aanraking geweest, en hij had zooveel werkkracht en zooveel goeden wil getoond, dat de Admiraal hem meer dan anderen genegen was. Die genegenheid droeg vruchten, want toen Columbus naar Spanje vertrok, benoemde hij dezen Roldan tot Opperrechter, en beval hem zijn’ broeder aan, als een man, die zijn volste vertrouwen verdiende. Columbus had echter in de keuze van Roldan andermaal getoond hoe bitter weinig menschenkennis hij bezat, want Roldan behoorde tot zijne grootste vijanden, en pas was de Admiraal weg, of de valschaard begon reeds zijne rol te spelen. En toen ten slotte, door gebrek en ziekte, de ellende der Kolonie ten top gestegen was, beschuldigde hij Don Bartholomeus en diens broeder Don Diego van allerlei oneerlijke handelingen ten opzichte der Kroon, en wist hij verscheidene Kolonisten over te halen om met hem alle gehoorzaamheid aan den Adelantado op te zeggen.

De sluwe Kaziken, hoewel nog buiten den twist gehouden, zagen zeer goed hoe erbarmelijk zwak de toestand der heele Kolonie was, zoodat Don Bartholomeus, wilde hij althans van Isabella geen tweede La Navidad gemaakt zien, verplicht was om tegenover de opstandelingen met de uiterste gestrengheid op te treden.

In dien treurigen toestand vond de Admiraal de schoone Kolonie, toen hij er den laatsten Augustus aankwam.

En hier was hij dan nu gekomen om uit te rusten en van zijne ziekten te herstellen!

Roldan zelf hield zich ver van Isabella buiten het bereik des Admiraals, doch zijn aanhang was over het geheele eiland verspreid en leefde daar in de liederlijkste ongebondenheid. Vooral was het heerlijk schoone Xaragua het tooneel waarop Roldan en de zijnen hun brooddronken leven leidden. Op zekeren dag zagen zij drie schepen naderen. In het eerst meenden ze, dat de Adelantado die op hen afgezonden had, doch weldra wisten ze dat het de drie schepen waren, die Columbus vooruit gezeild waren om de Kolonie terstond van krijgs- en levensvoorraad te voorzien. Roldan begon hier zijne rol nu nog uitgebreider te spelen, en weldra had hij door list het scheepsvolk, dat uit de grootste deugnieten bestond, overgehaald om hier te blijven, en niet naar de ongeluksstad Isabella te gaan. De bemanning der schepen, die door allerlei tegenspoeden afgedwaald en nu pas op dit punt aangekomen waren, verkoos natuurlijk dat „Luilekkerland”, en de samenzwering was al in vollen gang, toen de Kapiteins der schepen er alles van te weten kwamen. Het was te laat, en verscheidene deugnieten in Xaragua achterlatende, omdat ze geene kans zagen, hen weer aanboord te krijgen, zett’en ze koers naar San-Domingo, waar ze met een’ voorraad van bedorven levensmiddelen eindelijk aankwamen.

Thans was de ellende ten toppunt gestegen, en Columbus wist geen’ anderen uitweg dan de schepen waarmede hij gekomen was, naar Spanje terug te zenden. Hij zou brieven aan de Monarchen medegeven, waarin hij een onbewimpeld verslag van den stand van zaken zou doen. Eenmaal hiertoe besloten, vroeg hij aan zijne Souvereinen om een kundig man, als Opperrechter, naar Hispaniola te sturen, ten einde deze de bestaande geschillen beslechten zou, en hij eindigde zijn’ brief met den raad om, als die Rechter er niet in slaagde, de rebellen dan eenvoudig te verdelgen. Met deze schepen gaf Roldan evenwel ook brieven aan de Koningin en den Koning mede, en hierin had de geslepen Rechtsgeleerde allerlei beschuldigingen tegen den Admiraal en zijne broeders aangevoerd. De leeperd wist bovendien hoe hij het aanleggen moest om bij Koningin Isabella een gunstig gehoor te erlangen. Hij deed zich voor als iemand, die in zijne betrekking van Opperrechter gestadig te worstelen had met den Admiraal en zijne broeders om geene arme inboorlingen als slaven aanboord der schepen naar Spanje te zenden, omdat zulk eene onbarmhartige handelwijze een’ Christen onwaardig was. Het was heel gemoedelijk van Roldan, en zijne woorden zou Columbus zelf bevestigen, want met de terugkeerende schepen gaf hij een groot aantal gevangenen mede om die in Spanje, als slaven te verkoopen. Dat deze meeste gevangenen daar gekomen waren, omdat zij geweigerd hadden, schatting te betalen, dat verzweeg Roldan, en nog veel minder maakte hij bekend, dat hij-zelf en niemand anders het geweest was, die de arme Indianen ingeblazen had, geene schatting te betalen, zoodat hij feitelijk de oorzaak was, dat die lieden, als veroordeelde opstandelingen, naar Spanje gevoerd werden.

Met die schepen, waarop een groot aantal ontevredenen naar Spanje terugkeerden, doen we ook die reis en verlaten dus voor een oogenblik den grooten man, die op een ongelukkig oogenblik zijne aangewezen betrekking als landontdekker vereenigd had met die van gezaghebber. Hij had het nooit moeten doen, want hij miste geheel den tact om met zulk een hoog gezag bekleed te worden, waar hij, als vreemdeling, dagelijks aan laster en naijver bloot stond. Het was evenwel niet geheel zijne schuld, want echte Spanjaarden, van ouden stam en onverdachten Adel, zouden naderhand ondervinden, dat zij zichzelven ongelukkiger maakten, naarmate ze meer deden, meer landen ontdekten, meer voordeel aan de Kroon bezorgden. Het ellendige goud was oorzaak, dat te midden van zooveel edels en schoons, tienmaal meer onedels en slechts zich vertoonde, dat daden, die ons met bewondering vervullen, met groven ondank beloond werden.

Zooals te denken is, brachten de ongelukkige brieven aan het Hof niet veel goeds voor Columbus, en vooral Koningin Isabella was vertoornd dat hij steeds voortging met slaven naar Spanje te sturen, en dan nog wel zulke onschuldige (?) menschen, zooals uit de brieven van Roldan ten duidelijkste bleek. Welk een man was dan toch die Genuees, die Spanjaarden schopte, onschuldige inboorlingen tot slavernij doemde, en ten slotte in zijn’ brief kon spreken van een „verdelgen” van de oproermakers? Haar eerste bevel was om al de slaven naar de Nieuwe Wereld terug te zenden en hen daar weer vrij te laten.

Een geleerd Rechter naar de Indiën zenden, dit had Columbus zelf gevraagd, en daardoor een bewijs van eigen onmacht gegeven. Geheel met hem breken, neen, dat wilde Koning Ferdinand niet, maar dat wilde stellig en zeker Koningin Isabella ook niet. Wel kon ze niet meer voor hem zijn, wat ze vroeger geweest was, maar vergeten welke groote daden hij verricht had, dat ging niet.

Er werden terstond aanstalten gemaakt om De Bobadilla naar de Nieuwe Wereld te zenden, maar als altijd was er geen geld genoeg om den nieuwen Stadhouder, want dat was hij door de brieven, die hij medekreeg, metterdaad, met een eskader, dat aan zijn’ rang paste, naar Hispaniola over te brengen. Het werd zelfs Juni van het jaar 1500 eer hij kon afreizen, en in dien tusschentijd was er in Europa andermaal een groot nieuws verbreid.

De tijding dat Columbus door steeds het Westen in te zeilen de lang gezochte Indiën gevonden had, was voor de ondernemende Portugeezen geene reden geweest om nu moedeloos hunne ontdekkingsreizen te staken. Met allen ernst hadden ze hun doel vervolgd, en met den besten uitslag waren hunne pogingen bekroond: Vasco De Gama had om Afrika’s Zuidpunt heen óók de Indiën gevonden, en de berichten van die ontdekking waren van zulk een’ aard, dat de Spanjaarden zelven moesten erkennen, dat de Indiën, van die zijde genaderd, meer gelijkenis hadden met de landen door Marco Polo beschreven, dan het deel der Indiën dat men gevonden had, het Westen inzeilende. Intusschen, de Portugeezen waren nu óók in de Indiën, en dit feit kan strekken om de handelingen der Spaansche Monarchen ten opzichte van Columbus eenigszins te vergoelijken. Als Columbus het land al niet regeeren kon wanneer de Portugeezen hem niet bemoeielijkten, hoe zou hij het dan kunnen, als de Portugeezen er werkelijk ook kwamen? Men begreep wel dat die ontmoeting nog wel niet in de eerste weken of maanden plaats hebben zou, omdat de afstand tusschen de Oostelijke en Westelijke kusten van de Indiën onbegrijpelijk groot was, maar de ontmoeting moest eenmaal plaats hebben, dat kon niet anders, en in dat geval diende er aan het hoofd der Spaansche Indiën een man te staan, die Spanjes gezag met macht en kracht wist te handhaven. En hoe men over Columbus ook denken mocht, niet één zou durven beweren, dat hij in dit geval de rechte man was om de orde te bewaren.

In Spanje had evenwel nog iets meer plaats gegrepen. Columbus had in een’ zijner brieven ook een wijdloopig verhaal gedaan van de landen, die hij op zijn’ laatsten tocht gevonden had. Op de gewone manier had hij zich vaak aan allerlei dichterlijke bespiegelingen overgegeven en die voor waarheid gegeven. Vooral dat Paradijsachtige van de landen, die „Paria” genoemd waren, en den schat van parelen, dien men daar vinden zou, had hij met de sprekendste kleuren gemaald, en menigeen brandde van verlangen om dat heerlijke Paria op te zoeken. Geen evenwel wenschte dit zoo vurig als onze bekende Don Alonzo De Hojeda, die niet met Columbus op de derde reis medegegaan was. Maar onze avontuurlijke Ridder miste, wat het noodigste was om zulk een’ tocht te doen, en dat was geld. De overeenkomst tusschen de Monarchen en Columbus, dat niemand der Spanjaarden bijzondere ontdekkings-reizen mocht doen, bestond, dat wist heel Spanje en dat wist De Hojeda ook, maar wat zou die overeenkomst? Was ze niet gesloten tusschen de Monarchen eenerzijds en den Onder-Koning anderzijds? Was Columbus door de benoeming van De Bobadilla niet van zijne waardigheid ontzet en slechts „Admiraal van den Oceaan” gebleven? De overeenkomst had derhalve hare kracht geheel verloren, en als hij nu maar een’ machtigen steun verkrijgen kon, dan zou hij, De Hojeda, wel uitzeilen om dat Paria te vinden en aan de Kroon van Spanje te brengen.

Die machtige steun was spoedig gevonden in zijn’ neef, den Eerwaarden Vader Alonzo De Hojeda, een der Groot-Inquisiteurs van Spanje, en wat meer zegt, een der beste vrienden van Bisschop Don Juan Rodriguez De Fonseca, den volhardenden tegenstander van Columbus.

De Fonseca gaf, zeker wel met goedvinden van Koning Ferdinand, aan onzen avonturier een’ lastbrief, waarin hij gemachtigd werd om eene vloot uit te rusten, ten einde het vasteland van Amerika nader te onderzoeken. Waar De Bobadilla uit geldgebrek der Kroon nog niet uitzeilen kon, daar was het De Hojeda duidelijk, dat hij bij de Kroon niet om geldelijke bijdragen behoefde te komen. De rijke kooplieden van Sevilla zouden hem evenwel helpen aan het uitrusten der schepen, want er waren, als hij die Parel-landen vond, groote voordeelen van te verwachten. De naam van den dapperen Alonzo De Hojeda was in heel Spanje bekend, en weldra had hij dan ook aanboord van vier schepen, die te Port Santa-Maria in de nabijheid van Cadiz lagen, manschappen zoo goed als hij ze maar wenschen kon, want wie der zeelieden nog aarzelde om onder bevel van een’ Ridder dien tocht te maken, die aarzelde niet meer toen hij wist, dat Juan De la Cosa, als Eerste stuurman de reis zou medemaken. Afkomstig van Biscaye en als het ware op zee geboren en oud geworden, stond hij als Spanjes beste Stuurman bekend, terwijl hij daarenboven in de Indiën geen vreemdeling was, omdat hij de heele tweede reis met Columbus had medegemaakt.

Den twintigsten Mei 1499 ging Alonzo De Hojeda onder zeil. Geholpen door de kennis van zijn’ Eersten stuurman, zijne eigene ervaringen en de kaarten en aanwijzingen van Columbus zelven, kwam De Hojeda, na eene voorspoedige reis van eenentwintig dagen, in dat gedeelte van de Nieuwe Wereld aan, hetwelk thans Guyana heet, doch wat hij er vond, geen goud en geene parelen. Het doel van den tocht was dus niet bereikt, doch den zorgloozen en verkwistenden De Hojeda was het meer om avonturen dan om schatten te doen. Hij zette daarom spoedig den tocht voort, leverde op een der Caraïben-eilanden slag met de inboorlingen, die zich dapper verweerden, doch het onderspit moesten delven, en kwam eindelijk bij een eiland, dat hij den naam gaf van „Giganten-” of „Reuzen-eiland”, omdat het, zoo het heette, bewoond werd door menschen „waarvan elke man een Antaeus en elke vrouw een Penthesiléa was.” Naderhand kreeg dit eiland den naam van Curaçao, doch niemand heeft er ooit een’ man of eene vrouw gevonden, die aan de personen uit de fabelleer Antaeus of Penthesiléa deed denken. Toch was hij, die dit in zijn dagboek „Quatuor navigationes” schreef, een man, die zich later bekend maakte door nog enkele tochten in de Nieuwe Wereld te doen en van die tochten uitvoerige beschrijvingen te geven. Het was Amerigo Vespucci, en naar dezen man kreeg het nieuwe werelddeel den naam van Amerika.

Amerigo Vespucci. (Geb. 1451, overl. 1512.)

Amerigo Vespucci. Geb. 1451, overl. 1512.
Amerigo Vespucci. Geb. 1451, overl. 1512.

Amerigo Vespucci werd in 1451 te Florence geboren, en betoonde al heel vroeg eene groote voorliefde te hebben voor de studie der natuur-, aardrijks- en sterrenkunde. Hij was afkomstig uit een aanzienlijk geslacht, niet onbemiddeld, en trachtte door reizen in Europa zijne kennis uit te breiden. In 1490 bevond hij zich in Spanje en bleef daar tot 1499, wanneer hij zich als Stuurman inscheepte met Don Alonzo De Hojeda. Reeds het volgende jaar was hij weer in Spanje terug om eenige weken later een’ nieuwen tocht naar de Indiën te doen, bij welke gelegenheid hij enkele eilanden ontdekte. Die tocht werd nog door eenige andere reizen gevolgd, en daar hij den slag had om op eene luchtige en vroolijke manier te vertellen, zoo werden de boeken, waarin hij zijne reizen beschreef, weldra in alle landen van Europa gelezen. De boekhandelaar Martin Waldseemüller, die de werken van Vespucci, in het Duitsch vertaald, opnam in een grooter boek, schijnt het voorstel gedaan te hebben om het nieuw gevonden werelddeel, waarvan men toen reeds wist, dat het niets met de Indiën te maken had, den naam van „Amerika” te geven. Dat is zeker, dat de naam „Amerika” reeds voorkomt op kaarten van 1520 en 1522. Ongetwijfeld was deze Amerigo Vespucci een zeer geleerd man, doch als ontdekker heeft hij toch veel te weinig gedaan om zijn’ naam aan de Nieuwe Wereld gegeven te zien. Het heeft daarom, vooral in den laatsten tijd, niet aan geleerden ontbroken, die vroegen: „Is het wel waar, dat Amerika naar dezen Amerigo genoemd is?” Sommigen zijn er toe gekomen om het sterk te betwijfelen en wijzen op vele namen in Middel-Amerika, die op ique en acao eindigen. Anderen weer houden het ervoor, dat de naam afgeleid is van „Amarca”, wat de heilige naam der Peruanen was. Het zal evenwel een zoeken en gissen blijven, en al vinden we het nu jammer, dat dit groote werelddeel niet „Columbia” heet, het zal niet baten, en „Amerika” zal het wel blijven heeten.

Na deze noodzakelijke uitweiding tot De Hojeda terugkeerend, treffen wij hem aan voor eene diepe en wijde golf. Stoutmoedig zeilde hij de golf binnen en bevond dat ze veel eer op een kalm meer dan op eene zee geleek, en naarmate hij er dieper in kwam werd het water steeds kalmer. Eensklaps echter werden op een’ morgen aller oogen getrokken door een dorp, dat midden op het water gebouwd was. Zulk een dorp van paalwoningen was in De Hojeda’s tijd een zeer vreemd iets en bijna vier eeuwen moesten nog na hem verloopen om de ontdekking te doen, dat diezelfde paalwoningen ook in de Europeesche meren, inzonderheid in de Zwitsersche en Italiaansche gebouwd werden, toen Europa nog slechts in de Grieksche gedeelten beschaafd was. Op het gezicht van die paalwoningen dacht De Hojeda onwillekeurig aan Venetië, dat ook op het water gebouwd was, en terstond gaf hij deze streek den naam van „Venezuela”, dat „Klein Venetië” beteekent. De inwoners echter, die eerst zeer schuw in hunne woningen bleven, doch al heel spoedig een’ aanval op de vreemdelingen waagden, welke natuurlijk in hun nadeel uitviel, noemden het land „Coquibacoa.” Na dit gevecht drongen de Spanjaarden de golf steeds dieper in en kwamen eindelijk in het Meer van Maracaïbo, waar de inwoners buitengewoon vriendelijk waren en alles deden, wat ze konden om den vreemdelingen te behagen. Merkwaardig mag het genoemd worden, dat De Hojeda in het verslag van zijne reis melding maakt van Engelsche reizigers, die hij te Coquibacoa ontmoette. Dit bericht bracht in Spanje heel wat pennen en gemoederen in beweging, want, hoe kwamen die Engelschen daar? Wanneer De Hojeda zich niet vergist had, dan hadden die Engelschen immers niet veel meer dan den draak gestoken met de Pauselijke bul, die alleen aan Spanje en Portugal het recht gaf om de landen, aan den Atlantischen Oceaan en in de Indiën gelegen, te bezoeken, er handel op te drijven en ze zich toe te eigenen. Er werden dan ook terstond maatregelen genomen om de Engelschen te beletten de Indiën te naderen. Intusschen is in de Engelsche geschiedenis niets bekend van dien tocht, zoodat De Hojeda vermoedelijk de blanke inlanders met Engelschen zal verward hebben. Een ander vermoeden bestaat er ook nog, doch dat zal eerst geopperd worden in een volgend hoofdstuk, als we over Giovanni Caboto en van zijn’ beroemden zoon Sebastiano met enkele woorden spreken.

Het kostte De Hojeda en den zijnen groote moeite om van deze goedige menschen te scheiden en dit heerlijke land te verlaten, en als we dat lezen, dan overvalt ons een gevoel van treurigheid bij de gedachte, dat later, door de ellendige gouddorst der Spanjaarden, deze menschen halve duivels werden en dat, vier eeuwen na de ontdekking, deze landen de broeinesten van jammer, ellende en revolutie zijn. Hoe bitter wreed werd het Paradijsachtige leven van deze goedige en gelukkige menschen verstoord! Waarlijk, wie er ook jubelen mogen bij het vierde eeuwfeest van Amerika’s ontdekking, de weinige nakomelingen van de oorspronkelijke bewoners hebben er allerminst redenen toe. Bij het gejubel der Blanken mogen zij weenen bij de bouwvallen van hun voormalig Paradijs. En hoe lang nog? Met ieder jaar dringen de Blanken steeds verder, en wijken de Indianen. Met ieder jaar neemt hun aantal af, want allerlei ziekten, door Europeanen aangebracht, dunnen op eene verschrikkelijke wijze hunne gelederen. Het viel bijna allen ontdekkers op, dat de inboorlingen niet door de pokken geschonden waren; die ziekte kenden de Indianen niet, doch de Europeanen brachten ze over, en geene ziekte woedde er ooit heviger onder hen dan juist deze.

Al wat laag en liederlijk was, mocht bij hen bijna onbekend heeten, doch het uitschot van volk, dat de Spaansche Regeering naar deze landen zond, was oorzaak, dat de inboorlingen er mede bekend werden, en, als Renegaten in de ondeugd, toonden ze ook de eigenschappen van Renegaten te hebben, en overtroffen ze weldra hunne leermeesters.

Na dit heerlijke land verlaten te hebben, zette De Hojeda zijn’ tocht nog een eindweegs voort, doch besloot toen om den steven naar Hispaniola te richten. Het lijkt onschuldig maar het was alles behalve onschuldig. Wat De Fonseca had durven doen, hij had den moed niet gehad, De Hojeda vrijheid te geven om te reizen waar deze wilde. In zijn’ lastbrief stond uitdrukkelijk vermeld, dat hij geene landen mocht aandoen, welke door de Portugeezen in bezit genomen waren, en ook geene, die door Columbus vóór 1495 ontdekt werden. Den inhoud van zijn’ lastbrief volgende, mocht hij derhalve niet op Hispaniola komen. Hij was evenwel de man niet om te vreezen dat die overtreding hem kwaad zou doen. Hij kende Koning Ferdinand; hij wist wie De Fonseca was, en bovendien begreep hij zeer goed, dat Columbus op dat eiland op geene rozen sliep, en dat hij, om het eens platweg uit te drukken „Onder-Koning af” was, en dat de toestand in de Kolonie nog ellendig zou zijn.

En wel was die toestand meer dan treurig. Bijna door allen verlaten, was Columbus genoodzaakt om met Roldan en de zijnen een soort van vergelijk te treffen, doch wie nu weet welk een man die Roldan was en welk een geest zijn’ aanhang bezielde, moet terstond inzien, dat een deugdelijk vergelijk tot de onmogelijkheden behoorde en dat er telkens nieuwe twisten moesten ontstaan. Roldan, door Columbus weer als Opperrechter hersteld, vervolgde den aanhang van Columbus zooveel hij kon, doch van de lieden, die tot zijne partij behoorden zag hij alles door de vingers. De vriendelijkheid en toegevendheid van Columbus jegens hem telde hij niet; hij wist dat Columbus hem bij de Monarchen aangeklaagd en tevens op zijn ontslag aangedrongen had. Wel kwam er uit Spanje geen antwoord, doch eenmaal zou het komen, en dan zou, òf Columbus, òf hij moeten wijken. Maar hij kende de kaart van zijn land al te goed en kon bijna voorspellen, dat alles eindigen zou met den val van den Admiraal. Er zat voor hem, hoe hij de zaak beschouwde, geen voordeel in om te trachten weer in de gunst van den Onder-Koning te komen. Zóó stonden de zaken toen Columbus besloot naar Spanje terug te keeren. Hij was zwak en ziekelijk en gevoelde zich onmachtig om de zaken met vaste hand te besturen. En wat wilde hij nu? Het Onder-Koningschap over de Indiën was in zijn geslacht erfelijk verklaard en aan het Spaansche Hof diende zijn zoon Diego als Page. Diego was nu geen kind meer, maar een jongeling vol kracht. Hem zou Columbus halen; samen zouden ze dan de Indiën besturen en Don Diego zou van alles volkomen op de hoogte zijn, als de Vader het moede en matte hoofd voor altijd te slapen legde. Die Vader gevoelde het wel, dat zijn levensuurwerk spoedig afgeloopen zou zijn.

Aan dit voornemen werd evenwel geen gevolg gegeven, want onverwachts kwam er tijding, dat er in het Westen van het eiland vier vreemde schepen aangekomen waren en meteen verspreidde zich het gerucht, dat enkele Kaziken weer plan hadden om tegen de overheersching op te staan. Nu zond hij nog twee karveelen naar Spanje met mannen, die niet in de Kolonie wenschten te blijven. Het was niet veel meer dan gespuis, dat van die gelegenheid gebruik maakte, en dat, in Spanje gekomen, niet nalaten zou om allerlei beschuldigingen tegen Columbus en zijne broeders in te brengen. Om het kwaad, dat ze hem brouwen zouden, zooveel mogelijk te voorkomen, deed de Onder-Koning twee zijner getrouwen de reis medemaken. Ze waren Miguel Ballester en Garcia De Barrantes. Met opzet worden die twee mannen hier genoemd, omdat ze waarlijk edele harten bezaten en nog nimmer bezweken waren voor de schoone beloften van Roldan. Deze twee getrouwen kregen brieven van Columbus aan de Monarchen mede, en hierin vroeg Columbus nogmaals om toch een Opperrechter te zenden. Hij verklaarde er in dat hij en zijne broeders van wreedheid beschuldigd werden, doch dat zijn geweten hem daarvan niet alleen vrij sprak, maar hem zelfs verweet te zachtmoedig en te toegevend te zijn. Zond men nu een eerlijk en geleerd Opperrechter dan zouden Roldan en de zijnen inzien, dat ze valsche beschuldigingen ingebracht, en dat hij, de Onder-Koning, en zijne broeders het recht niet met voeten getreden hadden. Welk een geworstel!

De karveelen vertrokken en Columbus moest nu weten welke schepen er in het Westen van het eiland aangekomen waren. Spoedig vernam hij, dat hij met een eskader te doen had, dat onder bevel van Don Alonzo De Hojeda stond. Columbus kende dien man en wist dat hij tot alles in staat was, en daarom zond hij er Roldan heen om dien gevaarlijken gast weg te krijgen. Roldan nam die taak gaarne op zich en vertrok met twee karveelen naar het genoemde punt en wist De Hojeda, die met slechts vijftien man aan den wal was, zoo te verrassen, dat hij niet meer naar zijne schepen kon terugkeeren. De Hojeda, door de inwoners gewaarschuwd, was de man niet om den moed te verliezen, en hij kende Roldan ook genoeg om te weten hoe hij de zaak moest aanleggen om niet in moeielijkheden te komen. Zoo brutaal mogelijk ging hij Roldan tegemoet en toen deze hem vroeg om den vrijbrief te toonen, welke De Hojeda noodig had om op dit eiland te komen, vertelde de slimme avonturier, dat die vrijbrief aan boord van zijn schip was, dat hij een’ belangrijken ontdekkingstocht gedaan had en dat hij van plan was om met zijne schepen, zoodra hij deze had laten herstellen, naar San-Domingo te komen om daar den Onder-Koning van alles bericht te geven. Noodig achtte hij het niet, want, vervolgde hij: „Columbus is aan het Hof geheel in ongenade gevallen, doch mijn Ridderplicht zou ik te kort doen, als ik niet naar San-Domingo kwam.”

Slechts één punt van De Hojeda’s mededeeling boezemde Roldan belangstelling in en dat was: „Columbus in ongenade.”

Roldan liet evenwel niets van zijne vreugde over dit bericht blijken, hield zich, alsof hij geloofde dat De Hojeda te San-Domingo komen zou en vertrok om Columbus mede te deelen, wat het plan van den avonturier was. Wie er echter te San-Domingo kwam, De Hojeda niet en al spoedig bleek het, dat hij er niet aan dacht om te komen. Nu werd Roldan er andermaal op uitgezonden en niet dan met de grootste moeite, en op vechten af, slaagde hij er in om eindelijk den avonturier verwijderd te krijgen. Deze had zich onder de ontevreden Spanjaarden heel wat vrienden gemaakt, en daar deze laatsten het moeielijk verkroppen konden, dat Roldan, die eerst met hen samengespannen had, nu alweer de rol van Opperrechter vervulde, zoo ontstond er opnieuw gevaar, dat er onder de kolonisten, die zich nu nog al tamelijk rustig hielden, een opstand uitbarsten zou. Dat gevaar vermeerderde nog toen Columbus een’ zekeren Don Hernando De Guevara naar Xaragua gezonden had, met bevel zich daar aanboord van De Hojeda in te schepen, omdat hij voor de kolonie een gevaarlijk persoon was. De Hojeda was evenwel vertrokken en de woelzieke Ridder kreeg van Roldan vergunning om te Xaragua te blijven. Doch wat gebeurde? Roldan had het oog laten vallen op Hignameta, de schoone en bevallige dochter van Anacaona, en De Guevara, die haar ook leerde kennen, begeerde haar eveneens tot vrouw. Thans spande Roldan alle krachten in om den gehaten medeminnaar te verwijderen, doch deze wist zich ook een’ aanhang onder Roldans vroegere makkers te verzekeren en bleef bedaard waar hij was. Toch gelukte het Roldan om zijn’ tegenstander gevangen te nemen, maar als een loopend vuur verspreidde zich het gerucht van deze daad en bereikte ook de ooren van Don Adrian De Moxica, een’ neef van Guevara. De Moxica trok zich de zaak van den neef aan en—de opstand tegen het gezag brak opnieuw uit. Mocht Columbus nu ook al andermaal toegevendheid hebben willen toonen, Don Bartholomeus wist hem te beduiden, dat er heel wat anders gebeuren moest, en dat alleen door het invoeren van een schrikbewind de Kolonie te redden was. Columbus luisterde naar dien raad, en werkelijk het schrikbewind werd met eene ongekende wreedheid ingevoerd. Er ging geen dag voorbij of er werd een doodvonnis geveld en voltrokken.

Zeven Spanjaarden waren pas geleden opgehangen en vijf zaten in de gevangenis hun vonnis af te wachten, toen den drieëntwintigsten Augustus 1500 twee karveelen in het gezicht van San-Domingo kwamen. Don Diego voerde daar, bij afwezigheid zijner broeders, bevel, en wanende dat die karveelen Columbus’ zoon Diego zouden brengen, zond hij eene sloep uit om hem welkom te heeten.

Het was niet Don Diego, die daar kwam; het was Don Francisco De Bobadilla, de nieuw benoemde Opperrechter, het was de feitelijke Onder-Koning, die Columbus van zijne waardigheid kwam ontzetten.

De mannen, die hem met de sloep tegemoet geroeid waren, deelden hem mede met welk eene strengheid Columbus in den laatsten tijd het gezag uitgeoefend had, en toen De Bobadilla de haven van San-Domingo binnenliep, bewezen de galgen op het galgenveld, dat men hem geene leugens opgedischt had.

Het was De Bobadilla’s verlangen geweest, Columbus schuldig te vinden, om dan met meer recht tegen hem te kunnen optreden en hem het hooge gezag te ontnemen. Of Columbus wel schuldig was, en of de gehangenen hun lot niet verdiend hadden, wilde hij niet onderzoeken, en daardoor overtrad hij den lastbrief, dien de Monarchen hem hadden medegegeven. Ja, de bedoeling van Ferdinand en Isabella was het geweest om De Bobadilla het hoogste gezag in handen te geven, doch hij moest Columbus daarbij niet meer krenken dan zij hem al gekrenkt hadden.

Niettegenstaande Don Diego’s protest, gedroeg De Bobadilla zich terstond als opperste Gezaghebber, en vereischte de loslating der gevangenen en het overleggen der proces-stukken. Slechts voor geweld bukte Don Diego; hij begreep dat langer tegenstand bieden toch niets baten zou. Zoodra Columbus vernam, dat de nieuwe Opperrechter aangekomen was, heette hij hem schriftelijk welkom, want ter onderdrukking van den opstand bevond hij zich in het binnenland. Hij gaf hem den welgemeenden raad om voorzichtig te wezen in het verleenen van vrijdom naar het zoeken van goud, en zeide hem verder, dat hij binnenkort te San-Domingo komen zou. Hij zelf zou dan naar Spanje terugkeeren en hem in het voorloopig bewind over het eiland achterlaten.

Op dien brief kwam evenwel geen antwoord, en toen Columbus vernam hoe De Bobadilla te werk ging, Roldan en zijn’ aanhang begunstigde en dat hij zelfs zijn’ intrek in het huis des Onder-Konings genomen en daar alles zich toegeëigend had, geloofde Columbus met niemand anders te doen te hebben dan met een’ driesten avonturier en bleef hij voorloopig waar hij was, niet wetende hoe in deze zaak te handelen.

Het duurde evenwel niet lang of hij zou weten, wat hij doen moest. De Bobadilla zond Francisco Velasquez en Juan De Trasierra naar Columbus, en toen deze twee te Bonao aankwamen, waar de Onder-Koning zich ophield, lieten ze hem den geloofsbrief van De Bobadilla zien. Het was een stuk, onderteekend met: „Ik, de Koning” en „Ik, de Koningin”, en bevatte voor hem het bevel om De Bobadilla „in alles te vertrouwen en te gehoorzamen.”

Te gehoorzamen? Het stond er maar al te duidelijk. Hij, de Onder-Koning, moest gehoorzamen hem over wien hij te bevelen had. De Monarchen wilden dat.

Wat zou hij doen?

Wie Columbus kende, behoefde dat niet te vragen. Te trotsch om de bevelen van anderen te volgen, volgde hij onvoorwaardelijk de bevelen zijner Monarchen en zoo goed als geheel alleen begaf hij zich op weg naar San-Domingo.

„Columbus komt, maar vergezeld van zijne vrienden, de Kaziken met hunne legerbenden,” zoo vertelden zij, die te San-Domingo gekomen waren om „de opgaande zon” te aanbidden en van hem allerlei gunsten te verkrijgen.

Er was geen woord van waar, doch De Bobadilla greep dat gerucht met blijdschap aan, want het gaf immers een schijn van recht aan alle handelingen, die hij reeds gepleegd had en die hij ten opzichte van Columbus nog plegen zou?

Al wat een wapen dragen kon, werd in de wapenen geroepen om den verwaten Admiraal met zijne wilde legerhorden te keeren, en als een bewijs, dat deze maatregelen van voorzorg hoognoodig waren, liet De Bobadilla terstond Don Diego in boeien slaan en zoo aanboord van een der schepen brengen.

Vol spanning wachtte men op den bode, die het bericht brengen zou: „De Admiraal komt!”

Met eene bespottelijke heldhaftigheid, die aan Don Quichotterie doet denken, werden de kruisbogen gespannen, de zwaarden getrokken, de vuurroeren geladen, de pieken geveld.

Eindelijk... „De Admiraal komt! Hij komt alleen!”

„Men sla hem in boeien!” beveelt De Bobadilla, en laat de rammelende keten voorbrengen.

Columbus wordt gevangengenomen, maar hem boeien, hem, van wien ze toch niet zeker weten, of hij wel in ongenade gevallen en van zijne waardigheden ontzet is,—hem, die zóó lang hun heer en meester was, neen, dat kunnen, dat willen ze niet. Zelfs zij, die zoo menigmaal tegen zijn gezag waren opgestaan, weigeren.

Eindelijk verschijnt Espinosa, de kok van Columbus, en wat een ander niet wilde doen, dat doet deze: hij slaat zijn’ meester in de boeien.

De arme Columbus werd naar de gevangenis gebracht en daar wel bewaakt, doch hiermede was De Bobadilla’s gezag nog niet bevestigd. Don Bartholomeus leefde nog in vrijheid, en het was algemeen bekend, dat deze niet zoo handelbaar was als zijn broeder en bovendien onder de Kaziken een’ grooten aanhang had. Wat moest men doen, als hij met eene sterke legermacht kwam om den Admiraal te bevrijden?

Of De Bobadilla zelf het middel vond om dat gevaar te bezweren, is onbekend, maar het werd gevonden en was zoo laaghartig mogelijk. Men had nu gezien dat Columbus zich zonder tegenstreven onderwierp aan het: „Ik, de Koning” en „Ik, de Koningin.” Welnu, hij moest een’ brief aan Don Bartholomeus schrijven en hem daarin gelasten, onmiddellijk naar San-Domingo te komen om zich aan het gezag van De Bobadilla te onderwerpen, omdat dit de wil der Monarchen was. Als Columbus dat schreef, dan zou Don Bartholomeus gehoorzamen, dat wisten ze.

Columbus schreef dien brief; Don Bartholomeus kwam, en werd ook gevangengenomen en in boeien geslagen.

Men mag deze daad van Columbus beoordeelen zoo men wil, doch men moet niet vergeten, dat de acht jaren na 1492 veel meer dan dubbel voor hem geteld hebben. Hij was een grijsaard geworden te midden van allerlei tegenspoed en rampen, te midden van allerlei miskenning. Zijne gezondheid was geknakt; zijne oogen waren verzwakt; zijne hoop was vervlogen. Alleen de trouw, de onwrikbare trouw aan zijne Souvereinen was gebleven, en hij twijfelde er geen oogenblik aan of hij zou, als hij maar in Spanje ten Hove verschijnen mocht, de vuige lasteringen van zijne vijanden zóó weerleggen, dat men hem niet alleen in zijne eer, maar ook in al zijne waardigheden herstelde.

Hij wilde naar Spanje, hoe dan ook, doch hij was er nog niet, en een man als De Bobadilla was tot alles in staat, zelfs om hem het hoofd voor de voeten te leggen. Daarom was hij onderworpen tot de grenzen der lafheid; daarom schreef hij zijn’ broeder dien ongeluksbrief. En waarom zou hij het ook niet gedaan hebben? Al was Don Bartholomeus ook zoo gelukkig hem te bevrijden, hoe zou hij, de gevallene, dan nog gezag kunnen uitoefenen? Reeds toen hij er nog rechtstreeks mede bekleed was, gehoorzaamde men hem niet, en moest hij zelfs een’ man als Roldan naar de oogen zien, hem alle overtredingen vergeven en allerlei gunsten verleenen. Nu hem het gezag ontnomen was, zouden zelfs zijne getrouwen aarzelen om hem te gehoorzamen.

Naar Spanje terugkeeren was zijn eenig redmiddel, doch telkens bekroop de vrees hem, dat dit niet gebeuren zou.

Eindelijk waren de schepen gereed om met de gevangenen te vertrekken, doch Columbus, die nog altijd in den kerker zat, wist nergens van.

Daar treedt eensklaps Ridder Alonzo De Villejo met de wacht binnen.

Columbus verbleekte, dacht aan het schavot, en vroeg met bevende stem: „De Villejo, waarheen brengt ge mij?”

Deze De Villejo was een rechtschapen Ridder, en zeide, zonder een oogenblik zijne onderdanigheid tegenover den Admiraal te verliezen: „Naar het schip, Excellentie, om aanboord te gaan.”

„Om aanboord te gaan,” riep Columbus verheugd. „De Villejo, spreekt gij waarheid?”

„Bij het leven van Uwe Excellentie,” hernam de Ridder, „het is de waarheid.”

De Admiraal had zijn’ zin; hij zou naar Spanje gaan, en zich daar kunnen verantwoorden.

Toch moet die gang van de gevangenis naar het schip voor den hooghartigen man een oogenblik van duldelooze kwelling geweest zijn.

Het gemeen wachtte den gevangene op, en begroette hem met scheldwoorden.

„Spanje moge getuige zijn van den smaad mij aangedaan.”

„Spanje moge getuige zijn van den smaad mij aangedaan.”
„Spanje moge getuige zijn van den smaad mij aangedaan.”

Verloopen Ridders, die als gemeene deugnieten voor hem gesidderd hadden, en bijna als bedelaars hadden moeten rondzwerven, stonden daar in sierlijke kleeding, trotsch op de gunst waarin ze bij De Bobadilla gekomen waren, en lachten hem sarrend uit.

Geen’ tred mocht Columbus in zijne eigen woning doen. Al, wat zich daarin bevond, was door De Bobadilla in beslag genomen. Alles, zijne boeken, instrumenten, meubelen, gouden en zilveren sieraden, zijn geld en goed, ja, zelfs zijne brieven en papieren waren verbeurd verklaard, doch reeds voor een groot deel gebruikt om Columbus’ vijanden te verrijken.

Er is een bekend Latijnsch gezegde: „Sic transit gloria mundi!” dat is: „Zoo gaat de heerlijkheid der wereld voorbij!”

Weinig voorbeelden zijn in de geschiedenis der wereld aan te wijzen, waar dit gezegde in zijne volle beteekenis zoo kan toegepast worden, als hier.

Het was in het begin van October 1500 toen de karveelen het anker lichtten en de reis naar Spanje aannamen, onder het opperbevel van Don Alonzo De Villejo. De Kapitein van de karveel, waarop Columbus als gevangene was, heette Andreas Martin. Deze deed voor De Villejo in edelmoedigheid niet onder, en behandelde den Admiraal met de meeste onderscheiding.

Zoodra men de ankers gelicht en de haven verlaten had, gaf De Villejo bevel om Columbus de boeien af te nemen, doch toen men kwam om dit te doen, weigerde Columbus beslist, ze zich te laten ontnemen.

„Neen! Spanje moge getuige zijn van den smaad, mij aangedaan,” zeide hij. „Hunne Majesteiten hebben mij bevolen om De Bobadilla in alles te gehoorzamen. Hij heeft mij in boeien doen slaan in Hun’ naam, en ik zal ze dragen tot zij bevelen, ze mij af te doen. Dan zal ik ze bewaren, als eenig loon voor alles, wat ik voor Hunne Majesteiten en voor Spanje gedaan heb.”

Er lag bitterheid in die laatste woorden, doch wie zal ze Columbus euvel duiden? Als bedelaar klopte hij eenmaal aan eene kloosterpoort, en jaren later, na Spanje, zoo hij meende, de Indiën gegeven te hebben, was hij armer dan in die dagen. Toen genoot hij nog de gulden vrijheid; thans was hij in kluisters geklonken.

Columbus’ zoon, Don Ferdinand, zegt: „Ik zag die ketenen steeds in zijn kabinet hangen, en menigmaal deed hij ons het verzoek om, wanneer hij gestorven zou zijn, ze bij hem in de kist te leggen.”

Toen Columbus de tochten bestuurde, had hij nimmer in zulk een’ korten tijd den zeeweg van Hispaniola naar Spanje afgelegd als nu. Zonder eenigen tegenspoed kwamen de karveelen reeds in November te Cadiz aan. Thans vroeg hij den edelen De Villejo de gunst om de brieven, die hij onderweg geschreven had, met eene boot naar den wal te mogen laten brengen, en te willen zorgen, dat een renbode ze onmiddellijk aan het Hof bezorgde. Hij vreesde dat zelfs de weg naar het Hof hem zou afgesloten zijn, wanneer de Koning en de Koningin De Bobadilla’s brieven vóór de zijne ontvingen.

De Villejo stond dit verzoek gaarne toe, en eer de karveelen aan den wal gemeerd lagen, was de renbode reeds met Columbus’ brieven weg.

Aanvankelijk hadden de bewoners van Cadiz de twee karveelen met onverschilligheid zien naderen. Wat anders zouden ze alweer brengen dan ongelukstijdingen? Men verwachtte niets goeds, maar,—de nieuwsgierigheid kwam boven en deed vragen.

En daar luidde het antwoord: „Wij hebben den „Admiraal van den Oceaan”, den gewezen „Onder-Koning van de Indiën” en zijne twee broeders, in boeien geslagen, bij ons aanboord. Zijne Excellentie De Bobadilla heeft het zoo bevolen.”

Eene huivering beving ieder, die dit hoorde.

Ja, duizenden en nog eens duizenden hadden Columbus een’ avonturier genoemd, die aan Spanje nog niets dan schade gebracht had, maar nu men hem in boeien geklonken naar Spanje zond, werd ieders gelaat van verontwaardiging gekleurd. Dat was eene schande, eene onuitwischbare schande. Het waren zelfs Columbus’ oudste tegenstanders en vijanden, die dit luide getuigden.

Het bericht liep van mond tot mond, en zelden klonken er zoovele kreten van diepe verontwaardiging. Ook Koning Ferdinand en de goede Koningin Isabella stonden ontzet toen ze de tijding ontvingen; ze konden het niet gelooven. De renbode bevestigde evenwel van woord tot woord het gerucht, en de brieven deden de waarheid nog erger zijn dan het gerucht. Stellig had zóó iets zelfs niet in de bedoeling van Koning Ferdinand gelegen, en van Koningin Isabella nog veel minder. De Bobadilla had den inhoud van den lastbrief niet gevolgd, en op eigen gezag daden gepleegd, waaraan de Monarchen niet schuldig konden of wilden zijn. Alle gekroonde Hoofden in Europa zouden er schande van spreken, en de Spaansche naam zou veracht worden door heel de wereld.

Onmiddellijk na het lezen van Columbus’ brieven werd er een courier naar Cadiz gezonden, met het Koninklijke bevel, om oogenblikkelijk Columbus en zijne broeders van hunne ketenen te verlossen en in vrijheid te stellen. En niet alleen in vrijheid stellen, neen, meer dan dat. Het bevel luidde dat men den Admiraal en zijne broeders overeenkomstig hun’ hoogen rang behandelen zou, en eene som van ruim twintigduizend gulden moest Columbus ter hand gesteld worden, om zich het noodige aan te schaffen, teneinde op waardige wijze aan het Hof te kunnen komen.

Na van de vermoeienissen en ziekten eenigszins hersteld te zijn, begaf Columbus zich op reis naar Granada, waar de Monarchen toen hunne residentie hadden, en den zeventienden December verscheen hij ten Hove.

Ontroering greep ieder aan, die den grooten man zag.

Met waggelenden tred, gebogen rug en doffe oogen schreed hij tusschen de Hovelingen door naar den troon der Vorsten. Daar knielde hij neer en—brak in een luid gesnik uit. Hij had zich groot willen houden, doch hij kon niet.

Koningin Isabella was de eerste, die op hem toetrad, hem zacht bij den arm greep, en vriendelijk verzocht om op te staan.

Het woord eener vrouw kan eene tooverachtige kracht hebben, en voor Columbus had het woord zijner Koningin meer dan eene tooverachtige kracht.

God, de Heilige Maagd en zijne Koningin, geen, die hij meer vereerde.

Hij richtte zich op, en toen hij tranen in de oogen van Isabella zag, kreeg hij weer alle hoop terug. Die hoop maakte hem welsprekend, en zoodra hij zijn pleidooi geëindigd had, smaakte hij de voldoening, dat Koning Ferdinand, ten aanhoore van al de Hovelingen, verklaarde, dat De Bobadilla de grens zijner macht verre overschreden had, en dat zij nimmer last hadden gegeven, hem en zijne broeders gevangen te nemen, en nog veel minder om hen op zulk eene onteerende en vernederende wijze te behandelen. Columbus werd in al zijne rechten en waardigheden hersteld, doch hoe hij er ook op aandringen mocht, het Onder-Koningschap van de Indiën konden ze hem niet toevertrouwen. Columbus had zich letterlijk onmogelijk gemaakt door de verkeerde maatregelen, die hij in die waardigheid genomen had, en toen de Monarchen hem verzekerden, dat zijn leven zelfs gevaar liep zoo hij andermaal, met het hoogste gezag bekleed, te San-Domingo kwam, zeiden ze dit niet zóó maar, want werkelijk, er bestond alle grond voor, dat het gebeuren zou. Toch hielden de Koning en de Koningin hem de handen boven het hoofd, door oogenblikkelijk De Bobadilla van zijn ambt te ontzetten, en in zijne plaats te benoemen Don Fray Nicolas De Ovando, een Edelman, die om zijne deugden en bekwaamheden de achting genoot van al wat Spanjaard heette.

Dat Columbus, trots dit alles, geen’ vrede met dat besluit kon hebben, is natuurlijk, doch hij zweeg, en zou later wel zien terug te krijgen, wat hem, naar zijne meening eerlijk toe kwam. Hij hoopte zich door nieuwe ontdekkingen nog verdienstelijker te maken, en dan zou alles wel weer terecht komen. Naar zijne stellige overtuiging had hij Marco Polo’s „Zipangu” en de Oostkust van Azië ontdekt. Hij wilde nu een’ tocht maken om den zeeweg naar de eigenlijke Indiën te vinden. Een groot deel van dien weg had hij immers al afgelegd?

De Monarchen vonden dit plan uitnemend, maar .... eerst moest er geld voor de uitrusting der schepen zijn, en dat was er nog niet, zoodat onze Admiraal tijd had om in Spanje, door rust, weer tot de vorige krachten terug te keeren of—door ergernis over het dralen, nog meer averechtsche plooien in zijn karakter te krijgen. Dat uitstel van de vierde reis, die ook zijne laatste zou zijn, geeft ons gelegenheid om in een volgend hoofdstuk eerst over de ontdekkingstochten van andere ondernemende mannen te spreken, en dan ten slotte hem op dien laatsten tocht te volgen.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings