← Table of contents
Vóór vier Eeuwen

HOOFDSTUK XII.

Reading edition

ZUID-AMERIKA ONDER SPANJAARDEN EN PORTUGEEZEN.—NEDERLANDERS EN ENGELSCHEN IN AMERIKA.

Jaren lang had men den Archipel tusschen Noord- en Zuid-Amerika reeds doorkruist, kustlanden had men er ten Zuiden, ten Westen en ten Noorden van gevonden, maar nog altijd lag het vasteland in het Zuiden zoo goed als onbekend. Zelfs een Del Magelhanes kon dat groote Zuidelijke vasteland omzeilen, zonder er aan te denken om te onderzoeken of het ook waar was, wat al de Wilden, zonder eenige uitzondering, aan Columbus verteld hadden, dat het land, waar veel goud was, ten Zuiden lag.

En dat land was er werkelijk, en één man was er, die reeds geruimen tijd geleden begeerige blikken naar die onbekende streken geworpen had. Wij hebben hem reeds tegenover De Balboa zien staan, en hoorden hem toen Francisco Pizarro noemen.

Buiten huwelijk in 1478 geboren, weggeloopen van achter de zwijnen, die hij hoeden moest, en als soldaat in dienst getreden, kwam hij in de Nieuwe Wereld aan om daar eene rol te spelen, welke in schitterende krijgsdaden, die van Cortez misschien wel overtrof. Dezelfde man, die niet lezen of schrijven kon, zou Spanje in de gelegenheid stellen, zich in schatten te kunnen baden, en wat aan een beschaafd en wel onderwezen man, als Columbus of Cortez, niet gelukt was, dat gelukte dezen soldaat van fortuin: hij wist zich in zijn gezag te handhaven tot hij viel onder de dolken zijner vijanden.

Francisco Pizarro. (Geb. 1478, vermoord 1541.)

Francisco Pizarro. (Geb. 1478, vermoord 1541.)
Francisco Pizarro. (Geb. 1478, vermoord 1541.)

Na onder De Hojeda en Pedrarias, als ondergeschikt Bevelhebber gestaan te hebben, werd hij eindelijk Stadhouder van het landschap Uraba, doch het was er verre af, dat deze aanzienlijke betrekking zijne eerzucht bevredigde; hij wilde meer zijn, en zonder ophouden dacht hij aan dat land ver in het Zuiden, waarvan de inboorlingen van Uraba hem zoovele wonderen wisten te verhalen.

Het was werkelijk een wonderland, zooals later bleek. Het heette Peru, en bevatte door zijne ligging bijna alle planten der wereld en het bezat ook groote dieren, die, tam gemaakt, den mensch groote diensten bewezen. Deze dieren waren de lama’s of kameelschapen. Het goud was in dat land in zulk een’ overvloed aanwezig, dat men er bijna hetzelfde gebruik van maakte, als heden ten dage van het ijzer in onze streken. Maar dat land onderscheidde zich door nog wat anders dan door rijkdom aan voortbrengselen uit de drie rijken der natuur, het onderscheidde zich door beschaving en door regeeringsvorm. De beschaving der Peruanen was evenwel eene heel andere dan die der Azteken, en stellig is dit voor een groot deel toe te schrijven aan het bezit van dieren, die men tot trek- en lastdieren afgericht had. Het is moeielijk te bepalen hoe heel anders onze eigen Maatschappij zijn zou, zoo we geene koeien en paarden hadden. Nog veel meer dan nu het geval is, zouden we onzen geest gericht houden op het vinden van machines om de werkkracht te vermeerderen. Daar de meeste machines echter met de kennis der natuur in verband staan, zoo spreekt het vanzelf, dat de Azteken er al heel weinig hadden, doch ze trachtten dat te vergoeden door het houden van slaven. In Peru was, voornamelijk omdat men er trek- en lastdieren had, de slavernij zoo goed als onbekend, en daardoor waren ook de zeden zachter. Om slaven te verkrijgen moesten de Azteken telkens oorlog voeren, en daardoor is het geen wonder, dat de Krijgsgod hun voornaamste God was. Ook de Peruanen voerden oorlogen, doch niet om slaven te verkrijgen, maar alleen om het Rijk uit te breiden en andere Volken te regeeren volgens de wetten van Manco Capac.

Eeuwen geleden, zoo vertelde men, waren de Peruanen wilde en woeste menschen. Eensklaps echter verschenen onder hen een man en eene vrouw van eene prachtige gestalte en eene heerlijke gedaante. Ze hadden kleederen aan, en wisten zooveel als de Goden. De man heette Manco Capac en de vrouw Mámá Ocollo.—Manco Capac leerde den mannen allerlei mannelijke bedrijven en handwerken, en Mámá Ocollo leerde aan de vrouwen spinnen, weven en velerlei huiselijk werk. Na den dood dezer twee zette hun zoon het werk zijner Ouders voort, en gaarne erkenden de Peruanen ook dezen tot hun Opperhoofd of Inka. Manco Capac en Mámá Ocollo hadden den vrede bemind, en beschaving van den geest hooger gesteld dan ruw wapengeweld. Zij hadden den Peruanen ook geleerd, dat er een Wezen was, dat alles, wat op Aarde is, geschapen heeft. Om dat geschapene te onderhouden, had Hij iemand aangesteld tot Hoofdgod, en dezen alleen moesten alle menschen dienen en aanbidden. Deze Hoofdgod was de Zon.

Wie die Manco Capac en Mámá Ocollo geweest zijn, niemand, die het weet. De beschaving der Tataren en Indiërs echter, waarvan Marco Polo zooveel verhaald heeft, de wijze waarop ze gekleed gingen en hunne huizen bouwden en versierden, geven veel zekerheid aan de meening, dat Peru beschaafd werd door Mongolen, Indiërs of Perzen, en waarschijnlijk wel door de laatsten, want de Zonnedienst der Peruanen kwam in vele opzichten overeen met dien der Perzen.—Dat een Hoofdgod als de Zon, die slechts goed doet, eene heel andere richting aan de beschaving moest geven dan een Hoofdgod, die zich bloedige menschenoffers laat brengen, gevoelt ieder. Het Rijk der Inka’s was dan ook in den loop der eeuwen een land geworden met instellingen, waarvan de Spanjaarden bijna niets begrepen. De heele oppervlakte van het Rijk was in drie deelen verdeeld, en die deelen behoorden aan den Hoofdgod, den Inka en zijn geslacht, en het Volk, doch alle drie de deelen moesten door het Volk bearbeid worden. Geen land werd veroverd, of de bodem werd terstond staatseigendom, en op de bepaalde wijze verdeeld. Met de opbrengst van het Kroonland, als wij het zoo noemen mogen, bezoldigde de Inka niet alleen zichzelven en zijne familie, maar ook de Edelen en alle anderen, die hij wilde begunstigen. De Peruanen bestonden uit drie standen, en wel uit den Priester- en Adelstand en uit het Volk. De familie der Inka’s behoorde tot geen’ stand; daartoe was ze te verheven. Kunsten en wetenschappen werden vlijtig beoefend door den Priester- en Adelstand, doch altijd onder toezicht van den Inka. Aan eenige ontwikkeling van het Volk werd niet gedacht. Het Volk was er alleen tot welzijn van het Peruaansche Rijk, als geheel, en om dat welzijn nu te bevorderen, zorgden de Inka’s steeds, dat het Volk alles had, wat het als „dier” noodig had om te leven. We zouden het Peruaansche Volk dan ook geen’ beteren naam kunnen geven dan „uitmuntend onderhouden machine”. Veel nadenken vereischt het echter niet, dat hetzelfde Volk, hoe de ontwikkeling van den geest ook onderdrukt werd, bij het dagelijksch zien der verfijnde beschaving van Inka’s, Priesters en Edelen, vanzelf langzamerhand aan dat machinale leven en werken moest ontgroeien, en dat men maar op eene gelegenheid wachtte om zich uit dien vernederenden staat op te heffen. Die gelegenheid kwam. We zeiden hierboven reeds, dat het geslacht der Inka’s eigenlijk tot geen’ stand behoorde, en daarom was er bepaald, dat de zoons uit dat geslacht slechts met de dochters uit dat geslacht, sommigen beweren met hunne eigen zusters, mochten huwen.

Ook Inka Huana Capac had dat gedaan, en uit dit huwelijk had hij een’ zoon Huascar geheeten. Weduwnaar geworden, veroverde hij het machtige Rijk Quito, en, tegen alle wetten in, huwde hij voor de tweede maal met eene dochter van den Koning van Quito. Ook uit dit huwelijk werd hem een zoon geboren, dien hij den naam van Atahualpa of Athabaliba gaf. Had het veler ontevredenheid verwekt, dat Huana Capac de oude wetten met voeten trad, toch had men gezwegen, want hij was een uitnemend Vorst. Bij zijn overlijden had hij echter bepaald, dat Huascar hem in Peru, en Atahualpa in Quito zou opvolgen, en dit was andermaal eene inbreuk maken op de wetten, die bepaalden, dat de oudste zoon van den Inka, bij den dood zijns Vaders, Inka werd over het geheele Peruaansche Rijk. Geen land, hoe groot of klein ook, of het behoorde, zoodra het veroverd was, tot het Inka-gebied, dat één en ondeelbaar was. Nauwelijks was dan ook Huana Capac, als mummie, op een’ gouden stoel in de schitterende begraafplaats der Inka’s gebracht, of de strijd tusschen de broeders uit de twee verschillende huwelijken ontbrandde. Het behoeft niet gezegd te worden dat zij, die alle oude vormen en wetten onveranderd en ongeschonden wilden bewaren, zich schaarden aan de zijde van Huascar, terwijl zij, die gaarne verandering gebracht zagen in het machinale leven en werken, de partij kozen van Atahualpa.

We hebben lang stil gestaan bij iets, wat men alweer geene „ontdekking van Amerika” noemen kan, doch daar het woord „ontdekking” steeds vergezeld is door het woord „verovering”, zoo moeten wij dit hier doen, want zonder dien strijd tusschen de Peruaansche Conservatieven en Revolutionnairen uit het begin der zestiende eeuw, zou het Pizarro nimmer gelukt zijn, zich meester te maken van het rijk en van de schatten der Inka’s. Het zij evenwel terstond gezegd, dat Pizarro en de zijnen niets wisten van die binnenlandsche verdeeldheid, waar ze een „Goudland” gingen zoeken, dat volgens de geruchten ergens in het Zuiden lag. Ze vernamen dat later.

Toen Pizarro eenmaal besloten had om dat onbekende, rijke land op te sporen, verbond hij zich met zekeren Diego Almagro, en beiden zeilden met twee kleine scheepjes uit. Hun tocht was evenwel zeer rampspoedig, en bijna een jaar later kwamen ze onverrichter zake terug, zonder evenwel den moed opgegeven te hebben. Een rijk man Gaspar De Espinosa, die te Santa-Maria of daar ergens in den omtrek woonde, liet zich door Hernando De Luque, een’ Priester, overhalen om geld voor de werving en het bouwen van twee schepen voor te schieten. Waar De Luque met de twee avonturiers een verbond aanging, meende De Espinosa voldoende waarborg te hebben voor de twintigduizend onsen goud, die hij in deze onderneming stak.

Deze tweede tocht scheen voordeeliger te zullen zijn dan de eerste, want nog niet heel lang waren ze onderweg, of ze veroverden een dorp, en bemachtigden daarbij zooveel goud, dat Almagro met zijn schip, rijk geladen, naar Panama terugkeerde. Men deed dit vooral om avonturiers, die aan den goeden uitslag getwijfeld hadden, te lokken met Almagro terug te keeren naar het schip van Pizarro, die inmiddels den tocht zou voortzetten. Toen evenwel Almagro met versterking terugkwam, moest men de verdere reis voor eene poos staken, omdat het jaargetijde in hun nadeel was. Toen eindelijk weer en wind zóó waren, dat men verder trekken kon, kregen ze het bij het kleine eiland Gallo, bij de kust van Quito gelegen, met de inboorlingen zóó te kwaad, dat er besloten werd dat Almagro andermaal naar Panama om versterking zou gaan, en in dien tusschentijd zou Pizarro op dit eiland Gallo hem afwachten.

De nieuwe Landvoogd van Goud-Castilië en Nieuw-Andalusië, die Pedrarias opgevolgd was en Don Pedro De los Rios heette, wilde evenwel niets van nieuwe wervingen weten, en zond zelfs een schip uit om Pizarro van het eiland Gallo terug te halen, en hem te verbieden, den ontdekkingstocht voort te zetten. Het schip van De los Rios vond Pizarro met de zijnen in een’ ellendigen toestand, doch Pizarro was niet te bewegen om naar Panama terug te keeren, en toen Almagro en De Luque hem eindelijk eenige versterking en levensmiddelen zonden, besloot hij den tocht voort te zetten.

Zijne volharding werd met den meest begeerden uitslag bekroond, want eindelijk kwam hij op de kust van Peru aan. Hoe stond hij verbaasd daar eene schoone havenstad te vinden! Voor de haven en zelfs tot diep in zee wemelde het van uitmuntend gebouwde booten, die van zeilen en roer voorzien waren. De inwoners waren allen zeer goed gekleed, beleefd en voorkomend. Zij vertelden, dat hunne stad Toembez heette, en een paar mannen van Pizarro’s schip kregen zelfs vergunning om aan den wal te komen en den zonnetempel binnen te treden. Weer aanboord teruggekeerd, waren ze niet uitgesproken over de schatten van goud en zilver, die ze gezien hadden. Pizarro voer nog een heel eind het Zuiden in, doch hoe verder hij kwam, hoe meer hij zag, dat hij hier niets uitrichten kon. De inwoners waren volstrekt niet bevreesd voor de mannen met baarden, en beschouwden hen alleen, als een soort van hemelsche wezens, aan wie donder en bliksem onderworpen waren. Wilde men hier wat in het belang van de Spaansche Kroon verrichten, dan was er eene veel sterkere macht noodig, en daarom keerde Pizarro naar Panama terug, in de hoop, dat zijne verhalen van hetgeen hij en zijn volk gezien hadden, tal van mannen bewegen zou om te beproeven, dat machtige land met al zijne schatten te veroveren. Om het niet te laten enkel bij verhalen, bracht hij ook eene groote hoeveelheid goud mede, dat hij op eene gemakkelijke manier tegen kleinigheden ingeruild had. Van Toembez had hij bovendien twee inwoners aanboord, die vrijwillig met hem medegegaan waren.

Toen hij evenwel te Panama aankwam, was Don Pedro De los Rios nog altijd even vijandig aan het plan. Hij diende nu, van achteren bezien, wel de wetenschap niet, maar hij toonde toch, dat hij eene groote uitzondering op vele Spanjaarden maakte, want hij verbood alle werving, en zeide, dat er al meer dan genoeg menschenlevens geofferd waren voor een handvol gouds en een paar Peruaansche schapen, die Pizarro medegebracht had. Wilde het driemanschap hun plan doorzetten, dan moest men andere middelen te baat nemen, en hiertoe werd besloten. Men wilde, om tot het groote doel te geraken, niet langer den kostbaren tijd zoek maken door met een’ koppigen Gouverneur te onderhandelen, maar sloeg den Koninklijken weg in. Pizarro zou naar Spanje gaan, en daar den Koning om zijne hulp vragen. Na eene voorspoedige reis kwam Pizarro in zijn Vaderland, en verscheen bijna tegelijkertijd met Cortez aan het Hof. Hij werd daar zeer goed ontvangen, en Koning Karel aarzelde geen oogenblik om den moedigen avonturier en twee deelgenooten te steunen met zijne volkomen goedkeuring. Geld of schepen vroeg Pizarro niet, zoodat Koning Karel hem gemakkelijk veel beloven, en goedkoop veel geven kon. Den zesentwintigsten Juli 1529 werd dan ook tusschen den Koning van Spanje en Pizarro het volgende verbond gesloten. Pizarro verbond zich van zijne zijde om het machtige en rijke Peru te veroveren voor de Spaansche Kroon, en was hem dit gelukt, dan stelde Koning Karel van zijne zijde Pizarro aan tot Stadhouder en Opperbevelhebber van Peru, terwijl Almagro als Bevelhebber van Toembez tot den Adelstand verheven werd, in welke laatste eer Pizarro natuurlijk ook deelde, daar de Koning hem tot Ridder van San-Jago sloeg. De Luque zou Bisschop van Toembez worden, doch alle benoemingen, zoo van Officieren als Ambtenaren, zou een recht zijn, dat alleen aan het Stadhouderschap verbonden was. Aan dit laatste voordeel was het bezwaar verbonden, dat Pizarro al de kosten voor zijne eigen rekening zou nemen. Nu, dat wilde de avonturier wel, want niet alleen had hij voor zijn plan de Koninklijke goedkeuring verworven, hij had ook een’ raad ontvangen, die het welslagen zijner onderneming zoo goed als verzekerde. Cortez had hem namelijk aangeraden met Atahualpa te doen, wat hij indertijd met Montezuma gedaan had, en Pizarro, die ontwaard had, dat de Peruanen zeer argeloos waren, meende dat Atahualpa even goed in de val gelokt zou worden als Montezuma.

Verlokt door de schitterende aanbiedingen, die hij deed, nam hij uit Spanje, behalve vier zijner broeders, nog een groot aantal mannen mede, die onder zulk een’ Aanvoerder het wel eens wagen wilden een land vol goud en zilver te veroveren. Almagro en De Luque waren met de tijdingen, die Pizarro medebracht, niet zeer ingenomen. Zij handelden immers in gemeenschap? En waarom moest hij dan zoo hoog boven hen verheven worden? Er ontstond tusschen Pizarro en Almagro een hevige twist, die nog hooger liep toen de vier broeders van Pizarro er zich in mengden, en reeds bestond het gevaar, dat de heele onderneming in duigen vallen zou, toen De Luque en De Espinosa, die beiden reeds zulke groote sommen voorgeschoten hadden, de zaak wisten bij te leggen, door Pizarro over te halen, afstand te doen van zijne benoeming tot Opperbevelhebber of Adelantado.

Nu men weer zoo ver was, begon men met kracht aan de uitrusting van eene vloot en een leger, maar dit plan mislukte deerlijk. Vertrouwde men De Luque en De Espinosa al, Almagro vertrouwde men niet, en nog veel minder vertrouwde men Pizarro met zijne vier broeders, zoodat de verbondenen zich ten slotte moesten tevreden stellen met drie scheepjes, honderddrieëntachtig mannen, waaronder, tot Pizarro’s geluk, nog vijfentwintig ruiters waren, eenige musketten en een paar kanonnen.

Vol moed en vertrouwen aanvaardde men evenwel den tocht en hadden Pizarro en Almagro aanvankelijk ook te strijden tegen oproerige handelingen van goudgierige manschappen, die niets vonden dan onbevolkte kusten en verlaten dorpen, toch bleven ze volharden. Eindelijk kwamen ze aan de kuststreek, die „Coaque” genoemd werd, en hier vonden ze in de huizen, waaruit ze de inwoners verdreven hadden, goud in overvloed. Voor het welslagen van den tocht was dit eene gelukkige gebeurtenis. Het regen-seizoen was op handen en indien men nu nog geen goud gevonden had, dan zou de oproerige manschap Pizarro stellig tot den terugtocht gedwongen hebben. Nu in het bezit van goud, en met het gegronde vooruitzicht van nog meer goud te zullen verkrijgen, wilde men den regentijd, die steeds van stormen en onweders vergezeld ging, wel op het eiland Poena, in de nabijheid der kust, overblijven. Dat er gebrek aan levensmiddelen zou komen, behoefde men niet te vreezen. Toen het weder zich weer in hun voordeel veranderd had, zette men den tocht voort en aan de monding van de rivier de Pioera besloot Pizarro een fort te bouwen en daar eene Kolonie achter te laten. Het fort kreeg den naam van San-Miguel de Pioera, en het kan de eerste Spaansche stad in Peru genoemd worden.

Een der Peruanen uit Toembez had met Pizarro de reis naar Spanje medegemaakt, vrijwillig zeiden we. Nu ja, Pizarro had hem niet gedwongen, maar Felipillo, zoo heette de man, had wat op zijn geweten, en zou door Inka Atahualpa hoogstwaarschijnlijk niet zoo heel vriendelijk behandeld zijn. Deze Felipillo nu was met den anderen Peruaan alweer bij Pizarro aanboord. Beiden hadden in dien tusschentijd voldoende Spaansch geleerd om als tolk op te treden, en van hen had Pizarro later vernomen, dat er een burgeroorlog in het Inka-rijk woedde en wel tusschen twee Kroon-pretendenten. Hier te San-Miguel nu hoorden de tolken, dat Inka Atahualpa, na eerst het onderspit gedolven te hebben, thans weer overwinnaar was en dat hij zijn’ broeder, Inka Huascar, die zijn tegenstander was gevangen hield. Verder werd er verteld, dat Atahualpa met zijn overwinnend leger een kamp in het gebergte betrokken had, niet ver van de staat Caxamalca, om in een’ volgenden veldtocht de laatste aanhangers van zijn’ broeder te onderwerpen.

Zoodra Pizarro dit alles hoorde, nam hij het stoute besluit om Inka Atahualpa in zijn kamp een bezoek te brengen. Daar hij even vóór zijn vertrek weer versterking van manschappen en krijgsmaterieel uit Panama ontvangen had, kon hij eene voldoende bezetting achterlaten in het kleine fort om met de overige mannen den stouten tocht te ondernemen. En wel mocht die tocht stout, zoo niet meer genoemd worden. Zijn geheele leger bestond uit slechts zevenenzestig ruiters, honderdtien lansknechten, zeventien boogschutters en drie musketiers benevens eenige kleine kanonnen, en uit hetgeen Pizarro van Felipillo begrepen had, kon de Inka gemakkelijk tegenover één Spanjaard duizend Peruanen stellen. Het zou dan ook groote dwaasheid geweest zijn om met dit legertje Peru door een’ oorlog te veroveren, en Pizarro, die niet alleen een geboren Veldheer, maar ook een geboren Staatsman was, had, zooals we weten, een heel ander plan.

Met behulp der tolken werd men overal zeer vriendelijk en voorkomend ontvangen, wat niet te verwonderen was, want het bevel van Pizarro, dat niemand eenig geweld mocht plegen, werd stipt gevolgd. Ook hier waren, even als elders in de Nieuwe Wereld, de ruiters het voorwerp van verbazing en vrees, want nimmer had men het veelgebruikte kameelschaap afgericht tot het dragen van een’ ruiter, en de forsche paarden met hunne fiere gestalte maakten op sommige plaatsen zooveel indruk, dat men gouden sieraden, als een offer, voor hen neerlegde. Na eene lange en afmattende reis, omdat de kanonnen moeielijk te vervoeren vielen en men ze toch niet wilde achterlaten, kreeg men, op eenige dagreizen afstands van Caxamalca, bezoek van enkele Afgezanten, die de vreemdelingen namens den Inka welkom heetten en hun eenige geschenken aanboden. Pizarro ontving de Gezanten vriendelijk en zond hen met enkele voorwerpen van Europeesch maaksel, als een geschenk voor den Inka, terug. Toen men eindelijk te Caxamalca aankwam, was het half November geworden. Pizarro vond de groote en schoone stad geheel verlaten en zond nu zijn’ broeder Hernando, aan het hoofd van eenige ruiters, naar het Peruaansche kamp om den Inka vriendelijk uit te noodigen een mondgesprek te willen komen houden met den Veldheer van den machtigen Keizer uit verre landen.

Het kamp van Atahualpa kon uit Caxamalca gemakkelijk gezien worden, en één blik erop was voldoende om elken avonturier den schrik om het hart te doen slaan. Gelegerd tegen de hellingen van het gebergte, was het kamp niet te overzien. Duizenden en duizenden soldaten bewoonden daar tenten, die met de meeste orde opgeslagen waren, en nergens was iets te ontdekken, dat op gebrek aan krijgstucht wees. De soldaten waren goed gewapend en uit alles bleek, dat ze ook aan eene soort van exercitie onderworpen waren en den oorlog voerden naar krijgsregelen. Wat moest men hier beginnen? Pizarro zou het zijn volk duidelijk maken, en hij had het voorbeeld van Cortez in zijn voordeel. Het was een waagstuk den Inka gevangen te nemen, dat gevoelde ieder, maar àls het plan gelukte, dan zou men alles gewonnen hebben, geloofde men algemeen. Eindelijk kwam Hernando Pizarro met zijn gevolg terug en hij bracht het bericht mede, dat de Inka den volgenden dag in persoon komen zou, doch meteen was er het bevel bij om in Caxamalca slechts eenige huizen, aan een groot plein gelegen, te mogen betrekken. Dat Inka Atahualpa een zeer trotsch man was, die hen uit de hoogte behandeld had, vertelden zij ook, en deze mededeeling was niet zeer geschikt om den Inka de hoogachting van de Spanjaarden te verzekeren.

Met eene zekere onrust verbeidde men nu den volgenden dag, den zestienden November van het jaar 1532. Deze datum zou een der merkwaardigste worden in de geschiedenis der Nieuwe Wereld.

Atahualpa, Inka van Peru. (Geworgd 19 Aug. 1533.)

Atahualpa, Inka van Peru. (Geworgd 19 Aug. 1533.)
Atahualpa, Inka van Peru. (Geworgd 19 Aug. 1533.)

Reeds een groot gedeelte van den dag was verloopen en men begon al te vreezen, dat de Inka geen woord zou houden, toen men eene groote beweging in het Peruaansche kamp gewaar werd. Aan het hoofd van eene kleine afdeeling van zijn leger werd de Inka, getooid met al de versierselen van zijne waardigheid, op een’ massief gouden stoel gedragen door de voornaamste Edelen, allen op het sierlijkst uitgedost. De „kleine” legerafdeeling bestond evenwel uit niet minder dan dertigduizend man en hieruit laat zich de sterkte van het heele leger gemakkelijk begroeten. Met een gevolg van slechts vijfduizend ongewapende mannen kwam hij in de stad; de overigen moesten buiten blijven. Tot groote verbazing van den Inka was nergens een Spanjaard te zien. Vol verontwaardiging over zulk eene ontvangst riep hij uit: „Waar zijn dan nu de vreemdelingen?” toen een Geestelijke verscheen en op den Inka toetrad. Crucifix en Brevier in de handen houdende, begon de Geestelijke terstond voor den Inka het Evangelie te prediken, doch het slot was, dat de Inka zich diende te onderwerpen aan het gezag van den machtigen Keizer Karel en dat hij zich moest laten doopen en Christen worden. Deze toespraak, door een’ tolk, zin voor zin, vertaald, maakte aanvankelijk op Atahualpa, die er waarschijnlijk al zeer weinig van begreep, den gewenschten indruk niet. Het slot evenwel begreep hij zooveel te beter en vol van verontwaardiging gaf hij ten antwoord dat hij, de machtigste Vorst der Wereld, aan geen’ enkelen anderen Vorst zich wilde onderwerpen. Was deze tevreden met zijne vriendschap, dan was hij bereid hem die aan te bieden. Wat het aannemen van een’ anderen godsdienst betreft, hiertoe was hij in het geheel niet te bewegen, en hij begreep niet, wie of wat den Priester den moed had kunnen geven om zoo tot hem te spreken.

„Dit boek beveelt het mij,” zeide de Priester.

Atahualpa nu het Brevier in handen nemende, hield het tegen het oor, en geene spraak hoorende, wierp hij het met een verachtelijk gebaar op den grond en zeide: „Dit boek zegt niets.”

Die onnoozele daad van Atahualpa rijmt niet zeer met de hooge beschaving der Peruanen en ze vereischt derhalve eenige opheldering.

De beschaving in Peru kende de kunst wel om gedachten in zichtbare teekenen uit te drukken. Wanneer een Peruaan dat wilde doen, nam hij een koord van ongeveer zeven deci-Meter lengte. Het was uit verschillend gekleurde draden gevlochten en bevatte bovendien ook verschillend gekleurde franje. Nu had de kunst bedacht om door het kiezen van de kleur en de rangschikking der draden en der franje zoowel als door het leggen van knoopen in het koord, zichtbare figuren aan te nemen om er gedachten door uit te drukken. Dit kan wel; men denke slechts aan het oude, telegraphische schrift, dat bestaat uit punten en strepen, die letters vervangen. Het schrift der leessnoeren, die den naam droegen van „Quippos” was echter veel gebrekkiger en veel ingewikkelder dan het genoemde telegraphisch schrift, zoodat het niet te verwonderen valt, dat alleen Inka’s, leden van zijn geslacht, Priesters en Edelen de „Quippos” lezen konden. Van boeken had men derhalve geen begrip, en nu we dat weten, wordt de handeling van den Inka minder onnoozel.

De Priester, die waarschijnlijk gehoopt had, dat zijne prediking in goede aarde zou vallen, raapte zijn Brevier op, liep naar het vertrek waar Pizarro zich bevond en deelde hem, vol geloofs-verontwaardiging, mede, wat de Inka gedaan had. Zulk eene daad moest gestraft worden.

Pizarro schijnt echter wel geweten te hebben hoe de zaak afloopen zou; dat blijkt uit alles. Hij gaf het afgesproken teeken; de Spanjaarden kwamen te voorschijn; de musketten knalden; de kanonnen donderden en onder het geroep van: „Santiago! Santiago!” viel men de verschrikte en ongewapende Peruanen aan. De ruiters, de kanonnen en de musketten deden wonderen. Men dacht aan geen tegenweer en wat niet vluchten kon, liet zich dooden. Het was een verschrikkelijk bloedbad waarmede aan den avond van dien dag de verovering van het machtige Inka-rijk in de straten van Caxamalca een’ aanvang nam.

Het eerste werk van Pizarro was geweest om Atahualpa gevangen te nemen. Hij bracht hem in een groot huis en behandelde hem met de achting aan zijn’ hoogen rang verschuldigd. Hij stond zelfs toe, dat zijn eigen mannen hem bedienden en dat hij met de Edelen en Bevelhebbers van zijn leger mondelinge gesprekken had om zijne bevelen te geven. „Quippos” echter mochten door hem niet verzonden worden, en bij elk gesprek, dat hij hield, was Felipillo tegenwoordig en daar deze tegen den Inka eene grief had, zoo behoefde Pizarro niet te vreezen, dat hem wat van het onderhoud zou verzwegen worden.

De tijding dat Atahualpa door de vreemdelingen gevangengenomen was, maakte in heel het Peruaansche Rijk een’ ontzettenden indruk.

Kort geleden had eene zons-verduistering plaats gehad, en waar nu de Peruanen in de Zon hun’ Hoofdgod hadden, daar behoeven we niet te vragen, welke droevige voorspellingen er naar aanleiding van die verduistering gedaan werden. Het is nog niet eens zoovele jaren geleden, dat in de Christelijke maatschappij zons- en maansverduisteringen, als voorboden van onheilen en rampen beschouwd werden. De voorspellingen waren ditmaal uitgekomen; de Inka’s, die elkander beoorloogden, waren beiden gevangen. Men gevoelde het: Peru stond aan den vooravond eener vreeselijke revolutie. De Spanjaarden konden nu doen, wat zij wilden: stelen, rooven, moorden, branden, vrouwen en meisjes mishandelen; men liet hen begaan, want men vreesde, dat de geringste mishandeling, die een Spanjaard onderging, gewroken zou worden op den Inka. De Spanjaarden maakten hiervan een schandelijk misbruik en Atahualpa zag zeer goed in, dat goud het eenige middel was om hem zijne vrijheid te doen herkrijgen. Hij bewoonde een vertrek van bijna tien Meter lengte en vijf Meter breedte, en nu deed hij Pizarro het voorstel om dit vertrek, ongeveer drie Meter hoog, binnen twee maanden met goud te vullen, als hij dan zijne vrijheid terugkreeg. Pizarro bedacht zich geen oogenblik en nam het voorstel aan, wel wetende, wat hij doen zou, als de losprijs er was. Van alle kanten kwam men nu met goud aandragen, doch eer de bepaalde hoeveelheid er was, begon men het al tot baren te smelten en te verdeelen. Veilig mag men berekenen, dat de waarde van dien losprijs twintig millioen gulden bedroeg. Het leeuwendeel van dat goud was natuurlijk voor Koning Karel, Pizarro, Almagro, De Luque, De Espinosa en de Bevelhebbers, doch dat nam niet weg, dat zelfs de minste lansknecht door zijn deel een rijk man werd. Velen verbrasten den gemakkelijk verkregen schat, doch enkelen wilden nu terug. Pizarro hield deze laatsten niet tegen en gaf hun gaarne verlof. Hij begreep wel dat één rijk teruggekeerde avonturier er tien of twintig bewegen zou om naar Peru te komen. Zijne berekening faalde niet, want heel Spanje was in rep en roer bij het vernemen van den gouden oogst; ieder wilde daar gaan maaien en oogsten van hetgeen hij niet gezaaid had.

Atahualpa, die wel inzag, dat hij met zijn’ losprijs nooit klaar zou komen, meende evenwel nu al genoeg betaald te hebben en drong thans op zijne vrijheid aan. Vele edeldenkende Spaansche Ridders ondersteunden het billijke voorstel. Een zekere Don Hernando De Soto was voor die Ridders de woordvoerder. Dit voorstel aan te nemen lag niet in het plan van Pizarro, en daarom wendde hij het over een’ anderen boeg. Onder den schijn van de zaak tusschen Atahualpa en Huascar te willen onderzoeken, had hij Atahualpa voorgesteld om Huascar uit de gevangenis te ontslaan en bevel te geven, dat men hem naar Caxamalca zou brengen. Atahualpa had hierin echter geen’ lust, want ongetwijfeld zou Pizarro, zoo meende hij, Huascars rechten erkennen, en wat er dan gebeuren zou, was hem geen raadsel. Inplaats dus van bevel te geven Huascar te ontslaan en naar Caxamalca te voeren, beval hij, dat men hem in de gevangenis dooden zou en dit geschiedde ook. Toen nu Felipillo nog verklaarde dat de Inka eene samenzwering smeedde tegen het leven der Spanjaarden, werd Atahualpa, beschuldigd dat hij zijn’ broeder had laten vermoorden, dat hij eene samenzwering tegen de Spanjaarden smeedde en dat hij volhardde in zijn Heidensch geloof, door Pizarro’s rechtbank veroordeeld om levend verbrand te worden.

Bij het hooren van dit vreeselijke vonnis verloor de arme Vorst al zijn’ moed en zijne geestkracht. Bijna weenend smeekte hij om het behoud van zijn leven, en als men het hem schonk, dan beloofde hij nog dubbel zooveel goud te geven, als hij voor zijn’ losprijs reeds betaald had. Pizarro, die nu gedurig versterkingen in soldaten, musketten en kanonnen gekregen had en dus zoo zwak niet meer stond als in het begin, sloeg dat aanbod af en was alleen te bewegen om den dood op den brandstapel door eene andere straf te vervangen, als de Inka Christen worden en den doop ondergaan wilde. De Inka, geheel ontmoedigd en van alle fierheid en geestkracht beroofd, stemde toe. Hij nam het Christendom aan, liet zich doopen en—werd geworgd. Het is zoo natuurlijk als iets, dat de dood van Atahualpa, die gestorven was zonder omtrent de opvolging eenige beschikking gemaakt te hebben, de grootste wanorde te voorschijn roepen moest. Een Inka werd niet gekozen door Priesters van de Zon, door Edelen of Krijgsbevelhebbers. Een Inka volgde eenvoudig op, en als dat de oudste zoon uit het voorgeschreven huwelijk niet was, dan was het een broeder of ander familielid van den overledene. Maar welke gevallen van opvolging zich ook mochten voordoen, Priester noch Edelman of Volkskind liet er zich mede in; het was eene zaak, die enkel het geslacht van Manco Capac aanging. Thans was er ineens in het regeeringsstelsel eene verbazend groote verandering gekomen. Wat de stok doet, dien men door het spinneweb slaat, dat had de hand van Pizarro met het geslacht der Inka’s gedaan, en letterlijk was hier het Bijbelwoord van toepassing: „Ze dwalen als schapen, die geen’ herder hebben.” Aan dien toestand wilde Pizarro een einde maken. Hij zou den Inka benoemen en hem even als Atahualpa bij zich en onder zijn rechtstreeksch toezicht houden. Een broeder van Huascar werd gevonden en deze heette ook Manco Capac, doch als Pizarro had gemeend in dezen jongen Vorst een werktuig te vinden, dan had hij zich vergist. Na het in bezit nemen van Cuzco, de oude hoofdstad van Peru, waar de Spanjaarden alweer opgestapelde schatten vonden, deed Pizarro Manco Capac kronen. Toen dit geschied was, liet hij den Inka te Cuzco, welke stad door een’ Spaanschen Raad zou bestuurd worden, en zelf trok hij met een groot deel van zijn leger uit, om, in de nabijheid der zee, eene andere hoofdstad van de Kolonie te stichten, dewijl Cuzco te diep in het binnenland gelegen was, wat, met het oog op de verbinding met Spanje, op den duur te lastig was. In eene heerlijke landstreek stichtte hij nu, dicht bij den Stillen-Oceaan, zijne hoofdstad en noemde die „Ciudad de los Reyes,” wat „Stad der Koningen” beduidt. Naar den kuststroom Rio Lima, aan welks oevers ze gelegen is, kreeg ze later den naam van Lima.

Thans begon Pizarro zich met alle macht en kracht toe te leggen op de verdeeling van het land, en hoeveel men hem, helaas, ten laste leggen moet, hij toonde een „organiseerend talent” te hebben, als slechts weinigen. Met krachtige hand voerde hij de teugels van bewind, en handel, nijverheid en landbouw konden overal en altijd op zijne krachtige ondersteuning rekenen, maar—alles ten voordeele der Spanjaarden. Aan de belangen der millioenen Peruanen werd niet gedacht, en hun grond, het „Staatseigendom”, werd eenvoudig aan Spanjaarden gegeven, want van die oude grondverdeeling wilde Pizarro niets weten. Daar de heele Inka-regeering met dat algemeene grondbezit alleen bestaanbaar was, zoo gevoelde de Inka, dat hij, wilde hij in handen der Spanjaarden geene ledepop zijn, iets doen moest om hieraan een einde te maken. Hij wist de waakzaamheid van den Spaanschen Raad, waaronder Pizarro’s broeders Gonzalo en Juan waren, te verschalken, ontvluchtte Cuzco, en stelde zich aan het hoofd zijns Volks.

Wie herinnert zich niet de laatste bedrijven van den Fransch-Duitschen oorlog van 1870–71? Wie gevoelde geene warme sympathie voor den Franschman? Geen militie-plichtig of gehuurd leger was het, dat onder den dapperen Generaal Baptiste d’ Aurelle de Paladine aan de Loire streed. Het waren nu de zonen des Volks, die hun hartebloed wijdden aan de verdediging van hun’ geboortegrond, en—geen heftiger tegenstanders hadden de Duitschers dan deze Patriotten.—Zoo ging het ook in Peru. Onder aanvoering van den dapperen en beleidvollen Manco Capac aanvaardden de Peruanen den strijd tegen hunne onderdrukkers en overweldigers. Het scheen zelfs, dat het lot hun gunstig was, want weldra brak ook onder de Spanjaarden een broederoorlog uit. Almagro, die, en niet ten onrechte, meende dat hij aan de verovering van Peru een even groot aandeel had als Pizarro, kon het niet verkroppen, dat deze laatste alle macht en gezag aan zich trok. Wel had Koning Karel hem tot belooning van zijne diensten benoemd tot Stadhouder van de Zuidelijke gewesten van Peru, doch hiermede was Almagro niet tevreden. Een tocht naar Chili, dat hij in 1535 ontdekte, leverde hem geene voordeelen op. In den strijd tegen Pizarro om het bezit van de oude hoofdstad Cuzco, moest hij het onderspit delven, en de man, die zooveel gedaan had voor de ontdekking van Peru, werd, op last van Pizarro’s broeder Hernando, op bijna vijfenzeventigjarigen leeftijd in de gevangenis geworgd en daarna onthoofd. Zoo eindigde de man, die in 1464 bij Almagro te vondeling gelegd was, zijn beroemd leven, dat alleen, omdat het geketend was aan dat van Pizarro, van al te veel bloedige tooneelen getuige was. Tijdgenooten noemen hem een edel man, doch juist zou zijn edel karakter ook al zijn ongeluk geweest zijn, als hij inplaats van Pizarro aan het hoofd der onderneming gestaan had. Thans regeerde Pizarro zoo goed als oppermachtig Vorst, doch de wraak sliep niet, al behaalde Pizarro op Inka Manco Capac, die zelfs te paard zijne legers aanvoerde, de eene overwinning na de andere. Een zoon van Almagro smeedde eene samenzwering tegen het leven van den dwingeland, en deze werd nu op Zondag den twintigsten Juni 1541 vermoord. De regeeringloosheid van het land duurde niet lang, want kort na Pizarro’s dood kwam de nieuwbenoemde Onder-Koning Don Vaca De Castro, die het land met beleid en zachtheid regeerde, doch daardoor ook in Spanje den goud- en zilveraanvoer verminderde. Zulke mannen kon men niet gebruiken, en zóó zag men te Lima, beurtelings onder dezen dan dien Onder-Koning, het oude Inka-rijk langzaam, maar zeker ten gronde gaan. Het mocht voor het geslacht van Manco Capac zelfs niet baten, dat Sayri Capac in 1557 vrede met de Spanjaarden sloot en afstand van de Regeering deed ten behoeve van Koning Filips van Spanje, want in 1571 werd het geheele Inka-geslacht eenvoudig onthoofd of geworgd. Het schoone en vruchtbare Chili werd in 1550 door Don Pedro Valdivia onder het bestuur van Lima’s Onder-Koning gebracht.

Terwijl Zuid-Amerika langs den Stillen Oceaan zoo in het bezit van Spanje gebracht werd, trachtten de Portugeezen zich meester te maken van de landen aan den Atlantischen Oceaan gelegen. Ze werden, we lazen dit vroeger, ontdekt door Vincente Yanez Pinzon, doch na hem kwam er de Portugees Pedro Alvarez De Cabral. Het was niet het doel van hem geweest om dit land te naderen, doch op eene reis naar de Oost-Indiën werd hij door storm hierheen geslagen. Hij nam deze kust voor Portugal in bezit, en noemde ze „Terra da Vera-Cruz,” dat is „Land van het Ware Kruis.” Later kreeg het naar het verfhout „pao do brazilia” den naam van Brazilië. Onder de regeering van Koning Johan III van Portugal hechtte de Paus zijne goedkeuring aan deze in bezitneming. Eerst in 1549 echter kwam er onder het bestuur van Don Thomas Da Souza, die door Koning Johan tot Gouverneur aangesteld was, in de Koloniën eenig leven van beteekenis, en tot eer van Portugal, dat toch óók een Katholiek volk was, en alles deed, wat het kon om het Evangelie te verbreiden, moet gezegd worden, dat de Koloniën zich in vrede ontwikkelden, en dat er van een bloedvergieten als in Mejico, Peru en Chili geene sprake was. Ongelukkig echter kwam Portugal in 1580 onder den Koning van Spanje, en zoo werd Brazilië ook Spaansch. Het was voor de Kolonie zoo goed als haar ondergang, want hoewel meest door Portugeesche Stadhouders bestuurd, moesten dezen zich toch schikken naar den zin en den wil van den Spaanschen Koning, die hun in de Nederlanders vijanden bezorgde, die medetellen konden. De Tachtigjarige Oorlog toch tegen Spanje, deed in Holland de later zoo machtige Oostindische Compagnie in 1602, en in 1621 de Westindische ontstaan. Deze Westindische Compagnie was het, die eerst onder Admiraal Piet Hein, de Braziliaansche Koloniën fel liet bestoken, om later, in 1630, Graaf Johan Maurits van Nassau, als Stadhouder naar deze nieuwe Westindische bezitting te zenden. Eenendertig jaar lang bleef Brazilië nu in het bezit der W. I. Compagnie, doch daar inmiddels Portugal zijne zelfstandigheid als Koninkrijk weer herkregen had, en de zaken der Compagnie in dat groote land niet naar wensch gingen, zoo werd het in 1661 eenvoudig aan Portugal teruggegeven voor eene som van ruim vier millioen gulden. Deze Compagnie, die al te veel bedacht was geweest op groote uitkeeringen van winst, was daardoor in schulden geraakt, en moest in hetzelfde jaar ontbonden worden. Wel werd er terstond weer eene nieuwe opgericht, maar van deze ging slechts een zwak leven uit, waaraan het wel toe te schrijven is, dat onze Westindische bezittingen niet tot bloei geraakten en meestal schadeposten waren, niettegenstaande de Kolonie Suriname, veel meer dan de eilanden, die daar tot onze bezittingen behooren, rijke bronnen van welvaart bevat.

Verlaten we nu Zuid-Amerika om een’ blik te werpen op de noordelijke helft der Nieuwe Wereld bekend onder den naam van Noord-Amerika.

Wij kwamen er reeds met de Noormannen langs de kusten tot bij de plaats waar nu New-York ligt; met Juan Ponce De Leon en de Cabots in Florida, en met Cortez in Mejico en Californië.

De omstandigheid, dat het verarmde Europa zooveel behoefte had aan goud, mag wel oorzaak genoemd worden, dat de geschiedenis van Noord-Amerika zulk een geheel andere is dan die van Zuid-Amerika. Wie hier Koloniën stichten wilde, had heel wat anders te doen dan goud te verzamelen. Slechts krachtige en nijvere handen, mannen bezield met lust tot den arbeid en niet krachteloos gemaakt door een lui, wellustig en weelderig leven, konden in dit gedeelte der Nieuwe Wereld Koloniën stichten. Zoo kwamen hier onder de regeering van Koningin Elisabeth, in 1585, de Engelschen onder Sir Walter Raleigh. Zij vestigden zich op het eiland Roanoke, bij de kust van Noord-Carolina, en Sir Walter gaf aan zijne Kolonie den naam van „Virginia” of „Maagd” ter eere van zijne Koningin, die ongehuwd was. In 1606 echter begonnen de Koloniën, die daar aangelegd waren, eerst van eenige beteekenis te worden, daar Koning Jacobus I er op bedacht was om er geschikte landbouwers en handwerkslieden heen te zenden. Deze Kolonisten waren dus Planters, die hunne plantages slechts zeer langzaam naar het binnenland uitbreidden. Met het musket op den schouder en pistolen en dolken in den gordel, bebouwden ze het land, dat ze in bezit genomen hadden, telkens aangevallen en verontrust door de Indianen, die wel ruw en onbeschaafd waren, doch niet, als Azteken en Peruanen, door een weelderig leven verzwakt waren geworden. De strijd om het bestaan werd daardoor voor de Planters een felle strijd, en iemand, die gaarne klakkeloos rijk wilde worden, zocht allerminst de Noordamerikaansche wouden en prairiën op. Kloeke mannen, kerels waar pit in zat, waren die Engelsche Planters.

Weldra zouden ze eene zeer gewenschte versterking ontvangen ook in lieden, die terwille van den Godsdienst hun land verlieten. Koning Jacobus I, die gaarne de rol van groot godgeleerde speelde, begon al heel spoedig na zijne troonsbeklimming de Presbyterianen,—Protestanten, die zich tegen de Bisschoppelijk Protestantsche Kerk verzett’en,—te onderdrukken en te vervolgen. Zijn zoon, Koning Karel I, was als zijn Vader, een heftig tegenstander van de Presbyterianen, en tal van dezen nu namen de wijk naar de Noordamerikaansche Koloniën, waar ze met open armen ontvangen werden, als ernstige mannen, die vast besloten hadden, in het aangenomen Vaderland zich eene positie te veroveren.

Het waren evenwel de Engelschen alleen niet, die Koloniën in Noord-Amerika gevestigd hadden. Henry Hudson, een Engelschman, was in dienst van onze Oostindische Compagnie getreden, en op zijne reis om eene noordoostelijke doorvaart te vinden, ontdekte hij den derden September 1609 het eiland Manhattan. Een deel der bemanning bleef hier achter en stichtte er eene Kolonie, die weldra uit het Vaderland de noodige versterking ontving. Er werd nu een fort gebouwd, dat den naam kreeg van „Nieuw-Amsterdam”. De Kolonie nam, in korten tijd, in omvang toe, en het fort werd een zeer welvarend, echt Hollandsch stadje. Echt Hollandsch was men ook te werk gegaan met het in bezit nemen van het eiland, want men had het voor de som van vierentwintig dollars van de Indianen gekocht. Die som moge bespottelijk klein heeten, het feit blijft toch bestaan, dat de Nederlanders aan de Indianen den grond maar niet eenvoudig met het recht van den sterkste ontnamen. Dat koopen van grond hielden zij vol toen ze, ter uitbreiding van hunne Kolonie, gronden aan de rivier de Delaware en het Staten-eiland noodig hadden. Aan deze handelwijze zal het dan ook wel te danken geweest zijn, dat de Kolonisten steeds in welvaart en macht toenamen, want de Indianen dreven met hen gaarne handel in pelterijen, en waren er niet op uit om hen te scalpeeren, als ze hen wat ver van hunne Kolonie aantroffen. Nieuw-Amsterdam breidde zich steeds meer en meer uit, en de welvaart nam met den dag toe. Doch wat gebeurde?

Nieuw-Amsterdam of New-York vóór derdehalve eeuw.

Nieuw-Amsterdam of New-York vóór derdehalve eeuw.
Nieuw-Amsterdam of New-York vóór derdehalve eeuw.

Met Karel II was het huis der Stuarts weer op den Engelschen troon gekomen, en hoeveel Koning Karel ook aan de Nederlandsche Republiek te danken had, hij bleef haar levenslang vijandig, en niet lang was hij aan de Regeering, of hij verklaarde de Republiek den oorlog. Schitterend werd deze zee-oorlog, vooral door het beleid van onzen grooten De Ruyter, door de Republiek gevoerd, maar, de Kolonie „Nieuw-Nederland”, zooals de Nieuw-Amsterdammers hun land noemden, ging er bij verloren. Koning Karel II, wiens geldmiddelen steeds in een’ berooiden toestand verkeerden, moest zijn’ broeder Jacobus, Hertog van York, toch ook eenige inkomsten geven, en daar hij zelf geen geld had, zoo gaf hij de Kolonie Nieuw-Nederland aan hem. Door vier Engelsche fregatten werd deze streek in bezit genomen, en ter eere van den nieuwen Vorstelijken eigenaar kreeg de stad den naam van „New-York”. De Hollanders, die hier eigendommen hadden, en niet heel erg bemoeielijkt werden, bleven er voor het grootste gedeelte wonen, en nog altijd kan men in New-Yorks adresboek honderden namen vinden, die of nog geheel Hollandsch zijn, òf tendeele hun’ Hollandschen klank behouden hebben. Hoe die afstammelingen van onze wakkere Voorvaderen ons gezind zijn, blijkt uit tal van voorbeelden, en waar men nu gedachtenis viert van Columbus’ groote ontdekking, daar blijven de New-Yorkers niet achter om ook de geschiedenis van hunne stad door den druk algemeen bekend te maken, en de wijze waarop ze met lof spreken van de kloeke stichters van deze wereldstad, kan ons tevreden doen zijn en steekt scherp af bij de oordeelvellingen, die in den vreemde ons land en volk meestal tendeel vallen. Trouwens van New-Yorks grootheid en aanzien legden die Oud-Hollandsche familiën—er is geen Amerikaan, die dat tegenspreekt—den hechten grondslag. Trotsch zijn ze op hunne Oud-Hollandsche namen, en hoe hunne zeden en gewoonten in den loop der tijden ook veranderd mogen zijn, zóó zelfs, dat zij geen woord meer van onze taal verstaan, toch sluiten zij zich gaarne aaneen om in de groote wereldstad eene vereeniging te vormen, waarin men, stellig eenmaal in het jaar op het aartsvaderlijke Sinterklaasfeest, nog eens op zijn Oud-Hollandsch feest viert, en een aanzienlijk aantal hunner is, uit sympathie voor het geboorteland hunner Vaderen, lid van de Leidsche „Drie October vereeniging”. Daar onder de leden van die Vereeniging tal van mannen gevonden worden, die zeer vermogend zijn, zoo wordt het duidelijk, dat zelfs de Engelsche Amerikanen rekening houden met de leden van de „Hollandsche Club”.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings