← Table of contents
Vóór vier Eeuwen

HOOFDSTUK X.

Reading edition

ONTDEKKINGSIJVER.

Wie van avonturen houdt, kan zijn hart terdege ophalen bij het lezen van de ontdekkingsreizen in de Nieuwe Wereld, minder nog die van Columbus, dan die van de reizigers, die als het ware onder zijne leiding gevormd werden. Vreemder ontmoetingen, romantischer handelingen, vreeselijker gevaren, grooter ellende, stouter ondernemingen, edeler karakters, lager zielen dan in deze ontdekkings-reizen geschetst worden, kunnen bezwaarlijk in een verdicht verhaal voorkomen. Het kost groote moeite hier niet te uitvoerig te worden, want zonder bezwaar zou er een onderhoudend boek, veel grooter dan dit, geschreven kunnen worden, over alles, wat hier in één hoofdstuk bij elkander gebracht is. En als men dat lijvige boek gelezen had, en men zag eens op de kaart na, welk een betrekkelijk klein gedeelte van Amerika door die belangwekkende en moeitevolle tochten ontdekt werd, dan zou men zich verbazen. Juist, omdat er op die tochten zulk een klein gedeelte van Amerika ontdekt werd, willen we, na de reizen van Columbus vrij uitvoerig beschreven te hebben, liever hier niet te veel over de leerlingen zijner school uitweiden.

In het vorige hoofdstuk lazen we dat Columbus op zijne laatste reis een deel van het vasteland ontdekte, hetwelk thans bekend staat onder den naam van Centraal- of Middel-Amerika. Wij lazen ook, dat hij hier veel goud vond, en dat hij in de nabijheid der mijnen van Veragua eene volkplanting wilde achterlaten, welk plan evenwel door de ondoordachte handeling van Don Bartholomeus geheel mislukte. Intusschen, er was dáár goud, en veel meer dan ergens elders in de ontdekte landen, die tijding had Columbus in Spanje gebracht, en wekte de begeerte bij velen op om dat land voor de Spaansche Kroon in bezit te nemen. Verwonderen zal het ons niet, dat in de eerste plaats zich daartoe aanmeldde: Don Alonzo De Hojeda, dien we reeds eene ongelukkige reis zagen maken. De tocht, dien hij nu ondernemen wilde, zou evenwel niet zijn tweede maar zijn derde zijn.

Nog vóór Columbus Spanje verliet om voor de vierde maal naar de Nieuwe Wereld te stevenen, zeilde De Hojeda in Januari van 1502 de haven van Cadiz uit. Waarom? Hij had op zijne eerste reis in de streken, waaraan hij den naam van „Venezuela” gaf, doch die door de inboorlingen „Coquibacoa” genoemd werden, Engelschen ontdekt, zoo beweerde hij althans, en om nu die vreemde indringers te weren, vond Koning Ferdinand het raadzaam om in die uiterste deelen der ontdekte landen een’ post uit te zetten. Dat de stoutmoedige De Hojeda hiervoor de aangewezen man was, zal ieder beamen. Zoodra hij dus vergunning vroeg om een’ tweeden tocht te mogen doen, verkreeg hij ze. Hij mocht tien schepen uitrusten en met deze naar Coquibacoa trekken om er eene kolonie te vestigen, waarvan hij de Gouverneur zou zijn. Als de tocht goed slaagde, dan waren er schatten mede te verdienen, en dit was de reden dat De Hojeda, die zelf geen geld bezat om maar eene halve karveel uit te rusten, twee mannen vond, die hem hielpen, onder voorwaarde, dat de winsten eerlijk gedeeld zouden worden. Deze twee deelgenooten heetten Don Garcia De Campos en Juan De Vergera, die het samen zoo ver brachten, dat er vier karveelen voor de reis gereed gemaakt konden worden. De tocht naar Coquibacoa, dat in de nabijheid van het Meer van Maracaïbo lag, was zeer voorspoedig, doch al heel gauw was De Hojeda genoodzaakt om De Vergera naar Jamaïca te zenden, teneinde levensbehoeften te halen. Gedurende diens afwezigheid leden de overige tochtgenooten een vreeselijk gebrek en het duurde bovendien niet lang of er ontstond ontevredenheid en wantrouwen. Men meende dat De Hojeda zich verrijkte ten koste van de anderen, en het gevolg was, dat de heele tocht hiermede eindigde, dat de Kolonisten Coquibacoa verlieten en De Hojeda in boeien gesloten op Hispaniola brachten. Later werd hij door Koning Ferdinand wel buiten alle vervolging gesteld, doch hiermede was De Hojeda niet geholpen en hij bleef een berooid man.

Nieuwe hoop had hem bezield toen hij van „Veragua” hoorde gewagen, doch juist toen hij zich bij De Fonseca aanmeldde om dat land voor de Spaansche Kroon in bezit te nemen, verkreeg hij een’ mededinger in Don Diego De Nicuesa, een aanzienlijk Edelman, die in alles wel een tweelingbroeder van hem geleek. Koning Ferdinand wist evenwel raad. Het land Veragua, dat door de Caraïbische Golf bespeeld werd, verdeelde hij in twee Stadhouderschappen, die de namen kregen van Goud-Castilië en Nieuw-Andalusië. De grens tusschen deze twee gewesten zou de Golf van Dariën of van Uraba zijn. Over het eerstgenoemde gewest zou De Nicuesa en over het andere De Hojeda Stadhouder worden. Vertrouwende dat er veel bij te winnen en niets bij te verliezen viel, namen beide Stadhouders gaarne de verplichting op zich om zelf de kosten der uitrusting te dragen. Om dat goed te doen, stak De Nicuesa, die nog krediet had, zich tot over de ooren in de schulden en rustte vier schepen naar behooren uit. De Hojeda had, naar het scheen, bij de avonturiers, die geld te missen hadden, al zeer weinig vertrouwen, doch hij was zoo gelukkig om in den beroemden Stuurman, den ouden Juan De la Cosa, die te San-Domingo vrij goede zaken gemaakt had, een helpend vriend te vinden, die twee schepen voor hem uitrustte. Ten slotte wist de slimme De Hojeda nog den Advocaat Martin Fernandez De Enciso over te halen zijne spaarpenningen, die ruim vijfentwintig duizend gulden bedroegen, in de zaak te steken en met hem mede te trekken. Het had heel wat voeten in de aarde eer De Hojeda uitzeilde. Don Diego Columbus, die toen de betrekking bekleedde, welke men zijn’ Vader ontnomen had, was niet van plan om het eiland Jamaïca, dat zoo dicht bij Hispaniola lag, aan twee mannen over te laten, die bij hem zeer laag aangeschreven stonden. Nu reeds daagde de een den ander uit, wat zou er dan van terecht komen, als die twee samen één eiland besturen moesten? Trots Koning Ferdinands beschikking, zond de Admiraal nu Don Juan De Esquibel met zeventig man uit om het eiland te bezetten en te zorgen, dat het niet in handen van die twee avonturiers viel. Toen De Hojeda dit vernam, was hij woedend en zwoer dat hij, als hij op het eiland kwam, dien De Esquibel het hoofd voor de voeten zou leggen.

De Hojeda was de eerste, die uitzeilde met twee schepen, die met driehonderd personen bemand waren. Daar hij bij ervaring wist, welk een’ indruk de ruiters op de inboorlingen maakten, zoo nam hij ook twaalf paarden met hunne veulens mede. De Enciso bleef nog te San-Domingo, doch beloofde, dat hij hem weldra volgen zou met een schip, geladen met levens- en krijgsbehoeften.

Op de hoogte van het tegenwoordige Cartagena—eene zeehaven van de Republiek Columbia,—gekomen, begaf De Hojeda zich, tegen den raad van den ouden De la Cosa, aan wal om de inboorlingen te overvallen, teneinde een aantal slaven buit te maken om hiermede zijne schulden te San-Domingo te betalen. Het plan gelukte hem en hierdoor overmoedig geworden, besloot hij met eene bende van zeventig man naar de binnenlanden te trekken om de Caraïben andermaal te verslaan. Nogmaals verhief De la Cosa zijne waarschuwende stem, maar De Hojeda was doof voor allen goeden raad. Toen De la Cosa zag, dat de Gouverneur niet hooren wilde, trok hij met hem mede. De uitslag was zoo treurig mogelijk. De Caraïben versloegen de heele bende en slechts De Hojeda gelukte het, den dood te ontkomen. Toen de achtergebleven schepelingen hem vonden, was hij geheel uitgeput. Kort daarop kwam zijn mededinger De Nicuesa met zijne schepen aan, en deze vergetende, dat De Hojeda hem beleedigd en uitgedaagd had, kwam hem nu te hulp en in een vreeselijk gevecht namen de Spanjaarden wraak over den dood van De la Cosa en al de anderen. Na zoo zijn’ plicht, als Ridder, vervuld te hebben, toog De Nicuesa verder om Goud-Castilië op te zoeken. De Hojeda achtte het onraadzaam om hier zijn fort te bouwen en zocht meer westelijk eene geschikte plaats, en toen hij die meende gevonden te hebben, begon hij een fort te stichten, hetwelk hij den naam van San-Sebastian gaf. Het duurde niet lang of er kwam gebrek aan levensmiddelen, want de inboorlingen vertoonden zich alleen, wanneer ze kwamen om hunne vergiftigde pijlen op de Spanjaarden af te zenden, wat maar al te veel plaats had. Het was derhalve geen wonder, dat De Hojeda, die te midden van de ontevreden zieken en hongerlijders de tucht met galg en zwaard wist te handhaven, met verlangen uitzag naar het schip van zijn’ deelgenoot De Enciso. Maar wie er komen mocht, De Enciso kwam niet. De ellende werd daardoor van dag tot dag erger, en naarmate zij toenam, vermeerderden de aanvallen der Indianen, die ten laatste ook De Hojeda met een’ vergiftigden pijl wisten te treffen. Zulk een pijl bracht eene rillende koude en dan den dood. Die rillende koude wilde De Hojeda voorkomen om zich zóó het leven te redden, en hij beval zijn’ Geneesheer met twee gloeiende ijzeren staven die wonden uit te branden. De Geneesheer weigerde, doch De Hojeda zeide heel eenvoudig, dat hij hem dadelijk zou laten ophangen, als hij het niet deed. Voor zulke bedreigingen zwichtte onze Chirurg; de staven werden witgloeiend gemaakt en hiermede liet De Hojeda zich, zonder éénig gekreun te laten hooren, de wonden uitbranden, en wonder boven wonder, het vreeselijke middel hielp en hij bleef in het leven om te strijden tegen eene onbeschrijfelijke ellende. Eindelijk, eindelijk kwam er een schip, doch dat van De Enciso was het niet. Een aantal bankroetiers, oplichters, dieven en andere schelmen hadden San-Domingo in stilte verlaten, een schip afgeloopen, de bemanning vermoord en kwamen nu hier bij De Hojeda hun geluk beproeven. Tegen schreeuwend hooge prijzen kocht De Hojeda de levensbehoeften, die ze aanboord hadden, doch toen deze verteerd waren en De Enciso nog altijd wegbleef, besloot De Hojeda zelf naar San-Domingo te stevenen om hulp te halen. Hij zou dat doen op het schip en met de mannen, die op zulk eene vreemde wijze te San-Sebastian aangekomen waren, en als hij binnen vijftig dagen nog niet terug was, dan moesten de Kolonisten het fort verlaten en met de schepen waarmede ze gekomen waren, naar Hispaniola terugkeeren. Gedurende zijne afwezigheid zou zijn Onder-bevelhebber Francisco Pizarro, het bevel over de Kolonie voeren.

De Hojeda vertrok, doch moest het geroofde schip, dat door de zeewormen bijna verteerd was, op het eiland Cuba op het strand laten loopen. Met zeventig man begon De Hojeda nu een’ tocht dwars door de moerassen heen, welke dertig dagen duurde, en eene aaneenschakeling van de ontzettendste toestanden was. Eindelijk kwamen ze, na met eene kano eene boodschap naar Jamaïca gestuurd te hebben, op dat eiland aan. Don De Esquibel, die zeer goed wist, dat De Hojeda hem gedreigd had, het hoofd voor de voeten te leggen, bewees De Hojeda alle mogelijke diensten en liet hem en de zijnen naar San-Domingo brengen. De Hojeda kwam daar arm aan; zijn deelgenoot De Enciso was uitgezeild, en niemand was er, die zich De Hojeda’s lot aantrok. De een zegt, dat hij Monnik werd, en de ander dat hij vóór eene kloosterdeur in armoede stierf. Zijn levenseinde was in alle gevallen treurig; hij was een der vele slachtoffers van het goud. De schipdieven waren, tot op de helft in de Cubaansche moerassen gestorven, slechts te San-Domingo aangekomen om de doodstraf te ondergaan.

En hoe was het met den Stadhouder van Goud-Castilië, De Nicuesa, gegaan?

Eer wij over dezen Ridder spreken, willen wij eerst naar San-Sebastian terugkeeren. Met de achtergebleven Kolonisten komen we dan vanzelf bij De Nicuesa in Goud-Castilië.

Nog wat langer dan de gestelde vijftig dagen bleef Pizarro op De Hojeda’s terugkomst wachten. Wat er zooal gebeurd is in dien tijd van ongeëvenaarde ellende, niemand, die het zeggen kan, want Pizarro, die de onechte zoon was van een’ Spaansch Officier en eene arme vrouw uit de volksklasse, had de jaren zijner jeugd wel doorgebracht achter de zwijnen, maar niet op de schoolbanken. Hij kon niet lezen of schrijven, en was uit Spanje weggeloopen om in de Nieuwe Wereld, als gemeen soldaat, zijn fortuin te beproeven. Hij was een man van beteekenis in die woelige dagen, en bij groote dapperheid bezat hij een’ ijzeren wil en een helder, natuurlijk verstand, maar meteen eene weergaloos wreede inborst. Te midden van eene ellende, die de heele Kolonie tot op zestig ziekelijke en verzwakte manschappen deed inkrimpen, handhaafde hij de tucht. Eerst toen hij begreep, dat De Hojeda niet terugkeeren zou, besloot hij om in de twee vaartuigen San-Sebastian te verlaten. Die terugtocht was al even rampspoedig als het verblijf in het fort, en door een’ zwaren storm overvallen, verging een der twee schepen met man en muis. Het schip waarop Pizarro was, bleef behouden en ontmoette, na eenige dagen zwervens, in de haven van Cartagena, waar De la Cosa gesneuveld was, de karveel van De Enciso, die, vernomen hebbende hoe het met de volkplanting afgeloopen was, zich nu als hoofd van den tocht en als Gouverneur van Nieuw-Andalusië beschouwde, zoo lang De Hojeda er niet was. Hij beval daarom naar San-Sebastian terug te keeren. Met tegenzin gehoorzaamden Pizarro en de zijnen aan dit bevel, doch eer ze het verlaten fort bereikt hadden, verging de karveel van De Enciso in de Golf van Dariën. Met groote moeite werden nog eenige levensmiddelen gered, en zoo kwam men alweer met één vaartuig en eene half verhongerde bemanning op de plaats aan waar het fort eens gestaan had. Gestaan had, ja, want de inboorlingen hadden het verbrand. De Enciso’s schoone hoop om in deze landstreken, wanneer het regen-seizoen ingetreden was, in de bergen goud met netten te vangen, wat men hem wijsgemaakt had, was als rook vervlogen. Wat nu te doen? Thans trad zekere Vasco Nunez de Balboa te voorschijn en zeide, dat hij op den tocht van De Bastides, dien hij vergezeld had, in de Golf van Uraba eene plaats gezien had, waar veel goud was en waar de inwoners nooit vergiftigde pijlen gebruikten; hij bood zich meteen aan om de Kolonisten derwaarts te voeren. Het voorstel werd aangenomen en De Balboa had het geluk het schip in de rivier Dariën te brengen. De inboorlingen, die de landing wilden beletten, werden verslagen en behalve vele levensmiddelen en katoen behaalden de Spanjaarden ook een’ buit aan goud, die anderhalve ton waarde had. Dit herstelde den moed en men besloot hier te blijven. Het fort, dat er gesticht was, kreeg den naam van „Santa-Maria De la Antiqua del Dariën” en vol hoop gingen de Kolonisten nu de toekomst tegemoet. De Enciso verbood echter aan zijne onderhebbende manschappen om voor eigen rekening met de inboorlingen ruilhandel te drijven. Dit stuitte vooral Nunez tegen de borst, en daar deze een dapper en schrander man en bij zijne makkers zeer gezien was, zoo kostte het hem weinig moeite om hen te bewegen, het gezag van De Enciso niet te erkennen. Hij ging hierbij zeer slim te werk en ving den Advocaat met een echt Advocaten-net. De grenslijn, die Koning Ferdinand tusschen Goud-Castilië en Nieuw-Andalusië getrokken had, liep midden door de Golf van Uraba. Deze lijn was overschreden en derhalve was men in het gebied van De Nicuesa. De Kolonisten zett’en dus De Enciso af en verkozen tot Aanvoerders Vasco Nunez De Balboa, Zamudio en Valdivia. Onder het bestuur van dit nieuwe Driemanschap, liep alles weldra in het honderd, doch toen men er toe kwam om één’ Bevelhebber te kiezen, waren de gevoelens zóó verdeeld, dat men besloot om De Enciso weer maar in het gezag te herstellen. Hierover nog aan het kibbelen, kwamen onverwachts twee karveelen de golf binnenloopen. Ze stonden onder bevel van zekeren Colmenares en waren met levensmiddelen en oorlogsbehoeften bevracht voor den Stadhouder van Goud-Castilië. Colmenares wist nu de Kolonisten te bewegen om De Nicuesa als Gouverneur te erkennen, en na levensmiddelen, kruit, lood en eenige wapenen uitgedeeld te hebben, begon hij langs de kust naar het fort van De Nicuesa te zoeken. Na eenige dagen ontmoette hij een scheepje, dat door den Stadhouder uitgezonden was om levensmiddelen te halen en, begeleid door dit scheepje, kwam Colmenares te „Nombre de Dios,” de zoogenaamde Residentie van Don De Nicuesa aan, om eene ellende te vinden, welke die van San-Sebastian misschien nog wel overtrof. Het was met dezen Ridder gegaan als met De Hojeda.—Stormen vernielden zijne schepen en sleurden zijne levens- en krijgsbehoeften in de golven. Oproer aan boord en ziekten waren zijn deel geweest. Met een moedeloos: „Laten wij hier en el nombre de Dios (in Godsnaam) ons nederzetten,” van De Nicuesa, waren zij hier gekomen en hadden ze het fort gebouwd, dat „Nombre de Dios” genoemd werd. De verjaagde inboorlingen lieten zich ook hier niet zien dan om aanvallen op de sterkte te doen. Van goud verzamelen in „Goud-Castilië” was geene sprake, men vond er zelfs geen cassave-brood. De eene opstand na de andere brak uit, en de ellende was ten top gestegen toen Colmenares aankwam. Zoodra De Nicuesa van de Kolonie te Santa-Maria gehoord had, besloot hij aldaar zijne residentie te vestigen en zond een schip met zieken en zwakken er heen; hij zelf zou later komen. Het vooruitgezonden volk bewerkte evenwel zijn’ val, want te Santa-Maria vertelden ze allerlei leelijks van De Nicuesa en zeiden ook, dat ze al het goud, hetwelk ze verzameld hadden, zouden moeten afstaan, en dat De Balboa, die nog altijd de betrekking van Alcalde of Rechter bekleedde, zijn ambt zou moeten neerleggen. Dit nu stond den Kolonisten en vooral De Balboa niet aan. Hij haalde het volk over om De Nicuesa niet te erkennen en toen deze eindelijk met zijne twee schepen te Santa-Maria verscheen, werd hem de landing belet. Het eenige, wat hem toegestaan werd, was dat hij, slechts vergezeld door een’ Page, aan den wal kwam. Nu wist De Balboa, die vooraf reeds alles met de zijnen afgesproken had, De Nicuesa mede te deelen, dat het noodig was, dat hij zich aan eene keuze der Kolonisten, die eigenlijk toch onder De Hojeda stonden, onderwierp. De stemming volgde en—De Balboa werd verkozen. Te vergeefs smeekte De Nicuesa nu om de gunst om toch te Santa-Maria te mogen blijven. Op eene brigantijn, die meer een wrak dan een schip was, noodzaakte men hem, elders zijn geluk te beproeven. Hij heeft het nooit gevonden, want het wrakke schip zonk met zijne bemanning in de diepte.

Thans beschouwde Vasco Nunez De Balboa zich als Gouverneur van de twee Stadhouderschappen: Goud-Castilië en Nieuw-Andalusië, wat natuurlijk niet overeenstemde met de gevoelens van De Enciso. Deze werd echter in het ongelijk gesteld, gevangengenomen en veroordeeld. De weinige vrienden van den ongelukkigen Advocaat vonden dat vonnis evenwel te hard, en wisten gedaan te krijgen, dat hij naar San-Domingo of Spanje mocht terugkeeren, doch met achterlating van alles, wat hij het zijne mocht noemen. De Balboa begreep zeer goed, dat De Enciso te San-Domingo of in Spanje in het gelijk zou gesteld worden, doch om op het gemoed der Rechters te werken, liet hij met hetzelfde schip ook zijn’ vriend Zamudio medegaan. Deze zou wel zorgen, dat de groote verdiensten van De Balboa met „de breede roede uitgemeten” werden. Hierop nog niet genoeg vertrouwende, liet hij Valdivia ook den tocht medemaken, en dezen gaf hij eene kist van het fijnste goud mede, om dat, als een geschenk van De Balboa, in handen te stellen van Don Miguel De Pasamonte, die te San-Domingo de betrekking van Schatbewaarder des Konings bekleedde. Verlost van De Enciso, en ook buiten bereik van de twee andere leden van het voormalige Driemanschap, begon De Balboa thans de zaken te besturen, en het mocht gezegd wezen, dat ze voortreffelijk gingen. Hij verstond de kunst om zich bij de Kaziken bemind of gevreesd te maken, en daar hij wel wist, dat hij bij Koning Ferdinand zijne zaak, al was deze nog zoo onrechtvaardig, winnen zou, als hij hem maar schatten van goud toevoerde, zoo deed hij al, wat hij kon, om zich van goud meester te maken, en dit gelukte hem boven wensch. Binnen korten tijd kon hij twee schepen, rijk met goud bevracht, naar San-Domingo afzenden. Hij maakte van deze gelegenheid meteen gebruik om Don Diego, den Onder-Koning, te vragen om eene aanstelling als Kapitein-Generaal van Goud-Castilië. De buitengewoon rijke lading der twee schepen was zóó in zijn voordeel, dat Don Diego geen oogenblik aarzelde om hem die aanstelling te verleenen. Hij zond hem bovendien de schepen met allerlei levens- en krijgsbehoeften benevens honderdvijftig soldaten terug. Hoewel De Balboa nu door Don Diego in het gezag bevestigd was, meende hij nog wat meer te moeten doen om ook den Koning voor hem te winnen, want de genegenheid van den Onder-Koning, die zelfs in Spanje nog te worstelen had tegen De Fonseca en al de oude vijanden zijns Vaders, was hem niet genoeg.

Eens nu dat hij van een’ Kazike eene groote hoeveelheid goud ontvangen had, ontstond, over de verdeeling er van, twist onder de Spanjaarden. De eenvoudige inboorlingen verbaasden zich hierover en één hunner zeide nu tot De Balboa: „Hoe kunt gij twist maken over zulk een weinig goud? Indien gij wilt, zal ik u eene plaats aanwijzen, waar gij zooveel goud zult vinden, als gij maar begeert. Gij moet evenwel met eene sterke bende derwaarts gaan, want het goudland is in het gebied van machtige Kaziken, die den Spanjaard vijandig gezind zijn. En wanneer gij er heen gaat, dan kunt ge zelfs van den top van een’ hoogen berg eene zee zien, onmetelijk groot. Zij wordt bevaren door schepen, evenals die van u.”

De Balboa’s oog straalde van vreugde. Zou die zee dan de zeeëngte zijn, welke Columbus gezocht had? Lag dan daar aan gindsche zijde der bergen het heerlijke, rijke land, dat men de „Indiën” noemde? Als hij dát land vond, dan, hij wist het, dan zou hij zijne zaak ook in Spanje winnen. Hij aarzelde niet lang. Den eersten September 1513 begaf hij zich met honderdvijftig Spanjaarden en zeshonderd Indianen op weg, en begon zulk een’ stouten en gewaagden tocht, dat hij in vele opzichten dien van Hannibal over de Alpen overtreft. Wanneer we een’ blik op de kaart slaan, zal het ons tamelijk vreemd voorkomen, dat deze tocht zoo moeielijk en gevaarlijk was, want De Balboa bevond zich bijna op het smalste gedeelte van de Landengte van Panama. Dit blijkt ook uit de verzekering van den Indiaan, die sprak dat men van „gindschen berg,” de groote zee aan de overzijde kon zien. De „gindsche berg” moest dus met den vinger aangewezen kunnen worden, en kon, hemelsbreed, niet zoo ver verwijderd zijn. Dat alles is waar, doch men moet niet vergeten, dat de bergen en dalen, òf overdekt waren met bijna ontoegankelijke wouden, òf bewoond door Indianen, die weinig geleken op de eenvoudige bewoners der afgelegen Westindische eilanden. Zwaard en musket, kruisboog en harnas vermochten hier wel veel, doch lang niet alles. Wilde De Balboa tusschen zijn klein leger en Santa-Maria, bij wouden en bergen, ook geene vijandige Indianen hebben, dan moest hij alle Kaziken, die hij op zijn’ tocht ontmoette, tot vrienden maken. Dit gelukte hem schier overal, want de persoonlijkheid van dezen koenen avonturier schijnt eene zeer innemende geweest te zijn. Gelukte het hem niet om, door bewijzen van vriendschap, de Kaziken aan zich te verbinden, dan wist hij door beleidvol wapengeweld hen tot onderwerping te dwingen, en dikwijls werden zelfs de Kaziken, die hij met geweld had moeten winnen, zijne warmste vereerders en trouwste bondgenooten.

Eindelijk, eindelijk was hij bij „gindschen berg” aangekomen. De beklimming was zóó moeielijk, dat velen beneden bleven. Vol ongeduld klauterde en klom De Balboa de zijnen vooruit. Daar was hij op een’ der toppen en—een groote Oceaan lag in de verte vóór hem. Bij dat gezicht viel hij op de knieën om God te danken, dat het hem vergund was, de eerste Europeaan te zijn, die deze wereldzee zag. Onbeschrijfelijk groot was de vreugde der zijnen toen ze bij hem aankwamen en ook den Oceaan zagen. Er werd van steenbrokken een kruis opgericht, en Andrez De Vara, een Priester, die De Balboa vergezelde, begon, vol dankbaarheid en geloofsgloed, het „Te deum laudamus” te zingen, waarin hij door allen gevolgd werd. Het moet daar op die rotspunt der Cordillera’s een buitengewoon schoon en aangrijpend tooneel geweest zijn, en als we dan weten, dat de Indianen in de vreugde der Spanjaarden deelden, dan moeten we het goud verwenschen, dat instaat was, om met moord en doodslag te doen eindigen, wat zóó schoon met gebed en lofzang begonnen was.

Vasco Nunez De Balboa neemt den „Stillen Oceaan” in bezit.

Vasco Nunez De Balboa neemt den „Stillen Oceaan” in bezit.
Vasco Nunez De Balboa neemt den „Stillen Oceaan” in bezit.

Van de ontdekking van den „Stillen” of „Grooten Oceaan” werd op staanden voet een protocol opgemaakt, dat door al de Spanjaarden onderteekend werd. De derde onderteekenaar, die als handteekening maar een kruisje zette, was Pizarro, en misschien maakte hij toen het plan reeds om in het gezicht van dezen Oceaan voor Spanje nieuwe landen te veroveren. Na afloop der plechtigheid en na uitgerust te zijn, werd de tocht voortgezet, en den negenentwintigsten September bereikte men het zeestrand aan eene baai, waaraan de moedige ontdekker den naam van „San-Miguel” gaf. Het was peillaag water en het strand bestond niet uit zand, maar uit zwarte modder en klei. De Balboa bleef met de zijnen wachten tot het water hoog was. Toen nam hij de Rijks-banier, wierp zijn schild op den schouder, trok zijn zwaard, trad tot aan de knieën in het water en nam daarop, met dezelfde formaliteiten, alsof het land was, van den Oceaan bezit voor de Spaansche Kroon.

Was deze ontdekking reeds gewichtig, nog gewichtiger scheen ze te zijn door den overvloed van parelen, die hier in de omstreken te bekomen waren. Zwaar beladen met goud en parelen werden er nu aanstalten gemaakt om den terugtocht aan te nemen. Dat er ver ten Zuiden van de baai van San-Miguel een groot en beschaafd land lag, waar nog veel meer goud te vinden was dan hier, zooals de inboorlingen mededeelden, en dat niet zoo heel ver van de kust een groep eilanden lag, die onder het bestuur van een’ roofzuchtigen Kazike stonden en een’ buitengewonen rijkdom van parelen bevatt’en, mocht voor een oogenblik de begeerte opwekken om reeds nu dat „Goudland” en die „Parel-eilanden” op te zoeken, men stelde dit toch liever tot eene volgende gelegenheid uit, en den negentienden Januari 1514 kwamen onze moedige ontdekkers, zonder op dien merkwaardigen tocht één’ man verloren te hebben, te Santa-Maria aan. Het was thans De Balboa’s eerste werk om een schip, geladen met de verkregen schatten, naar Spanje te zenden. Dat men aan het Hof alles zou doen, wat maar mogelijk was, om den dood van De Nicuesa op hem te wreken en om den verongelukten De Enciso recht te verschaffen, behoefde men niet in twijfel te trekken; maar als Koning Ferdinand zag, welke rijkdommen aan goud en parelen diezelfde veroordeelde avonturier wist aan te brengen, dan zou alles veranderen en de Koning zou hem wel in zijn gezag bevestigen. Het rijk geladen schip, waarover Pedro De Arbolancha het bevel voerde, kon evenwel pas in Maart zee kiezen en had op reis naar Spanje met veel tegenwind te worstelen, en toen het eindelijk in Spanje aankwam, was het te laat om geheel te herstellen, wat gebeurd was. Op aanraden toch van De Fonseca, die met De Nicuesa bevriend was geweest, en die zich ook de zaken van De Enciso aangetrokken had, was Don Pedro Arias De Avila, gewoonlijk Pedrarias genoemd, aangesteld tot Stadhouder van Goud-Castilië, met bevel om de daden en handelingen van De Balboa ten strengste te onderzoeken. Nog waren na die benoeming slechts eenige dagen verloopen toen De Arbolancha met zijne schatten en merkwaardige berichten aankwam. Die schat van goud, die menigte parelen, die berichten van de ontdekking van den nieuwen oceaan, brachten heel Spanje in beweging, en Koning Ferdinand moest nu wel het veroordeelend vonnis terugtrekken, hetwelk uitgesproken was over een’ man, die zulke schatten aanbracht en zulke gewichtige ontdekkingen gedaan had. Don Pedrarias bleef in het gezag gehandhaafd, doch kreeg in last om dien De Balboa te vriend te houden en hem in alle zaken van het bestuur te raadplegen. Van alle kanten stroomden de avonturiers nu weer toe, om met den nieuwen Gouverneur naar dat „Dorado” te trekken. Het waren thans geene schatten, die alleen in het dichterlijke brein van een’ tweeden Columbus bestonden, maar werkelijke parelen en echt goud, die hen aandreven om daar in het verre Westen rijkdommen te verzamelen. Eene vloot van tweeëntwintig schepen, rijkelijk voorzien van allerlei zaken, die voor de Kolonie onmisbaar waren, en bemand met vijftienhonderd koppen, stak weldra in zee, aangevoerd door Pedrarias, wiens echtgenoote, Donna Isabella De Bobadilla, hem zelfs vergezelde.

Zonder noemenswaardig oponthoud kwam deze schoone vloot weldra in de Golf van Uraba in de nabijheid van Santa-Maria aan, doch Pedrarias, die vreesde door de Kolonisten slecht ontvangen te worden, liet al het volk aan boord blijven en zond alleen een’ Ridder naar den wal om daar het bericht te brengen, dat Don Pedro Arias De Avila aangekomen was om, als Gouverneur over Goud-Castilië, op te treden.

De Balboa had niet stil gezeten sinds hij het rijkgeladen schip naar Spanje gezonden had. Nieuwe schatten aan goud en parelen lagen in de magazijnen opgehoopt; nieuwe vriendschaps-verbonden had hij met vele Kaziken gesloten door zijn tact om met die menschen om te gaan. De Kaziken, die vijandig tegen hem opgetreden waren, had hij met behulp van zijne soldaten en bloedhonden tot onderwerping gedwongen. Het was nog niet alles. De Balboa wist ook bij ondervinding hoe gebrek aan levensmiddelen dikwijls den ondergang van heele Koloniën ten gevolge had. Dat wilde hij voorkomen, en waar hij den eenen dag met het harnas om de leden, het schild aan den linkerarm en het zwaard in de rechterhand, als Veldheer overwinningen behaalde, daar zag men hem den volgenden dag in een’ katoenen werkmanskiel met den grooten stroohoed op, als boer, de velden bebouwen om Goud-Castilië, wat levensmiddelen betreft, geheel onafhankelijk van Spanje te maken. Hij zelf woonde in eene groote stroohut en ging zijn volk voor in eene matige leefwijs. Op Heiligdagen liet hij feesten vieren en wist hij altijd wat te bedenken, dat zijnen Spanjaarden aangenaam was en dat den Indianen genoegen verschafte. Hij, aan wien het gegeven ware geweest om al de Koloniën der Nieuwe-Wereld van 1492 af te bezoeken, zou, te Santa-Maria komende, hebben moeten getuigen, dat dit eene „Model-Kolonie” was, en meteen zou hij hebben moeten bekennen, dat dit te danken was aan den „Model-Gouverneur.”—

Wat keek de prachtig uitgedoste Ridder vreemd op, toen hij, voor de Balboa gebracht, inplaats van een’ Ridder, een’ man voor zich zag, gekleed met katoenen kiel en broek, een’ stroohoed op het hoofd, en met ruwe handen, die van zwaren veldarbeid spraken! Toch naderde de Ridder hem met eerbied en bracht hem zijne boodschap over.

Hoe moet De Balboa teleurgesteld geweest zijn toen hij vernam, dat de Koning een ander tot Gouverneur aangesteld had! Hij hield zich evenwel goed en gaf den Ridder ten antwoord: „Zeg aan Don Pedrarias De Avila, dat hij welkom is en dat ik hem met zijne behouden aankomst geluk wensch. Zeg hem verder, dat ik bereid ben om hem met al mijne manschappen gehoorzaam te zijn en dat wij zijne bevelen zullen opvolgen.”

Met deze boodschap keerde de Ridder naar het Admiraalsschip terug, doch dat bijna de heele Kolonie verontwaardigd was, dat de Koning De Balboa niet tot Stadhouder benoemd had, kon hij niet vertellen, omdat hij van die verontwaardiging, door De Balboa slechts met groote moeite bedwongen, geen getuige geweest was. Slechts enkelen verheugden zich in Santa-Maria over den val van den algemeen beminden man. Ze waren de aanhangers van De Nicuesa en De Enciso, die slechts gezwegen hadden, omdat ze niet spreken durfden.

Met een schitterend vertoon, waarbij de eenvoudige kleeding van De Balboa in een schreeuwend contrast stond, deed de nieuwe Gouverneur, te midden van een’ stoet prachtig gekleede Ridders, en vergezeld van zijne Gemalin en Juan De Quevedo, nieuw-benoemd Bisschop van Dariën, zijn’ intocht in Santa-Maria, de hoofdstad van „Castilla del Oro” of „Goud-Castilië.” De Balboa ontving de aanzienlijke gasten in zijne eenvoudige woning en bood hun een feestmaal aan, dat bestond uit cassave-brood, maïskoeken, eenige vruchten en water.

Wat zullen die Ridders zich in hunne verwachtingen bedrogen hebben gezien! Cassave-brood, maïskoeken en water, aangeboden in eene stroohut, door een’ Bevelhebber, gekleed in een’ werkmanskiel! Hoe zullen ze zich verheugd hebben, dat niet de man met de vereelte handen hun Gouverneur was, maar wel een schitterend Ridder, in Spanje algemeen bekend als „El Galan” of „De Galante.” Toch schijnt er één geweest te zijn, die terstond zag, dat alleen een man als De Balboa de noodige geschiktheid had om eene Kolonie tot bloei en welvaart te brengen. Deze man was Bisschop De Quevedo, die er steeds op uit was om in het belang der Kolonie De Balboa te begunstigen en in moeielijke gevallen voor te spreken. Zelfs de Gemalin van den Stadhouder schijnt dat ingezien te hebben, want ook zij sprong later menigmaal voor den miskenden man in de bres. De Avila evenwel ging van eene geheel andere meening uit. Hij zag zeer goed hoe de kern der oude Kolonisten De Balboa met hart en ziel genegen was, en hij had wel blind moeten zijn, wanneer hij niet bemerkt had, met welk een’ weergaloozen tact dezelfde avonturier met de Kaziken en de inboorlingen wist om te gaan. Die man kon hem gevaarlijk worden, en vreezende dan het lot van De Nicuesa of De Enciso te zullen ondergaan, stond hij overal tegenover hem als zijn vijand, en wist hij de oude aanhangers van De Nicuesa en De Enciso in zijne belangen over te halen. En terwijl Pedrarias zoo in het geheim werkte, deden de nieuwaangekomene Ridders en soldaten niet veel anders dan een lui en ongebonden leven leiden. Aan werken dacht men niet; men was gekomen om rijkdommen te verzamelen. Geen De Balboa was er nu, die langs vriendelijken weg de Kaziken bewoog goud en parelen te ruilen voor eenvoudige voorwerpen. Met blanke wapenen trok men de bergstreken en de dalen in om met geweld te nemen, wat men met zachtheid had kunnen verkrijgen. Als met een’ tooverslag werd de toestand omgekeerd, zoodat De Balboa naar Spanje schrijven kon: „De Kaziken en Indianen zijn van lammeren in leeuwen veranderd.” En te midden van dien toestand deed de vreeselijke, gele koorts hare intrede in Santa-Maria, waar ze in de ontzenuwde lichamen der Spanjaarden een’ vruchtbaren bodem vond om zich met ontzettende snelheid te verbreiden. Zij maakte meer dan vijfhonderd slachtoffers, en alsof de ellende nog niet groot genoeg was, werd, door onvoorzichtigheid, het magazijn, dat de laatste levensbehoeften bevatte, een prooi der vlammen en vernielden de sprinkhanen den te veld staanden oogst.

De tijdingen van deze rampen kwamen ook in Spanje, dat schepen met schatten verwachtte en nu slechts wrakke vaartuigen met ellende ontving. Thans zag Koning Ferdinand in dat hij, alsof hij gedoemd was om door schade en schande nimmer wijs te worden, alweer eene groote domheid begaan had door De Balboa niet tot Gouverneur van Goud-Castilië aan te stellen. Die domheid kon goed gemaakt worden, wanneer hij Pedrarias terugriep en De Balboa tot Gouverneur benoemde. Hij deed het niet, doch stelde De Balboa aan tot Adelantado van de „Zuidzee,” zooals de „Groote” of „Stille Oceaan” vaak genoemd werd, en tot Gouverneur van Panama en Coyba, maar—onder het oppergezag van Pedrarias.

De brieven, die deze benoeming bevatt’en, werden in een pak met nog andere aan den Gouverneur gezonden, die meteen van De Balboa’s benoeming in kennis gesteld werd. Pedrarias had De Balboa zijne dochter tot vrouw beloofd. Dat dit van de zijde der Moeder, Donna Isabella, ernstig gemeend was, mag aangenomen worden, doch van de zijde van den Vader was het niet gemeend. Terwijl deze De Balboa in het openbaar, als zijn’ aanstaanden schoonzoon behandelde, zette hij in het geheim het proces in de zaak van De Nicuesa en De Enciso tegen hem voort. Inplaats van hem een’ tocht naar de Parel-eilanden te laten ondernemen, gaf hij Pizarro last dien te doen, en toen De Balboa er later tòch nog een, en met veel voordeel, naar die eilanden maakte, trachtte Pedrarias niet alleen zijn’ roem te verkleinen, maar zelfs zijne eer te bezoedelen. Was er eene onderneming te doen, welke geene kans van slagen had, dan werd De Balboa er mede belast. Was hij zoo gelukkig van toch te slagen, dan werd het voor niet veel meer dan kennisgeving aangenomen; slaagde hij niet, dan waren verwijten en beschuldigingen zijn deel, zelfs als hij wonderen van dapperheid verricht had en gewond te Santa-Maria terugkwam.

Nu waren de brieven van zijne verheffing gekomen, en thans beging Pedrarias de laagheid om in zijn’ Raad, die voor het grootste deel uit zijne aanhangers samengesteld was, de vraag te doen, of men De Balboa die aanstellingen wel geven zou, omdat hij altijd nog in staat van beschuldiging stond. Gelukkig was Bisschop De Quevedo ook aanwezig, en deze kwam met zooveel kracht en klem voor de rechten van De Balboa op, dat de Gouverneur niet langer durfde weigeren om zijn’ tegenstander de benoemingen ter hand te stellen. Nauwelijks echter was de benoeming van De Balboa bekend, of zijne talrijke vrienden toonden de uitbundigste bewijzen van blijdschap, wat den Gouverneur weer ergerde, die hierin eene samenzwering tegen zijn gezag meende te moeten zien. Een schip, dat De Balboa indertijd uitgezonden had, kwam terug met allerlei benoodigdheden voor een’ ontdekkingstocht in den „Grooten Oceaan” en de Kapitein liet in stilte De Balboa waarschuwen. De Gouverneur kwam er evenwel achter en had nu werkelijk iets, waarvan hij De Balboa beschuldigen kon. Deze dacht evenwel aan geen verraad en begon vier schepen te laten bouwen en wel aan deze zijde van het gebergte, omdat dit aan de andere zijde niet geschieden kon. De bouw van die schepen en het vervoer van alle materialen over de bergen, vormt op zichzelf reeds stof voor een heldendicht, en zie, juist stond De Balboa gereed om met driehonderd wakkere mannen, als Adelantado, een’ ontdekkingstocht te gaan aanvaarden, toen Francisco Pizarro bij hem kwam en hem in naam des Konings gevangennam, omdat hij eene samenzwering tegen het gezag gesmeed had. Ongetwijfeld had De Balboa tegenover De Nicuesa en De Enciso zeer verkeerd gehandeld, en de wijze waarop hij schepen uitzond met een doel, dat voor den Gouverneur geheim moest blijven, pleit ook tegen hem, maar dat Pedrarias het wagen zou om het doodvonnis over hem uit te spreken, dat had niemand, zelfs de Bisschop niet vermoed. En toch, dat gebeurde. Tal van Kolonisten sprongen voor hem in de bres en verlangden dat Koning Karel,—dezelfde, die als Karel V, later Keizer van Duitschland werd,—in deze recht zou spreken. Alles was vergeefsch, en de man aan wien Spanjes schatkist millioenen schats te danken had, werd in 1517 op tweeënveertigjarigen leeftijd onthoofd.

De schepen waarmede De Balboa den ontdekkingstocht wilde doen, kwamen nu onder bevel van Don Gaspar De Espinosa, die juist een’ voordeeligen tocht over de Cordillera’s gemaakt had. Niet zuidelijk voer hij, maar wel in eene noordelijke richting, en, na eene betrekkelijk korte afwezigheid, kwam hij met groote schatten terug. Zijn voorbeeld werd gevolgd door Don Gonçalez De Avila, die met honderd man een’ stouten tocht in de binnenlanden van het tegenwoordige Nicaragua deed. Wat hij hier vond, deed al zijne makkers verbaasd staan. Steden, waarin zich groote huizen van steen gebouwd bevonden, met een veertig duizend beschaafde inwoners, die allen gekleed waren en naar vaste wetten geregeerd werden, waren geene zeldzaamheid. Naast schitterenden rijkdom vonden ze er evenwel ook afzichtelijke armoede.

De Spanjaarden werden door den Kazike van Nicaragua met de meeste voorkomendheid ontvangen en met schatten overladen, doch toen Gonçalez De Avila te paard in het groote meer van Nicaragua sprong en dat in bezit nam voor Koning Karel, hielden de vriendschapsbewijzen op en werden de Spanjaarden zelfs door de Indianen aangevallen, zoodat ze slechts met groote moeite hunne schepen konden bereiken.

Breidde men zoo in Middel-Amerika de ontdekkingen op het vasteland steeds uit, ook de groote eilanden-wereld dezer streken werd gaandeweg meer bekend en aan Spanje onderworpen. Don Juan Pince De Leon, een oud soldaat, die reeds in den oorlog tegen de Mooren bijna grijs geworden was, had door zijn’ moed en beleid in de Nieuwe Wereld het zóó ver weten te brengen, dat hij Bevelhebber eener provincie op Hispaniola geworden was. Dit kalme en deftige leven kon den ouden krijger evenwel niet behagen, en daar hij bij helder weder dikwijls het eiland Boriquen of Portorico kon zien liggen, kwam de begeerte bij hem op om ook dit eiland, dat nog altijd als vergeten daar lag, voor Spanje in bezit te nemen. De Onder-Koning Ovando verleende hem verlof daartoe, en in 1508 stak de moedige krijgsman naar dit eiland over, en na daar nog al vrij veel goud verzameld te hebben, liet hij een deel der bemanning van zijn schip op het eiland achter en stak naar San-Domingo over, om den Onder-Koning het goud te laten zien. Ovando meende dat het in bezit nemen van dit eiland voor Spanje gewichtig genoeg was, en vertrouwde dat werk aan onzen De Leon toe, die evenwel nog eerst naar Portorico terugkeerde om te onderzoeken of die onderwerping ook zonder bloedvergieten kon plaats hebben. Zijn onderzoek liep gunstig af, en in 1509 was De Leon, hoewel met veel moeite, Gouverneur van het eiland, welks bewoners zich vrijwillig onderworpen hadden. Het duurde niet lang of ze begrepen zeer verkeerd gedaan te hebben, doch het was nu te laat om zonder wanhopigen strijd zich vrij te maken. In hunne eenvoudigheid geloofden de bewoners, dat de Spanjaarden onsterfelijk waren, doch toen ze met zekeren Salzedo eene proef namen, kwamen ze tot andere gedachten. Ze droegen hem over een water, lieten er hem, zoogenaamd bij ongeluk, in vallen, en gingen eenigen tijd op hem zitten. Toen hij nu uit het water aan den oever gebracht was, en men zag dat hij werkelijk dood was, besloot men de „sterfelijke” overweldigers te verdrijven. De Leon evenwel wist door dapperheid en krijgsbeleid den opstand te onderdrukken en stond, toen dit geschied was, willig zijn Gouverneursbetrekking af aan Juan Ceron en zocht door nieuwe daden zich te onderscheiden. De ouderdom kwam evenwel ook bij hem met gebreken, en toen hij eenige oude Indianen eens hoorde verhalen, dat er ten Noorden van hun eiland een land was, waar niet alleen goud in overvloed, maar ook eene bron gevonden werd, waarin men door een bad zich kon verjongen, besloot hij dat land op te zoeken en misschien wel eene heele nieuwste Nieuwe Wereld te zullen ontdekken. Als hij dan bovendien het geluk mocht hebben die bron te vinden, dan zou een scheepsruim vol parelen hem niet zoo rijk kunnen maken, als die ééne bron. Hij vond haar natuurlijk niet, maar wel vond hij op Palmzondag van het jaar 1512 het vasteland van Noord-Amerika. Hij nam het heerlijk schoone land voor Spanje in bezit en noemde het „Florida”, onder welken naam dat land nog altijd bekend staat. Dat hij het vasteland ontdekt had, wist hij bij zijn’ terugkeer echter niet; hij hield het voor een groot eiland. Op dien terugtocht nog altijd de „Verjongings-bron” zoekend, kwam hij bij een groot aantal eilandjes. Een’ groep gaf hij den naam van „Schildpadden-eilanden,” omdat zijne matrozen er in één’ nacht honderd zeventig schildpadden vingen, en een’ anderen groep noemde hij „Oude-vrouwen-eilanden,” omdat hij er slechts ééne oude vrouw vond. Hij nam haar aan boord, en door hare kennis met deze zee diende ze hem als loods. Goed en wel kwam hij op Portorico terug en stevende toen naar Spanje om den Koning bericht van zijne ontdekking te geven. De Koning benoemde hem tot Adelantado van Florida, doch inplaats van die betrekking te aanvaarden, nam hij het bevel over een vlootje op zich om de Caraïben te tuchtigen. De tocht mislukte en weer kwam hij op Portorico terug, dat hij evenwel later andermaal verliet om, als Adelantado, van Florida bezit te gaan nemen. De bewoners sloegen hem evenwel terug en zwaar gewond kwam hij op het eiland Cuba aan, waar hij kort daarna in hoogen ouderdom overleed. En nu we met De Leon op Cuba gekomen zijn, rijst misschien bij eenigen de vraag: „Was dat eiland nog steeds in de macht der inboorlingen en meende men nog altijd, dat het stellig het vasteland van Azië was?” We beginnen met het laatste gedeelte der vraag en antwoorden, dat alleen Columbus bij zijn overlijden nog geloofde, dat Cuba een deel van het Aziatische vasteland was. De Portugeesche ontdekkingen hadden voor anderen reeds zonneklaar bewezen, dat Columbus niet de „Indiën,” maar eene geheel nieuwe wereld ontdekt had. Cuba behoorde derhalve niet tot Azië, dat wist men reeds geruimen tijd, en dat het een eiland was, schooner, vruchtbaarder, rijker en veel grooter dan Hispaniola, ook dát wist men reeds, toen De Leon er den laatsten adem uitblies in 1520.

In 1511 had Don Diego Columbus aan Don Diego Velasquez, een’ der oudste volksplanters van Hispaniola, vergunning gegeven om dat eiland voor Spanje in bezit te nemen. Aan het hoofd van driehonderd ondernemende mannen en vergezeld door Las Casas en Hernando Cortez, vertrok hij derwaarts en op voorzichtige wijze te werk gaande, wist hij langzamerhand al de Kaziken aan zich te onderwerpen. Er was veel stofgoud te vinden, en van alle kanten kwamen Kolonisten om zich van dat goud meester te maken, doch daar zij zelven liever niet werkten, en Velasquez voorzichtigheidshalve de inboorlingen van Cuba vooreerst nog niet dwong om slavenarbeid te verrichten, zoo zond hij Don Francisco Hernandez De Cordova uit om op het vasteland, dat westelijk gelegen moest zijn, doch dat nog niet bezocht was, Indianen te gaan rooven. Dit geschiedde in 1517, en De Cordova ontdekte op den eersten Maart van dat jaar Kaap Catoche van Yucatan, doch meteen zag hij, dat hij hier niet wezen moest om onnoozele inwoners, als slaven, op te vangen. Had Don Gonçalez De Avila aan de westzijde van de landengte, in het rijk van Nicaragua, steden met beschaafde inwoners gevonden, hier ging het onzen De Cordova eveneens, en reeds uit zee ontdekte hij in de verte eene stad met torens en witte, steenen huizen. Ook hier toonden de inboorlingen zich niet zoo bijzonder verbaasd bij het zien van de Spanjaarden, en de Kazike noodigde hem zelfs uit om een bezoek in zijne stad te brengen. De Cordova voldeed hieraan en stond niet weinig verwonderd, dat hij bij zooveel beschaving ook zag, dat hij hier onder menscheneters was, die afgodendienaars waren. Wat wel opmerkelijk heeten mag is, dat die afgodsbeelden allen het kruisteeken droegen. De Cordova ontdekte echter, dat men hem en zijn volk in eene hinderlaag trachtte te lokken, en hij verliet daarom de stad en trachtte verder op de kusten slaven te vangen. Het mislukte hem echter overal, en zonder slaven, maar met het bericht, dat hij een land van beschaafde menscheneters gevonden had, kwam hij op Cuba terug. De Velasquez zond nu zijn’ neef, Don Juan De Gryalva met een vlootje uit om die merkwaardige kusten nauwkeuriger te verkennen. Hij kwam in hetzelfde land, doch den tocht van Kaap Catoche nog westelijker voortzettend, ontdekte hij onder de bewoners steeds meer beschaving. Vooral de bouwtrant der huizen deed hem aan zijn vaderland denken, waarom hij dat land den naam van „Nieuw-Spanje” gaf. Hij ging er aan den wal en begon met de bewoners, die zich Azteken noemden, ruilhandel te drijven. Goud was er onder de Azteken in zulke groote hoeveelheden, dat ze er bijna geene waarde aan hechtten, en groote klompen voor eenvoudige ijzeren gereedschappen gaarne inruilden.

Zij toonden evenwel heel duidelijk, dat ze nu juist voor zulk een klein aantal mannen met baarden niet zoo bevreesd waren, en daarom hoorde De Gryalva niet naar het voorstel zijner tochtgenooten om daar eene Volkplanting achter te laten. Dubbel tevreden met de onbegrijpelijk groote schatten, die hij aan boord had, keerde hij naar San-Jago de Cuba, de hoofdplaats van het eiland, terug. Welke de gevolgen waren van de berichten en de schatten, die hij aanbracht, zal in een volgend hoofdstuk verhaald worden, doch eer we dat doen, dienen we nog even te spreken over een ander beroemd reiziger, die als het ware als een nieuwe Christophorus Columbus optrad.

Ferdinand Del Magelhanes. (Geb. 1440, overl. 1521.)

Ferdinand Del Magelhanes. (geb. 1440, overl. 1521.)
Ferdinand Del Magelhanes. (geb. 1440, overl. 1521.)

De Portugeezen hadden hun gebied in de Indiën ook steeds uitgebreid, zoodat om Afrika’s Zuidpunt eene zeer drukke scheepvaart plaats had. Een der Portugeezen, die zich zeer beijverd had om de macht van Portugal in de Indiën te vergrooten, en die door zijne tochten reeds heel veel voordeelen aangebracht had, was zekere Ferdinand Del Magelhanes, een Portugeesch Edelman uit een oud, maar arm geslacht. Zijne diensten werden slecht beloond, en dit was ongetwijfeld wel de oorzaak, dat hij zich tot Koning Karel van Spanje wendde, om dezen Vorst zijne diensten aan te bieden tot het volvoeren van het plan, dat Columbus zich reeds voorgesteld had te zullen volbrengen. Ook Magelhanes hield zich overtuigd, dat men, het Westen inzeilende, eindelijk in de Indiën aankomen moest. Dat de aarde den vorm eener peer had, mocht Columbus nog beweerd hebben, reeds vóór hem leerden velen, dat de Aarde eene bolronde gedaante had, zoodat er mogelijkheid op bestaan moest, dat men eene reis om de Aarde deed. De groote vraag was maar: „Is er eene zee om die reis met een schip te doen?” Magelhanes, die uitgestrekte tochten in den Indischen Archipel gemaakt had, was opmerkzaam geworden op den vorm der landen ten Zuiden van de Oude Wereld. Groote schiereilanden met eene landengte zoo breed, dat men ze moeielijk schiereilanden noemen kon, liepen werkelijk peervormig naar het Zuiden. Dit was zoo in den Indischen Oceaan, dat was het geval met Afrika ook. Waarom zou nu de Nieuwe Wereld, door Columbus ontdekt, eene uitzondering maken? Voor dien vorm der landen moest immers eene oorzaak zijn? En de oorzaak, die gold voor de Oude Wereld, gold ook voor de Nieuwe. Bijgevolg hield Magelhanes zich overtuigd, dat de westelijke tocht naar de Indiën tot de mogelijkheden behoorde. Het blijkt niet, dat hij met dit plan reeds aan het Portugeesche Hof geweest was, toen hij het Koning Karel voorstelde, doch zeker is het, dat de Koning er dadelijk ooren naar had. De vraag alleen was maar: „Mag die tocht gedaan worden met het oog op de Pauselijke bullen, en zal hij, die het waagt ze te overtreden, met den Kerkelijken ban gestraft worden?” Slechts enkelen konden die vraag in ernst meer doen, want het was voor iedereen duidelijk, dat de deellijn tusschen het Spaansche en Portugeesche ontdekkings-gebied, zooals die door Paus Alexander bepaald was, eenvoudig niet kon getrokken worden, en met het oog op diezelfde lijn, viel het Del Magelhanes niet moeielijk om Koning Karel te bewijzen, dat de „Molukken” of „Specerij-Eilanden” tot het ontdekkings-gebied van Spanje behoorden. Het zou hem even gemakkelijk gevallen zijn om den Koning van Portugal te bewijzen, dat die eilanden niet door Spanje in bezit mochten genomen worden. Koning Karel was evenwel gerust gesteld; hij wist nu dat hij, zonder de bul te overtreden, de Molukken bij zijn gebied trekken kon, en benoemde Magelhanes, die met zijne korte, maar krachtige gestalte en fier uiterlijk een’ uitnemenden indruk maakte, tot Ridder van San-Jago, tot Opperbevelhebber over de vloot, die uitgerust zou worden, en tot Gouverneur der Molukken. Het was in 1519 toen Magelhanes met dit voorstel aan het Spaansche Hof kwam, doch dezelfde kleingeestige tegenwerking, die Columbus ongeveer dertig jaar geleden vond, vond Magelhanes ook. Onze moedige Ridder liet zich evenwel niet afschrikken, en de jonge Koning, die zelf, als vreemdeling, ook bij de echte Spanjaarden veel tegenstand ontmoette, ondersteunde Magelhanes zóó krachtig, dat reeds in Augustus eene vloot van vijf schepen, in alles uitmuntend uitgerust, in de haven van San-Lucar de Barrameda, gereed lag. De inscheping werd wat vertraagd, en zoo kwam het, dat Magelhanes pas den twintigsten September 1519 in zee stak. Bijna zeker van de wetenschappelijke overwinning, die hij behalen zou, had hij zijn Admiraalsschip den naam van „Victoria” gegeven. Den twaalfden Januari 1520 bereikte men de monding van de Rio La Plata, doch eer men daar was, had Magelhanes reeds ondervonden, dat men hem, den vreemdeling, slechts gedwongen gehoorzaamde. Moeite doen om zich onder het volk bemind te maken, scheen niet in het plan van den Admiraal te liggen, want toen men hem vroeg: „Waarheen wilt gij ons toch brengen?” gaf hij het hooghartige antwoord: „Vraagt niets! Het is uw plicht mij te volgen. Mijne vlag zal u over dag en mijn seinlicht bij nacht den weg wijzen.” Dat dit antwoord de trotsche Spanjaarden krenken moest, had hij vooraf kunnen begrijpen, en er ontstond ook algemeen gemor, dat oversloeg tot opstand. Men wilde Magelhanes dwingen, zijn plan te laten varen, en om de Kaap de Goede Hoop heen naar de Molukken te stevenen, en toen dit beslist geweigerd werd, zeiden drie Kapiteins hem hunne gehoorzaamheid op. Met behulp van zwaard en strop wist de Admiraal het oproer te dempen, doch gedurende den strengen winter, die volgde, terwijl ze in eene baai lagen, kostte het niet weinig kracht om het gezag te handhaven. De baai, waar de schepen lagen, bevond zich op ruim 49° Zuiderbreedte, dat is ongeveer op dezelfde breedte, als Parijs ten Noorden van de Linie ligt. Het klimaat van Zuid-Amerika kan evenwel op die breedte gerust gelijk gesteld worden met dat van Stockholm, zoodat het ons niet bevreemdt, dat de Spanjaarden, aan milder klimaat gewoon, er ontzettend veel koude leden en er tegen opzagen om nu nog verder het Zuiden in te gaan. Tot hoe ver? „Vraagt niets; het is uw plicht mij te volgen,” had Magelhanes gezegd. Tot in Augustus waren ze genoodzaakt in die baai te blijven, en toen eerst waren ijs en sneeuw opgeruimd, en was de weg naar het Zuiden weer vrij. Pas echter was hij op weg, of een der schepen liep op een rif, en de bemanning had juist nog den tijd om zich het leven te redden, doch al het overige, dat aanboord was, verdween in de golven. Het weder werd steeds onstuimiger, en de Admiraal was verplicht om naar de baai, waar hij overwinterd had, terug te keeren. Opnieuw brak er oproer uit en moesten zwaard en strop de orde herstellen. Eindelijk werd het weder gunstiger; de vaart werd voortgezet, en den twintigsten October had Magelhanes het geluk Amerika’s Zuidpunt te bereiken. De zeeëngte, welke hem van den Atlantischen naar den Grooten Oceaan bracht, kreeg den naam van „Straat van Magelhanes.” Ware hij nu de kust gevolgd, dan zou hij ook Chili en Peru ontdekt hebben. Hij deed het evenwel niet, en zond alleen twee zijner schepen uit om de heele zeeëngte nauwkeurig te onderzoeken. Het volk van een dezer schepen, nu buiten toezicht van den Admiraal, sloeg tot oproer over, en dwong de Officieren om naar Spanje terug te keeren. Met drie schepen stevende Magelhanes thans den Oceaan in, dien hij, omdat hij op de heele verdere reis geen’ hevigen wind had, den naam van „Stillen Oceaan” gaf. Mag het vreemd genoemd worden, dat hij in dezen Oceaan, waar evenzeer stormen heerschen, als in elken anderen, meer dan drie en eene halve maand lang kalm weder had, nog vreemder was het, dat hij in al dien tijd niet één der eilanden zag waarmede deze Oceaan als bezaaid is. Alle levensbehoeften waren reeds verbruikt, en met graagte werden de ratten en muizen gegeten, welke men beneden in het scheepsruim ving, toen men eindelijk den zesden Maart land ontdekte. Men was in den Archipel gekomen, waar, tusschen de 13 en 20 graden Noorderbreedte, de groote groep eilanden zich bevindt, welke bekend staan onder den naam van „Ladronen” of „Dieven-eilanden”. Met gejuich werden deze eilanden begroet, en hoopvol zette men, na een’ rijken voorraad levensmiddelen aan boord genomen te hebben, de reis voort. In het begin van April bereikte men de „Filippijnsche Eilanden”, waar eene vrij lange rust zou genomen worden om de schepen wat te herstellen. De natuur was er heerlijk en de bewoners waren vrij beschaafd en vriendelijk, zoodat Magelhanes begon met hier het Christendom te laten prediken. De Koning van het eiland Zeboe liet zich zelfs doopen, doch de Koning van het eiland Matan verkoos hiertoe niet over te gaan, en toen Magelhanes hem met geweld wilde dwingen om het Christendom te omhelzen, viel de Koning hem onverwachts aan, en doodde hem. Thans van hun’ Aanvoerder beroofd, vloden de reizigers naar hunne schepen, doch daar door honger en ziekten, en nu door het gevecht met den Koning van Matan, hun aantal veel te gering geworden was om drie schepen te bemannen, zoo werd één schip in den grond geboord. De andere twee kwamen pas den derden November op Tidori, een van de Molukken, aan. Zij vonden dat eiland echter door de Portugeezen bezet, en dezen stonden verbaasd te kijken, dat men uit het Oosten tot hen gekomen was. Men deed hen evenwel geen’ overlast, en stond hun zelfs toe om de „Victoria” met specerijen te laden. Het andere schip de „Trinidad” moest daar blijven, om hersteld te worden. Nu werd de thuisreis aangenomen, en den zesden September 1522 kwamen de eerste aardomzeilers te San-Lucar aan. Van de vloot van vijf schepen waarmede Magelhanes uitgezeild was, waren slechts twee schepen terug gekomen, en een van deze was reeds halverwegen den tocht naar Spanje gezeild. De „Trinidad” bleef op Tidori, en van hare bemanning kwamen slechts drie matrozen en een Geestelijke in Spanje weder. Op de „Victoria” waren bij de aankomst in San-Lucar slechts dertien Spanjaarden, zoodat van de tweehonderd veertig mannen, die uitgezeild waren, maar zeventien de heele reis om de Aarde gedaan hadden. Gelukkig behoorde tot die zeventien de geleerde aardrijks- en geschiedkundige Pigafetta, die dezen merkwaardigen tocht beschreef en daardoor aan de wetenschap een’ buitengewoon grooten dienst bewees.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings